Nieuws

Preek 7 april 2024

Het was voor Thomas heel belangrijk dat zijn opgewonden medediscipelen niet alleen een fantasie hadden gezien, maar dezelfde Christus die zij in Galilea en Jeruzalem hadden gekend en gevolgd. De opgestane Christus was door het zicht voor de mensen aanwezig, hoewel het soms even duurde voordat ze beseften wie ze zagen. Maar zicht kan bedrieglijk zijn, zoals we suggereren als we over iemand zeggen dat hij ‘dingen ziet’. Aanraking is een meer solide manier om bij elkaar aanwezig te zijn, en Thomas wilde niet zomaar elk stukje van Jezus kunnen zien en aanraken, maar ook de littekens – de gaten die de afwezigheid van vlees waren en die de aanwezigheid van het vlees van de gekruisigde aantoonden. en één opgestaan. Wij die nog niet hebben gezien en geloofd, kunnen de intieme nabijheid van de Verrezene – een oprechte aanraking – op vele manieren ervaren, maar vooral door de sacramenten die tastbare uitdrukkingen zijn van zijn aanwezigheid bij ons.

Maar dit is niet slechts een persoonlijke, individuele ervaring waar mensen met een mystieke instelling van genieten. De verrezen Jezus blaast op zijn leerlingen (in andere woorden, inspireert hen) en transformeert hen in een gemeenschap die wordt uitgezonden om zijn barmhartigheid en zijn gerechtigheid te tonen. De intiem, zichtbaar en tastbaar aanwezige Christus schept een gemeenschap die een wereldwijde Kerk zal worden, waarin Hij altijd aanwezig is.

We zien een weerspiegeling van deze realiteit in het levensverhaal van de vroege christelijke gemeenschap in de Handelingen van de Apostelen; in de passage die we zojuist hebben gehoord, merken we veel reflecties op van de Evangeliën: de tekenen en wonderen; de mengeling van aantrekking en angst – we zouden kunnen denken aan Nikodemus die ‘s nachts naar Jezus komt; het brengen van zieken voor genezing, inclusief de hoop dat zelfs de schaduw van Petrus die op iemand viel, hen zou genezen – en hier zouden we ons misschien de vrouw kunnen herinneren die aan bloedingen leed en zei: ‘Als ik maar zijn kleren aanraak, zal ik beter worden’; en het samenkomen van mensen van overal met hun zieken en degenen die gekweld werden door onreine geesten: ‘En ze werden allemaal genezen’.

Maar er is een probleem: voor de meesten van ons lijkt de Kerk meestal niet echt op dat beeld uit Handelingen: charisma is routine geworden; we horen over opmerkelijke mensen en opmerkelijke gebeurtenissen die nog steeds plaatsvinden, maar ze lijken nooit te zijn waar we ons op dit prozaïsche moment bevinden. Misschien kunnen de woorden ‘Zalig zijn zij die niet hebben gezien en toch geloven’ worden toegepast op loyale gelovigen die naar de mis gaan, de Bijbel lezen, bidden, proberen wat meer liefde in de wereld te brengen, de waarheid spreken enz. etc. zonder enige verrassende manifestatie van Macht Van Boven of intense gevoelens van berouw, vreugde of hoop. Het voelt misschien niet wonderbaarlijk dat wanneer we een kerk binnenlopen en ergens dichtbij een klein bouwwerk zien bedekt met een sluier en een lamp, we in feite het grote wonder van God met ons zien. En dat is een wonder voor elke dag: we voelen ons niet elke dag opgetogen, neerslachtig, opgewonden of verveeld, en de perioden van boetedoening en vreugdevolle seizoenen, de weekdagen en de zondagen, passen zich niet aan onze stemming aan – ze zijn gewoon daar, en ze zijn betrouwbaar, in tegenstelling tot onze stemmingen. Het is interessant dat de passage uit Handelingen van vandaag onmiddellijk volgt op een verhaal van schandalen in de Kerk, wanneer Ananias en Saffira de gemeenschap proberen te laten denken dat ze genereuzer zijn dan ze zijn. Er is nooit een volmaakte Kerk geweest, maar het wonder van Gods genade hangt gelukkig niet af van onze volmaaktheid.

De evangelielezing van deze tweede paaszondag voert ons binnen in een liturgische setting: het is de avond van de eerste dag van de week, de dag na de sabbat, de dag waarop het graf leeg werd bevonden. Dan komen de geloofsleerlingen samen. Ze begroeten elkaar met de vredeswens of de vredeskus. Ze bidden om de komst van de heilige Geest. Ze vieren eucharistisch ( = dankend) de aanwezigheid van Jezus als de Levende in hun midden. Ze luisteren naar zijn woord en weten zich door Hem gezonden. En ze belijden hun geloof: de verrezene is de gekruisigde! Maar ook andersom: de gekruisigde is de verrezene! En ze roepen uit: Mijn Heer en mijn God!

Wij mogen ons voegen in deze liturgische samenscholing van de Johanneïsche gemeenschap. Binnen de opbouw van het Johannesevangelie fungeert deze tekst uit hoofdstuk 20 echter ook als een climax (hoofdstuk 21 is immers een epiloog). Na de verschijning aan Maria van Magdala, komt Jezus binnen bij de apostelen die zich hebben teruggetrokken achter gesloten (of beloken) deuren. Ze hebben schrik voor ‘de Joden’ – Johannes bedoelt voor ‘de Joodse leiders’ die Jezus hebben uitgeleverd, want de leerlingen behoren immers allemaal tot ‘de Joden’. Jezus komt binnen met de vredeswens, want geweld en dood hebben niet het laatste woord gehad. Een geweldige vreugde laait op in het hart van de leerlingen. De harde feiten van verraad en kruisiging komen in een heel ander licht te staan, in de gloed van het paaslicht. Deze opwekking tot heil en vrede opent onmiddellijk het perspectief op de zending. Want de deuren kunnen niet gesloten blijven – geen kerk die op zichzelf gefocust is! Integendeel: de ramen worden wijd opengezet, een aggiornamento kondigt zich aan. Waar is de zending op gericht? Op de vergeving van de zonden, en dat is Bijbels gesproken: op het helen van elke menselijke gebrokenheid. Wie zich door het geloof in Jezus laat helen van zijn wonden en zijn zonden, zal als vrucht de vrede ontvangen.

Natuurlijk is dat allemaal niet zo vanzelfsprekend. Gelukkig is daar Tomas! Want hij behoedt ons voor een onkritisch of voor een gewoontegetrouw geloof. Het is toch godsonmogelijk dat de gekruisigde ook de verrezene zou zijn!? Het kruis is toch een teken van mislukking, het lot van oproerkraaiers en misdadige bandieten? Was Hij wel de Messias van Israël?

Opnieuw verschijnt Jezus op de eerste dag van de week, en dan is Tomas erbij. Hij mag zijn handen in de wonden van Jezus leggen en ondervinden dat de verrezene dezelfde is als de gekruisigde. Nu beseft Tomas hoezeer Jezus door GOD bemind is en hoezeer Jezus het zicht op GOD heeft vrijgemaakt. En dus is zijn belijdenis ongeremd, alsof de hemel voor hem opengaat: ‘Mijn Heer en mijn God!’

Hiermee maakt het Johannesevangelie de cirkel rond: want de belijdenis van Tomas rijmt op het begin van dat evangelie: ‘In het begin was het Woord, en het Woord was bij GOD, en het Woord was GOD.’ (Johannes)

br. Gerard Mathijsen osb

Preek Paasdag 2024

Vannacht hebben wij met vuur, licht en water het nieuwe leven van Pasen verwelkomd en gevierd. En we maakten een hele reis door de Schrift waar wij hoorden hoezeer Gods weg met de mens een reis is van vallen en opstaan, van sterven en  verrijzen. En als apotheose kwamen wij bij een graf dat leeg bleek te zijn en daarmee het leven van de leerlingen van Jezus overhoop haalde.

Ze hadden het niet verwacht, ze hadden het niet durven geloven. En wij, die het verhaal en zijn wervelend vervolg in de geschiedenis kennen, kijken daar misschien van op.  Maar de dood aan het kruis, aan de schandpaal, wat is er erger en hopelozer? Dat is toch het einde van alles. En wat voor einde.

