Nieuws

Het zwijgen van Jezus

Vandaag hoorden wij het evangelie over zijn ontmoeting met de syro-phoenische vrouw, die Hij heel anders behandelt dan wij zouden verwachten. Doorgaans gaat Hij gewillig in op vragen van mensen, als zij uiting geven aan hun oprecht geloof. En meestal, of altijd, toont Hij zich vriendelijk tegenover vrouwen. Maar deze zo beproefde vrouw weert Hij bars af.  “Hij gaf haar in het geheel geen antwoord.”  Van de apostelen hoeft de vrouw ook geen hulp te verwachten. Die zeggen ijskoud: stuur ze weg!

Jezus hult zich in zwijgen De vier evangelisten leveren ons woorden van Hem over, maar daarmee is Hij altijd zuinig geweest.

Het zijn woorden van gezag en barmhartigheid, van troost en deernis. Als je die zou verzamelen zou je een klein, maar kostbaar boekje in handen hebben.

Maar het zwijgen van Jezus! Dat is een mysterie. Daarin communiceert Hij nachtenlang en ieder mogelijk moment met zijn  hemelse Vader. Een van de apostolische Vaders, de h. bisschop en martelaar Ignatius van Antiochië. Ignatius was rond het jaar 60, dus heel vroeg, de derde bisschop van Antiochië, en genoot groot gezag. In het jaar 110 werd hij ter dood veroordeeld en bracht men hem naar Rome waar hij voor de wilde dieren werd geworpen. Op zijn tocht naar Rome, heeft hij prachtige brieven geschreven aan de christen van de gemeenten waarmee hij in contact stond. Daarin toont hij zich een theoloog en een mysticus. En hij doet diepe uitspraken over Jezus’ missie. In zijn brief aan de Efesiërs schrijft hij:

“De maagdelijkheid van Maria en het voortbrengen van Jezusbleef aan de heerser van de wereld verborgen. Dit geldt ook voor de dood van de heer: drie uitgeschreeuwde geheimenissen die in de stilte van God werden volbracht.”” En in zijn brief aan de Efesiërs schrift hij over de profeten dat God zich aan hen openbaarde door Jezus, zijn zoon, Het Woord dat uit het zwijgen uitging”. En nog één laatste citaat:

“Het is beter te zwijgen en iets te betekenen, dan te spreken en niets te zijn. Er was één leraar die sprak en het geschiedde, maar ook wat Hij zwijgend heeft gedaan was waardig aan de Vader. Die het woord van jezus werkelijk bezit kan om volmaakt te zijn ook naar zijn stil-zijn luisteren. Zo handelt hij door zijn spreken en wordt hij gekend door zijn zwijgen.

Kortom: het zwijgen van Jezus, is geen barse afwijzing, en dat toont Hij in heel zijn verder gedrag.

Volgens de bijbeldeskundigen is dit een scharniermoment in de missie van Jezus. En dat wordt prachtig gesymboliseerd in de twee wonderbare spijzigingen die deze episode omkransen.

In het voorgaande hoofdstuk (maar die hoofdstukindeling is pas veel later aangebracht) lezen we over de wonderbare spijziging als de mensen – na de onthoofding van Johannes de Doper – Jezus achterna zijn gekomen in de eenzaamheid. Er is geen voedsel, maar vijf broden en twee vissen blijken genoeg voor vijfduizend mannen, vrouwen en kinderen niet meegerekend. En de leerlingen haalden twaalf volle korven op, voor de twaalf stammen van Israël.

Met een na de genezing van de dochter van de dochter van de heidense vrouw is er weer een wonderbare spijziging.  Dan blijken zeven broden voorhanden, en wat visjes. Vierduizend mannen kunnen zich eraan te goed doen, vrouwen en kinderen niet meegerekend. En ze houden zeven volle manden over, symbool dat niet enkel de twaalf stammen van Israël gevoed worden, maar heel het heidendom. Zeven is immers het getal van de volmaaktheid.

Dierbare, dikwijls ervaren wij het zwijgen van de hemel als een beproeving. Maar wij mogen verzekerd zijn van het gesprek tussen Vader en Zoon, wij mogen verzekerd zijn van de liefde van de Geest.

Wij zien in het leven van Jezus vreselijke dingen gebeuren, maar wij vertrouwen dat Hij ze te boven is gekomen. Nee, wij begrijpen niet waarom het gaat zoals het gaat, maar wij mogen hopen dat God ons allen insluit in zijn ontferming, dat Hij ons eens samenbrengt in zijn huis van gebed, en dat wij kunnen bijdragen aan Gods heilswerk, door vrijmoedig, onophoudelijk, en  ook gezamenlijk te bidden, want Hij zoekt onze medewerking, en misschien zou het allemaal wat vlugger gaan, als wij die bereidwillig zouden geven.

AMEN

Broeder Gerard Mathijsen

Over de wereldzee

Misschien vond u het verhaal van de broodvermenigvuldiging dat wij vorige week zondag hoorden beter passen bij de vakantietijd dan het relaas over de storm op het meer dat zojuist is voorgelezen. Maar stormen trekken net als bosbranden zich niets aan van vakantie zoals wij afgelopen weken maar al te zeer hebben ervaren. En soms komt de storm in het leven juist opzetten als in de vakantie alle drukte van je afvalt. Dan blijkt ineens hoeveel chaos er in je leven zit of dat je relatie in zwaar weer terecht is gekomen.  En dan is het zaaks een gids op de woelige zee te vinden. Laten wij dus samen nog eens stilstaan bij het evangelie, wie weet krijgen wij, die allemaal in de boot zitten, toch een woord van leven te horen.

Het verhaal begint trouwens helemaal niet dramatisch, integendeel, het begint net als het verhaal van de wonderbare spijziging met Jezus die zich terugtrekt om in stilte te gaan bidden. Maar eerst heeft hij dan de leerlingen de opdracht gegeven alvast met de boot naar de overkant te varen, terwijl hij de mensen naar huis zal sturen. Waarom gaat hij zo te werk? Wilden de leerlingen misschien gaan pronken met de maaltijd, waarbij ze in feite meer zouden zorgen voor tegenweer en ongeloof? Jezus zelf zocht juist de stilte op, omdat hij wist dat het niet zijn werk was, maar dat van de Vader, op wie hij al zijn vertrouwen stelde.

Vorige week ging het verhaal, zo heeft broeder Paul zo mooi uitgelegd, om vertrouwen en vandaag zal het daar ook om gaan. Maar de situatie waarin de leerlingen daartoe uitgenodigd worden verschilt.

Ze zitten in de boot, beeld van de kerk, die als een ark van Noé over de wereldzee gaat. De Heer zelf is niet aan boord, maar hij heeft hen in de boot samengebracht en  de bestemming aangegeven. De vaart gaat naar het land van overzee, een tocht die de Heer zelf heeft volbracht want hij is het doodswater overgestoken.

