Nieuws

Preek 14 juli 2024

Wij hoorden vandaag dat Jezus zijn apostelen op een missie stuurt. Niets mogen ze meenemen voor onderweg. Als ze in een stad of dorp aankomen, moeten ze om gastvrijheid vragen. Zij komen als kleine mensen, afhankelijk. In het Oosten was dat vroeger niet ongewoon zo te reizen. Nog hoor je het van mensen die soms in die landen een trektocht ondernemen. De gastvrijheid is er legendarisch. Maar je moet de ander wel accepteren zoals hij is. Je moet je gastgever niet willen veranderen en zeker niet bekeren. We herkennen dat wel en hebben zelf ook niet graag getuigen van Jehova aan de deur. Nu zijn Jezus’ apostelen wel van een ander kaliber, maar toch! Hij waarschuwt hen dat ze niet altijd goed ontvangen zullen worden en dat ze erop moeten rekenen dat er niet naar hen geluisterd zal worden. Mattheüs voegt eraan toe: “Zie, ik zend jullie als schapen te midden van wolven” (10/16).

Juist Gods gezanten, profeten, konden en kunnen de wind van voren krijgen. Misschien herinnert u zich nog de lezing uit Ezechiël afgelopen zondag. De Heer waarschuwde hem: “Mensenzoon, ik zend je… naar een volk van rebellen, naar degenen die tegen mij in opstand komen… met een hard gezicht en een koppig hart”.

Vandaag is het niet anders voor de profeet Amos van wie wij mochten horen in de eerste lezing. Amos is een van de profeten van het Noordelijke Koninkrijk. Na de dood van Salomo werden de twaalf stammen van Israël verdeeld in twee koninkrijken. Ik heb het altijd ingewikkeld gevonden, en dat is het misschien ook. In het zuiden het koninkrijk Juda, inclusief de kleine stam Benjamin. In het noorden, het koninkrijk Israël, geregeerd door koning Jerobeam I die de tien stammen onder zijn bestuur had. Dit politieke schisma, toen al, ging gepaard met een religieus schisma. Om te voorkomen dat de noordelijke stammen naar de Tempel in Jeruzalem zouden gaan, had de koning in Bethel een nieuw heiligdom opgericht, waarover gesproken wordt als “het koninklijke heiligdom, de Tempel van het Koninkrijk”. Deze situatie van een volk verdeeld in twee koninkrijken duurde tot de tijd van de ballingschap.

Ongeveer twee eeuwen na Salomo onder een van de opvolgers van Jerobeam II beleefde het Noordelijke Koninkrijk een tijd van grote welvaart. En Jahweh had zijn volk niet in de steek gelaten. Hij bleef profeten inspireren, zowel in het Noordelijke als het Zuidelijke Koninkrijk. Onder Jerobeam II was het Amos. Amos liet van zich horen en nam het op tegen de koning. Dat was zijn roeping, zijn plicht: het geweten uitdagen en wakker schudden. Amos verzette zich tegen de aanbidding van Jahweh in Bethel en predikte dat men naar Jeruzalem moest gaan om de Heer daar te aanbidden. U herinnert zich het gesprek van Jezus met de Samaritaanse vrouw in het Johannes evangelie. Waar wil God aanbeden worden? Amos verzette zich tegen de toenmalige koning Jerobeam II en het door hem ingestelde priesterschap. De priester Amazia stuurde een bericht naar Jerobeam: ‘Amos predikt rebellie tegen u in het koninkrijk Israël. Het land kan al zijn toespraken niet langer verdragen. Want dit is wat Amos zegt: `koning Jerobeam zal omkomen door het zwaard en Israël zal worden gedeporteerd, ver van zijn bodem.’ In feite voorzegde Amos de ballingschap. Hij leidde geen complot. Maar waarschuwde, en probeerde de mensen aan te moedigen op te gaan om Jahweh te aanbidden, niet in Bethel, maar in Jeruzalem. De priester Amazia beschouwde deze religieuze bekommernis als een politieke opstand tegen Jerobeam.

Hij zei tegen Amos: “Ga weg van hier met uw visioenen en vlucht naar het land Juda.” Amazia noemt de profeet een charlatan, een valse profeet. Amos was van Judese afkomst, hij hoefde dus alleen maar het noordelijke koninkrijk te verlaten en naar huis terug te keren. Amazias wil deze buitenlandse onruststoker niet. We houden niet van iemand die stoort: “Daar (in Juda) kun je je brood verdienen door je werk als profeet te doen. Maar hier, in Bethel, stop met profeteren; want nogmaals het is (hier) een koninklijk heiligdom, een tempel van het Koninkrijk.” Religie is politiek geworden.

