Nieuws

De Bergrede: vaste grond

Dat was een mond vol zaligheid. Liefst negen zaligsprekingen hebben wij zojuist gehoord. Misschien had u een beetje moeite om ze allemaal uit elkaar te houden of misschien bent u door een bijzonder geraakt en is de rest een beetje aan u voorbijgegaan. Of bleef u hangen bij dat negenvoudige ‘zalig’, want dat hoor je ook niet alledag. Jeremiades zijn eerder een vast onderdeel van ons hedendaagse leefpatroon. Maar die zetten een heel andere toon dat zaligsprekingen.

Liefst negen zaligsprekingen staan aan het begin van de Begrede, de grondwet van Gods Koninkrijk. Dat begin is verrassend. Daarmee wordt een toon gezet die verschilt van wat je zou verwachten. Jezus begint niet met het opsommen van wetten en regels, maar met een litanie, waarin hij alle groepen gelukkig prijst voor wie deze grondwet bestemd is. En door het gebruik van dat negenvoudige zalig wordt het een lied dat met die herhaling een sfeer oproept die mensen niet alleen bij de les houdt maar ze ook meeneemt. En daar gaat het Jezus om, want die negen groepen die de revue passeren behoren gewoonlijk niet tot de uitverkorenen. In onze grote mensenwereld zijn macht en aanzien de spelmakers maar ook de spelbrekers. In Gods Koninkrijk gaat het er anders aan toe.

Nu is dat woord ‘zalig’ voor deze of gene misschien een oud of belast woord. U mag het ook vervangen door ‘gelukkig’, want Jezus’ woorden zijn een blijde boodschap. Al die zalig geprezen personen zijn de ware bestemmelingen van Gods Koninkrijk. Het zijn geen namen die in de krant gewoonlijk de koppen krijgen, eerder mensen die in de grote wereld uit de boot gevallen zijn, maar ook mensen die zich bescheiden en moedig inzetten voor een samenleving van vrede en gerechtigheid. Zij staan aan de kop van de Bergrede en daarmee zijn zij aangeduid als volwaardige bewoners van Gods Koninkrijk. Anders gezegd, zij worden door Jezus als burgers van Gods Koninkrijk verwelkomd en krijgen de grondwet daarvan uitgereikt. Het zal je maar overkomen, want zo mag je weten dat je voor vol wordt aangezien, dat je thuis hoort in dat koninkrijk. Dat moet toch een zalig gevoel geven, ondanks alle pijn en zorgen van het moment. Maar je hoort erbij, je wordt niet buitengezet. Ze horen erbij, de treurenden, de vredestichters, en wie vervolgd worden om de gerechtigheid en vul de reeks maar aan.

Een grondwet, wij hebben er in ons dagelijks bestaan allemaal mee te maken. Wij beseffen dat misschien niet elke dag, maar het is de vaste grond waarop een samenleving wordt gebouwd. Wordt daar aan getornd, dan valt het fundament weg onder ons gezamenlijk bestaan. We zien het voor onze ogen gebeuren, in oost en west, in noord en zuid, waar in plaats van de heiligheid en onschendbaarheid van het leven het recht van de sterkste de dienst gaat uitmaken. De grondwet van de Schrift is dat het leven heilig is en een gave. Het vormt het hart van het verbondsboek, de torah, en het vormt het hart van de Bergrede. Het leven van groot en klein, van sterk en zwak, ja heel de schepping die al even broos en kwetsbaar is, verdient bescherming en zorg. Daar zijn wij allen samen verantwoordelijk voor, samen maar ook ieder persoonlijk. Dat vandaag aan het begin van de Bergrede een litanie van kleine en kwetsbare mensen staat, geeft te denken. De machtigen weten zich wel te beschermen, maar de kleinen, de naamlozen en degenen die opkomen voor recht en gerechtigheid, waar kunnen zij op steunen, wie neemt het voor hen op? Jezus zet hen vooraan en de grondwet van Gods Koninkrijk stelt zich voor hen garant. En het blijft niet bij woorden, Jezus zelf schaart zich in hun rij. De zaligsprekingen spreken over armen van geest en zachtmoedigen, wel in het 11e hoofdstuk van Matteüs schaart Jezus zichzelf uitdrukkelijk onder die groep. “Ik ben zachtmoedig en nederig van hart”, en zo neemt hij zijn soortgenoten met zich mee. In heel hun kwetsbaar en aangevochten bestaan zijn zij met Jezus bewoners van Gods Koninkrijk.

Die grondwet moet de kleinen steunen, vertrouwen schenken, hoop en bescherming. Zij zijn niet stateloos of vogelvrij, maar medeburgers en huisgenoten van Jezus. Maar als burgers van het Koninkrijk hebben zij dan ook naar die grondwet van het Koninkrijk te leven. Niet als een last die op de schouders drukt, maar als een woord dat een veilige haag rond het leven zet, zodat wij in vrede als broeders en zusters kunnen samenleven. De Bergrede is geen stok om mee te slaan, maar een lamp voor onze voet, een vuurtoren en een merksteen om de richting aan te geven op onze levensweg en ons te hoeden dat wij niet van het pad afraken en omkomen in de woestijn of op de duistere zee van het leven.

Wanneer wij vandaag de zaligsprekingen horen, dan ontvangen wij zowel een gave als een opgave. Want ook tot ons zijn zij gericht. In welk van de zaligsprekingen vind je je plek? Waar herken je je in? Sluit je ben hen aan. De bedroefden en bedrukten, zij worden misschien niet direct van hun pijn verlost, maar als kinderen van het Koninkrijk en als tochtgenoten van Jezus gloeit het kleine licht van de hoop. Jezus zelf is door de nacht gegaan voordat het Pasen werd. En de vredestichters en zij die omwille van Jezus en de trouw aan de waarheid worden vervolgd of voor gek uitgemaakt, moge de Geest hen staande houden. Kinderen van het Koninkrijk zijn het, zij worden zalig geprezen, bewoond door een heilig vuur dat zich niet doven laat door de machten en krachten van deze tijd. Het Koninkrijk is hun geschonken, maar het vraagt ook inzet tot de laatste ademtocht. Niet zwichten voor de machten dezer eeuw die de grondwet van Gods Koninkrijk willen herschrijven met het algoritme van de macht. Wij dienen ons de adel van onze ziel niet te laten ontnemen. Als gedoopten hebben wij de grondwet van het Koninkrijk onderschreven. Laat het niet bij een loze pennenstreek blijven, maar zetten wij ons in, in groot en klein verband dat geen mensenkind het leven wordt ontzegd of ontnomen.

Zalig die de waarheid spreken, zalig die de ogen niet sluiten voor andermans leed of pijn, zalig allen die het evangelie van leven en vrede handen en voeten geven. Kome wat komt, zij zullen Gods Koninkrijk beërven.

AMEN.

 

Broeder Abt Thijs

Lezingen: Sefanja. 2,3; 3,12-13.  1 Korinthe. 1,26-31.  Matheus 5,1-2a

Een licht om te volgen

Tijdens dit liturgisch jaar volgen wij op de zondagen voornamelijk het evangelie volgens Matheus. In de kersttijd lazen we de eerste drie hoofdstukken over de kinderjaren van Jezus en de prediking van Johannes de Doper. Nu gaan we onmiddellijk over naar het openbare leven van Jezus en lezen op deze zondag het relaas van de intrede van Jezus in zijn openbare leven.

Na zijn doop door Johannes in de Jordaan en zijn verblijf in de woestijn, had Jezus, volgens het evangelie van Johannes, enige tijd (vrij kort ongetwijfeld) doorgebracht naast Johannes in Judea (Joh.3/22) , waarbij hij evenals Johannes de nabijheid van het Koninkrijk verkondigde. Na de arrestatie van Johannes, keerde Jezus terug naar Nazareth. Daar, in de synagoge van zijn vaderstad heeft zichzelf doen kennen als degene die door God werd gezonden om het goede nieuws aan de armen te brengen (Lc.4/14-22). Daarmee presenteerde hij zichzelf als de Messias. Nadat hij Nazareth had verlaten, was Jezus naar Kafarnaüm gegaan, en deze stad werd het centrum van zijn openbare activiteiten. Had het niet meer voor de hand gelegen als Jezus in Jeruzalem was begonnen? Daar was het centrale heiligdom van de Joden, daar woonden de religieuze leiders en daar was ook het centrum van de macht. Uiteindelijk zal Jezus zich ook daar openbaren, voor ieder zichtbaar aan het Kruis. Zichtbaar voor aller ogen, maar verstaanbaar alleen voor wie zich heeft laten raken in het hart, voor wie zich opent voor het geloof.  God handelt niet zoals wij mensen dat doen, Gods wegen zijn niet onze wegen. Wij mensen trachten te overtuigen door onze boodschap te verfraaien en spectaculair te presenteren, God die zich voor onze zintuigen al heeft uitgesproken in zijn wondere schepping, openbaart zijn diepste mysteries enkel aan wie er voor open staat met een gelovig hart. Jezus zal het goede nieuws, niet als een wereldsensatie van de daken schreeuwen, maar zijn evangelie verkondigen, verborgen voor de grote wereld, in de rafelranden van de samenleving, in het godvergeten achterafgebied van het land, en uiteindelijk het mysterie van zijn liefde doen kennen in de zelfgave aan het Kruis.