Wij zitten in die boot en hebben elkaar om naar de overkant te roeien. Dat vergt dus samenwerking anders zal het niet lukken en leiden wij misschien schipbreuk in een wereld in zwaar weer. Golven van geweld en alles wat er in dat spoor meekomt. En is het geen oorlog dan zijn er andere golven die mensen overspoelen. Teveel om op te noemen, maar in al hun verscheidenheid even destructief, in het klein en in het groot. Huiselijk geweld, ziekte, discriminerend gedrag in maatschappij en politiek, falende rechtspraak, om nog maar te zwijgen van het klimaat dat voor aardverschuivingen zorgt. Wij zitten dus in de boot op deze wereldzee.

En de zee gaat almaar hoger, en de stuurman is niet aan boord, zal de boot het wel houden? De stuurman is vertrokken, de berg op, opgenomen in het stil gesprek met Hem die hij zijn leven lang zijn Vader noemde. Jezus heeft bij zijn leven het woelige water getrotseerd. Alle dagen is hij in touw geweest om mensen op de woelige zee nabij te zijn, de hand te reiken, ze op te vissen als ze in het water lagen of ze te voeden met brood in de woestijn. Mensen op het droge brengen, ze aan boord nemen om te voorkomen dat iemand het leven zou verliezen. Hij heeft dat een leven lang gedaan, hij heeft er zijn leven aan gewaagd om zo goed als God te zijn. Want die wil niet dat iemand verloren gaat, hoe hoog de golven ook gaan. En toen de wateren zich om hemzelf sloten,  bleef hij vertrouwen en geloven dat zijn Vader hem er doorheen zou loodsen, hem door het water heen aan de overzij zou brengen in nieuw land. Land aan de overzij.

We zitten in de boot en het is zwaar weer, dat is zeker. Maar in dat zware weer en over de woeste golven komt er een op ons toe. Eén die de golven heeft getrotseerd en die het gewaagd heeft  over het water te lopen. Daar waar geen weg is en wij denken te verdrinken heeft hij het gewaagd in het vertrouwen dat Hij wiens naam is “Ik zal er zijn” met ons gaat. Waar angst ons een spook doet zien, komt de Heer op ons toe. Midden in de storm klinkt er een ijle stem. “Vreest niet, ik ben het”, zegt hij tot de bootslui. En op dat woord is er een die het waagt, al weet hij het niet zeker. Hij waagt het, hij heeft vertrouwen, maar er is ook sprake van aarzeling: “als gij het zijt”, dus misschien toch niet. Maar hij waagt het en we mogen veel commentaar hebben op Petrus, altijd haantje de voorste, een branie op zijn tijd, maar hij is de enige die zich op glad ijs, op het water begeeft, de anderen blijven veilig in de boot. Nou ja, veilig. Maar over water wandelen, waar geen weg is om te gaan, daarvoor moet je een groot geloof hebben, vertrouwen dat de Heer je bij de hand houdt, ook in het duister. Als Petrus dan denkt aan de huizenhoge golven en de Heer uit het oog verliest, dreigt hij te verdrinken. “Heer, red mij”, horen wij hem roepen. Dat is een gebed, maar ook een geloofsbelijdenis, hoe kort ook. En hij redt het, niet op eigen kracht, maar omdat hij bij de hand genomen wordt. Hij, God met ons, gaat met ons door water en woestijn, maar je moet erop vertrouwen, je moet op Hem vertrouwen. Niet op macht en getal, niet regels en oude gebruiken, maar op de Geest van hem die de wateren heeft getrotseerd en voor ons een spoor trekt midden door de zee. Wagen wij het met hem en vergeten wij niet al die mensen bij de hand te nemen die juist als wij uitzien naar nieuw land, naar vaste grond onder de voeten, land van overzij.

Wij zitten samen in de boot, laten wij dan ook oog en oor hebben voor wie niet weten hoe nu verder. Die geen land aan de einder vermoeden, die geen toekomst zien en vrezen kopje onder te gaan. Laten wij het samen wagen in het vertrouwen dat Jezus met ons gaat, dat hij op ons toekomt van de overzij, waar alle leed geleden is en licht alle duister verdrijft. Een nieuwe Morgen en Nieuw Land. Amen.

 

Vader Abt Thijs Ketelaars

 

Lezingen:  1 Koningen 19: 9a + 11-13a; Romeinen 9: 1-5; Matheus 14: 22-33

 

Breng ze mij hier

Bij een rondleiding in onze abdij wordt wel eens gevraagd: ‘Met hoeveel monniken zijn jullie  hier nog?’ Een medebroeder antwoordt dan soms met een glimlach: ‘Met hoeveel zijn we al?’

Het is geen woordspelletje. Het raakt aan een verschil in kijken. Want dezelfde werkelijkheid kan vanuit verschillende houdingen worden bekeken. De ene blik begint bij wat ontbreekt, de andere bij wat gegeven is.

Misschien raakt dit aan iets fundamenteels van ons mens-zijn. Wij zijn mensen die niet alles in handen hebben. Wij zijn eindige, kwetsbare mensen. Wij dragen grenzen mee en kennen een verlangen naar volheid dat wij zelf niet kunnen maken. Daarom spreken filosofen over een menselijk zijnstekort: wij vallen nooit helemaal samen met wie wij zouden willen zijn.

Dat tekort voelen wij op vele plaatsen. Wij zien de zorgen van onze wereld: oorlog en geweld, de kwetsbaarheid van de schepping, vragen rond de toekomst van de Kerk. Maar ook dichter bij huis kennen wij het: een lichaam dat minder kan, een verlies dat blijft wegen, een gevoel van machteloosheid of spijt om wat anders had kunnen zijn.

Daarom is onze menselijke reflex zo begrijpelijk: wij kijken naar wat ontbreekt. Wij maken een inventaris van het gemis. Maar daar zit ook een gevaar. Want wij nemen niet alleen waar wat er is; wij trekken vaak onmiddellijk een conclusie uit wat wij zien. En precies daar begint het evangelie van vandaag.

In het evangelie (Mt. 14, 13-21) kijken de leerlingen, wanneer de avond valt op de eenzame plaats, naar de situatie. Hun waarneming is eigenlijk heel nuchter. Het is laat geworden. De plaats is verlaten. Er zijn veel mensen. Er is weinig voedsel. Er zijn maar vijf broden en twee vissen. Hun analyse klopt.

Maar dan komt hun conclusie:  ‘Stuur de mensen weg.’

Misschien herkennen wij dat. Er is te weinig, dus kunnen wij niets doen. Het probleem is te groot, dus heeft mijn kleine bijdrage geen zin. De situatie is te ingewikkeld, dus kunnen wij beter afhaken.

Maar Jezus gaat niet mee in dat ‘dus’. En dat is belangrijk: Jezus corrigeert niet eerst hun waarneming. Hij ziet hetzelfde als zij. Hij ziet de menigte. Hij ziet de nood. Hij ziet de beperkte middelen. Hij doet niet alsof er meer is dan er is. Maar Hij weigert dat het tekort de laatste conclusie wordt. Hij zegt niet: ‘Wat missen jullie nog? Laten we eerst eens bekijken hoe groot het probleem is.’ Hij zegt: ‘Breng ze Mij hier.’