In de eerste lezing klonk het antwoord van Amos aan Amazia. Amos spreekt over zijn roeping als profeet. Jahweh heeft hem geroepen. Hij was op geen enkele manier voorbereid op deze rol van geïnspireerde demonstrant, die andermans geweten moest wakker schudden. Hij had daarvoor geen enkele ambitie: ‘Ik ben van huis uit geen profeet; ik ben een herder en een snoeier van vijgenbomen. Maar Jahweh nam mij van achter de kudde en zei: ‘Ga, wees een profeet voor mijn volk Israël, voor de stammen van het Noorden. Zusters en broeders, Gods roeping kan het leven van een mens op zijn kop zetten, zijn lot veranderen en bepalen. Dit is een van de essentiële kenmerken van alle roepingsverhalen. In de Evangeliën ziet Jezus vissers aan de oevers van het Meer van Galilea. Jezus roept hen. Ze laten hun netten achter en volgen hem en Jezus stuurt ze op een missie. Hij ziet Levi bij een tol, als douaneambtenaar zou je kunnen zeggen; hij spreekt hem aan en Levi geeft zijn baan als tollenaar op. In de boeken Koningen ontmoet Elia Elisa terwijl hij het terrein van zijn familie aan het ploegen is. Elia gooit zijn profetenmantel op Elisa’s schouders. Die laat zijn land en zijn ossen in de steek en volgt zijn nieuwe meester. Dit is het algemene patroon van elk roepingsverhaal: ik was dit of dat, maar God riep mij en ik liet alles achter.

Dus nogmaals Amos. Jahweh haalde hem van achter zijn kudde en van onder zijn vijgenbomen vandaan. Het woord van Jahweh verplicht hem te profeteren, te protesteren, aan te wijzen wat verkeerd is, mensen te oordelen, zelfs priesters en koningen. Hoe verschillend roepingen ook zijn, het initiatief voor iedere roeping ligt bij altijd bij de Heer. Elke roeping is het antwoord op een roeping van God. En is ten dienste van de gemeenschap, van het algemene heil.

En in de tweede lezing hoorden wij van Paulus dat de Christenen, wij allemaal, onze roeping hebben, geroepen zijn, uitverkoren, begenadigd, proficiat, maar het is niet vrijblijvend, wij moeten er gehoor aan geven, wij moeten luisteren. Wie 11 juli het feest van Sint Benedictus heeft meegevierd heeft het gehoord, wij mogen meewerken aan het stand komen van de grotere eenheid tussen al Gods kinderen, wij mogen helpen dat het koninkrijk van God realiteit wordt in deze wereld, in ons leven.

Zusters en broeders, tot op de dag van vandaag roept God. In deze lezingen laat de kerk ons nadenken over onze roeping die van God komt. Wordt Gods stem gehoord? Zijn wij ons bewust van ons geroepen zijn? Luisteren wij? Volgen wij onze roeping? God zal nu toch niet minder roepen dan vroeger? Zijn wij niet allemaal geroepen? Zijn wij het luisteren verleerd? Je hoort dikwijls dat mensen het erover hebben hoe zij zich kunnen ontwikkelen, hun talenten kunnen ontplooien. En vooral hoe goed hun kinderen presteren. Dat is prachtig. Maar gaat het daarbij vooral om hen zelf? Willen zij nog hun plaats innemen in een groter geheel? Je hoort wel dat het kerkelijk leven momenteel draait op vrijwilligers. Maar, wordt gezegd, dat zijn grotendeels ouderen, 70+ers. Als die generatie voorbij is, dan houdt het op. Je krijgt de indruk dat vandaag het bewustzijn dat God roept is weggezakt, Zou God zich een beetje duidelijker moeten laten horen? Spreekt Hij niet duidelijk genoeg in de H. Schrift? Moeten wij het eerst weer voelen, met een nieuwe Nabukadnassar of wordt er op dit moment tenminste naar deze oproepen geluisterd. Laten we dus tot de Heer bidden, zodat Hij niet zwijgt, niet voorbijgaat aan ons, en dat wij het leven niet voorbij laten gaan zonder naar zijn stem te luisteren, zonder onze roeping waar te maken.