Het waren vrouwen, de mannen waren in geen velden of wegen te bekennen, die als eerste naar het graf gingen. Dat zij als eerste de boodschap van de opstanding vernamen, doet ons de oren spitsen. Vrouwen hadden in die dagen geen stem in het kapittel en hun woorden hadden geen wettelijk gezag. Waarom waren zij dan toch de eerste? Was het omdat ze niet in tel waren? Was het omdat de vrouw al sinds mensenheugenis de schuld voor dood en zonde in de schoenen was geschoven? Of was het misschien omdat een vrouw,  in de persoon van Maria, ja had gezegd op Gods roep om ruimte te maken in haar schoot voor het woord van zijn barmhartigheid, vlees van haar vlees, gedragen en gekoesterd.

Vrouwen, ze zijn Jezus gevolgd, hebben voor hem gezorgd uit eigen middelen, zegt het evangelie, en waar de mannen zijn gevlucht bij de kruisiging, bleven de vrouwen op afstand staan.

En vanmorgen hoorden wij Johannes in het evangelie vertellen hoe Maria Magdalena de mannen ging wekken en naar het lege graf bracht dat voor hen allen een raadsel en een open boek was, maar één waarvan ze de tekst nog niet konden lezen. Daarvoor was de zalving en de lering van de Geest nodig.

Pasen, broeders en zusters, Gods mens geworden liefde  is door geen dood vast te houden. Jezus, dat woord van de Vader, heeft in zijn menswording de dood niet ontvlucht. Hij heeft alles met ons gedeeld, ook de dood om ons nergens alleen te laten en Gods liefde sterker dan de dood het laatste woord te laten, ook toen het alles van hem vroeg.

Dat woord van het begin: er zij licht, er zij leven, het blijft zich een weg banen door de geschiedenis, het is vlees geworden en heeft onder ons gewoond. Het is de weg van alle vlees gegaan, maar heeft het van binnenuit getransformeerd. Door de adem Gods bewoond heeft het een spoor van licht door onze geschiedenis getrokken en is het door geen duister overwonnen, het is er doorheen gegaan.

Door de dood heen gegaan, teruggekeerd in de schoot van de Vader van wie hij was uitgegaan, is hij het leven zelf binnengegaan en heeft hij in zijn overgave ten einde toe ons zijn Geest gegeven, op dat wij als lichaam van Christus zouden leven als herboren mensen, mensen van hoop en van vergeving, de dood voorbij. Levend uit en op Gods adem zoals Jezus ons heeft voorgedaan.

Vannacht mochten wij in dat geloof twee mensen dopen en opnemen in de kerk. Nieuwe loten aan een boom die volgens sommigen vrijwel alleen dode takken heeft. Maar niets is minder waar. Die oude boom, die zijn wortels heeft in het paradijs, waar hij werd gevoed met levend water, die boom blijft nieuwe loten maken. En zo mogen wij ook vanmorgen een dopeling verwelkomen. Zo dadelijk zal Winnifred gedoopt en gevormd worden en als volwaardig lidmaat in de kerk worden opgenomen. Een nieuwe loot die op de oude stam wordt geënt en daarmee onze geloofsgemeenschap nieuwe vitaliteit schenkt. Reden tot dankbaarheid op deze Paasdag, reden tot het zingen van een alleluja. Reden ook om ons eigen doopsel met nieuw elan te beleven, want wij zijn elkanders ledematen en hebben daarmee ieder een eigen verantwoordelijkheid voor de vitaliteit van het lichaam van Christus.

In het evangelie hoorden wij hoe de zwachtels en de zweetdoek waren opgerold en weggelegd. Pasen is de dag waarop wij gedenken dat wij in de doop met Christus zijn bekleed, de oude mens hebben afgelegd, om als nieuwe mensen door het leven te gaan. Niet geschapen om als adam en eva een greep te doen naar de boom des levens om zelf heer en meester te zijn over het bestaan, maar om ons te laten enten op de levensboom die Christus is, die vruchten voortbrengt van actieve goedheid, van mededogen en van meeleven opdat allen deel krijgen aan de vrucht van het leven en God in alles zal worden verheerlijkt.

Laat ons dan nu Winnifred gaan dopen. Zij zal een nieuwe naam ontvangen. Elora, -God is mijn licht- ten teken van de nieuwe mens die zij in Christus wordt. Van de opgestane Heer belijden wij dat hij is Licht uit Licht. Datzelfde moge voor Winnifred gelden als zij gedoopt wordt en moge het voor ons allen gelden die vroeg of laat gedoopt zijn.  Dat wij als kinderen van het Licht een teken van hoop mogen zijn in een wereld die uitziet naar nieuw leven. AMEN.

Abt Thijs Ketelaars

20240331 PAASDAG

Feest van H. Benedictus

De liturgie van deze feestdag schildert met de keuze van de drie lezingen een mooi portret van onze vader Benedictus. Hij liet veel achter zoals vader Abraham, bij Paulus kregen wij een portret van een man van vrede die tot eenheid gekomen is en in het evangelie tekende Johannes hem voor ons als een man van gebed in de leerschool van het evangelie. Alle drie teksten om te overwegen en te herkauwen om ze vlees en bloed van ons te laten worden zoals Benedictus het ook heeft gedaan. En zo zou ik de preek van vorig jaar kunnen herhalen, want monastiek leven is een leven van steeds weer hernemen, elke dag weer. Want groei kan er maar zijn bij de gratie van geduld, van oefening en toeleg als antwoord op de geschonken genade die het zaad is waaruit alles ontkiemt. Herhaling is dus niet verkeerd, integendeel, maar vandaag wil ik desalniettemin een ogenblik stil staan bij een ander woord uit het leven van Benedictus, een woord dat fundamenteel is voor ons monastiek en menselijk bestaan. Die keuze wordt mede bepaald door het feit dat we middenin het synodaal proces zitten waartoe de paus heel de kerk heeft opgeroepen en uitgenodigd.

Het sleutelwoord van dat synodaalproces is gelijk aan het eerste woord uit de regel van vader Benedictus: luisteren, auscultare, en om de aard van dat luisteren nog nader toe te lichten, voegt Benedictus eraan toe ’neig het oor van je hart’ inclina aurem cordis tuae’. Die toevoeging geeft ons helder te verstaan dat het gaat om een innerlijke betrokkenheid anders blijft dat luisteren aan de buitenkant en is het ene oor in en het andere uit. Maar dat is noch de bedoeling van het synodaal proces, noch van het monastieke leven.

Benedictus begint zijn proloog op de regel met het woord luisteren en niet met een andere uitdrukking die  ook een belangrijke plek krijgt in het geheel van de regel. Bij het aannemen van een nieuwe broeder schrijft hij in hoofdstuk 58 dat er op moet worden toegezien of de kandidaat werkelijk God zoekt. Die vraag ‘ben je gekomen om God te zoeken?’ zou misschien niet misstaan hebben aan het begin van de regel, maar Benedictus heeft een andere keuze gemaakt. En dat is veelzeggend, want bij luisteren wordt een houding verlangt en verwacht van je helemaal openstellen terwijl bij het zoeken nog de mogelijkheid bestaat dat jij  bepaalt wat en waar je zoekt. Dat maakt een wereld van verschil met alle mogelijke gevolgen van dien.

In het synodaalproces komt het erop aan te luisteren naar de ander met wie je in gesprek gaat, maar het gaat ook over het luisteren naar het leven waar je als mens middenin staat, en naar de Geest die zowel in het leven als in de gesprekspartner zijn stille stem laat horen. Luisteren, het vraagt erom dat je alle oorkleppen aflegt om te voorkomen dat je mensen of zaken niet kunt of wilt horen. Luisterend leven begint met openheid, geen vooroordeel of censuur, want je weet niet wat het leven of de Geest je wil zeggen.