Met die woorden verplaatst Jezus het centrum van de situatie. Niet langer staat het tekort in het midden, maar de ontmoeting met Hem en het vertrouwen dat Hij vraagt. Hij vraagt niet dat de leerlingen eerst alles op orde brengen. Hij vraagt niet dat zij eerst genoeg hebben. Hij vraagt dat zij brengen wat er is. Dat is een heel andere beweging.

Dat is ook de beweging die wij horen bij Jesaja (Jes. 55, 1-3). De mens denkt gemakkelijk volgens een menselijke logica: eerst iets hebben, eerst iets kunnen betalen, eerst iets kunnen aanbieden. Maar Jesaja verkondigt: ‘U die geen geld hebt, kom, koop en eet.’

Bij God begint alles niet bij onze mogelijkheid om iets te verwerven. Gods gave gaat vooraf aan onze prestatie. Wij komen niet tot God omdat wij genoeg hebben. Wij komen omdat Hij ons uitnodigt.

Ook de apostel Paulus spreekt in de tweede lezing vanuit diezelfde werkelijkheid (Rom. 8, 35.37-39). Hij maakt geen mooie voorstelling van het leven. Hij noemt verdrukking, angst, vervolging, honger, gevaar. Het is als het ware de volledige inventaris van de menselijke kwetsbaarheid. Maar de apostel Paulus trekt niet de conclusie: ‘Dus zijn wij verlaten.’

Zijn conclusie is: ‘Niets kan ons scheiden van de liefde van Christus.’

Hij ontkent de moeilijkheden niet. Maar hij weigert dat zij het laatste woord hebben.

Voor ons allemaal – monniken en pelgrims samen – komen deze lezingen dadelijk heel concreet samen op de drempel van het altaar. Dat altaar is het ‘hier’ waar Jezus over spreekt.

Want ook wij brengen dadelijk iets mee. Wij brengen brood en wijn. Maar wij brengen ook ons eigen leven mee: onze dankbaarheid, onze zorgen, onze vragen, onze beperkte mogelijkheden. Wij brengen niet een volmaakte werkelijkheid. Zoals de leerlingen geen overvloed aan brood hadden, zo komen ook wij niet met alles geregeld.

Jezus vraagt van ons vandaag geen volmaaktheid. Hij zegt simpelweg:

‘Dat weinige dat je vandaag kunt aanbieden – die oprechte zorg voor je naaste en de zorg voor de schepping, die breekbare goede wil, je gebed voor de vrede, ja, zelfs je diepe machteloosheid over de wereld en de zorgen om de Kerk – houd het niet voor jezelf. Breng het Mij hier.’

De eucharistie is geen menselijke poging om met weinig veel te maken. En zij is ook geen wonder dat losstaat van wat mensen aanbieden. De beweging van de eucharistie is dezelfde als die van het evangelie: wij brengen, Christus neemt aan. Hij dankt. Hij breekt. Hij deelt. Wat in onze handen klein en ontoereikend lijkt, wordt opgenomen in de oneindige gave van Christus.

Daarom blijft dat eenvoudige woord van Jezus vandaag klinken: ‘Breng ze Mij hier.’

Niet omdat wij de kwetsbaarheden van ons leven, de Kerk en de wereld zelf kunnen oplossen. Maar omdat wij mogen vertrouwen dat geen enkel tekort het laatste woord heeft wanneer het in de handen van Christus wordt gelegd.

Amen

 

Broeder Paul

Lezingen: Jes. 55, 1-3 , Rom. 8, 35. 37-39, Mt. 14, 13-21

Een schat in de Akker

De parabel van de schat in de akker heb ik altijd een van de allermooiste verhalen in het Evangelie gevonden. Ik denk dat Jezus dit verhaal al heeft bedacht, toen Hijzelf nog een jongetje was. Een echte kinderdroom.

Hoe verbaasd was ik toen ik in het mooie boek van Charles van Leeuwen: “Een beetje monnik” las wat erop 11 maart 1954 gebeurde in de kloostertuin van de Franse abdij Saint-Wandrille, in Normandië, een van de oudste kloosters in Frankrijk, gesticht in 649, meerdere keren verwoest, maar steeds opnieuw door monniken bevolkt. Er zijn van die plaatsen, zoals Montecassino dat bijna 1500 jaar bestaat, in Frankrijk Ligugé, het oudste klooster in Europa, gesticht door St. Martinus in 361, en Saint-Wandrille zoals gezegd uit 649, waar het monastieke leven zo wortel geschoten heeft dat het niet uit te roeien is. MonteCassino is drie keer verwoest, Ligugé en Saint-Wandrille nog vaker, Egmond pas een keer, en altijd weer zijn de broeders teruggekomen en zingen ze Gods lof.

In de 50er jaren fungeerde een van de monniken van Saint-Wandrille als aalmoezenier voor de plaatselijke scouts; hij had op een zondag een spelletje bedacht. De verkenners moesten in de kloostertuin zoeken naar een verborgen schat. Hij had een pot met snoepjes gevuld en deze verborgen in de ruïne van de oude kloostermuur achter een losse steen. Zelf ging hij met een vroom boek in de tuin rustig lezen. Hij dutte weg, maar werd al spoedig gewekt door een groepje dat enthousiast kwam aanzetten met een bokaal vol gouden munten. Hij was nog aan het bekomen bekomen van de verbazing toen een tweede groepje zich meldde, met net zo’n bokaal, ook tot de rand gevuld met gouden munten. En ten slotte nog een derde. Te mooi om waar te zijn, een prachtig verhaal Zou het echt waar zijn? Het vorig jaar ontmoette ik de huidige abt van Saint Wandrille, die het gebeurde bevestigde (en het staat ook, met alle details op internet: le trésor de Saint- Wandrille) *: 501 Louis d’or, verdeeld over drie bekers,verstopt door iemand die de schat later niet meer heeft kunnen ophalen. De vondst heeft op een veiling  miljoenen opgeleverd, een bedrag dat netjes verdeeld is tussen de vinders en de abdij. In tijden van onrust begraven mensen hun schatten. Niet iedereen is later in de gelegenheid het terug te nemen. Dat is in al die eeuwen weinig veranderd. Ons aardse bestaan blijft een hachelijke zaak, maar ook blijven er gouden meevallers. Daarvoor oog hebben, en daarin meegaan, is dat niet waar Jezus op aanstuurt? En dat vooral waar het gaat om het essentiële in ons bestaan: het realiseren van onze roeping! Want er zijn kostbaarder schatten dan gouden munten. Dat wil het Evangelie ons leren.

En, dierbaren, ik zal u een geheim verklappen: er is hier in de abdijkerk ook wel degelijk een schat te vinden, een grote schat. Ga op een vrij moment in de sacramentskapel, en ontdek in het stil gebed bij de Heer hoe Hij in uw leven aanwezig wil zijn. Laat Hem binnen met een blij hart, geef Hem alles, en u hebt geen behoefte aan Louis d’Or of aan parels. Of stort uw hart uit bij de ikoon van de Moeder Gods. Zij zal naar u luisteren en u overladen met gaven die niemand u kan ontnemen.