 

Kafarnaüm lag op de grens van de voormalige gebieden van de stammen Zebulon en Naftali. De geografische ligging  van dat stadje Kafarnaüm brengt Mattheüs ertoe onmiddellijk te verwijzen naar de tekst uit het boek Jesaja, die wij hoorden als eerste lezing deze zondag. Deze tekst kondigt voor het land van Zebulon en het land van Naftali de messiaanse bevrijding aan, voorspeld voor de toekomst, en nu gerealiseerd. Lange tijd bezet door de Assyriërs en daarna door de Babyloniërs, kende de regio alleen tegenslag, duisternis, schaduwen, het juk van onderdrukking, de stok en de zweep van de opzichters. Een grote handelsroute doorkruiste het gebied, zij liep van de Middellandse Zee via Gallilea naar Transjordanië; deze situatie maakte het grondgebied van Zebulon en Naftali tot een kruispunt van volkeren en heidenen: het Galilea van de heidenen.

Maar Jesaja ziet boven deze onderdrukten, gezeten in duisternis en schaduwen, een groot licht opkomen en dit Gallilea van de heidenen wordt bedekt met glorie. Aan de onderdrukten schenkt God blijdschap en vreugde: zij verheugen zich zoals zij die de oogst binnenhalen zich verheugen, en jubelen als zij die de buit verdelen na de strijd. Het is een overwinning, zoals Gideon met zijn kleine groep behaalde over de Midianieten. Bevrijding van het juk van de onderdrukker, de staf en de zweep van de slavendrijvers, niet door menselijke overmacht maar door de macht van God.

Deze tekst uit Jesaja ziet Matteüs in het evangelie van deze zondag gerealiseerd als  Jezus een aanvang maakt met zijn openbare optreden. Jezus verlaat Judea en de Jordaanvallei en brengt zijn boodschap van bekering aan de Galileeërs. Gezien vanuit Jeruzalem zou Galilea kunnen worden beschouwd als een land van schaduwen en duisternis. Zelfs in de tijd van Jezus had Galilea op sommige plaatsen een gemengde bevolking van heidenen. En in het noorden en oosten was Galilea nog omringd door heidendom. Dit is de reden waarom Matteüs niet aarzelt om de profetie van Jesaja als gerealiseerd door de prediking van Jezus te beschouwen: voor de mensen die in duisternis zitten, voor hen die in het land van schaduw en dood leven, schijnt een licht.

 

Vervolgens vat Mattheüs in enkele woorden de boodschap van Jezus samen: “Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is hier”. Het Koninkrijk der Hemelen komt present in wie zich bekeren. We gaan het Koninkrijk van licht binnen door inkeer en rouwmoedigheid, bekering. Voor degenen die naar deze oproep willen luisteren, gaat er licht op, een licht dat bevrijdt van de duisternis en schaduwen van de dood.

En daar, in dat achterland van het Joodse volk, kiest Jezus zijn eerste helpers. Zij zijn niet geschoold zoals later Saulus /Paulus die aan de voeten van grote rabbijnen had gezeten. Simpele vissers zijn het die hij aantreft aan het meer van Galilea, maar die bereid zijn hem spontaan te volgen, en daarvoor heel hun hebben en houden in de steek laten.

Wat zegt dit ons als christenen in de 21e eeuw die leven in een stormachtige tijd? Wij leven in een maatschappij waarin de menselijke kennis geweldige voortgang heeft geboekt, waarin technisch zoveel mogelijk is, maar waarin de mensen zo verdeeld zijn dat de techniek vooral in dienst lijkt te staan van de destructie. De machtigen van de aarde kunnen elkaar de vernieling in helpen, maar zij slagen er niet in met elkaar tot overeen-stemming te komen, elkaar te verstaan, er te zijn voor elkaar.

Als wij vandaag luisteren naar wat de Schriftlezingen van deze viering ons verkondigen dan hoor ik daarin allereerst goed nieuws, dat Gods licht aanbreekt in onze donkere wereld, en tussen de profetie van Jesaja en de vervulling van Jezus de oproep van Paulus tot onderlinge eensgezindheid. De theologen zullen nog een lange weg moeten afleggen om alle dogmatische verschillen die in de loop der eeuwen zijn gegroeid tot overeenstemming te brengen, maar intussen kunnen wij ons realiseren dat we allen zijn gedoopt in een gemeenschappelijke doop, bekeerd tot het evangelie en door de Heer tot gemeenschap geroepen. Wat belet ons om al een te zijn in gezindheid, in gevoelen, in gebed? In deze week van gebed om de eenheid was dat onze intentie dat die gezindheid in ons groeien mag, en dat wij daardoor zelf mensen mogen zijn, vervuld van de Geest van Jezus, bezield van zijn vuur, getuigen van Gods liefde, verbonden met elkaar.

Moge het zo zijn.

 

Br. Gerard Mathijsen

“Ook ik kende Hem niet”

Vorige week sloten wij de kersttijd af met de doop van de Heer. Die mededeling zorgde voor een mail of ik mij niet had vergist. Was  niet 2 februari het einde van de kersttijd, het feest dat vroeger Maria Lichtmis heette en tegenwoordig Opdracht van de Heer wordt genoemd. Geen gekke vraag, want die opdracht van de Heer is natuurlijk eerder in de tijd dan de doop. Maar toch, officieel is de kersttijd afgesloten met de doop van de Heer. Maar toen Franciscus van Assisi eenmaal een levende kerststal had gemaakt 751 jaar geleden hebben de franciscanen de devotie van de kerststal wijd verbreid en  heel populair gemaakt waarbij ook nog eens extra aandacht aan Maria werd besteed.  En zo bleef op veel plaatsen en in veel gezinnen de kerststal staan tot 2 februari, het feest van de opdracht van Jezus in de tempel. En ook nu is daar niets op tegen. Integendeel, in onze beeldcultuur is dat een moderne manier om het oude verhaal bij de tijd te brengen.

Maar vandaag beginnen wij dus weer de groene tijd door het jaar. Maar ook deze zondag zorgt voor een verrassing. Niet alleen komt de doop die wij vorige week gevierd hebben nogmaals ter sprake, maar ook Johannes de Doper lijkt geen afscheid van ons te kunnen nemen of wij van hem. Hij heeft ons gedurende de advent naar Jezus geleid en ons naar hem verwezen, maar ook nu wij de gewone reeks van zondagen beginnen, meldt hij zich nog een keer. Voor wie houdt van iets nieuws is het misschien een tegenvaller, maar voor wie uitziet naar een betrouwbare gids, is hier aan het juiste adres.

Johannes de Doper pleit niet voor zijn eigen zaak, want die heeft hij niet. Het is ook geen man die zichzelf zo nodig in het licht wil plaatsen, integendeel hij is de wegbereider voor wie na hem komt. Dat is een tegendraads geluid in onze wereld waar zovelen erop uit zijn zichzelf te etaleren en groot te maken. Te midden van al die grote en kleine goden is Johannes een witte raaf, deemoedig en zelfvergeten. Het gaat niet om mij, zegt hij steeds weer, het gaat om het komen van God in jouw bestaan, zodat jij werkelijk en waarachtig zult leven.

Hij was de voorloper van Jezus, hij heeft de weg voor hem bereid. En Jezus heeft in hem naast een voorloper ook een voorbeeld gezien. Johannes heeft hem door woord en daad geholpen zijn eigen weg te vinden. En als wij dan heden ten dage het evangelie willen verkondigen, dan doen wij er goed aan Johannes als voorbeeld te nemen. En nu wij hem vandaag ontmoeten in het evangelie van de apostel Johannes wijs ik graag op twee korte uitspraken  van de voorloper die alleen in dit evangelie voorkomen. Ze zijn niet alleen de moeite waard om te overwegen, maar ook om na te volgen. De eerste uitspraak horen wij de voorloper vandaag zeggen en liefst tweemaal. “Ook ik kende Hem niet”. Dat is een woord om lang bij stil te staan, niet alleen omdat het tweemaal wordt gezegd, maar ook omdat het vraagt om van alle kanten te worden beklopt en beluisterd. De grote Augustinus was er zo door in verlegenheid gebracht dat hij zijn kerkgangers op 13 maart 413 naar huis stuurde met de mededeling “ik kom er niet uit, ga naar huis en denk zelf over deze woorden en kom overmorgen terug, misschien wil de Geest ons dan de tekst ontsluiten’. En op 21 maart dankt Augustinus de gelovigen dat ze ondanks het koude weer toch naar de kerk zijn gekomen. ‘Ook ik kende hem niet’, Dat geldt niet alleen voor Johannes de Doper, maar is ook ons deze ervaring niet onbekend? Johannes die met de geschiedenis van God met zijn volk vertrouwd was en uitzag naar de beloofde Messias, hij zag uit naar iemand van wie hij niet wist wat hij precies te verwachten had. Wat zou onze verkondiging winnen met zo’n houding van niet weten en verwachten, van wachten en luisteren. Johannes laat zich vandaag kennen in zijn kwetsbaarheid en hij wint er alleen mee, en wij worden er door getroost en bemoedigd op onze geloofsweg.