In de traditie is ons verteld dat wij naar het woord van God, naar de Schrift moeten luisteren, maar dat wij ook naar het boek van de natuur, naar het leven moeten luisteren, want in beiden laat de Heer van zich horen. Daar heb je niet alleen open oren voor nodig, maar ook een open hart zoals Benedictus het zegt ‘neig het oor van je hart’.  Luisteren, het vraagt om een oorschelp zo groot als de wereld en om een hart dat in ruimheid niet achterblijft, want wie weet waar en hoe God spreekt. Als wij de Schrift mogen geloven, dat boek dat door scherpe hoorders is opgetekend, spreekt God nogal eens op onverwachte plaatsen en in niet geziene personen. Van nature zouden wij daar niet zoeken en leggen wij er ons oor misschien ook niet te luisteren. Benedictus heeft er weet van als hij niet alleen zegt dat de jongste niet zelden de juiste raad geeft, maar dat ook de arme ons een woord van de Heer te zeggen heeft.

Luisteren, dat veronderstelt ook dat je kunt zwijgen, dat er plek voor de stilte in je leven is. Want hoe zou je anders de stem kunnen horen, laat staan verstaan. Het betekent ook dat je een stap terugdoet, want zoals een kerklied zingt “ God heeft het eerste woord”.  In heel de schepping, in elke ontmoeting klinkt dat woord van het begin mee. Dat woord dat riep ‘er zij licht’. Dat woord vraagt erom gehoord te worden ook als het duister is in ons hart of in de wereld die de onze is. Luisteren, ook als de nacht valt en er misschien alleen nog de schreeuw van de pijn en de wanhoop of de duistere stilte van de dood te horen is. Wat hebben ze ons, wat hebben ze mij te zeggen? Wat horen wij als wij in deze veertigdagentijd de stem of de stilte in de hof van olijven horen? Wat horen wij als wij op paasmorgen de zon zien opgaan?

Luisteren, het vergt een openheid zo wijd als de wereld. Maar dat betekent niet dat we alle uren van de dag het laatste nieuws moeten volgen of de smartphone stand by houden. Luisteren, het kan zoals gezegd niet zonder stilte en innerlijke aandacht. Luisteren is geen vorm van entertainment zoals een radio die de hele dag zorgt voor verstrooiing, het tegendeel is waar. Luisteren is toeleg op stilte om het woord te horen als het klinkt of zich aandient waar en hoe dan ook. Laten wij het dan niet missen of niet thuis geven, maar als Maria met een open hart het onverwachte en onvermoede welkom heten. Dat we als Jezus ja durven zeggen op een weg die ons kiest en die wij niet zouden kiezen, een weg van heil voor de wereld.

Wij vieren vandaag het feest van Vader Benedictus, hij die een leven lang geluisterd heeft opdat in al zijn doen en laten, in spreken en zwijgen, in luisteren en leven God zou worden verheerlijkt. Volgen wij hem van harte op die weg. AMEN.

Abt Thijs Ketelaars

2024 21 maart Benedictus –  Gen 12, 1-4a Fil 4,4-9  Joh 17,20-26

Preek Kerstdag 2023

Tijdens de nachtwake is traditie getrouw het geboorteverhaal van Jezus uit het evangelie van Lukas gelezen. Dat schilderachtige tafereel bracht Franciscus van Assisi er precies 800 jaar geleden toe om dat verhaal tot leven te brengen in de eerste kerststal in een grot. En zo is de kerststal zijn weg door de geschiedenis begonnen, tot op de dag van vandaag. Daar hoeven we niet van op te kijken, want beelden kunnen een verhaal heel dichtbij brengen. Ze kunnen onuitwisbare indrukken nalaten en een leven op zijn kop zetten. Voeg daar nog bij dat het een tafereel is waarbij een boreling het middelpunt vormt en het plaatje is compleet.

Maar vanmorgen horen wij een heel ander verhaal op deze eerste kerstdag. Nu geen engelen, geen herders en ook geen kind in de kribbe. Geen lijfelijkheid en geen os en ezel maar een lang verhaal, een gedicht zo u wil, over het woord, Gods scheppend woord. Voor deze of gene klinkt dat misschien afstandelijk en abstract, maar wie weet trekt die nevel op als we een ogenblik stilstaan bij de kracht van het woord.

Woorden kunnen afstand scheppen, nietszeggend zijn of slaapverwekkend; woorden kunnen kwetsen, verdeeldheid bewerken of dodelijk zijn,  maar er zijn ook woorden die je hart vlugger doen kloppen, die je verlangend naar een ontmoeting doen uitzien, die scheppend zijn en beloftevol. Woorden, ze zijn er in talloze kleuren en toonaarden. Ze hoeven dan ook niet per se onder te doen voor de zeggingskracht van het beeld of het nu een kerststal is of een bos bloemen. Misschien herinnert u zich nog de woorden die u in alle schuchterheid als verliefde ziel sprak op een feestje of in het stadion of God weet waar. Of het afscheidswoord aan het sterfbed van wie u lief was. Woorden, zij scheppen, zij kunnen opbouwen en ze kunnen afbreken. Ze kunnen een zegen zijn en een vloek. En daarom dienen wij er voorzichtig en gewetensvol mee om te gaan. Zij zijn als een kostbare kristallen vaas die breekt als je er mee gooit of er al te ruw mee omgaat.

Elk van de drie lezingen van deze morgen begint met te spreken over de weldadige kracht van het woord. Bij de profeet hoorden we de vreugdebode vrede melden, goed nieuws verkondigen, een einde aan ballingschap en leven in den vreemde. Thuiskomen.  Dat moet toch als engelengezang geklonken hebben voor de mensen die al zolang wachtten op een nieuw en veilig bestaan. Je kunt er meer dan een krant mee vullen: Oekraïne, Gaza, Israël, Sudan, Congo, Myanmar, Syrië, Jemen en ga maar door. En wie nu tegensputtert: Ja maar, is het wel waar, heeft nog een weg te gaan  om de hoop te ontdekken die in dit profetenwoord schuil gaat.

De brief van de Hebreeën waarvan wij de aanhef hoorden heeft het over Gods spreken in de geschiedenis tot onze vaderen. Hoe Hij met hen een weg is gegaan door water en woestijn. Met zijn woord dat de weg wijst en bevrijding aanzegt. Woorden als merkstenen, woorden als sterren in de nacht, woorden als balsem voor de ziel. Woorden die ons gaande houden, met als sluitstuk het woord dat vlees geworden is en al het onze heeft gedeeld zodat wij er niet alleen voor staan, maar een hulp hebben die met ons en voor ons gaat, God met ons, Emmanuel.

En dan het evangelie van vandaag. Dat reikt nog verder terug in de tijd dan de lezing van profeet en apostel. De aanvang van het evangelie van Johannes begint nog voor de tijd. En daar horen wij hem zeggen dat het woord bij God was, ja God was. Dat woord van God is onverdeeld en ondubbelzinnig en schept Licht en leven. Het kent geen dubbele agenda, maar is enkel en alleen bedacht op leven, want in God is geen afgunst en geweld.

Maar in de loop van de geschiedenis krijgt Gods Woord dat in heel de schepping spreekt, maar aarzelend het gehoor waarop het had gehoopt. Gods verlangen om met zijn woord gemeenschap te stichten krijgt te maken met menselijke woorden en daden die scheiding bewerken in plaats van verbinding. Geen communio, geen gemeenschap in het klare licht, maar vervreemding en verdeeldheid onder de zon.

En dan waagt God zich met zijn woord dat Licht en leven is in onze wereld die nood heeft aan een stem die niet met dubbele tong spreekt, maar de waarheid dient en mensen samenbrengt in Gods naam, opbouwt tot een nieuw bestaan waar vrede en gerechtigheid het overnemen van zwaarden en speren , van leugen en bedrog. Dat mens geworden woord van God biedt ons een thuis aan, waarin wij mogen wonen met een nieuwe naam. Geen kinderen des doods, geen broers of zussen die elkaar naar het leven staan, maar kinderen van God, bewoond door de Geest van God die leven geeft en gunt. Voor die Wereld en dat verbond is God mens geworden, Hij heeft er alles voor gegeven tot aan zijn laatste ademtocht.