De nabijheid van de Heer, de voorspraak van zijn Moeder, zijn een rijkdom waar geen materieel douceurtje tegenop kan. Zij komen naar u toe en blijven u nabij in de zorgen van dit aardse leven. Vindt uw rijkdom bij de Heer, en niemand kan hem u ontroven.

Volgens de eerste lezing vroeg de jonge Salomo in zijn gebed niet om een ​​lang leven, noch om rijkdom, noch om de dood van zijn vijanden, maar om de kostbare parel, de schat van Wijsheid. Hij vroeg om een ​​intelligent en wijs hart, een aandachtig hart, of zoals de tekst letterlijker zegt: een hart dat luistert, dat luistert naar het woord van Wijsheid, dat in het Evangelie het Goede Nieuws van het Koninkrijk wordt.

Laten ook wij vragen om een ​​hart dat met vreugde luistert naar Wijsheid, het Woord van het Koninkrijk; en wij zullen vol vreugde een schat vinden, een kostbare parel. Zo zij het.

Amen

broeder Gerard Mathijssen

 

* Lees hier het verhaal in het Frans! 

homilie professie br. Johannes

Bij de tijdelijke professie van broeder Johannes drie jaar geleden stond er op de omslag van het liturgieboekje een afbeelding van Maria Magdalena in zwart wit. Ze was van de hand van frère Francois Mes, monnik van de Sint Paulusabdij in Oosterhout. Hij was een beroemde colorist, maar de keuze viel toen op een houtsnede van Maria Magdalena met in haar hand een kruikje. Ze is op weg om het lichaam van Jezus te balsemen. Haar blik verraadt een zware tocht.

Vandaag treft u op de omslag van de liturgie opnieuw een beeltenis van Maria Magdalena aan, maar dit maal in kleur van de hand van een andere kunstenaar. De keuze is door broeder Johannes zelf gemaakt. Een heel andere afbeelding dan drie jaar geleden en ze gaf mij te denken.

Bij de tijdelijke professie preekte ik over de twee gezichten van Maria Magdalena die de traditie ons heeft overgeleverd. Een portret van een gekwelde vrouw die door Jezus wordt genezen en het portret van een stralende, tot leven gewekte vrouw bij de ontmoeting met de opgestane Heer. Maar toen ik bij de voorbereiding van deze preek de afbeelding van drie jaar geleden naast die van de kleurige afbeelding van vandaag zag liggen, besefte ik dat ik destijds éen portret over het hoofd heb gezien. Misschien zijn er zelfs nog meer, maar vandaag bij deze plechtige professie houd ik het op drie en dat niet zonder reden. Zij helpen mij ook een beter zicht te krijgen op de weg van het monastieke leven dat voor broeder Johannes vandaag op een kruispunt staat.

De portretten die de traditie ons aanreikt, hebben zeker voor een deel trekken gekregen van andere Maria’s en zelfs van een naamloze zondares uit het evangelie van Lucas. Welbeschouwd komt de naam van Maria Magdalena in de vier evangelies alleen voor in het passie en opstandingsverhaal. Er is één uitzondering, een  plaats in het Lucas’ evangelie. Hij  spreekt over Maria Magdalena die samen met enkele andere vrouwen Jezus volgt op zijn tocht. En wanneer hij dat schrijft, zegt hij er bij dat uit haar zeven demonen zijn weggegaan. Leveren die gegevens ons nu wel genoeg materiaal voor het schilderen van een portret? Ik vermoed van wel, zelfs voor drie portretten. Misschien worden het geen Vlaamse meesters met hun meesterlijk realisme, maar worden het eerder expresionistische doeken of misschien impressionistische al naar uw hand wil.

Dat schaarse materiaal heeft een voordeel. Het geeft ons de gelegenheid ons in te leven in de persoon van Maria Magdalena. Ze maakt ons deelgenoot aan haar innerlijke reis. Ze wordt door Jezus van zeven demonen genezen. Hoe dat gebeurt en welke demonen het zijn horen wij niet. Het evangelie is geen roddelblad. Het maakt ons in het voorbijgaan deelgenoot van een ontmoeting die helend is. Daarmee wordt ons nu de gelegenheid gegeven om zelf stil te staan en te ontdekken wat er met je gebeurt als Jezus je in je verwarring, in je vervreemding aankijkt met een meelevende en leven gevende blik, je aanspreekt met een woord dat je nog nooit zo hebt horen zeggen. Maria Magdalena, ze wordt er innerlijk door geraakt, het leven gaat in haar stromen. Deze Jezus wordt haar leven en ze sluit zich aan bij de groep die met hem optrekt. Haar leven heeft een wending genomen. Ze heeft iemand om voor te leven, om mee te leven, ze krijgt deel aan een nieuw bestaan. Ze weet zich met heel haar historie aanvaard en bemind. Zo en niet anders.  Dat portret mag u nu op het doek zetten. Het krijgt dunkt mij veel kleuren al zitten er hier en daar donkere vegen in. Het ademt toekomst en vreugde.

Het tweede portret laat een heel ander gezicht zien. Het is een vrouw die ooggetuige is geweest van een terechtstelling en nu na een duistere nacht waarin ze geen oog heeft dicht gedaan, met een paar anderen op weg is om het lichaam te balsemen en misschien zelfs mee te nemen. De droom van haar leven is stuk geslagen. Ze had het zich zo anders voorgesteld. Ze denkt aan niets anders dan redden wat er nog te redden valt. Een dode meenemen. Maar wat dan? Leven met een dode? Is er nog een morgen?

Derde portret. Een vrouw die de dood achter zich heeft gelaten, die de dode achter zich heeft gelaten. ‘Houd mij niet vast”, ze wordt geroepen de liefde in een nieuw licht te beleven. Want liefde is sterker dan de dood, en God is groter dan ons hart en alleen wie hem vrij spel laat kan herboren worden tot Paasmens. De liefde van Maria Magdalena sterft niet, zij hoeft die ook niet prijs te geven, maar die liefde vraagt om transformatie. Niet leven met hem zoals voorheen, maar leven in hem, zich door zijn liefde laten bewonen als Licht dat leven geeft, als Licht dat het hart verruimt en haar naar de broeders en zusters doet uitgaan met de liefde van de opgestane Heer. De wereld bewonen als brenger van hoop, want de liefde van Christus laat ons geen rust. Een portret in het volle licht, een bloementuin, waar kleuren en geuren leven schenken.

Broeder Johannes, jij gaat vandaag je plechtige professie doen op het feest van Maria Magdalena. We hebben stilgestaan bij drie portretten, die een blik werpen op haar leven. Ze laten ook iets zien van onze weg als monnik. Jij weet je gezien en aangesproken door Jezus, en je bent op weg gegaan met hem, en zoals Maria Magdalena, doe je dat samen met anderen, hier in dit huis.