En dan de tweede uitspraak, het is tegelijk de laatste keer dat wij hem iets horen zeggen in het evangelie: ‘hij moet groter worden en ik kleiner’. Hoe zou de wereld eruit zien als al die grote ego’s en ook de kleine ego’s van eenzelfde houding blijk zouden geven? Hoeveel ruimte zou er dan niet ontstaan voor waarheid, recht en vrede? En wat zou zo’n houding niet bijdragen bij het samen de weg zoeken naar eenheid in onze eigen kerk, en aan de eenheid van de verschillende kerken?

Johannes, laten we vandaag die twee houdingen van hem meenemen: de nederigheid van het niet weten en de grootheid van het ruimte maken voor het levende woord van de Heer.

Vanuit die gezindheid reikt Johannes ons vandaag zijn getuigenis aan over Jezus. Hij doet dat met twee titels, de eerste is ‘lam Gods dat de zonden van de wereld wegneemt’. God komt als een lam. In Jezus toont hij zich, Hij komt niet met geweld, hij schreeuwt niet  en op straat verheft hij zijn stem niet. Hij komt als een lam, zachtmoedig. Hij komt ook als het lam dat geslacht wordt, dat in al zijn onschuld de last van anderen draagt en de dood op zich neemt. Wat ik, Johannes, nooit heb geweten, dat God zo weerloos en kwetsbaar tot ons komen zou, ik heb het gezien, toen ik de Geest op die ene zag rusten, daar in de diepte van het water. En nu wijs ik je op hem, naar hem, want in hem verschijnt Gods weerloze en verlossende liefde in heel zijn volheid. En dan voegt hij er in één adem de tweede titel aan toe om zijn getuigenis over Jezus af te sluiten: “Deze is de zoon van God”. Hij heeft als God geleefd, koste wat het kost. Niet hoog gezeten op een troon, niet met macht en geweld, maar als een die alles heeft gegeven, midden tussen ons, met ons en voor ons. Levend uit het licht, Licht uit Licht, opdat wij door zijn Geest herboren op onze beurt zouden leven als kinderen van het licht, elkaar tot zegen.

AMEN.

br. abt Thijs Ketelaars

 

Lezingen: Jesaja 49:3.5-6; 1 Korinthe 1:1-3; Joh 1: 29-34

 

Doop van de Heer

Met Kerstmis herdachten we de geboorte van Jezus, een week later vierden we de Heilige Familie, daarna de Openbaring van de Heer. Vandaag gedenken we Jezus’ doopsel. Vier bijzondere feestdagen na elkaar. Met de geboorte van Jezus herdenken we dat God als Mens onder de mensen is komen wonen, en dat Hij ons als Mens zijn enige gebod heeft voorgeleefd: ‘Bemin God bovenal, en uw naaste gelijk uzelf.’ Het feest van de Heilige Familie richt onze aandacht op families en gezinnen. Echte vragen: hoe bouw je in deze tijd een gezin op in al zijn variaties, in al zijn relaties, in goede en kwade dagen. De H. Familie was een buitengewoon gezin: zijn er andere samenlevingsverbanden die misschien niet direct passen in ons boekje, maar waarin O.L.Heer zijn plaats vindt, waar Hij thuis is? Een monastieke communiteit bijvoorbeeld. Gisteren mochten wij vieren dat onze br. Paul professie deed. Wij zijn gewoon te zeggen: in een klooster hebben de broeders (of de zusters) elkaar niet gekozen. Maar ouders hebben hun kinderen ook niet gekozen, en kinderen niet hun ouders. Wij zijn aan elkaar gegeven, aan elkaar toevertrouwd, tot gemeenschap geroepen. Eenzame mensen kunnen ons duidelijk maken hoe een grote gave dat is. Natuurlijk een opgave ook. Maar de heer is aanwezig waar mensen elkaar dragen. De viering van Epiphanie, het feest van Driekoningen maakt overduidelijk dat God er is voor alle mensen, voor alle volkeren, voor alle culturen. Bij dat feest kunnen we ons de vraag stellen of wij zijn zoals die Wijzen? Zoeken ook wij naar God, trekken ook wij erop uit om Hem te vinden? Hebben wij een open geest, een ruim hart, om zijn aanwezigheid te ontdekken waar wij die het minst verwachten? En in de viering van vandaag wordt ons een gelijkaardige vraag gesteld, namelijk: gedragen wij ons altijd als geliefde kinderen van onze Schepper? Zoals Jezus ons dat heeft voorgeleefd? Wij zijn in Hem gedoopt. Dank zij zijn grote menslievendheid mogen wij in ons leven, in de diepte van onze ziel, zijn heilige Geest aanwezig weten. Zijn wij gastvrij naar binnen? Hebben wij aandacht voor onze innerlijke gast, Gods Geest, of de engel die ons leidt?

Vandaag vieren we dat Jezus zich laat dopen, en dat is heel merkwaardig. Hij hoefde dat voor zich zelf niet te doen. Hij is immers de Zoon van God, Hij is zonder zonden, Hij had geen nood aan een doopsel, behoefde geen reiniging. Je zou kunnen zeggen: het hoorde niet bij Hem. Zo dacht ook Johannes erover, maar dan zegt Jezus: ‘Laat het nu maar gebeuren, want het is goed dat we Gods gerechtigheid vervullen.’ Dat zijn de allereerste woorden van Jezus die ons zijn overgeleverd.  Woorden van overgave aan het goddelijk plan, aan Gods Vaderlijke voorzienigheid. Woorden van gehoorzaamheid, en van solidariteit. “Laat het zo zijn” «αφες αρτι» Hoe vertaal je dat: laat maar toe, laat maar los, scheld maar kwijt. “want zo behoren wij de hele gerechtigheid te vervullen”. Jezus spreekt in het meervoud. Dat lijkt geen pluralis majestatis, maar samen met de Doper laat Hij het doopsel over zich heenkomen, aanvaardt Hij zijn lot, om de gerechtigheid te vervullen. Wat een mooie levenshouding:geloof in Gods Voorzienigheid, Hij leidt ons leven, door alle duisternis heen. En hoezeer Hij die gerechtigheid vervult, blijkt na zijn doop: een stem uit de hemel bekrachtigt: ‘Dit is mijn geliefde Zoon, in Hem vind ik vreugde.’

Misschien zijn we ons daar niet van bewust, maar deze woorden zegt God tegen elke mens, want allen zijn we zijn kinderen, en vreugde vindt Hij in al zijn schepselen. Aan ons allen vraagt Hij dat we zouden leven naar zijn beeld en gelijkenis. En misschien vragen we ons daarbij af wat en hoe dat is: leven naar Gods beeld en gelijkenis.  Maar we kennen het antwoord op die vraag: dat is leven zoals Jezus, zoals God zelf, ons heeft voorgeleefd. We kennen zijn woorden en zijn daden, en ze worden in de eerste lezing ook heel mooi beschreven. Daarin horen we dat Hij zijn gerechtigheid laat stralen over de volkeren. Hij maakt daar geen lawaai bij, zijn stem verheft Hij niet, want Hij is nederig. Wie in nood is, wijst Hij niet af, maar onvermoeid en zonder ophouden komt Hij op voor hen.

Jezus laat zich dopen om te openbaren dat God de mensen weer aanneemt als zijn kinderen. De zonde van de eerste mensen had de band tussen God en de mensen verbroken. Niet langer was de mens drager van de heilige Geest. Die was van hem geweken en de mensheid dwaalde voortaan in duisternis. Ging eigen wegen, maar die leidden alleen maar bergaf. Als wij de weg van overgave gaan dan neemt de Vader ons leven in zijn hand, en leidt Hij het ten goede, al lijkt alles nog zo zeer spaak te lopen.

Jezus is zijn missie begonnen met die daad van complete overgave: “zo past het ons, alles wat is vastgesteld te volbrengen.” Kunnen wij Hem daarin navolgen? We zijn immers maar mensen. Durven wij die sprong in het duister aan? Maar wij zijn gedoopt in Jezus’ dood, om te leven, in een onvoorstelbare toekomst, die in dit leven al begint. Petrus kwam tot dat inzicht: “Nu besef ik pas goed dat er bij God geen aanzien van persoon bestaat, maar dat uit welk volk ook, ieder die Hem vreest en die het goede doet Hem welgevallig is.