br. Gerard Mathijsen osb

Zondag 15 dhj B 2024

Preek 2e advent zondag 2023

Het kerstfeest dient zich aan. Dit jaar is de adventstijd heel kort, en voor sommigen lijkt die tijd nog te lang. Ze zitten al onder de kerstboom en slaan de voorbereidingstijd over, maar wat valt er te vieren als je het pad erheen niet hebt gelopen? Kom je dan wel op de juiste plek uit of raak je misschien verzeild in een pseudo party?  Hoe het ook zij, wij krijgen vandaag in de liturgie twee gidsen aangereikt die ons tot kerstmis zullen begeleiden. Ze wijzen de weg, en hopen ons naar de bron van leven te voeren.  De profeet Jesaja zet vandaag de toon en Johannes de Doper sluit zich bij hem aan als het gaat om het banen van een weg.

‘Troost, troost toch mijn stad’, een woord eeuwen her gesproken tot een volk dat geen toekomst meer zag. Een woord waaraan ook vandaag nood is op zoveel plaatsen. Gaza, Israël, Oekraïne, Sudan, Myamar, Eritrea aan de litanie komt geen einde. En misschien ook wel dichtbij huis, want niet alleen oorlog en geweld maken het leven tot een woestenij, maar wat te denken van eenzaamheid en isolement in de grootstad of in een tehuis waar niemand je lijkt te zien.

‘Troost, troost toch mijn stad’, maar klinken die woorden niet ongepast in al die oorden waar dood en angst de dienst uitmaken. Is het geen godslastering, een leugen of een dooddoener. Hoe waag je het?

‘Troost, troost toch mijn stad’, dat woord wordt hier niet gesproken als een goedkope genade, maar hier spreekt iemand die put uit een diepe bron. Iemand die deelt in de miserie, geen figuur die aan de kant staat, maar zelf deelgenoot is van het duistere lot, die het van binnenuit meemaakt en te midden van nacht en nevel een woord van bemoediging heeft gehoord. Geput uit een diepe bron, gelezen tussen het wit van de regels van de Schrift, gehoord in de stilte. Of misschien in de drukte van de grootstad, te midden van alle hectiek zomaar in de ziel horen fluisteren. Wie zal het zeggen? De lezing van vandaag laat het in het ongewisse. Het kan dus overal gebeuren, maar eenmaal gehoord zoekt dat woord een weg naar anderen toe. De profetenstem in het Jesajaboek is er het grote voorbeeld van. Want wat je wordt toevertrouwd als woord van leven, het verplicht, en zet je op weg naar wie geen weg meer zien, geen toekomst, niets om voor te leven.

‘Troost, troost toch mijn stad’, hoe zou kerstmis er uit gaan zien als wij in een wereld van afgunst, macht en hebzucht de komende weken het woord van troost zouden toelaten in ons hart en op onze beurt brengers van troost en moed zouden worden, niet opdringerig en uit den hoogte, ook niet als verkondigers die de waarheid in pacht hebben, maar als mensen die samen optrekken, die elkaars lief en leed delen en zo samen het duister achter ons laten en een weg banen door de woestijn, vertrouwend op dat woord van troost en toekomst.

‘Troost , troost toch mijn stad’, het begint met het woord, een woord dat opbeurt en moed geeft, maar dan ook een woord dat aanzet tot concrete daden. Er moeten bergen en heuvels geslecht, al die obstakels die ons beletten elkaar te ontmoeten en samen ons in te zetten voor een stad van vrede, een plek waar God zelf thuis komt.

‘Troost, troost toch mijn stad’,  je kunt het maar als je zelf iets van die troost hebt mogen ervaren, die mensenliefde van God, die ons het verleden niet nadraagt, maar popelt om een nieuw begin te maken, toekomst te scheppen voor ons allen, een weg door de woestijn.

Vandaag is er in het profetenboek sprake van iemand met een roeping en wij als kinderen van de profeten ontvangen die met hem. En in het evangelie is er sprake van Johannes, ook een geroepene en die op zijn beurt ons roept en aanspoort.