Het tweede portret schrikt misschien af, maar de dood met zijn vele gezichten is de poort naar het leven. Onze liefde moet getransformeerd worden om te worden tot louter Licht dat de ander in het licht stelt. Loslaten in vertrouwen. De donkere nacht is niet het einde, maar deel van de weg.

Het derde portret laat in zijn volle klaarheid nog op zich wachten, maar het feit dat jij, broeder, deze afbeelding hebt gekozen voor deze dag laat ons vermoeden dat de opgestane Heer je al laat delen in zijn Geest die het oude bestaan transformeert en kleur en geur geeft nooit vermoed.  Wees er mee gezegend en wees een zegen als Maria Magdalena, apostel van de apostelen, hier in onze gemeenschap en voor allen die met ons in tal van verbanden de weg van het leven gaan.

AMEN.

Vader Abt Thijs Ketelaars

 

Homilie gehouden op 22 Juli, Feestdag Maria Magdalena t.g.v. de plechtige gelofte van broeder Johannes Clement.

Lezingen: Hooglied 3: 1 4A  Johannes 20: 1 + 11-18

Foto: Armando Jongejan

Geduld

De vorige week hoorden wij in  het evangelie spreken over God als zaaier en broeder Paul heeft daar gloedvol over gepreekt. Vandaag is het de beurt aan het vervolg van die passage en weer gaat het over zaaien, over God die zaait. En ook nu gaat het opnieuw over het rijk der hemelen. Maar lag vorige week het accent op de zaaier die niet bekrompen is maar met gulle hand strooit en geen plek op de akker en naast de akker overslaat, vandaag ligt het accent op het geduld van de zaaier. Je kunt wel met gulle hand uitstrooien, maar als je daarna geen geduld hebt, wat dan?

Nu leven wij in een samenleving die weinig opheeft met geduld. De technische ontwikkelingen van de voorbije eeuwen en de snelle ontwikkelingen van de laatste decennia hebben er mede voor gezorgd dat er een mentaliteit is ontstaan die alles op staande voet wil zien gebeuren. En met dat ongeduld is er nog een woekerplant opgeschoten, namelijk dat alles moet en kan zoals wij het willen.

Nu is die houding niet enkel iets van onze tijd, maar misschien is het wel in een hogere versnelling gekomen. Ongeduld en het leven naar eigen inzicht  vorm geven begon al met Adam in het paradijs. Hij wilde de plek innemen van God, kon niet wachten en met dat al kwam hij buiten het paradijs terecht.  Zo ging het toen en zo gaat het nu.

De Schrift houdt ons vandaag niet alleen in het evangelie maar ook in de overige lezingen een andere kijk op het leven voor. Het evangelie spreekt heel beeldend over geduld en wachten, de eerste lezing doet dat ook, maar in een andere setting. We hebben daar te maken met een gebed of meditatie. De schrijver  heeft stil en geduldig naar het leven gekeken en het overdacht. En nu is hij met God in gesprek. Eigenlijk zouden wij die regels een voor een en zonder haast moeten overwegen.  Herkennen wij ons erin? Gods macht is er niet een die zich met brute kracht laat gelden, zo heeft de bidder ontdekt.  God is niet degene die voorop loopt met oordelen en hij zoekt ons mensen met zachtheid te winnen. In één woord, God is geduldig. En daarmee geeft hij ons een voorbeeld. Leven kan maar gedijen en groeien waar mensen elkaar nieuwe levenskansen geven.

Gods geduld, het is geen zwakheid, maar het is een vorm van meededogen, van stille volharding zoals Paulus in de Romeinenbrief van de Geest getuigt. Die pleit met onuitsprekelijke verzuchtingen om nieuw leven te wekken in een aangevochten mensenbestaan.

En dan het evangelie. Ook vandaag gaat het weer over het rijk der hemelen. Jezus optreden kent eigenlijk maar een thema. Je zou hem een saaie predikant kunnen noemen. Altijd preken over hetzelfde. Maar waar zou hij anders over moeten preken? Zijn hartsverlangen, dat het hartsverlangen van God zelf is, dat is een wereld waar het zaad van zijn goedheid kan gedijen en opgroeien tot een leven in overvloed. Aan het zaad zal het niet liggen. Maar als wij om ons heen kijken zien wij een akker waar ook onkruid tevoorschijn komt. We zien hoe de knechten naar hun meester gaan en ze stellen voor het onkruid uit te trekken. Maar hun heer heeft een ander kijk op de situatie. Hij wil niet het risico lopen dat met het onkruid ook het goede gewas wordt opgeruimd. Wij willen dat Rijk van God wel, maar dat onkruid is een sta in de weg. En als wij even terugdenken aan de eerste lezing, dan zien wij hoe God in het evangelie aan het werk is, maar op een andere manier dan wij vaak willen. God is geen potentaat en heeft ook niets op met grootse projecten en macht en getal. Dat koninkrijk van hem kom je maar op het spoor als je oog hebt voor Gods bescheiden en geduldig werken als een boer die zaad op de akker zaait. Dat wordt uitgestrooid op een akker waar ook ander gewas tevoorschijn komt.  Gods Koninkrijk, komt er dan nog wat van? Je zou er aan kunnen twijfelen, als je ziet hoe het erbij staat. Maar misschien moeten wij met ander ogen kijken. God is sinds mensenheugenis aan het werk op de akker van het leven en elke dag opnieuw zaait hij en maakt hij met ons een nieuw begin, geeft hij tijd voor groei, heeft hij geduld.

Onze ogen missen al te vaak de geduldige blik van God, die kijkt en ziet hoe er leven groeit en bloeit, hoe kleine goedheid wonderen doet en geduldig wachten kansen biedt tot bekering en onverwachte ontwikkelingen ten goede. Maar wij met ons ongeduld en onze eigengereidheid missen de zachtmoedige en ruime blik van God. Wij doen er goed aan bij Jezus in de leer te gaan. Zijn parabels laten ons zien dat hij met een heel andere blik naar het leven kijkt dan wij veelal doen.  Hij vergaapt zich niet aan grootse bouwwerken en heeft het niet begrepen op macht en aanzien. Hij ziet naar het hart en ontdekt daar een verborgen schoonheid en goedheid. Pijn ook, die vraagt om een  helend woord of een meelevend gebaar.

De parabels van vandaag , ook die van het mosterdzaadje en de gist in het deeg, vertellen allemaal hoe Gods Koninkrijk heel onooglijk begint, verborgen ook en hoe alles geduld vraagt. Geduld, niet als een onverschillig zijn gang laten gaan, maar als een actief geven van tijd om te laten groeien en behoedzaam toe te zien. Bestrijd het kwaad in al zijn vormen door aandacht en zorg te hebben voor het goede dat is uitgezaaid. Dat geldt voor onze ziel, dat geldt voor de aarde en al wat er leeft. Wie het geduld mist zal nooit de boom zien die opgroeit en plaats biedt voor vogels van allerlei soort. Hij of zij zal evenmin het geurige brood proeven na een mooie rijs. Het zou zonde zijn als wij dat leven zouden missen. Vandaag wordt het ons hier aangereikt door hem die als zaad in de akker gevallen is en brood geworden is voor eeuwig leven.