De menswording van Gods Woord is een hachelijk avontuur, een woord van liefde dat op een antwoord wacht. Een woord dat blijft spreken tot  op deze morgen, niet dwingend en eisend, maar met de tere stem van een pasgeborene die nog  zonder woorden klare taal spreekt en vraagt om een thuis om ons zo thuis te brengen in het Licht. Allen samen als kinderen van het licht. Dat thuiskomen in een rond Gods Woord , het moge ons vandaag ten deel vallen. En laat dan ons thuis ook voor anderen een plek van hoop en leven worden. AMEN.

Abt Thijs Ketelaars

2023 kerstdag Jes.52,7-10; Hebr. 1,1-6; Joh. 1,1-18

 

 

 

Preek 2e advent zondag 2023

Het kerstfeest dient zich aan. Dit jaar is de adventstijd heel kort, en voor sommigen lijkt die tijd nog te lang. Ze zitten al onder de kerstboom en slaan de voorbereidingstijd over, maar wat valt er te vieren als je het pad erheen niet hebt gelopen? Kom je dan wel op de juiste plek uit of raak je misschien verzeild in een pseudo party?  Hoe het ook zij, wij krijgen vandaag in de liturgie twee gidsen aangereikt die ons tot kerstmis zullen begeleiden. Ze wijzen de weg, en hopen ons naar de bron van leven te voeren.  De profeet Jesaja zet vandaag de toon en Johannes de Doper sluit zich bij hem aan als het gaat om het banen van een weg.

‘Troost, troost toch mijn stad’, een woord eeuwen her gesproken tot een volk dat geen toekomst meer zag. Een woord waaraan ook vandaag nood is op zoveel plaatsen. Gaza, Israël, Oekraïne, Sudan, Myamar, Eritrea aan de litanie komt geen einde. En misschien ook wel dichtbij huis, want niet alleen oorlog en geweld maken het leven tot een woestenij, maar wat te denken van eenzaamheid en isolement in de grootstad of in een tehuis waar niemand je lijkt te zien.

‘Troost, troost toch mijn stad’, maar klinken die woorden niet ongepast in al die oorden waar dood en angst de dienst uitmaken. Is het geen godslastering, een leugen of een dooddoener. Hoe waag je het?

‘Troost, troost toch mijn stad’, dat woord wordt hier niet gesproken als een goedkope genade, maar hier spreekt iemand die put uit een diepe bron. Iemand die deelt in de miserie, geen figuur die aan de kant staat, maar zelf deelgenoot is van het duistere lot, die het van binnenuit meemaakt en te midden van nacht en nevel een woord van bemoediging heeft gehoord. Geput uit een diepe bron, gelezen tussen het wit van de regels van de Schrift, gehoord in de stilte. Of misschien in de drukte van de grootstad, te midden van alle hectiek zomaar in de ziel horen fluisteren. Wie zal het zeggen? De lezing van vandaag laat het in het ongewisse. Het kan dus overal gebeuren, maar eenmaal gehoord zoekt dat woord een weg naar anderen toe. De profetenstem in het Jesajaboek is er het grote voorbeeld van. Want wat je wordt toevertrouwd als woord van leven, het verplicht, en zet je op weg naar wie geen weg meer zien, geen toekomst, niets om voor te leven.

‘Troost, troost toch mijn stad’, hoe zou kerstmis er uit gaan zien als wij in een wereld van afgunst, macht en hebzucht de komende weken het woord van troost zouden toelaten in ons hart en op onze beurt brengers van troost en moed zouden worden, niet opdringerig en uit den hoogte, ook niet als verkondigers die de waarheid in pacht hebben, maar als mensen die samen optrekken, die elkaars lief en leed delen en zo samen het duister achter ons laten en een weg banen door de woestijn, vertrouwend op dat woord van troost en toekomst.

‘Troost , troost toch mijn stad’, het begint met het woord, een woord dat opbeurt en moed geeft, maar dan ook een woord dat aanzet tot concrete daden. Er moeten bergen en heuvels geslecht, al die obstakels die ons beletten elkaar te ontmoeten en samen ons in te zetten voor een stad van vrede, een plek waar God zelf thuis komt.

‘Troost, troost toch mijn stad’,  je kunt het maar als je zelf iets van die troost hebt mogen ervaren, die mensenliefde van God, die ons het verleden niet nadraagt, maar popelt om een nieuw begin te maken, toekomst te scheppen voor ons allen, een weg door de woestijn.

Vandaag is er in het profetenboek sprake van iemand met een roeping en wij als kinderen van de profeten ontvangen die met hem. En in het evangelie is er sprake van Johannes, ook een geroepene en die op zijn beurt ons roept en aanspoort.

Mensen troosten en bemoedigen, geen hekken plaatsen, maar wegen banen, paden naar het huis van God onder de mensen. Dat vraagt om veel meer dan het uitschrijven van een cheque voor het goede doel, het zet aan grenzen te verleggen, vooroordelen prijs te geven en aandacht te hebben voor het levensverhaal van mensen. Troosten is meegaan op een weg en het wijzen van een weg waar mensen er niet meer in geloven, waar ze zich mislukt of verloren voelen, of tevergeefs geboren. Samen op weg, want het leven is geen optelsom van individuen maar een gemeenschap die op elkaar is aangewezen en die elkaar opbouwt en tot zijn bestemming voert.

Waar zo geleefd en samen opgetrokken wordt, wordt advent de tijd om naar de vreugdebode te luisteren die de komst van de Heer meldt. Hij zal niet ver blijven, maar onder ons geboren worden. Maar dan mogen we de voorbereiding niet overslaan en nu al de boom optuigen. Dan hebben wij het nodige voorwerk niet gedaan, dan blijft het bij een kunstboom en zal de weg niet worden gebaand, worden obstakels niet opgeruimd en zal het kind in de kribbe geen thuis vinden.

‘Troost, troost toch mijn stad”, laat het woord niet tevergeefs klinken maar laat het binnenkomen in ons hart, en moge het ons de weg doen banen voor de komende, die niet aarzelt te komen in de kwetsbare gestalte van een weerloos mensenkind. God zal ons redden is zijn naam.  AMEN.

Abt Thijs Ketelaars

Badv2 2023 Jes. 40,1-5.9-11;  2Petr. 3,8-14; Mc. 1,1-8

 

Preek 1e advent zondag 2023

In de eucharistieviering raken hemel en aarde elkaar aan. In een Oosters orthodoxe viering is er veel dat die mystieke sfeer oproept, in onze liturgie is het wat nuchterder, maar de Heer en zijn H. Geest zijn ook hier werkzaam aanwezig. Dat mogen wij vieren, daarmee mogen wij ons voeden. We bieden Jezus’ verlossingswerk aan de hemelse Vader aan, en ontvangen in de eucharistische gaven deel aan zijn leven. En in de woorddienst vieren wij de nabijheid van de Heer in zijn Woord, die ons aanspreekt, die naar ons toekomt.

Op deze eerste zondag van de advent opent een nieuw kerkelijke jaar en begint onze voorbereiding op het feest van de Geboorte van Jezus. Wij bereiden ons voor op zijn komst, wij kijken ernaar uit. Herinnering en verwachting. Natuurlijk: die geboorte was 2000 jaar geleden, maar de liturgie richt ons vizier ook op zijn wederkomst, de definitieve doorbraak van het Godsrijk in onze aardse geschiedenis.

Daarover spreekt het evangelie vandaag. We hoorden het einde van de laatste toespraak van Jezus in zijn openbare leven, vlak voor zijn heilig lijden en zijn kruisdood. Met de keuze van deze tekst plaatst de liturgie de advent in het grote perspectief van de heilsgeschiedenis. Met Kerstmis zullen wij de geboorte vieren van het goddelijk kind in de intimiteit van de grot van Bethlehem, in stilte en de verborgenheid van de nacht, niet alleen als herinnering maar ook om die in zijn nieuwheid te ontvangen, en in deze tijd van voorbereiding ziet de liturgie ook uit naar die nieuwe komst, zijn wederkomst in heerlijkheid, voor het oog van alle mensen. Wij bereiden ons voor op die jongste dag, die zo onvoorstelbaar ver weg lijkt, maar waarvan de komst toch een geloofszekerheid is. De tekenen die het Evangelie beschrijft: aardschokken, tsunami’s van watermassa’s, opgejaagde volkeren, uitzichtloosheid, ontheemding, ondergang van ontelbaren: op vele plaatsen in de wereld is het rauwe werkelijkheid, en ik denk dat velen overtuigd zijn dat de wereld echt op een breukvlak staat. Wij leven in een broze wereld, met een onzekere toekomst, op allerlei manieren kunnen wij proberen ons in te dekken, onze voorzorgen nemen, maar zonder in paniek te raken is het goed om de voorzegging van de Heer niet te veronachtzamen. Het evangelie zegt ons: “zorgt ervoor dat uw geest niet afgestompt raakt door een roes van dronkenschap en de zorgen van het leven. Blijf te allen tijde waakzaam en bid dat u de kracht zult hebben om te ontkomen aan alles wat er gaat gebeuren, en rechtop te staan voor de Mensenzoon.”