Mensen troosten en bemoedigen, geen hekken plaatsen, maar wegen banen, paden naar het huis van God onder de mensen. Dat vraagt om veel meer dan het uitschrijven van een cheque voor het goede doel, het zet aan grenzen te verleggen, vooroordelen prijs te geven en aandacht te hebben voor het levensverhaal van mensen. Troosten is meegaan op een weg en het wijzen van een weg waar mensen er niet meer in geloven, waar ze zich mislukt of verloren voelen, of tevergeefs geboren. Samen op weg, want het leven is geen optelsom van individuen maar een gemeenschap die op elkaar is aangewezen en die elkaar opbouwt en tot zijn bestemming voert.

Waar zo geleefd en samen opgetrokken wordt, wordt advent de tijd om naar de vreugdebode te luisteren die de komst van de Heer meldt. Hij zal niet ver blijven, maar onder ons geboren worden. Maar dan mogen we de voorbereiding niet overslaan en nu al de boom optuigen. Dan hebben wij het nodige voorwerk niet gedaan, dan blijft het bij een kunstboom en zal de weg niet worden gebaand, worden obstakels niet opgeruimd en zal het kind in de kribbe geen thuis vinden.

‘Troost, troost toch mijn stad”, laat het woord niet tevergeefs klinken maar laat het binnenkomen in ons hart, en moge het ons de weg doen banen voor de komende, die niet aarzelt te komen in de kwetsbare gestalte van een weerloos mensenkind. God zal ons redden is zijn naam.  AMEN.

Abt Thijs Ketelaars

Badv2 2023 Jes. 40,1-5.9-11;  2Petr. 3,8-14; Mc. 1,1-8

 

Preek 1 oktober 2023

Dit weekend wordt er in ons dorp kermis gevierd. Dat is een oude traditie die teruggaat tot in de Middeleeuwen en nog steeds springlevend is. Vieren, het hoort wezenlijk tot ons menselijk bestaan. Waar we dat vergeten, verleren of niet meer doen dreigt het leven een grijze sleur te worden. Vieren is er voor feestelijke momenten in het persoonlijke, kerkelijke of nationale leven. Een geboortedag, een trouwdag, een professiedag, een kerkwijdingsdag, een bevrijdingsdag.  Maar het leven kent ook droeve momenten. Dan gebruiken wij een ander woord en spreken van gedenken of herdenken. Memorabele dagen, maar van een andere kleur en daarom ook een ander woord. Vieren heeft iets uitbundigs, iets feestelijks. Het dorp viert dit weekend kermis, wij vieren in de abdij vandaag de verjaardag van de professie van de broeders. Nu heeft niet iedereen zijn gelofte op dezelfde dag gedaan, bijvoorbeeld 1 oktober, maar wij vieren elk jaar samen op een en dezelfde dag ieders professie en met dat vieren hernieuwen wij ook ons engagement. En wij doen dat niet zomaar in het voorbijgaan. Aan die professievernieuwing gaat een aantal dagen vooraf waarin wij ons samen bezinnen op onze roeping. Het is een gelegenheid om terug te kijken en een moment om vooruit te zien. Samen, maar ook persoonlijk. Dankbaar en kritisch in het licht van Gods woord. Zo doen wij dat ook vandaag weer.

Dat vieren van en het hernieuwen van de professie gebeurt dit jaar op een heel bijzonder moment in het leven van de kerk, want aanstaande woensdag 4 oktober begint in Rome een nieuwe fase in het synodaal proces waartoe paus Franciscus ons allen heeft uitgenodigd. Synodaal, u weet het intussen, dat Griekse woord betekent ‘samen op weg’. Nu zijn er in de kerk hooggeplaatsten en ook mensen in de lagere regionen die dat maar een nieuwlichterij vinden die de kerk geen goed zal doen. We doen er goed aan die stemmen niet terzijde te schuiven, hoe venijnig ze soms ook zijn. Ze dienen aandachtig beluisterd te worden, hoe moeilijk dat soms ook is, om te zoeken hoe met deze mensen in gesprek te komen om te voorkomen dat mensen uit de boot vallen.

Synodaal, samen op weg, zo staan wij broeders vandaag weer voor de Heer om ons samen optrekken te hernieuwen. Dat doen wij in dankbaarheid om de afgelegde weg, waarop de Heer ons met zijn woord en Geest heeft geleid en bewaard. Wij doen het ook met een kritische blik en belijden ons tekortschieten. We beseffen dat het ook stukwerk was dat soms geen prijs verdiende, dat wij als gemeenschap tekort zijn geschoten of als lid van de communiteit ons ja niet volmondig hebben gehouden. Samen op weg, ondanks alles een reden om dankbaar voor te zijn, want hoevelen hebben niets of niemand die met hen de weg gaat? Samen op weg, vandaag een nieuwe kans en meer dan dat, een uitnodiging en een woord van vertrouwen dat wij aan elkaar gegeven zijn op de éne weg die Christus is. Dat geldt voor onze gemeenschap, dat geldt voor de grote kerk, het geldt ook voor ieder van ons hier samen deze morgen, want allen maken wij deel uit van het éne, levende lichaam van Christus.