AMEN

 

Broeder Abt Thijs

 

lezingen: Wijsh. 12,13+16-19; Rom. 8,26-27; Mt. 13,24-43

 

Pastorale brief Patriarch Jeruzalem

Graag delen we met jullie de lange pastorale brief van de Latijnse Patriarch van Jeruzalem, Pierbattista Pizzaballa. Hij schreef de brief tijdens de veertigdagentijd van dit jaar. Het is gericht aan christenen van het huidige Jeruzalem en het beloofde land. Maar al lezende maakt Pizzaballa duidelijk dat de huidige situatie ons allemaal aangaat. Br. Gerard Mathijsen vertaalde het artikel en we lazen het in de refter. Aanvankelijk hebben we het ook in stukken gedeeld via sociale media. Maar op veler verzoek delen we het hier in zijn geheel.

Hoe leven we als wereldwijde kerk met het conflict in het beloofde land? We zijn allemaal verbonden met deze realiteit. En hoeveel mensen worstelen niet met die woorden van heil, verwachting en verlossing die gekoppeld zijn aan al die plaatsen en begrippen zoals “Stad Gods” of “nieuw Jeruzalem”? Pizzaballa helpt ons deelgenoot te worden van zijn zoektocht naar de betekenis van dat “nieuw Jeruzalem” voor de wereld vandaag. We nodigen iedereen uit om het oor te luisteren te leggen bij al die verschillende kinderen van Abraham, onze zusters en broeders.

Kardinaal Pizzaballa heeft in een brief aan br. Gerard laten weten dat hij verheugt en geraakt is dat zijn pastorale brief ver voorbij de grenzen van zijn eigen parochie gelezen wordt. Ook willen we graag vermelden dat hij op 11 Juli een belangrijke prijs zal ontvangen, de Pacis Nuntius. Deze wordt  uitgereikt door abt Dom Luca Fallica van Monte Cassino. De prijs wil concrete betrokkenheid bij vredesinitiatieven promoten.

 

 

Download hier de Nederlandse vertaling

PAX!

De Broeders

 

ps, you find the English version of the letter here!

Goede grond worden

De zaaier uit het evangelie doet ons de wenkbrauwen fronsen. Welke boer strooit nu kostbaar zaad op de harde weg? Wie gooit het nu op de rotsen, of tussen de distels? Dat is toch pure dwaasheid.

Onze eerste reflex is vaak om te zeggen: je  moet deze gelijkenis (Mt. 13, 1-23) geestelijk verstaan. De grond is ons hart. Het zaad is Gods Woord. En inderdaad, zo legt Jezus de gelijkenis zelf ook uit. We herkennen die harde weg, de rotsen en die doornen ook in ons eigen leven. Ons hart is niet altijd één; het raakt gemakkelijk verdeeld. Maar laten we de Schrift niet te snel losmaken van de materie. Zij vlucht nooit weg uit de werkelijkheid van aarde, lichaam en leven. Jezus spreekt niet toevallig over een zaaier.

Zaaien is een aards, tastbaar ambacht. Hij spreekt over concrete elementen: over aarde, regen, zaad en brood. De eerste lezing zegt het heel eenvoudig: zoals regen en sneeuw de aarde drenken en haar vruchtbaar maken, zo werkt ook Gods Woord (Jes. 55, 10-11). Gods eerste beweging is geen schaarste. Gods eerste beweging is overvloed. En toch lijden vandaag nog altijd miljoenen mensen honger. De aarde raakt uitgeput. Ligt dat aan de Zaaier? Of ligt het aan ons? De schepping brengt leven voort. Maar onze samenleving kent structuren waarin winst en bezit gemakkelijk zwaarder wegen dan vruchtbaarheid en delen, en waarin economische groei soms boven het leven zelf komt te staan. Juist hier wordt de Kerk ook in onze tijd dringend geroepen om profetisch te spreken. Haar sociale leer herinnert ons er al heel lang aan dat het uitbuiten van de armen en het uitputten van de aarde uit dezelfde wortel kunnen groeien.

Er bestaat zoiets als structurele zonde: onrecht dat zich vastzet in onze maatschappelijke structuren. De doornen waarover Jezus spreekt, zijn daarom niet alleen de zorgen van ons persoonlijk leven. Zij kunnen ook de structuren zijn die uit onze hebzucht groeien en het leven verstikken. Maar die structuren staan niet buiten ons. Wij maken er deel van uit en worden er ook door gevormd. Uiteindelijk groeien zij uit hetzelfde hart waarvan de psalm zegt: ‘Schep in mij een zuiver hart, o God’ (Ps. 51, 12). Daarom begint de vernieuwing ook in het hart van de mens.

Maar het evangelie onthult een nog diepere werkelijkheid. Jezus is gekomen om ons hart te helen en te herstellen wat door de zonde gebroken was. Maar de menswording reikt nog verder. Soms spreken we over de menswording alsof God pas ingreep toen alles mislukt was. Gods liefde voor de schepping is ouder dan onze zonde. Vanaf het begin heeft Hij haar lief. En in Jezus komt Hij haar niet vanop een afstand redden. Hij wordt zelf deel van onze wereld. Hij heeft ons lichamelijk bestaan aangenomen. Hij heeft de kwetsbaarheid van het leven gedeeld. De Zaaier bleef niet aan de rand van de akker staan. Hij werd zelf het Zaad dat in de aarde viel om vrucht te dragen. Dat verandert onze blik op de schepping. Zij is niet zomaar grondstof voor onze behoeften. Zij is de wereld die God heeft geschapen, liefheeft en in Christus heeft aangenomen.

Daarom kunnen wij de aarde niet uitbuiten zonder tegelijk iets te beschadigen van datgene waarmee God zich heeft verbonden. Daarom schrijft de apostel Paulus dat heel de schepping kreunt en in barensweeën verkeert (Rom. 8, 22). Dat is een indrukwekkend beeld. De aarde lijdt onder wat wij haar aandoen. Maar Paulus spreekt niet over een doodsstrijd. Hij spreekt over barensweeën. De pijn draagt een belofte in zich. De schepping is niet bestemd om vernietigd te worden. Zij is bestemd om voltooid te worden.

In de Paasliturgie dankt de Kerk God dat Hij ons wonderbaar heeft geschapen en nog wonderbaarlijker heeft verlost. Juist daarin wordt duidelijk hoezeer God zijn schepping liefheeft. Hij gooit haar niet weg. Hij vernieuwt haar. Hij voltooit in de verrijzenis van Christus wat Hij in de schepping begonnen is. Christus staat niet op als een geest die de aarde achter zich laat. Hij verrijst met zijn verheerlijkt lichaam. De verrijzenis schaft de schepping niet af, maar brengt haar tot haar bestemming. De oogst waarop de Zaaier vertrouwt, is groter dan wij kunnen vermoeden. Ook wij maken deel uit van die schepping die God wil voltooien. Wij zijn in haar geworteld. Opdat ook wij delen in die voltooiing, nodigt Jezus ons uit goede grond te worden.