Maken deze woorden ons bang, of steken zij juist een hart onder de riem?  Bemoedigt Jezus ons en neemt Hij onze zorgen weg? En wat zou Jezus bedoelen met waakzaamheid? Daarover kun je wijze woorden lezen bij Jan van Ruusbroec, de grote contemplatief en mystieke schrijver uit de 14e eeuw. Gisteren,  2 december was het zijn gedachtenis. In zijn meesterwerk: `De geestelijke bruiloft’ geeft hij drie elementen van wat waakzaamheid is:

  • Aandacht voor de aanwezigheid van Gods genade die werkzaam is in onze ziel, want God is inniger in ons binnenste aanwezig dan wij zelf zijn.
  • Toeleg om onze geest vrij te maken van ongepaste beelden, en ons hart van zorgen en gehechtheden die ons verwijderd houden van de diepere laag van ons bestaan, en wij aan de oppervlakte blijven, vluchtig, futiel.
  • Het richten van heel ons hart en verlangen op de komst van Gods Rijk, Hem willen ontmoeten.

In deze advent kunnen wij ons voordeel doen met deze wijsheid, deze goede raad. Allereerst: wat een troost, te weten dat God naar ons toekomt, dat Hij op zoek is naar ons, dat Hij in ons leven werkzaam aanwezig is.

Om daarvoor open te staan gooien wij overboord wat ons belet om zijn genade te ervaren en wat die werking hindert: ongepaste beelden, overbodige zorgen, gehechtheid aan tijdelijke dingen.

Onze kerstviering, heel deze tijd is doorgaans helaas vooral vol van de buitenkant, van overbodige dingen die ons afleiden van het wezenlijke. Te weinig hebben oog voor waar het om gaat: dat God binnenkomt in onze wereld, dat Jezus ons door woord en sacrament deel geeft aan het kindschap Gods. Dierbare mensen, door uw aanwezigheid en uw meevieren geeft u blijk dat u daarvoor open wilt staan. In onze viering is de Heer zelf aanwezig met zijn genezing en zijn bemoediging. Mogen onze aardse zorgen niet verhinderen dat zijn Geest helend en heiligend onder ons aanwezig is en ons tot dankbare mensen maakt die God prijzen om zijn menslievendheid en barmhartigheid.

Ik besluit met het gebed over de gaven van deze dag:

Heer, geef dat de eredienst die wij in dit leven mogen vieren, ons brengt tot het geluk van de eeuwige verlossing. Door Christus, onze Heer.

br. Gerard Mathijsen osb

Preek 1 oktober 2023

Dit weekend wordt er in ons dorp kermis gevierd. Dat is een oude traditie die teruggaat tot in de Middeleeuwen en nog steeds springlevend is. Vieren, het hoort wezenlijk tot ons menselijk bestaan. Waar we dat vergeten, verleren of niet meer doen dreigt het leven een grijze sleur te worden. Vieren is er voor feestelijke momenten in het persoonlijke, kerkelijke of nationale leven. Een geboortedag, een trouwdag, een professiedag, een kerkwijdingsdag, een bevrijdingsdag.  Maar het leven kent ook droeve momenten. Dan gebruiken wij een ander woord en spreken van gedenken of herdenken. Memorabele dagen, maar van een andere kleur en daarom ook een ander woord. Vieren heeft iets uitbundigs, iets feestelijks. Het dorp viert dit weekend kermis, wij vieren in de abdij vandaag de verjaardag van de professie van de broeders. Nu heeft niet iedereen zijn gelofte op dezelfde dag gedaan, bijvoorbeeld 1 oktober, maar wij vieren elk jaar samen op een en dezelfde dag ieders professie en met dat vieren hernieuwen wij ook ons engagement. En wij doen dat niet zomaar in het voorbijgaan. Aan die professievernieuwing gaat een aantal dagen vooraf waarin wij ons samen bezinnen op onze roeping. Het is een gelegenheid om terug te kijken en een moment om vooruit te zien. Samen, maar ook persoonlijk. Dankbaar en kritisch in het licht van Gods woord. Zo doen wij dat ook vandaag weer.

Dat vieren van en het hernieuwen van de professie gebeurt dit jaar op een heel bijzonder moment in het leven van de kerk, want aanstaande woensdag 4 oktober begint in Rome een nieuwe fase in het synodaal proces waartoe paus Franciscus ons allen heeft uitgenodigd. Synodaal, u weet het intussen, dat Griekse woord betekent ‘samen op weg’. Nu zijn er in de kerk hooggeplaatsten en ook mensen in de lagere regionen die dat maar een nieuwlichterij vinden die de kerk geen goed zal doen. We doen er goed aan die stemmen niet terzijde te schuiven, hoe venijnig ze soms ook zijn. Ze dienen aandachtig beluisterd te worden, hoe moeilijk dat soms ook is, om te zoeken hoe met deze mensen in gesprek te komen om te voorkomen dat mensen uit de boot vallen.

Synodaal, samen op weg, zo staan wij broeders vandaag weer voor de Heer om ons samen optrekken te hernieuwen. Dat doen wij in dankbaarheid om de afgelegde weg, waarop de Heer ons met zijn woord en Geest heeft geleid en bewaard. Wij doen het ook met een kritische blik en belijden ons tekortschieten. We beseffen dat het ook stukwerk was dat soms geen prijs verdiende, dat wij als gemeenschap tekort zijn geschoten of als lid van de communiteit ons ja niet volmondig hebben gehouden. Samen op weg, ondanks alles een reden om dankbaar voor te zijn, want hoevelen hebben niets of niemand die met hen de weg gaat? Samen op weg, vandaag een nieuwe kans en meer dan dat, een uitnodiging en een woord van vertrouwen dat wij aan elkaar gegeven zijn op de éne weg die Christus is. Dat geldt voor onze gemeenschap, dat geldt voor de grote kerk, het geldt ook voor ieder van ons hier samen deze morgen, want allen maken wij deel uit van het éne, levende lichaam van Christus.

Samen op weg, hoe doe je dat? Daar komt de liturgie van deze dag ons op een bijzondere manier te hulp. Wij krijgen de lezingen op een presenteerblaadje aangereikt en het kon niet beter.

De eerste lezing uit de profeet Ezechiël spreekt immers over de weg en we zien hoe dat geen gelopen race is. Integendeel, er wordt geklaagd over de weg en het lijkt wel of we de krant of het journaal voor ons hebben, want het eerste wat we horen is de ander de schuld geven. Ja, God krijgt de schuld omdat het niet loopt zoals verhoopt en verwacht. Nu kan het leven inderdaad heel erg tegen zitten en de weg met obstakels bezaaid zijn, maar voor we God daarvan de schuld geven moeten we ons huiswerk maken. Wij kennen maar een stuk van de weg en weten het einde niet. Dat ligt buiten ons vizier. DE Schrift zegt ons dat God met ons een weg ten leven gaat, ook als het duister is om ons heen. Op die weg heeft ieder zijn eigen verantwoordelijkheid. Wij kunnen onze bijdrage niet afschuiven op een ander. Misschien falen we soms of struikelen we op het pad, maar Ezechiël zegt ons dat God ons daar niet op vastpint. En abt Antonius wist ons al te vertellen dat vallen niet vreemd is aan ons menselijk bestaan, maar dat het erop aankomt weer op te staan, en samen verder te gaan, elkaar dragend en dienend op de weg. Iedere dag weer.