Wij zijn gedoopt, maar hoe zit het met al die niet gedoopte mensen, toch de grote meerderheid van de mensheid van alle tijden. Zijn alleen de gedoopten gered? Wat heeft men niet getobd over het lot van de ongedoopte kinderen? Geliefden, ik geloof vast dat God van ieder mens houdt, en dat ieder mens een goede kans heeft op eeuwig geluk. Het doopsel bevestigt die band, maakt hem wederzijds. Als een dopeling zich presenteert dan vraagt de priester: “wat verlangt u?” En het antwoord is “het doopsel”. De kandidaat vraagt erom. Wij vragen om Gods vriendschap. Voor God is het geen vraag. Wij zijn het maaksel van zijn handen. Hij houdt van ieder mens. Dat heeft Jezus ons getoond. Daarom wilde Hij zelf worden gedoopt, om te tonen dat Hij kopje onder wilde gaan in ons mensenleven.

Vol liefde, vol vrede, vol gerechtigheid, vol nederigheid, zo is de mens Jezus, dat heeft Hij ons voorgeleefd. Daarvan wil de Kerk een beeld zijn. Dat beeld is niet af. Het is onze opdracht het vorm te geven.Paus Leo gaat ons daarin voor. Hij moet al die kardinalen op een lijn zien te krijgen. Rekening houden met mensen die gehecht zijn aan de traditie, en mensen die ijveren voor de vooruitgang. Wat hebben wij het dan een stuk gemakkelijker. Zusters en broeders, laten wij proberen te leven: allen als kinderen van dezelfde Vader, als mensen die leven zoals Hijzelf ons heeft voorgeleefd. In het vaste vertrouwen dat ieders leven in God geborgen is.  Moge de Heer onze God ook vreugde vinden in ons. Amen.

Vrede zij u! Boodschap van Paus Leo

Op weg naar een “ongewapende en ontwapenende” vrede

 

“Vrede zij met u!”

Deze eeuwenoude groet, die nog steeds in veel culturen wordt gebruikt, kreeg op de avond van Pasen nieuw leven ingeblazen door de verrezen Jezus. “Vrede zij met u” (Joh. 20:19, 21) is zijn Woord dat niet alleen vrede verlangt, maar werkelijk een blijvende transformatie teweegbrengt in hen die het ontvangen, en daardoor in de hele werkelijkheid. Om deze reden geven de opvolgers van de apostelen elke dag over de hele wereld uiting aan de meest stille revolutie: “Vrede zij met u!” Vanaf de avond van mijn verkiezing tot bisschop van Rome heb ik mijn eigen groet willen toevoegen aan deze universele proclamatie. En ik wil nogmaals benadrukken dat dit de vrede van de verrezen Christus is – een vrede die ongewapend en ontwapenend is, nederig en volhardend. Ze komt van God, die ons allen onvoorwaardelijk liefheeft. [1]

(U kunt hier de hele tekst ook downloaden om later nog eens na te lezen|)

 

De vrede van de verrezen Christus

De Goede Herder, die zijn leven geeft voor de kudde, en andere schapen heeft die niet van deze kudde zijn (vgl. Joh. 10:11,16), is Christus, onze vrede, die de dood heeft overwonnen en de muren van verdeeldheid die de mensheid scheiden, heeft afgebroken (vgl. Ef. 2:14). Zijn aanwezigheid, zijn gave en zijn overwinning blijven schijnen door de volharding van vele getuigen door wie Gods werk in de wereld wordt voortgezet en nog zichtbaarder en stralender wordt in de duisternis van onze tijd.

Het contrast tussen duisternis en licht is niet alleen een bijbels beeld dat de weeën beschrijft van een nieuwe wereld die geboren wordt; het is ook een ervaring die ons onrustig maakt en ons raakt te midden van de beproevingen waarmee we in onze historische omstandigheden worden geconfronteerd. Om de duisternis te overwinnen, is het nodig het licht te zien en erin te geloven. Dit is een oproep waartoe Jezus’ discipelen op een unieke en bevoorrechte manier worden uitgenodigd, maar die ook haar weg vindt naar ieders hart. Vrede bestaat; ze wil in ons wonen. Ze heeft de zachte kracht om ons te verlichten en ons begrip te vergroten; ze weerstaat geweld en overwint het. Vrede is een ademtocht van wat eeuwig is: terwijl we tegen het kwaad roepen: “Genoeg!”, fluisteren we tegen de vrede: “Voor altijd!” Naar deze horizon heeft de Verrezen Christus ons geleid. Gesterkt door deze overtuiging, zelfs te midden van wat paus Franciscus “een derde wereldoorlog die stukje bij beetje wordt uitgevochten” noemde, blijven vredestichters zich verzetten tegen de verspreiding van de duisternis en staan ​​ze als wachters in de nacht.

Helaas is het ook mogelijk om het licht te vergeten. Wanneer dit gebeurt, verliezen we ons gevoel voor realisme en geven we ons over aan een gedeeltelijk en vertekend wereldbeeld, verminkt door duisternis en angst. Velen noemen tegenwoordig  die verhalen ‘realistisch’ die verstoken zijn van hoop, blind voor de schoonheid van anderen en die Gods genade vergeten, die altijd werkzaam is in mensenharten, ook al zijn ze gewond door de zonde. Sint Augustinus spoorde christenen aan om een ​​onbreekbare band met de vrede te smeden, zodat ze, door haar diep in hun hart te koesteren, haar stralende warmte om zich heen zouden kunnen uitstralen. Hij schreef aan zijn gemeenschap: ‘Als je anderen tot vrede wilt brengen, moet je die eerst zelf hebben; wees zelf standvastig in de vrede. Om anderen te bezielen, moet de vlam in je branden.’ [2]

Lieve broeders en zusters, of we nu de gave van het geloof hebben of menen die te missen, laten we ons openstellen voor de vrede! Laten we haar verwelkomen en erkennen, in plaats van te geloven dat ze onmogelijk en buiten ons bereik is. Vrede is meer dan alleen een doel; zij is een aanwezigheid en een reis. Zelfs wanneer zij in ons en om ons heen in gevaar wordt gebracht, als een klein vlammetje dat door een storm wordt bedreigd, moeten we haar beschermen en nooit de namen en verhalen vergeten van hen die van haar hebben getuigd. Vrede is een principe dat onze keuzes leidt en bepaalt. Zelfs op plaatsen waar alleen puin over is gebleven en wanhoop onvermijdelijk lijkt, vinden we nog steeds mensen die de vrede niet vergeten zijn. Net zoals Jezus op de avond van Pasen de ruimte betrad waar zijn discipelen in angst en ontmoediging bijeen waren, zo blijft de vrede van de verrezen Christus deuren en barrières doorbreken in de stemmen en gezichten van zijn getuigen. Deze gave stelt ons in staat om ons het goede te herinneren, het als zegevierend te erkennen, er opnieuw voor te kiezen en dat samen te doen.

 

Een ongewapende vrede

Kort voordat hij gearresteerd werd, zei Jezus in een moment van onderling vertrouwen tegen degenen die bij hem waren: “Vrede laat ik u na; mijn vrede geef ik u. Ik geef u die niet zoals de wereld geeft.” En hij voegde er meteen aan toe: “Laat uw hart niet verontrust worden en wees niet bang” (Joh. 14:27). Hun onrust en angst hielden zeker verband met het geweld dat hem spoedig zou overkomen. Maar, op een dieper niveau, verbergen de evangeliën niet dat de discipelen verontrust waren door zijn geweldloze reactie was: een weg die zij allen, Petrus voorop, betwistten; toch vroeg de Meester hen deze weg tot het einde toe te volgen. De weg van Jezus blijft onrust en angst inboezemen. Hij herhaalt nadrukkelijk tot hen die hem met geweld wilden verdedigen: “Steek uw zwaard terug in de schede” (Joh. 18:11; vgl. Mt. 26:52). De vrede van de verrezen Jezus is ongewapend, omdat zijn strijd ongewapend was te midden van concrete historische, politieke en sociale omstandigheden. Christenen zouden samen profetisch getuigenis moeten afleggen van deze nieuwigheid, zich bewust van de tragedies waaraan zij maar al te vaak hebben bijgedragen. De grote gelijkenis van het Laatste Oordeel nodigt alle christenen uit om in dit besef barmhartig te handelen (vgl. Mt 25:31-46). Daarbij zullen ze broeders en zusters aan hun zijde vinden die, elk op hun eigen manier, naar het leed van anderen hebben geluisterd en zich innerlijk hebben bevrijd van de misleiding van geweld.