Goede grond is een hart dat zich laat openen. Een hart dat niet verstikt wordt door hebzucht, bezit of angst. Een hart dat ruimte maakt voor Gods overvloed. Ook hier, binnen onze monastieke gemeenschap, herinnert het leven ons aan een waarheid die onze samenleving gemakkelijk vergeet: vruchtbaarheid laat zich niet afdwingen.

Het zaad heeft tijd nodig. Donkerte. Stilte. Geduld.

Zo groeit ook het geloof. Niet door steeds sneller te willen leven, maar door ruimte te geven aan Gods Geest. Dat vieren wij aan het altaar.

Brood en wijn, vruchten van de aarde én van menselijke arbeid, worden ons aangeboden. Door de kracht van de Heilige Geest worden zij het Lichaam en Bloed van Christus. De schepping wordt niet verlaten. Zij wordt opgenomen in Gods leven.

Mogen wij dan bidden dat ook ons hart goede grond wordt. Dat de doornen van hebzucht en angst worden weggenomen. Dat Gods Woord in ons vrucht draagt, zodat ook door ons de schepping mag uitgroeien naar haar voltooiing in Christus.

Amen

 

Broeder Paul

14e Zondag door het Jaar

“Ik zegen u Vader Heer van hemel en aarde…”

Wij zagen de afgelopen dagen hoe paus Leo de brute machthebbers van nu onverschrokken met wijze woorden terecht wees, en daarna op Lampedusa zijn medeleven toonde met de ontheemde vluchtelingen voor het geweld.

 

In het evangelie van deze zondag jubelt Jezus het uit en roept op om alles waarover wij tobben achter ons te laten en in zijn nabijheid te leven in het licht waar Hij zelf naartoe leefde, het licht van Pasen, al moet een mens daarvoor door het duister van de nacht.

 

In zijn uitroep geeft Jezus ons een zeldzame inkijk in zijn gebedsleven. Heel zijn leven is een gesprek met de Vader. Dikwijls trekt Hij zich terug om te bidden. Hij bidt in het verborgene en heeft ons geleerd Hem daarin na te volgen. Bij bijzondere momenten breekt de relatie met de hemel open en wordt zij zichtbaar en hoorbaar. Niet in ellenlange gebeden, vertrouwelijk samenzijn, zonder veel woorden, van hart tot hart.

Bij de aanvang van zijn openbare optreden daalde Jezus af in de Jordaan; daar kwam de Geest over Hem en klonk de stem van de Vader. Op de Tabor mochten drie van zijn apostelen Hem aanschouwen glanzend in ongeschapen licht, en het getuigenis van de Vader over Hem vernemen. Dat waren topmomenten, hoogtepunten. Het evangelie dat wij zojuist beluisterden maakt ons deelgenoot van een ander hoogtepunt, juist als Jezus vernomen heeft van het droeve lot van Johannes de Doper, en Hij de steden die Hij bezocht hun ongeloof verwijt. Ook al stond de wereld daarvoor niet open, Hij was Gods gave om aan de mensen Gods liefde en nabijheid te openbaren. In Hem wilde God de mensen tonen hoezeer Hij ons nabij wil zijn, dat Hij een God wil zijn van alle mensen.

Jezus toont ons de nabijheid en liefde van God. Het geloof opent onze ogen voor dit mysterie: dat God ons nabij is in deze nederige mens. Dat wij rust vinden in kinderlijk vertrouwen.

Jezus heeft ons leren bidden: in de Bergrede schenkt Hij de woorden van het Onze Vader. In de hof van Olijven bidt Hij voor zichzelf, maar zo leert Hij ons ook hoe wij in moeilijke omstandigheden behoren te bidden: “Vader, als het mogelijk is, laat deze beker dan aan mij voorbijgaan. Maar laat het niet gebeuren zoals Ik het wil, maar zoals u het wilt.” En tenslotte bidt hij stervend op het kruis: “Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?” Alles lijkt er dan op te wijzen dat de Vader van Hem geweken is; Jezus toont ons dat zelfs in de uiterste beproeving Hij, de gezondene van God, onze lotgenoot is, ons in diepste nood grenzeloos nabij.

Niemand weet waarom. Waarom er lijden moet zijn is een mysterie. Maar Jezus geeft ons een hoopvolle doorkijk en moedigt aan te vertrouwen.

In de evangeliewoorden van vandaag, dierbaren klinkt geen drama, enkel jubel. De Heer verheugt zich in de vruchtbaarheid van zijn zending, Hij voorziet de oogst. “Ik zegen u Vader Heer van hemel en aarde…”

 

Wij proeven iets van zijn zielenleven, zijn innerlijke bewogenheid. Midden in zijn openbare bediening in Galilea – ja, nadat Hij het ontnuchterend ongeloof van zijn tijdgenoten aan de kaak heeft gesteld, die sceptisch stonden tegenover de asceet Johannes de Doper, en al even sceptisch tegenover die Jezus die zich inliet met zondaars, in een situatie waar mensen zijn optreden bekritiseren en afkeuren – wendt Jezus zich jubelend tot zijn hemelse Vader. Het is veelzeggend dat, binnen de loop van het verhaal zoals dat door Matteüs wordt verteld, dit serene en glinsterende gebed oprijst in een hoofdstuk vol twijfel over Jezus en afwijzing van Hem door zijn mede-Galileeërs, en gevolgd door een hoofdstuk vol conflicten, met daarin een verwijzing naar de Lijdende Knecht van de profeet Jesaja en de eerste vermelding van een samenzwering om hem te vernietigen. Alle onbegrip en tegenstand zal uiteindelijk wegsmelten door de goddelijke energie.

 

Zijn gebed loopt uit op een uitnodiging: “Komt tot mij, allen die ploeteren en overbelast zijt en ik zal u rust geven”.  Hij beschrijft zichzelf als een Meester en Leraar die “zachtmoedig en nederig van hart is en je zult rust vinden voor je zielen”. Zoals de profetie van Jesaja zegt: “Hij zal een gekneusd riet niet breken noch een smeulende lont doven”.  Hij wil ons nabij zijn als onze Redder, onze Heiland, ons geluk, onze Zaligmaker.

Tussen het gebed tot de Vader en de uitnodiging om Hem te volgen staat de openbaring van de goddelijke voorzienigheid. “Niemand kent de Zoon behalve de Vader en niemand kent de Vader behalve de Zoon”. Maar daarbij blijft het niet: die uitspraak van exclusiviteit wordt a.h.w. opengebroken waar Hij toevoegt – “en degenen aan wie de Zoon verkiest hem te openbaren.”