Samen op weg, hoe doe je dat? Daar komt de liturgie van deze dag ons op een bijzondere manier te hulp. Wij krijgen de lezingen op een presenteerblaadje aangereikt en het kon niet beter.

De eerste lezing uit de profeet Ezechiël spreekt immers over de weg en we zien hoe dat geen gelopen race is. Integendeel, er wordt geklaagd over de weg en het lijkt wel of we de krant of het journaal voor ons hebben, want het eerste wat we horen is de ander de schuld geven. Ja, God krijgt de schuld omdat het niet loopt zoals verhoopt en verwacht. Nu kan het leven inderdaad heel erg tegen zitten en de weg met obstakels bezaaid zijn, maar voor we God daarvan de schuld geven moeten we ons huiswerk maken. Wij kennen maar een stuk van de weg en weten het einde niet. Dat ligt buiten ons vizier. DE Schrift zegt ons dat God met ons een weg ten leven gaat, ook als het duister is om ons heen. Op die weg heeft ieder zijn eigen verantwoordelijkheid. Wij kunnen onze bijdrage niet afschuiven op een ander. Misschien falen we soms of struikelen we op het pad, maar Ezechiël zegt ons dat God ons daar niet op vastpint. En abt Antonius wist ons al te vertellen dat vallen niet vreemd is aan ons menselijk bestaan, maar dat het erop aankomt weer op te staan, en samen verder te gaan, elkaar dragend en dienend op de weg. Iedere dag weer.

De apostel Paulus sluit met zijn Filippenzenbrief op een heel eigen wijze aan op de woorden van Ezechiël. Hij pleit en dringt aan om toch vooral de eenheid te bewaren. Het zijn heel hartelijke en bevlogen woorden die wij van hem horen, maar de goede verstaander heeft misschien tussen de woorden ook gehoord dat het er in de gemeenschap van Filippi niet allemaal zo harmonieus aan toegaat als Paulus wel verhoopt. Wat zou het synodaal proces, wat zou ons eigen samen op weg zijn niet winnen als iedereen de zinsnede “geeft niet toe aan partijzucht en ijdelheid, maar acht in ootmoed de ander hoger dan uzelf” als leidraad zou nemen op het parcours dat we te gaan hebben. En dan hebben we het nog niet over de hymne die dan volgt in Paulus’ tekst, waar de Christus ons gegeven wordt als degene die zich nergens op heeft laten voorstaan en met ons en voor ons, midden onder ons de weg gaat. Samen op weg.

En dan het evangelie, het kan op verschillende manieren gelezen worden, maar misschien is het niet verkeerd ons vandaag in beide broers herkennen. Soms zijn wij de ene, en bij een ander gelegenheid zijn wij de andere. Maar we zijn en blijven geroepen om als de nieuwe Adam mensen uit één stuk te zijn, herschapen tot gelijkenis met de ene die alles heeft gegeven, beeld en gelijkenis van de Ene, die ons het leven geeft.

Samen op weg, we zijn onderweg, laten we elkaar vasthouden en dragen en nemen wij elke dag de kans waar om ons te bekeren tot de ene weg die Christus is. Hij moge ons, mensen van vallen en opstaan, samen leiden naar het leven in het licht. AMEN.

Abt Thijs Ketelaars.

Adhj26 20231001 Ez. 18,25-28; Fil. 2,1-11; Mt. 21,28-32

Preek 27 augustus 2023

Heeft u nog paraat, broeders en zusters, hoeveel vragen  u de afgelopen dagen heeft gesteld? En hoeveel vragen zijn er in die dagen aan u gesteld? Bent u ze inmiddels vergeten of zijn er misschien een paar in uw hoofd blijven hangen? Feit is dat het leven ons voor allerlei vragen stelt. Heel alledaagse in de trant van ‘wat eten wij vandaag?’ tot heel indringende zoals ‘wat is de zin van mijn bestaan?’