De apostel Paulus sluit met zijn Filippenzenbrief op een heel eigen wijze aan op de woorden van Ezechiël. Hij pleit en dringt aan om toch vooral de eenheid te bewaren. Het zijn heel hartelijke en bevlogen woorden die wij van hem horen, maar de goede verstaander heeft misschien tussen de woorden ook gehoord dat het er in de gemeenschap van Filippi niet allemaal zo harmonieus aan toegaat als Paulus wel verhoopt. Wat zou het synodaal proces, wat zou ons eigen samen op weg zijn niet winnen als iedereen de zinsnede “geeft niet toe aan partijzucht en ijdelheid, maar acht in ootmoed de ander hoger dan uzelf” als leidraad zou nemen op het parcours dat we te gaan hebben. En dan hebben we het nog niet over de hymne die dan volgt in Paulus’ tekst, waar de Christus ons gegeven wordt als degene die zich nergens op heeft laten voorstaan en met ons en voor ons, midden onder ons de weg gaat. Samen op weg.

En dan het evangelie, het kan op verschillende manieren gelezen worden, maar misschien is het niet verkeerd ons vandaag in beide broers herkennen. Soms zijn wij de ene, en bij een ander gelegenheid zijn wij de andere. Maar we zijn en blijven geroepen om als de nieuwe Adam mensen uit één stuk te zijn, herschapen tot gelijkenis met de ene die alles heeft gegeven, beeld en gelijkenis van de Ene, die ons het leven geeft.

Samen op weg, we zijn onderweg, laten we elkaar vasthouden en dragen en nemen wij elke dag de kans waar om ons te bekeren tot de ene weg die Christus is. Hij moge ons, mensen van vallen en opstaan, samen leiden naar het leven in het licht. AMEN.

Abt Thijs Ketelaars.

Adhj26 20231001 Ez. 18,25-28; Fil. 2,1-11; Mt. 21,28-32

Preek 27 augustus 2023

Heeft u nog paraat, broeders en zusters, hoeveel vragen  u de afgelopen dagen heeft gesteld? En hoeveel vragen zijn er in die dagen aan u gesteld? Bent u ze inmiddels vergeten of zijn er misschien een paar in uw hoofd blijven hangen? Feit is dat het leven ons voor allerlei vragen stelt. Heel alledaagse in de trant van ‘wat eten wij vandaag?’ tot heel indringende zoals ‘wat is de zin van mijn bestaan?’

Het hoeft dan ook niet te verbazen dat we in de Schrift op veel bladzijden een of meer vragen aantreffen. Hoe zou het anders kunnen in dat boek van ons geloof dat van begin tot het eind gaat over de weg van ons mensen. Het begint al op de eerste bladzijde waar Adam de vraag krijgt ‘waar ben je?’[1] en de laatste vraag die wij in de Schrift aantreffen staat in hoofdstuk 17 van de Openbaring van Johannes. In het boek Genesis was het God zelf die met vragen begon, en de laatste vraag is van een engel die bij het grote oordeel tegen de schrijver van het boek zegt ‘waarom verbaast gij u?’[2].  Tussen die twee vragen speelt zich onze mensengeschiedenis af, een tijd van vragen en bij tijden ook van antwoorden.

Vandaag worden er in het evangelie twee vragen gesteld en beide malen komen ze uit de mond van Jezus. Dat feit alleen al is opmerkelijk. Weet Jezus dan niet alles, hij is toch de zoon van God voor wie er geen vragen bestaan. Misschien is zo’n uitspraak toch aan een herziening toe. Waarom zou God, waarom zou Jezus geen vragen hebben, want aan het avontuur van de menswording beginnen is voor hem en voor ons toch geen gelopen race. Zo zit het leven niet in elkaar. En bij alle pijn is het maar goed ook, want waar blijft anders de verrassing, de vrijheid en het geheim van de liefde?

Als Jezus mens geworden is, – en dat behoort tot het hart van onze geloofsbelijdenis-   dan is hij een weg gegaan waarbij het vragen niet ontbrak. ‘Wie ben ik?, wat is mijn weg? Hoe leer ik die weg kennen en onderscheiden?’ Vragen van hem, vragen ook van ons, die ook een weg te gaan hebben. En het antwoord op die vragen komen wij hopelijk op het spoor door vragen te stellen aan tochtgenoten, aan onszelf en aan die ongeziene derde op de weg, aan God die wij in het stil gesprek aanspreken, vragen stellen en bij wie wij ons oor te luisteren leggen. Zo heeft Jezus het gedaan, zo geldt het ook voor ons.

Vragen, ze komen soms onverwacht of op een ogenschijnlijk ongelukkig moment. Maar als je zelf de vragensteller bent, doe je er goed aan het juiste moment te zoeken en de juiste manier en toon. Dan is er al veel gewonnen en een stuk van de weg gebaand.

Zoiets zien wij in het evangelie van vandaag. De twee vragen van Jezus staan niet aan het begin van zijn weg met de leerlingen. Dat zou voorbarig zijn, wat zouden de leerlingen kunnen antwoorden? De leerlingen kenden Jezus nog nauwelijks. Je moet al een tijd met iemand hebben opgetrokken vooraleer je kunt vragen ‘wie ben ik voor jou?’ Maar misschien durf je het niet goed of heb je andere aarzelingen. Dan is een omweg op zijn plaats zoals wij vandaag meemaken.

‘Wie zeggen de mensen dat ik ben? ‘ Wilde Jezus dat echt weten of zoekt hij een tussenstap vooraleer hij het op de man af aan zijn leerlingen vraagt?  Hij maakt een omweg en alle leerlingen doen hun zegje. Hij hoort wat er allemaal over hem wordt verteld, wie of wat mensen in hem zien. Maar eenmaal de mannen aan de praat gekregen, komt hij met een heel persoonlijke vraag. Nu is het moment daar. ‘Wie zeggen jullie dat ik ben?’ Nu gaat het er niet meer om wat anderen denken of zeggen, maar zijn de leerlingen zelf in het spel betrokken. Maar waar kort tevoren allen de mond open deden, is het er nu maar één, Petrus, de man die wij kennen als haantje de voorste. Petrus geeft Jezus een naam, een titel ook. ‘Gij zijt de Christus, de zoon van de levende God.’ En uit die woorden blijkt hoezeer Petrus door Jezus is geraakt. Hij heeft in hem iets gezien of vermoed en de woorden die hij daarvoor gebruikt komen van verre. Dat is geen theologische uitspraak, geen kille redenering, maar die naam en die titel is als vloeiende lava, die komt van heel diep.  ‘Gij zijt de Christus, de zoon van de levende God’, woorden die Petrus heeft meegekregen uit oude geloofsverhalen en die voor hem nu een heel nieuwe en bijzondere betekenis krijgen. Waar altijd op gehoopt werd en waarvan de eeuwen door gedroomd was, Petrus bespeurt het hier voor zich. In deze Jezus komt Gods gezalfde onder ons, de koninklijke gestalte die van Godswege zijn volk zal weiden en leiden. In recht en gerechtigheid, in sporen van waarheid. Wat altijd is verhoopt zal nu zijn beslag krijgen, want deze mens Jezus is de  belichaming van Gods zorg voor mensen. Zo is het Petrus vergaan en dat spreekt hij uit. Hij kan niet anders. Maar ondanks deze grote woorden recht uit zijn hart heeft Petrus, zo weten wij,  nog een hele weg te gaan vooraleer hij Jezus en zijn weg echt zal kennen.

Maar daarmee is het verhaal vandaag nog niet uit, er gebeurt nog iets bijzonders. Zoals Simon Petrus aan Jezus een bijzonder naam en titel gaf zo geeft Jezus op zijn beurt aan Simon een nieuwe naam.  Petrus zal hij heten, rots, een kei van een man. Nee, hij was niet volmaakt, maar hij geloofde in Jezus als de ziel van zijn bestaan, als begin en einde van zijn leven en dat van God met ons. Met zo iemand waagt Jezus het, en daarmee begint een verhaal dat tot op heden doorgaat, met vallen en opstaan, met vergeving en nieuw leven, want God schrijft in Christus geschiedenis met mensen van vlees en bloed.  En nu is het aan ons, wie zeggen wij dat hij is? AMEN.