Hoewel veel mensen tegenwoordig openstaan ​​voor vrede, worden ze vaak overweldigd door een groot gevoel van machteloosheid tegenover een steeds onzekerder wordende wereld. Augustinus had deze paradox al eerder aangehaald: “Het is niet moeilijk om vrede te bezitten; het is misschien moeilijker om haar te prijzen. Om vrede te prijzen, merken we misschien dat we het nodige talent missen; we zoeken naar de juiste ideeën en wegen onze woorden zorgvuldig af. Maar vrede hebben, die is er, binnen handbereik, en we kunnen haar zonder moeite bezitten.” [3]

Wanneer we vrede als een ver ideaal beschouwen, zijn we niet langer verontwaardigd wanneer die wordt ontkend, of zelfs wanneer er oorlog in haar naam wordt gevoerd. We lijken die “juiste ideeën” te missen, de weloverwogen woorden en het vermogen om te zeggen dat vrede nabij is. Wanneer vrede geen realiteit is die wordt beleefd, gecultiveerd en beschermd, dan verspreidt agressie zich in het privéleven en het openbare leven. In de relatie tussen burgers en heersers zou het zelfs als een fout kunnen worden beschouwd om niet voldoende voorbereid te zijn op oorlog, niet te reageren op aanvallen en geen geweld met geweld te beantwoorden. Ver voorbij het principe van legitieme zelfverdediging domineert deze confronterende logica nu de wereldpolitiek, waardoor de instabiliteit en onvoorspelbaarheid met de dag toenemen. Het is geen toeval dat herhaalde oproepen tot verhoging van de militaire uitgaven, en de keuzes die daaruit voortvloeien, door veel regeringsleiders worden gepresenteerd als een gerechtvaardigde reactie op externe bedreigingen. Het idee van de afschrikkende kracht van militaire macht, met name nucleaire afschrikking, is gebaseerd op de irrationaliteit van de relaties tussen naties, en niet gebouwd op recht, gerechtigheid en vertrouwen, maar op angst en overheersing door geweld. “Bijgevolg,” zoals de heilige Johannes XXIII al in zijn tijd schreef, “leven de mensen in de greep van voortdurende angst. Ze zijn bang dat de naderende storm elk moment met afschuwelijk geweld over hen heen kan komen. En ze hebben goede redenen voor hun angst, want er is zeker geen gebrek aan dergelijke wapens. Hoewel het moeilijk te geloven is dat iemand de verantwoordelijkheid zou durven nemen voor het initiëren van de afschuwelijke slachting en verwoesting die een oorlog met zich mee zou brengen, valt niet te ontkennen dat de vuurzee door een of andere toevallige en onvoorziene omstandigheid zou kunnen ontstaan.” [4]

Bovendien moet worden opgemerkt dat de wereldwijde militaire uitgaven in 2024 met 9,4% zijn gestegen ten opzichte van het voorgaande jaar, waarmee de trend van de afgelopen tien jaar werd bevestigd en een totaal van 2718 miljard dollar (of 2,5% van het wereldwijde bbp) werd bereikt. [5] Verder lijkt het antwoord op nieuwe uitdagingen niet alleen enorme economische investeringen in herbewapening te omvatten, maar ook een verschuiving in het onderwijsbeleid. In plaats van een herinneringscultuur te bevorderen die het moeizaam verworven bewustzijn van de twintigste eeuw en de miljoenen slachtoffers bewaart, zien we nu communicatiecampagnes en educatieve programma’s – op scholen, universiteiten en in de media – die een beeld van bedreigingen verspreiden en alleen een gewapend idee van verdediging en veiligheid promoten.

En toch, “zij die de vrede werkelijk liefhebben, hebben ook de vijanden van de vrede lief.” [6] De heilige Augustinus adviseerde daarom geen bruggen te verbranden of te blijven verwijten, maar liever te luisteren en, waar mogelijk, in gesprek te gaan met anderen. Zestig jaar geleden werd het Tweede Vaticaans Concilie afgesloten met een hernieuwd besef van de dringende noodzaak tot dialoog tussen de Kerk en de hedendaagse wereld. In het bijzonder vestigde de Constitutie Gaudium et Spes de aandacht op de evolutie van oorlogvoering: “De gevaren die eigen zijn aan moderne oorlogvoering bestaan ​​erin dat zij degenen die over recent ontwikkelde wapens beschikken blootstellen aan het risico om dergelijke misdaden te begaan en, door een onontkoombare keten van gebeurtenissen, mensen aan te sporen tot nog ergere gruweldaden. Om de mogelijkheid dat dit ooit in de toekomst gebeurt te voorkomen, zijn de bisschoppen van de wereld samengekomen om iedereen, in het bijzonder regeringsleiders en militaire adviseurs, te smeken om onophoudelijk aandacht te besteden aan hun immense verantwoordelijkheden jegens God en jegens de gehele mensheid.” [7]

In navolging van de oproep van de Concilievaders, en met het oog op het feit dat dialoog op elk niveau de meest effectieve aanpak is, moeten we erkennen dat verdere technologische vooruitgang en de militaire inzet van kunstmatige intelligentie de tragedie van gewapende conflicten nog hebben vergroot. Er is zelfs een groeiende tendens onder politieke en militaire leiders om verantwoordelijkheid te ontlopen, aangezien beslissingen over leven en dood steeds vaker aan machines worden ‘gedelegeerd’. Dit is een ongekende en destructieve schending van de juridische en filosofische beginselen van menselijkheid die ten grondslag liggen aan en elke beschaving  en haar beschermen. Het is noodzakelijk om de enorme concentraties van particuliere economische en financiële belangen aan de kaak te stellen die staten in deze richting drijven; maar dat alleen zou niet genoeg zijn, tenzij we ook het geweten en het kritisch denken wakker schudden. De encycliek Fratelli Tutti presenteert Sint Franciscus van Assisi als een model van zo’n bewustwording: “In de wereld van die tijd, vol wachttorens en verdedigingsmuren, waren steden het toneel van brute oorlogen tussen machtige families, terwijl de armoede zich over het platteland verspreidde. Toch was Franciscus daar in staat om ware vrede in zijn hart te verwelkomen en zich te bevrijden van het verlangen om macht over anderen uit te oefenen. Hij werd een van de armen en streefde ernaar in harmonie met allen te leven.” [8] Dit is een verhaal dat we vandaag de dag moeten voortzetten, en dat betekent dat we onze krachten moeten bundelen om bij te dragen aan een ontwapenende vrede, een vrede geboren uit openheid en evangelische nederigheid.

 

Een ontwapenende vrede

Goedheid ontwapent. Misschien is dit de reden waarom God een kind werd. Het mysterie van de Incarnatie, dat zijn diepste afdaling zelfs doordringt tot in het dodenrijk, begint in de schoot van een jonge moeder en wordt geopenbaard in de kribbe in Bethlehem. “Vrede op aarde,” zingen de engelen, waarmee ze de aanwezigheid aankondigen van een weerloze God, in wie de mensheid zich alleen geliefd kan voelen door voor Hem te zorgen (vgl. Lk 2:13-14).

Niets heeft de kracht om ons zo te veranderen als een kind die heeft. Misschien is het juist de gedachte aan onze kinderen en aan anderen die even kwetsbaar zijn, die ons diep raakt (vgl. Handelingen 2:37). In dit verband schreef mijn eerbiedwaardige voorganger dat ‘menselijke kwetsbaarheid de kracht heeft om ons meer lucide te maken over wat blijft en wat voorbijgaat, wat leven brengt en wat doodt. Misschien is dit de reden waarom we zo vaak geneigd zijn onze beperkingen te ontkennen en kwetsbare en gewonde mensen te mijden: zij hebben de kracht om de richting die we hebben gekozen, zowel als individu als gemeenschap, in twijfel te trekken.’ [9]

Johannes XXIII was de eerste paus die pleitte voor ‘integrale ontwapening’, die alleen kan worden bereikt door vernieuwing van hart en geest. In Pacem in Terris schreef hij: “Iedereen moet beseffen dat, tenzij dit ontwapeningsproces grondig en volledig is en de ziel van de mensen tot in de kern raakt, het onmogelijk is de wapenwedloop te stoppen, de bewapening te verminderen, of – en dit is het belangrijkste – deze uiteindelijk volledig af te schaffen. Iedereen moet oprecht meewerken aan de poging om angst en de angstige verwachting van oorlog uit onze gedachten te bannen. Maar dit vereist dat de fundamentele beginselen waarop vrede in de wereld van vandaag is gebaseerd, worden vervangen door een geheel ander beginsel, namelijk het besef dat ware en duurzame vrede tussen naties niet kan bestaan ​​uit het bezit van een gelijke hoeveelheid wapens, maar alleen uit wederzijds vertrouwen. En wij zijn ervan overtuigd dat dit bereikt kan worden, want het is iets wat niet alleen door gezond verstand wordt ingegeven, maar op zichzelf het meest wenselijk en het meest vruchtbaar is.” [10]