Het hoeft dan ook niet te verbazen dat we in de Schrift op veel bladzijden een of meer vragen aantreffen. Hoe zou het anders kunnen in dat boek van ons geloof dat van begin tot het eind gaat over de weg van ons mensen. Het begint al op de eerste bladzijde waar Adam de vraag krijgt ‘waar ben je?’[1] en de laatste vraag die wij in de Schrift aantreffen staat in hoofdstuk 17 van de Openbaring van Johannes. In het boek Genesis was het God zelf die met vragen begon, en de laatste vraag is van een engel die bij het grote oordeel tegen de schrijver van het boek zegt ‘waarom verbaast gij u?’[2].  Tussen die twee vragen speelt zich onze mensengeschiedenis af, een tijd van vragen en bij tijden ook van antwoorden.

Vandaag worden er in het evangelie twee vragen gesteld en beide malen komen ze uit de mond van Jezus. Dat feit alleen al is opmerkelijk. Weet Jezus dan niet alles, hij is toch de zoon van God voor wie er geen vragen bestaan. Misschien is zo’n uitspraak toch aan een herziening toe. Waarom zou God, waarom zou Jezus geen vragen hebben, want aan het avontuur van de menswording beginnen is voor hem en voor ons toch geen gelopen race. Zo zit het leven niet in elkaar. En bij alle pijn is het maar goed ook, want waar blijft anders de verrassing, de vrijheid en het geheim van de liefde?

Als Jezus mens geworden is, – en dat behoort tot het hart van onze geloofsbelijdenis-   dan is hij een weg gegaan waarbij het vragen niet ontbrak. ‘Wie ben ik?, wat is mijn weg? Hoe leer ik die weg kennen en onderscheiden?’ Vragen van hem, vragen ook van ons, die ook een weg te gaan hebben. En het antwoord op die vragen komen wij hopelijk op het spoor door vragen te stellen aan tochtgenoten, aan onszelf en aan die ongeziene derde op de weg, aan God die wij in het stil gesprek aanspreken, vragen stellen en bij wie wij ons oor te luisteren leggen. Zo heeft Jezus het gedaan, zo geldt het ook voor ons.

Vragen, ze komen soms onverwacht of op een ogenschijnlijk ongelukkig moment. Maar als je zelf de vragensteller bent, doe je er goed aan het juiste moment te zoeken en de juiste manier en toon. Dan is er al veel gewonnen en een stuk van de weg gebaand.

Zoiets zien wij in het evangelie van vandaag. De twee vragen van Jezus staan niet aan het begin van zijn weg met de leerlingen. Dat zou voorbarig zijn, wat zouden de leerlingen kunnen antwoorden? De leerlingen kenden Jezus nog nauwelijks. Je moet al een tijd met iemand hebben opgetrokken vooraleer je kunt vragen ‘wie ben ik voor jou?’ Maar misschien durf je het niet goed of heb je andere aarzelingen. Dan is een omweg op zijn plaats zoals wij vandaag meemaken.

‘Wie zeggen de mensen dat ik ben? ‘ Wilde Jezus dat echt weten of zoekt hij een tussenstap vooraleer hij het op de man af aan zijn leerlingen vraagt?  Hij maakt een omweg en alle leerlingen doen hun zegje. Hij hoort wat er allemaal over hem wordt verteld, wie of wat mensen in hem zien. Maar eenmaal de mannen aan de praat gekregen, komt hij met een heel persoonlijke vraag. Nu is het moment daar. ‘Wie zeggen jullie dat ik ben?’ Nu gaat het er niet meer om wat anderen denken of zeggen, maar zijn de leerlingen zelf in het spel betrokken. Maar waar kort tevoren allen de mond open deden, is het er nu maar één, Petrus, de man die wij kennen als haantje de voorste. Petrus geeft Jezus een naam, een titel ook. ‘Gij zijt de Christus, de zoon van de levende God.’ En uit die woorden blijkt hoezeer Petrus door Jezus is geraakt. Hij heeft in hem iets gezien of vermoed en de woorden die hij daarvoor gebruikt komen van verre. Dat is geen theologische uitspraak, geen kille redenering, maar die naam en die titel is als vloeiende lava, die komt van heel diep.  ‘Gij zijt de Christus, de zoon van de levende God’, woorden die Petrus heeft meegekregen uit oude geloofsverhalen en die voor hem nu een heel nieuwe en bijzondere betekenis krijgen. Waar altijd op gehoopt werd en waarvan de eeuwen door gedroomd was, Petrus bespeurt het hier voor zich. In deze Jezus komt Gods gezalfde onder ons, de koninklijke gestalte die van Godswege zijn volk zal weiden en leiden. In recht en gerechtigheid, in sporen van waarheid. Wat altijd is verhoopt zal nu zijn beslag krijgen, want deze mens Jezus is de  belichaming van Gods zorg voor mensen. Zo is het Petrus vergaan en dat spreekt hij uit. Hij kan niet anders. Maar ondanks deze grote woorden recht uit zijn hart heeft Petrus, zo weten wij,  nog een hele weg te gaan vooraleer hij Jezus en zijn weg echt zal kennen.