Abt Thijs Ketelaars

Adhj21 2023 Jes. 22,19-23; Rom. 11,33-36; Mt. 16,13-20

 

[1] Gen. 3,9

[2] Openbaring 17,7

Preek 2 juli 2023

De woorden van het Evangelie van deze zondag vormen het besluit van de zendingstoespraak van Jezus tot zijn twaalf apostelen zoals Mattheus die heeft opgetekend. In het spoor van die twaalf hebben in de loop der eeuwen ontelbare missionarissen en zendelingen zich ingespannen om het evangelie overal in de wereld te verspreiden. Wat is daar niet uit voortgekomen? Aan goeds, aan moois, en aan misverstaan? Deze woorden van Jezus hebben onze samenleving diep beïnvloed, onze Europese cultuur gevormd, en ook alle gebieden waar het evangelie is verspreid. Jezus sprak duidelijke taal. Maar ook menselijke taal, open voor misverstaan, voor interpretaties die niet in overeenstemming zijn geweest met zijn verlossende boodschap.
In het evangelie vandaag horen wij geen parabel en geen genezingsverhaal, maar kostbare woorden van Jezus voor wie Hem wil volgen: over hoe wij Hem mogen volgen. Over onze verbondenheid met Hem, en onze relatie met onze dierbaren, met andere mensen, bekend of onbekend.
Maar zoals gezegd spreekt Jezus de taal spreekt van de mensen om Hem heen, zijn tijdgenoten, zijn taalverwanten. Iedere taal heeft zijn eigen idioom. Tegenwoordig hoor je in het openbare leven bijna meer Engels spreken dan Nederlands, maar ik herinner mij nog goed dat ik vele jaren geleden eens een schroevendraaier nodig had en aanklopte bij een Amerikaanse medebroeder. Hij gaf mij die en zei: “you are welcome.” Mijn Engels volstond om hem te verstaan, maar niet om hem te begrijpen. Ik verstond het als: ”wat leuk dat je komt”, terwijl het natuurlijk gewoon een staande uitdrukking is, zoals wij zeggen: “graag gedaan”. Trouwens “staande uitdrukking” wat zullen buitenlanders zich daarbij voorstellen: heb je dan ook liggende uitdrukkingen? Het is maar om te zeggen: waar we Jezus dingen horen zeggen die in onze oren hard klinken zoals in de tekst vandaag “wie vader of moeder meer bemint dan mij, is mij niet waardig, en bij Lucas zelfs: “wie zijn vader niet haat”, moeten wij bedenken dat Jezus de taal van zijn omgeving gebruikt. In onze oren klinkt dat hard, absoluut. Maar we zouden ons vergissen als we het op z’n hollands verstaan! Jezus wil niet dat wij niet houden van onze naasten, Hij wil dat wij onze ouders eren, zelf heeft Hij daarin het voorbeeld gegeven. Maar Hij heeft met ons een nog inniger relatie, de verbondenheid met Hem gaat nog dieper, die schept een band, sterker dan de dood. Dit gegeven vormt het merg van het evangelie, door ons persoonlijk toebehoren aan Jezus zijn wij kinderen van de Vader. Door Hem hebben wij ook met elkaar een heel nieuwe relatie, die uitgaat boven onze gewone menselijke verhoudingen. Daarom noemen wij als christen gelovigen elkaar ook broeders en zusters. Een buitengewoon sterke verbondenheid die wortelt in God en uitbloeit in een leven als christen. Als een man een vrouw huwt, en daarvoor vader en moeder verlaat, blijft hij met hen verbonden in kinderlijke genegenheid en dankbaarheid, hij gaat hen niet haten! Wie gaat beseffen wat het kindschap Gods betekent, hoe een mens zich ten diepste door de Heer gekend, bemind, vergeven, genezen mag weten, krijgt met God een sterke band die ook de dierbaarste relaties overtreft. De Heer vereenzelvigt zich met zo’n mens: “wie u opneemt, neemt Mij op.” Die mystieke eenwording wordt door Paulus in de brief aan de Romeinen uitgewerkt. Paulus heeft een diepe visie, hij is voor een eenvoudig sterveling moeilijk te begrijpen, en ook de grote theologen worstelen met zijn dikwijls moeilijk geconstrueerde taal. Maar gelukkig openen de Schriftlezingen van deze zondag niet met een theologisch traktaat, maar met een vertelling die ieder van ons zal hebben aangesproken. Een heel menselijk verhaal. Elisa was bevriend met een vrouw. Zij woonde in Sunam, een dorpje vlak bij Naïm, waar Jezus later de dode zoon van een weduwe ten leven zal wekken. Deze sunamitische is geen weduwe, maar gehuwd met een welgestelde man. Helaas is het echtpaar kinderloos. Misschien is dat de reden dat de vrouw in haar zorgzaamheid oog heeft voor de nood van de profeet en hem gastvrijheid biedt. Regelmatig ontvangt hij van haar een maaltijd en zelfs een woning, een gemeubileerd vertrek dat altijd voor hem klaar staat. De man Gods is daardoor geroerd en toont zich dankbaar. Hoe kan hij dit uiten? Zijn dienaar vermoedt de diepe kinderwens van het echtpaar. En Elisa gaat daarop in. De vrouw blijft schroomvallig buiten de kamer, maar de profeet voorzegt haar: volgend jaar zult u een zoon aan het hart drukken. Ongevraagd is de hartenwens van de vrouw vervuld. Als later haar kind wordt getroffen door een zonnesteek en overlijdt, geeft de Sunamitische blijk van haar geloof in de profeet en zal hij op haar aandringen haar dode zoontje weer tot leven wekken door zijn vurig gebed. “Wie een profeet opneemt omdat het een profeet is, zal ook het loon van een profeet ontvangen.”
Zusters en broeders, deze lezingen zetten ons aan tot een groot vertrouwen in God. We kunnen denken: God heeft mij zeker in veel opzichten gezegend maar ik word toch ook wel zwaar beproefd. Wie kent niet goede mensen die het onmetelijk moeilijk hebben. En toch! Door alle beproevingen heen draagt God zorg voor ons. En wij geloven dat Hij eens alle doden zal doen opstaan en verrijzen tot een beter leven. Nu in dit korte aardse bestaan worden wij op de proef gesteld. En in onze hoogontwikkelde samenleving waarin het menselijk kunnen zoveel vermag, is het voor ons moeilijk deze begrensdheid te aanvaarden. Wij kunnen niet begrijpen dat er op het politieke vlak dingen gebeuren waarvan zoveel mensen het slachtoffer zijn. Mensen in groot en klein verband, in de wereldpolitiek en misschien evengoed in onze directe omgeving handelen dikwijls onbegrijpelijk. De anglicaanse aartsbisschop Rowan Williams ziet het als de kern van de spirituele uitdaging waarvoor wij zijn geplaatst hoe wij omgaan met de andersheid van de ander. Je hebt daar geen antwoord op. Je moet het verdragen. In die beproeving vasthouden aan het geloof. Natuurlijk is dat niet gemakkelijk. In het evangelie horen wij al: ‘Heer vermeerder mijn geloof! Ik geloof Heer, kom mijn ongeloof te hulp.’ Laten wij altijd bidden om de grote genade van het geloof, voor onszelf, voor anderen.
Dierbaren, de schriftlezingen van vandaag geven ons te verstaan dat wij in de Persoon van Jezus, in zijn vriendschap, zijn liefde en zijn geestelijke nabijheid, een schat hebben die alles te boven gaat. Dat moge ons houvast bieden. Vanuit die rijkdom mogen wij uitgroeien tot open, ontvankelijke, gastvrije mensen, die ons door niets laten scheiden van Gods liefde.

br. Gerard Mathijsen osb

Zondag 13 dhjA 2 juli 2023
Lezingen: 2 Koningen 4:8-11,14-16 | Rom 6:3-4,8-11 | Mat 10:37-42

Preek 19 februari 2023

Deze zondag liturgie biedt ons drie lezingen met uitdagende, maar wel heel mooie uitspraken. “Geen weerstand bieden aan onrecht” “Bemint uw vijanden”. Wat bedoelt de Heer met zulke woorden? Wie is daartoe in staat? En stel dat u het zou kunnen, mag dat dan wel van iedereen gevraagd worden? Kunnen mensen zich niet gekwetst en overvraagd voelen door zulke uitdagingen, die te hoog gesteld lijken. De lat te hoog gelegd. Je mag zulke hoge idealen misschien niet als gebod stellen, maar ze zouden kunnen zijn bedoeld als  uitdaging, als uitnodiging. En wat zou de wereld er anders uitzien als wij mensen zouden proberen hieraan te beantwoorden.