Een essentiële dienst die religies aan een lijdende mensheid moeten bewijzen, is het behoeden voor de groeiende verleiding om zelfs gedachten en woorden als wapen te aan te wenden. De grote spirituele tradities, evenals de juiste rede, leren ons verder te kijken dan bloedverwantschap of etniciteit, verder dan verenigingen die alleen gelijkgestemden accepteren en andersdenkenden afwijzen. Vandaag de dag zien we dat dit niet zomaar kan. Helaas is het steeds gebruikelijker geworden om de taal van het geloof te gebruiken in politieke strijd, om nationalisme te verheerlijken en om geweld en gewapende strijd te rechtvaardigen in naam van de religie. Gelovigen moeten deze vormen van godslastering, die de heilige naam van God ontheiligen, actief weerleggen, vooral door het getuigenis van hun leven. Daarom is het, naast actie, meer dan ooit noodzakelijk om gebed, spiritualiteit en oecumenische en interreligieuze dialoog te cultiveren als wegen naar vrede en als talen van ontmoeting binnen tradities en culturen. Overal ter wereld is het te hopen dat “iedere gemeenschap een ‘huis van vrede’ wordt, waar men leert hoe men vijandigheid onschadelijk kan maken door middel van dialoog, waar rechtvaardigheid wordt betracht en vergeving wordt gekoesterd.” [11] Nu meer dan ooit moeten we laten zien dat vrede geen utopie is door aandachtige en levengevende pastorale creativiteit te bevorderen.

Tegelijkertijd mag dit op geen enkele wijze afbreuk doen aan het belang van de politieke dimensie. Degenen die met de hoogste publieke verantwoordelijkheid zijn belast, moeten “ernstig nadenken over de noodzaak van het bereiken van meer humane betrekkingen tussen staten over de hele wereld. Deze aanpassing moet gebaseerd zijn op wederzijds vertrouwen, oprechtheid in de onderhandelingen en de getrouwe nakoming van verplichtingen. Elk aspect van deze noodzaak moet worden onderzocht, zodat er uiteindelijk een punt van overeenstemming kan ontstaan ​​waaruit oprechte, duurzame en nuttige verdragen kunnen worden gesloten.” [12] Dit is de ontwapenende weg van diplomatie, bemiddeling en internationaal recht, die helaas maar al te vaak wordt ondermijnd door de toenemende schendingen van moeizaam verworven verdragen, in een tijd waarin juist de versterking van supranationale instellingen nodig is, en niet hun ontkrachting.

In de wereld van vandaag lopen rechtvaardigheid en menselijke waardigheid een alarmerend risico te midden van mondiale machtsongelijkheid. Hoe kunnen we in deze tijd van destabilisatie en conflict leven en ons bevrijden van het kwaad? We moeten elk spiritueel, cultureel en politiek initiatief aanmoedigen en ondersteunen dat de hoop levend houdt, en zo de verspreiding van ‘fatalistische termen tegengaan, alsof de betrokken dynamiek het product is van anonieme, onpersoonlijke krachten of structuren die onafhankelijk zijn van de menselijke wil.’ [13] Want, zoals is gesuggereerd, ‘de beste manier om mensen te domineren en te beheersen is door wanhoop en ontmoediging te zaaien, zelfs onder het mom van het verdedigen van bepaalde waarden.’ [14] Tegen deze strategie moeten we het zelfbewustzijn in de burgermaatschappij bevorderen, vormen van verantwoordelijke samenwerking, ervaringen met geweldloze participatie en praktijken van herstelrecht, zowel op kleine als op grote schaal. Leo XIII had dit al duidelijk gemaakt in zijn encycliek Rerum Novarum: “Het besef van zijn eigen zwakheid spoort de mens aan om hulp van buitenaf in te roepen. We lezen in de Schrift: ‘Twee zijn beter dan één, want zij hebben het voordeel van hun gemeenschap. Want als zij vallen, zal de een de ander oprapen; maar wee hem die alleen is wanneer hij valt en niemand heeft om hem op te rapen’ (Prediker 4:9-10). En verder: ‘Een broeder die door zijn broeder geholpen wordt, is als een sterke stad’ (Spreuken 18:19).” [15]

Moge dit een van de vruchten zijn van het Jubileum van Hoop, dat miljoenen mensen ertoe heeft bewogen zichzelf als pelgrims te herontdekken en in zichzelf te beginnen met die ontwapening van hart, geest en leven. God zal hier ongetwijfeld op reageren door zijn beloften te vervullen: “Hij zal rechtspreken tussen de volken en rechtspreken voor vele mensen; zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegscharen en hun speren tot snoeihaken; geen volk zal het zwaard tegen een ander volk opheffen, en zij zullen de oorlog niet meer leren. O huis van Jakob, kom, laten wij wandelen in het licht van de HEER” (Jesaja 2:4-5).

 

Vaticaan, 8 december 2025

PP  LEO XIV

 

 

[!! dank aan broeder Gerard Mathijsen voor de vertaling !!]

 

[1] Cf. Apostolic Blessing “Urbi et Orbi,” Central Loggia of the Vatican Basilica (8 May 2025).

[2] Saint Augustine of Hippo, Serm. 357, 3.

[3] Ibid., 1.

[4] John XXIII, Encyclical Letter Pacem in terris (11 April 1963), 111.

[5] Cf. SIPRI Yearbook: Armaments, Disarmament and International Security (2025).

[6] Saint Augustine of Hippo, Serm. 357, 1.

[7] Pastoral Constitution on the Church in the Modern World Gaudium et Spes, 80.

[8] Francis, Encyclical Letter Fratelli Tutti (3 October 2020), 4.

[9] Francis, Letter to the Directors of “Corriere della Sera” (14 March 2025).

[10] John XXIII, Encyclical Letter Pacem in Terris (11 April 1963), 113.

[11] Leo XIV Address to the Bishops of the Italian Episcopal Conference (17 June 2025).

[12] John XXIII, Encyclical Letter Pacem in Terris (11 April 1963), 118.

[13] Benedict XVI, Encyclical Letter Caritas in Veritate (29 June 2009), 42.

[14] Francis, Encyclical Letter Fratelli Tutti (3 October 2020), 15.

[15] Leo XIII, Encyclical Letter Rerum Novarum (15 May 1891), 50.

Copyright © Dicastery for Communication – Libreria Editrice Vaticana

 

 

 

Read Here the English version

komt allen tesamen

Alweer is er een jaar voorbij en zijn wij hier samengekomen om te gedenken, te zingen en te bidden dat Jezus geboren is in de kerstnacht.  Bent u in dit heilig jaar gekomen als pelgrim van de hoop of is het juist om in deze nacht hoop te vinden bij dat kind in de kribbe? Want wie dit jaar zijn ogen een beetje de kost heeft gegeven ziet zoveel verdeeldheid, versplintering, zoveel conflicten, lijden en dood in de eigen kleine omgeving, in onze samenleving en op wereldniveau in oorlogen met onbevattelijk leed. Op tal van plaatsen worden mensen niet meer als mens gezien , maar als obstakel. Mensen worden afgewezen, uitgewezen, nagewezen of afgeschreven.. En ook de aarde, de levende schepping moet vechten tegen de ondergang . Waar is dan die God die mens is geworden tot redding van de wereld? Hoe kan een kwetsbaar kerstkind nu vrede brengen, een licht dat niet meer dooft, liefde die iedere dood overwint?

En toch.. ‘Komt allen tesamen’ is de eerste regel van een kerstlied dat al een lange traditie kent over landsgrenzen en talen heen. Wij komen samen rond een oud verhaal. Is dat dan niet wonderlijk?

Het verhaal van Jezus geboorte roept ons, en wij hopen er door te worden aangeraakt, bemoedigd, ja herboren te worden niet als mensen met de moed der wanhoop maar als mensen van nieuwe hoop.

Is ons eigen verhaal al niet zo idyllisch, het kerstverhaal is dat zeker ook niet. Het haalt ons al direct uit de droom. Het begint met te vertellen van keizer Augustus die de dienst uitmaakte over een groot deel van de bekende wereld. Gewone mensen hadden er niets of niet veel in te brengen. Zij werden als nummers behandeld en moesten zich laten registreren. Niks nieuws onder de zon dus. Dat gold ook voor Jozef en Maria. Dat zij hoogzwanger was, kwam niet voor vrijstelling in aanmerking. En dan ook nog onderweg een onderkomen vinden…. Wie biedt onderdak, hulp, gastvrijheid?

Nee, het kerstverhaal begint niet in kerststemming. Maar laat u niet ontmoedigen, vrees niet, want midden in dat duister  breekt het licht door. Midden in de nacht wordt er een kind geboren, een kind geboren uit Gods eigen verlangen. In dit mensenkind maakt God met ons geschiedenis als geen ander.  Hier wordt een kind geboren om mens te worden en dat is een teken van hoop. Maar tegelijk is er de onuitgesproken vraag, die bij elke geboorte klinkt: wat zal er worden van dit kind?