 

Met deze woorden sluit Jezus niemand uit, Hij is niet gekomen voor een kleine schare uitverkorenen, nee: “Komt allen tot Mij”, voor ieder mens wil Hij de heiland zijn. Wat een heerlijke uitnodiging om Hem binnen te laten in ons leven. Het leven is incompleet, onvolledig, zonder richting, doel of inhoud, zonder Hem. Paulus zegt het aan de christenen van Rome: Uw bestaan wordt niet beheerst door de zelfgenoegzaamheid, letterlijk: jullie zitten niet in het vlees, maar leven door de Geest, omdat de Geest van God in u woont.” Als we ons daarvan bewust zijn, dat wij kinderen zijn van God, gekend en bemind door de Eeuwige, dan zullen de wederwaardigheden van dit aardse leven ons niet verontrusten. Vragen wij dat dit geloof ons mag bezielen. Het zal ons sterken en ook onze onderlinge verbondenheid ten goede komen. Geen leven is zonder beproeving, maar ook is geen leven zonder de troost van de belofte en de uitnodiging van de Heer.

Br. Gerard Mathijsen

 

Sint Adelbert

Op 25 augustus 2019 werd voor de laatste maal de eucharistie gevierd in de parochiekerk van ons dorp. Met de sloop van de kerk in 2024 verdween niet alleen een gebouw dat in het hart van de gemeenschap stond, maar ging ook de naam van Adelbert, de patroon van de parochie verloren. Of zeg ik nu teveel? Misschien, want een aantal parochianen hebben er voor geijverd dat het glas en loodraam van Adelbert dat een plek in de kerk, niet verloren zou gaan. Vanmiddag wordt het officieel onthuld op een van de gevels van het appartementencomplex dat de plaats heeft ingenomen van de kerk.

Waarom dit verhaal? Omdat uit heel dit gebeuren blijkt dat tijden veranderen. Soms zijn wij daar blij mee, soms betreuren wij het. Maar een ding is zeker, wij kunnen er niet aan voorbij, ook als abdijgemeenschap, want wij leven in die wereld.

Adelbert, zijn kerk staat er niet meer, maar hij krijgt nu een plek op de buitenkant van het wooncomplex. Ik moet daarbij denken aan een woord van paus Franciscus  enige jaren geleden en aan een uitspraak van paus Leo vorige week in Madrid. Franciscus sprak over de kerk als veldhospitaal en Leo sprak tijdens de Sacramentsprocessie dat de Heer  tijdens die ommegang de kerk verliet, maar dat ook wij geroepen zijn om naar buiten te gaan en daar het evangelie handen en voeten te geven.

De kerk is uit ons dorpsbeeld verdwenen, maar dat wil niet zeggen dat Adelbert uit het dorp verdwenen is. Hij staat op de gevel, hij staat buiten, zoals hij ooit buiten op het strand stond en contact zocht te maken met de mensen die naar hem toekwamen. Hoe dat precies in zijn werk ging weten wij niet, maar uit het verdere verloop van zijn leven valt wel iets af te leiden over die eerste kennismaking. Hij is niet de zee ingeworpen en ook niet onthoofd, integendeel er was een ontmoeting die resulteerde in een levenslange  vriendschap en band.

Vandaag staat hij op de gevel, wat doet hij daar? Is het niet een stille uitnodiging om met vriend en vreemde in gesprek te gaan om een dorpsgemeenschap op te bouwen waar iedereen welkom is, gezien wordt en meegedragen? Waar niemand verloren loopt of stil en eenzaam verpietert. Was dat ook niet de boodschap van Adelbert toen hij daar zo’n 1300 jaar geleden op de kust stond, dat wij mensen niet geschapen zijn om elkaar naar het leven te staan of te negeren maar om elkaar als kinderen van de grote mensenfamilie te omarmen en leven te delen in Gods naam.

Dat verhaal is zo oud als de mens getuige de eerste bladzijden uit de Schrift, maar het is ook sinds mensenheugenis een verhaal dat op weerstand stuit en bloed doet vloeien. Want delen en vertrouwen is  iets wat je moet wagen en willen, en de tegenstemmen zijn niet van de lucht. Maar toch, onze Adelbert verdient dat wij het spoor van de waarheid volgen ook als zich obstakels of verleidingen aandienen.

Adelbert staat op de gevel zoals ooit op het strand. Hij staat voor een nieuwe uitdaging in een nieuwe tijd en wij met hem. Hoe nu het oude verhaal te vertellen en mensen te winnen voor de boodschap van het evangelie?

Als abdij hebben wij een eigen plek. Wij hebben Adelbert niet alleen als patroon, maar wij hebben ook nog een  mooie kerk, waar zijn gebeente rust. Hij staat bij ons dus niet buiten in weer en wind zoals op de gevel van het appartementencomplex. Welke boodschap ligt daarin verscholen?

Wij hoeven, dunkt mij, niet de straat op om het evangelie te verkondigen, maar wij dienen het een plek te geven in ons eigen leven. In het spoor van Adelbert die op de akker zijn vaste stek had, hier in dit huis de woorden van het evangelie en de naam van Jezus  ons hart laten bewonen. Ons laten vormen in de school van het evangelie zodat ons hart zich verruimt en met ons hart ook onze deur openstaat voor allen die aankloppen en op zoek zijn naar een plek en een gemeenschap waar zij op adem kunnen komen en woorden van leven horen voor hun eigen levensweg.

Adelbert staat op de gevel,  wij worden niet geroepen buiten te gaan staan maar de deur van ons huis en hart open te zetten voor de vele zoekenden. Dat vergt waakzaamheid naar binnen en buiten toe. Onderscheiding, geboren uit een stil en aandachtig luisteren naar de woorden van de Schrift, naar de taal van je eigen hart en naar de taal van wie aanklopt.

Waakzaamheid om de eigen roeping als dorpsbewoner te onderkennen en trouw te blijven, niet meegaan in de waan van de dag, hoe luid die zich ook laat horen, ruimte geven aan de innerlijke en uiterlijke stilte om het fluisteren van God te horen die als geen ander niet met geweld maar met zachtheid en mededogen leven geeft en wekt.

Waakzaamheid om met Adelbert die op de gevel staat niet aan mensen voorbij te zien, maar ze binnen te wenken en oog en oor te hebben voor hun vragen en verlangens, ze ook een plek te geven in ons hart en ons gebed, ze mee te nemen in de lofzang en de roep om vrede, een land van belofte, toekomst van Godswege.

Adelbert, zijn gebeente rust in ons midden. En in de vita staat van hem geschreven dat hij anderen leerde wat hij eerst zelf in praktijk had gebracht. Zo is deze feestdag voor ons primair een oproep om samen hier te bouwen aan een gemeenschap die spreekt door zelf de weg te gaan van het evangelie in de kleine en grote dingen van alledag, in spreken en zwijgen, bidden en werken. God ter eer en onze wereld tot zegen.

AMEN

 

Abt Thijs Ketelaars

Nieuwsbrief

Schrijf u vrijblijvend in en blijf op de hoogte van de activiteiten van Abdij van Egmond.

We respecteren uw privacy. Sint-Adelbertabdij zal uw e-mailadres nooit delen met derden.
© 2026, Abdij van Egmond Algemene voorwaarden