Als we die hoge eisen opvatten als geboden verliezen ze hun glans, maar als we er een uitdaging in horen kunnen ze de wereld in een nieuw licht laten zien.

Ik probeer nu geen les uit een handboek aan de man/vrouw te brengen, maar er in beelden over praten. Jezus zelf heeft niet anders gedaan: Hij sprak in parabels. En aan die parabels verbond hij een duidelijke conclusie. Een opdracht, zou je kunnen zeggen. Zo hoorden wij het vandaag:  “Weest dus volmaakt, zoals uw Vader in de hemel volmaakt is.” Waarin bestaat die volmaaktheid? Jezus heeft dat zelf verduidelijkt: God laat de zon opgaan over goeden en bozen en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. M.a.w. God maakt geen onderscheid. Hij oordeelt wel, maar Hij veroordeelt niet. Hij is gul, Hij is barmhartig. Hij is mateloos in zijn barmhartigheid.

Wij mensen zijn geschapen naar Gods beeld. Wij zijn uitgenodigd om daarvan iets te weerspiegelen, volgens onze eigen maat. De mateloosheid van God hoeven wij niet te evenaren, dat zou absurd zijn. Maar ieder heeft zijn eigen maat, en wij moeten niet onder die maat blijven.

Geschapen naar Gods beeld. Laat ik dat verduidelijken door een geschiedenis. Een verhaal uit een samenleving in Zuid Amerika die nog niet beïnvloed was door Europese kolonisatoren. Over mensen die nog niet in aanraking waren gekomen met het evangelie, maar wel mensen, geschapen naar Gods beeld!

In een nederzetting waren twee jonge mannen slaags geraakt en de een had de ander gedood. Hij was door zijn dorpsgenoten overmeesterd en men beraadslaagde welk vonnis hem wachtte.

`Hij heeft een moord gepleegd en verdient de doodstraf’, was het oordeel. `Ja maar niet zomaar, meenden enkele vrienden van de vermoorde jongeman. Het slachtoffer stond in zijn recht en is door de ander schandalig aangepakt. Hij heeft zich misdragen, en niet voor het eerst. We willen dat hij niet zomaar gedood wordt, maar hem laten voelen zoals hij verdient’.

Een oude man kwam daartegen in verzet. Het recht moet zeker zijn loop hebben, vond hij, maar het is niet goed toe te geven aan wraakzucht. Dat zullen de goden ons vergelden. Uiteindelijk wendde men zich tot de vader van de vermoorde jongeman. Wat was zijn mening?  Ze zaten allen  in een kring. De jongeman die de moord had gepleegd lag zwaar gekneveld daar buiten en wachtte bevend op het oordeel. De vader van het slachtoffer zweeg lange tijd. Toen wees hij naar zijn woning, en zei: “daar staat mijn huisje, en daarachter ligt een stuk bouwland en in de prairie loopt mijn vee. Ik heb daar heel mijn leven gewerkt en toen ik niet meer kon heeft onze zoon dat overgenomen en gezorgd voor mijn vrouw en mij, voor ons vee,  onze akker en de tuin. Nu is mijn zoon dood, hij komt niet meer terug, en wij blijven berooid achter. Zijn moordenaar kunnen wij natuurlijk ook doden. Maar wat winnen wij daarmee? Laat hem als straf de taak van mijn zoon overnemen. Laat hij het werk doen wat onze jongen niet meer kan doen”. Daarover moest uitvoerig worden beraad. Het nam veel tijd in beslag. Pas tegen de avond kwamen ze tot een besluit. De geboeide moordenaar werd in het midden geplaatst en de oudste zei hem: “Je ziet daar het huis van de ouders van je slachtoffer. We leggen je de verplichting op levenslang voor zijn ouders en hun bezit zorg te dragen. Als je dat belooft zullen we je jou je schuld niet nadragen en kun je in leven blijven”. De jonge man viel snikkend de vader van zijn slachtoffer te voet. Hij kwam zijn verplichting na, en werd ten slotte voor het bejaarde echtpaar als een zoon, die in de wijde omgeving aan anderen ten voorbeeld werd gesteld..

Deze parabel laat menselijke wijsheid zien. Deze mensen hadden nog geen kennis van het evangelie, en waren ook niet geraakt door alle ellende van een een samenleving die de weg kwijt is. We zien dat in hun gemeenschap het beeld van God naar wie zij geschapen zijn, wel is aangetast, anders sla je elkaar niet dood, maar niet uitgevaagd. Je kunt samen – vandaag zou men zeggen in een synodaal proces- de weg ontdekken die gegaan moet worden om vrede te herstellen en te bevestigen.

Een ander verhaal, nu in een christelijke context:

In WW II zijn verschrikkelijke dingen gebeurd. Overal in Europa, en ook in ons land. Deze week werd bekend dat de dossiers van alle landverraders, en van alle mensen die met de bezetter hebben geheuld of samengewerkt, zijn gedigitaliseerd en openbaar zullen worden gemaakt. Ongetwijfeld zal dat veel losmaken, en zullen kinderen of kleinkinderen van mensen die fout blijken te zijn geweest daar last mee krijgen. Hoe daarmee om te gaan? Moeten de kinderen van mensen die fout zijn geweest gebukt blijven gaan onder die schuld?

De allergrootste oorlogsmisdaad uit WW II is de moordpartij te Marzabotto een kleine plaats in de Povlakte bij Bologna, waar de Nazi’s in in 1944 1830 burgers op afschuwelijke wijze van het leven hebben beroofd, omdat in hun dorp onderduikers waren opgenomen. Een traumatisch gebeuren dat nog steeds niet genezen is. Pastores en theologen hebben zich het hoofd gebroken hoe men moet omgaan met deze wrange erfenis? Vergeven en vergeten? De gemeente van Marzabotto heeft een Zwitserse kunstenaar  gevraagd een monument te ontwerpen ter nagedachtenis, en deze religieus geïnspireerde kunstenaar,  Jozua Boesch wilde zich niet aan dit verzoek onttrekken. Het werd een innerlijk gevecht waaruit een triptiek geboren is die Kaïn en Abel uitbeeldt: links hun beider kreet naar de hemel: een kreet van nood en wanhoop; rechts de verzoening van de twee broers, door de liefde van Christus die neerdaalt, en die  Abel omhelst, maar ook Kaïn de hand reikt en opricht uit zijn verlorenheid; en centraal de twee broers die samen Eucharis­tie vieren, omhuld met een mantel van liefde onder het kruis.

Zusters en broeders, bidden wij dat wij in klein en in groot verband onze menselijke, dikwijls ingewikkelde verhoudingen stellen in het licht van de Heer, dat wij leven als kinderen van de hemelse Vader, dat heel onze wereld, Israël en Palestina, Joden en Arabieren, Rusland en Oekraïne, de Verenigde Staten en China,  Oost en West zich bewust worden dat wij  deze kwetsbare planeet mogen bewonen en beheren in  het licht van God, gered en tot eenheid geroepen in Christus Jezus, de redder van de wereld, onze enige hoop.

Br. Gerard Mathijsen osb

Zondag 7 door het jaar, zondag voor Aswoensdag. 19 februari 2023

Lev. 19,1-2;17-18; 1 Kor. 3, 16-23; Mt. 5, 38-48.

Nieuwsbrief

Schrijf u vrijblijvend in en blijf op de hoogte van de activiteiten van Abdij van Egmond.

We respecteren uw privacy. Sint-adelbertabdij zal uw e-mailadres nooit delen met derden.
© 2024, Abdij van Egmond Algemene voorwaarden