Kunnen wij wel open staan voor dit kind, open staan voor deze boodschap van vrede en liefde, is ons hart van binnen hiervoor wel voldoende ruim, zuiver en toegankelijk? Wie het stil laat worden in zijn hart en de woorden overweegt die over dit kind door de engelen zijn gesproken, wie met de ogen van een verruimd hart kan kijken, krijgt te zien hoezeer God om ons geeft, om u, om jou, om mij. Laat dat eens binnenkomen als u met de herders stil naar dat kind in de kribbe kijkt. Weerloos en tegelijk ontwapenend. Maar niet in een roze wolk, maar in een stal, liggend in een kribbe. Dat is geen zoet kerstplaatje, maar een teken. Dit kind in de voederbak zal zich geven als voedsel voor de wereld.

God is naar ons op zoek en vandaag horen wij het verhaal dat hij daartoe ons bestaan op zich heeft genomen en mens is geworden zoals wij. Niet een supermens, hoog verheven boven ons maar een eenvoudig kwetsbaar mensenkind, een van ons, God met ons. Ja, mens zoals wij, maar zo, dat zijn liefde geen ondergrens en geen bovengrens kent. Liefde tot in het lijden en de dood. Liefde die niets en niemand buitensluit.

Als wij dat alles stil overwegen, waartoe nodigt dat kind nog zonder woorden ons dan uit?

Horen wij niet de roep om met de kwetsbaarheid van dat kind te beminnen, het licht van dat kind alle ruimte te geven in ons, zodat er gerechtigheid, waarheid en liefde kan gebeuren in de kleinere en grote wereld?

God zoekt mensen samen te brengen rond dit kind, waarin zijn mensenliefde handen en voeten krijgt en een hart dat aan geen mens of schepsel voorbij ziet.

Dit kind, door machtigen niet opgemerkt, is van Godswege een belofte van leven en vrede.

Heden is u een redder geboren, Christus de Heer. Het zal met ons de weg gaan,  niet van verdeel en heers,  niet van uitsluiting en verdelging maar een van samen optrekken, van delen van lief en leed, tot in de dood, ons leven dragend, verdragend, meedragend, opdat niets ons zou scheiden van de liefde van Christus, geen duisternis of dood.

Komt allen tesamen. Vandaag wordt een kind geboren en in een kribbe neergelegd. Eer aan God in den hoge, die zo naar ons omziet en vrede op aarde voor wie samenkomen rond dit kind en het met hun gaven en eigen leven eren.

God die zich zo klein heeft gemaakt, mens onder de mensen,

Laat dan geen  kinderen in  goot of  stal achter, sluiten wij de deuren van ons hart niet, opdat vrede het deel wordt van al Gods kinderen op aarde en wij samen dag in dag uit naar waarheid kunnen instemmen met het lied van de engelen in den hoge.

Het licht, de vrede van Christus moge deze nacht opnieuw  in ons hart geboren worden tot zegen voor ieder en alles wat leeft.

AMEN

 

Broeder Abt Thijs Ketelaars

Lezingen: Jes. 9,1-3.5-6; Titus 2,11-14; Lc. 2,1-14

Homilie bij een jubileum!

Hoe zal dit geschieden?”, vraagt Maria aan de engel, de boodschapper van Godswege.

Zij zegt na de roeping van de engel uiteindelijk wat een wijdeling zegt bij zijn wijding, lange tijd nadat hij zich geroepen begon te voelen, wanneer hij voor de bisschop staat: “Hier ben ik.”

 

Zo ben jij, broeder Gerard, vandaag precies vijftig jaar geleden voor bisschop Ernst getreden. Dankbaar gedenken wij vandaag jouw antwoord nadat jouw naam geroepen werd, in de abdijkerk in Oosterhout. “Hier ben ik.”

 

Dankbaar vieren wij de 50 jaar priesterlijke dienstbaarheid die jij vandaag volmaakt. En wel op de dag waarop wij het ‘fiat’ van Maria weer horen. “Zie de dienares van de Heer, mij geschiede naar uw woord”

Zonder mensen die zoals zij ‘ja’ zeggen is er voor God geen plaats in deze wereld.

 

Dan zou het de wereld van Achaz worden, zo’n grenzeloos geestloze wereld van een man die zelf wel zijn plan zal trekken. De wereld is overbevolkt met zulke mensen, meestal mannen. Overigens moeten we daarvoor in de kerk ook oppassen. De geestelijkheid kan zich zo gedragen, wij weten het. De kerk als bedrijf, als vastgoedbedrijf, als service-instituut, ja als verdienmodel; een kerk die zichzelf wel zal redden met een uitgekiende communicatiestrategie, een missionaire kerk die precies weet hoe het zit, wat je moet geloven, maar die niet weet te luisteren naar wat er al aan heilige Geest leeft bij de mensen en daarop voortbouwt.

 

Paus Franciscus waarschuwde ons daar tot vervelens toe voor: dat de kerk, dat de bisschop, dat de priester werelds zou worden, leven, regeren volgens de maatstaven van de wereld, met bisschoppen, abten en pastoors van enorme gebieden als een soort religieuze ceo’s.

 

Maria staat voor een andere wereld, net als de jonge vrouw ten tijde van de profeet Jesaja, van wie wij de identiteit niet kennen. De kerkelijke traditie ziet in haar een voorafschaduwing van de jonge vrouw van Nazareth.

Maria was heel kwetsbaar. “Hoe zal dit geschieden, ik beken geen man?” Wat zal de wereld daarvan zeggen. Een jonge vrouw, zwanger, die ja zegt tegen een toekomst die zij niet kent,  waarvan zij niets in de hand heeft, behalve haar vaste geloof, haar krachtige engagement: ‘mij geschiede naar uw woord, neem mij zoals ik hier nu ben, sla uw leven als een mantel van licht om mij heen…hier ben ik.’

 

Vijftig jaar geleden, broeder Gerard, werd je gewijd in de Sint Paulusabdij te Oosterhout, op deze 20ste december, ‘in ultimis feriis,’ één van de laatste dagen voor Kerstmis, dagen waarin – als ik het goed heb – in het Bredase bisdom de wijdingen plaatsvonden.

In de enkele jaren kloosterleven die ik hier mocht beleven (waarop ik dankbaar terugzie) heb ik jou in Egmond zien komen, onder het abbatiaat van broeder André, voor jou en voor mij een belangrijk geestelijk leidsman, die althans op mijn gelovig leven, mijn staan als christen in de wereld en in de kerk een krachtig stempel heeft gedrukt. Van deze geleerde, spirituele abt werd jij de opvolger.

 

Tientallen jaren was je vader abt en bracht je in praktijk, als christen, als monnik en als priester wat je schrijft over het in 1935 herstichte Egmond (meer dan  drieëneenhalve eeuw na de verwoesting in 1578) in het Benedictijns Tijdschrift dat deze week verscheen: het nieuwe klooster werd geen duizelingwekkend bouwwerk, geen centrum van gebed, cultuur en wetenschap, maar (citaat): “een kleine pretentieloze gemeenschap van broeders die, gesteund door een grote groep vrijwilligers, de abdij bewonen als een centrum van gebed en benedictijnse gastvrijheid, een plaats van stilte en schoonheid, waar gezocht wordt om God te dienen in eenvoud en verbondenheid.”

 

Dit signalement van de abdij heb jij vooral ontworpen en in praktijk gebracht. Zo heb ik het althans ervaren in de afgelopen tientallen jaren. Geen in zich gekeerde vesting, maar een bescheiden, betekenisvolle  aanwezigheid, waar bezoekers en gasten de eenvoud van evangelisch leven kunnen ontdekken. Er zijn de stilte, de schoonheid, de gastvrijheid. De abdij is een open huis geworden met aandacht ook voor de ontmoeting met christenen van andere belijdenissen. In een tijd waarin velen de eigen identiteit sterk benadrukken was en bleef Egmond een huis van ontmoeting en oecumenische gevoeligheid.

 

Monnik en priester.

In de benedictijnse traditie is de combinatie heel vertrouwd. Het priesterambt is een dienst aan de kerkgemeenschap. De ambtspriesters hebben de roeping de gemeenschappelijke priesterschap die het volk Gods is, te herinneren aan- en voor te gaan in zijn priesterlijke opdracht.

Het priesterambt is ook een dienst aan de kloostergemeenschap. De priester-monnik gaat voor in de eucharistie en desgevraagd in andere sacramenten en met name ook in de dienst van de verzoening. Menigeen vindt hier een rustige, gastvrije ontvangst om zich uit te spreken in de biecht.

 

Nog een citaat:

“Een pries­ter is een man Gods,
ge­roe­pen om verbin­ding te leggen
tussen mensen en God
en tussen mensen onderling,
want de liefde tot God
en de liefde tot de naaste
is de kern van christen-zijn
en dus ook de kern van het pries­ter­schap.”

Deze woorden zijn  een citaat uit een preek van onze bisschop, uitgesproken vorige zondag in de kathedraal bij gelegenheid van het gouden priesterjubileüm van een andere Limburgse priester met een royale footprint in Weert.

 

“Geroepen om verbinding te leggen tussen mensen en God en tussen mensen onderling.” Dit signalement is royaal van toepassing op de priester-jubilaris van vandaag.

Wij danken God voor jouw fiat, vijftig jaar geleden. Wij bidden om nog veel meer gezegende priester-monniksjaren voor jou, broeder Gerard; dat het geloofsvertrouwen van Maria jouw kracht, voorbeeld en vreugde mag blijven. Amen.

Preek ter gelegenheid van het 50 jaar priesterschap van broeder Gerard Mathijsen, zaterdag 20 december 2025, door Nico v/d Peet

Uitzicht houden op God

Dierbaren

Op zondag Gaudete, in het vreugdevol vooruitzien naar de komst van de Heer, staat de figuur van Johannes de Doper centraal. Zijn imposante optreden aan de Jordaan, dat de mensen fascineert, hen wellicht schrik inboezemt, maar nog meer fascineert en hoop geeft. Johannes verwijst naar de komende. Hij maakt zijn roeping helemaal waar, hij is een roepende, een stem, een levende heenwijzing.

Johannes verwijst naar Jezus. Maar dat niet alleen. Hij drukt ook uit wat er leeft in ons. Hij heeft woorden voor onze hoop, maar ook voor onze vragen, onze twijfel, voor wat er leeft diep in ons, daar geeft hij geeft stem aan: zijt Gij de komende of hebben wij een ander te verwachten?

Toen Jezus werd geboren in een kribbe te Bethlehem was dat een heel ander begin dan het Joodse volk voor ogen had met betrekking tot de komst van hun Messias. En de advent is niet enkel de tijd waarin wij ons voorbereiden op de viering van dat mysterie. Wij kijken ook vooruit naar zijn uiteindelijke wederkomst, gehuld in de nevels van het onbekende. Hij is degene naar wie wij uitzien, die wij verwachten, maar niet zonder twijfel en onzekerheid. Zal Hij werkelijk bereid zijn te komen, zal Hij straks de grote vervulling van onze dromen te zijn? Ons genezen van onze blindheid, onze verlamming, ons gevangen zitten in ons zelf?

Johannes zal als kind zijn ouders dikwijls hebben horen spreken over  Maria, het nichtje van zijn moeder Elisabeth, dat  haar op zo wonderlijke wijze had bijgestaan toen zij op gevorderde leeftijd nog beviel van een kind, een jonge vrouw die blijkbaar door God bovenmate gezegend was en dat geheim met zich droeg. Wat een bijzondere familie. Zij leefden in de geest meer in de bovennatuur dan op deze materiële aarde, maar toch zo verbonden met het lot van ons aardse stervelingen.

Van kindsbeen af had Johannes veel over Jezus gehoord, en verwachtte hij van Hem de grote ommekeer in de geschiedenis, een radicaal andere positie van het Joodse volk te midden van de andere volkeren, en daar bovenuit.

En wij verwachten van de kerk, de gemeenschap die Hij gesticht heeft, vrij zal zijn van menselijke tekorten en onvolmaaktheden, helemaal gericht op het hemelse. At zij ons in al haar verschijningsvormen al een voorsmaak geeft van het hemels paradijs. Als wij in haar, in haar leden, en zeker in haar geestelijke bedienaren onvolmaaktheid en zelfs zondigheid opmerken, twijfelen wij. Is dit Gods instrument dat ons zal redden?

In de dagen, waarover het Evangelie vandaag vertelt, zat Johannes in de gevangenis. Maar hij kon nog contact onderhouden met zijn leerlingen. Die hadden hem verteld over  Jezus, die zo bijzonder was, maar toch ook weer zo andere dan men verwachtte. Heel wat mensen zagen in hem de Messias. Uit de opdracht, waarmee Johannes zijn leerlingen naar Jezus stuurt, blijkt wel dat hij in grote onzekerheid verkeerde. Zelf had Johannes uitgesproken ideeën over de komende Messias. Hij beschouwde zich als diens voorloper “Hij die na mij komt is sterker dan ik “, waren zijn woorden.

Zijn opvattingen over de aard van de Messias had Johannes vooral ontleend aan uitspraken van de profeet Jesaja. De Messias zou met kracht komen, volgens Jesaja. Kracht, dat was in de visie van Johannes hèt karakteristiek van de Komende. Met krachtige hand zou de Messias hardhandig vonnis vellen over al wat niet deugde. Als een verslindend vuur zou hij al wat verkeerd was verdelgen. Alleen radicale bekering van zonden zou de mens kunnen behoeden voor het vreeswekkend ingrijpen Gods. Vandaar zijn oproep: “Bekeert u want het rijk der hemelen is nabij.” Bekeren of weggevaagd worden, het een of het ander. Geen compromis. Dat was de klare boodschap van de Doper.

Het antwoord, dat de leerlingen  mee terug brachten van Jezus, moet onthutsend geweest zijn voor Johannes. Geen onverbiddelijk oordeel maar barmhartigheid. En  Jezus beriep zich daarbij op uitspraken van diezelfde profeet Jesaja. Die had namelijk over de weldaden van de messiaanse tijd gesproken. Daarvan hoorden we iets in de eerste lezing: “Dan worden de ogen van de blinden ontsloten en de oren van de doven geopend. Dan danst de kreupele als een hert en juicht de tong van de stomme”. Jezus presenteert zich niet als de Sterke, die de fiolen van Gods toorn gaat uitstor­ten over het zondige mensdom, maar als de manifestatie van Gods barmhartige liefde voor wie arm is en te lijden heeft.

Hoe Johannes zijn beproeving in feite verwerkt heeft, het staat niet met even zoveel woorden in het  evan­gelie verhaal. Maar de woorden van Jezus tot de omstanders spreken een duidelijke taal: “Onder wie uit de vrouwen geboren zijn, is niemand opgestaan, die groter is dan Johannes de Doper.” Jezus wist, hoe Johannes deze geloofscrisis zou doorstaan.  Johannes, die als profeet opriep tot verandering en tot loslaten, wist zelf los te laten. Hij is niet verbitterd blijven steken in zijn eigen denkbeelden, in wat hij dacht zeker te weten. Hij wist  van zich af te wijzen en zo de fakkel door te geven en kon daardoor een unieke schakelfiguur worden tussen de oude en de nieuwe heilsbedeling, een scharnier tussen het Oude en het Nieuwe Testament. God zal komen, daarvan was Johannes diep overtuigd en ook wij geloven dat. Maar God zal telkens nieuw komen en anders dan wij gedacht hadden.  Daarom zullen ook wij  telkens weer oude, verouderde ideeën en beelden moeten loslaten, zonder verbitterd te worden en te verstarren in onwrikbare overtuigingen.  Zou dat niet de les zijn van deze zondag Gaudete, de wijsheid die wij van de stoere voorloper kunnen leren dat wij van de ene kant onwrikbaar moeten vasthouden aan Christus onze Voorganger, maar dat wij ons dienen te hoeden voor hardhoofdigheid, dat wij soepel en meegaand moeten zijn, volgzaam. Dat wij niet moeten bouwen op de geloofsgemeenschap als een machtig instituut waar niemand omheen kan, ook niet als  een bastion van ongenaakbare heiligheid zonder menselijke onvolkomenheid, maar als een arme en dienende kerk luisterend naar het evangelie en gevoelig voor de noden van onze tijd, bereid om zich te bekeren, om te groeien in heiligheid.

Wel, onze tijd heeft vele noden, maar de voornaamste lijkt mij dat wij mensen uitzicht houden op God, die ons niet vergeet, die naar ons toekomt op onverwachte wijze, die onder ons aanwezig wil zijn, die wij mogen zoeken in stil gebed, in groot vertrouwen, in innige hoop. Hij doet doven horen, en geeft blinden het gezicht terug. Hij is aanwezig in de mensen om ons heen, heel gewone mensen zoals ook de mensen rond Jezus indertijd waren.  Hij wil ons alles geven wat wij nodig hebben voor ons eeuwig geluk. Hij vraagt ons enkel om ons geloof. Mogen wij de vingerwijzing van de Doper volgen en dankbaar zijn voor de komst van Jezus in ons leven, in onze wereld.

Br. Gerard Mathijsen

 

Beeld: twee studies van Johannes de Doper, Rembrandt

Nieuwsbrief

Schrijf u vrijblijvend in en blijf op de hoogte van de activiteiten van Abdij van Egmond.

We respecteren uw privacy. Sint-Adelbertabdij zal uw e-mailadres nooit delen met derden.
© 2026, Abdij van Egmond Algemene voorwaarden