Maar daarmee is het verhaal vandaag nog niet uit, er gebeurt nog iets bijzonders. Zoals Simon Petrus aan Jezus een bijzonder naam en titel gaf zo geeft Jezus op zijn beurt aan Simon een nieuwe naam.  Petrus zal hij heten, rots, een kei van een man. Nee, hij was niet volmaakt, maar hij geloofde in Jezus als de ziel van zijn bestaan, als begin en einde van zijn leven en dat van God met ons. Met zo iemand waagt Jezus het, en daarmee begint een verhaal dat tot op heden doorgaat, met vallen en opstaan, met vergeving en nieuw leven, want God schrijft in Christus geschiedenis met mensen van vlees en bloed.  En nu is het aan ons, wie zeggen wij dat hij is? AMEN.

Abt Thijs Ketelaars

Adhj21 2023 Jes. 22,19-23; Rom. 11,33-36; Mt. 16,13-20

 

[1] Gen. 3,9

[2] Openbaring 17,7

Preek 2 juli 2023

De woorden van het Evangelie van deze zondag vormen het besluit van de zendingstoespraak van Jezus tot zijn twaalf apostelen zoals Mattheus die heeft opgetekend. In het spoor van die twaalf hebben in de loop der eeuwen ontelbare missionarissen en zendelingen zich ingespannen om het evangelie overal in de wereld te verspreiden. Wat is daar niet uit voortgekomen? Aan goeds, aan moois, en aan misverstaan? Deze woorden van Jezus hebben onze samenleving diep beïnvloed, onze Europese cultuur gevormd, en ook alle gebieden waar het evangelie is verspreid. Jezus sprak duidelijke taal. Maar ook menselijke taal, open voor misverstaan, voor interpretaties die niet in overeenstemming zijn geweest met zijn verlossende boodschap.
In het evangelie vandaag horen wij geen parabel en geen genezingsverhaal, maar kostbare woorden van Jezus voor wie Hem wil volgen: over hoe wij Hem mogen volgen. Over onze verbondenheid met Hem, en onze relatie met onze dierbaren, met andere mensen, bekend of onbekend.
Maar zoals gezegd spreekt Jezus de taal spreekt van de mensen om Hem heen, zijn tijdgenoten, zijn taalverwanten. Iedere taal heeft zijn eigen idioom. Tegenwoordig hoor je in het openbare leven bijna meer Engels spreken dan Nederlands, maar ik herinner mij nog goed dat ik vele jaren geleden eens een schroevendraaier nodig had en aanklopte bij een Amerikaanse medebroeder. Hij gaf mij die en zei: “you are welcome.” Mijn Engels volstond om hem te verstaan, maar niet om hem te begrijpen. Ik verstond het als: ”wat leuk dat je komt”, terwijl het natuurlijk gewoon een staande uitdrukking is, zoals wij zeggen: “graag gedaan”. Trouwens “staande uitdrukking” wat zullen buitenlanders zich daarbij voorstellen: heb je dan ook liggende uitdrukkingen? Het is maar om te zeggen: waar we Jezus dingen horen zeggen die in onze oren hard klinken zoals in de tekst vandaag “wie vader of moeder meer bemint dan mij, is mij niet waardig, en bij Lucas zelfs: “wie zijn vader niet haat”, moeten wij bedenken dat Jezus de taal van zijn omgeving gebruikt. In onze oren klinkt dat hard, absoluut. Maar we zouden ons vergissen als we het op z’n hollands verstaan! Jezus wil niet dat wij niet houden van onze naasten, Hij wil dat wij onze ouders eren, zelf heeft Hij daarin het voorbeeld gegeven. Maar Hij heeft met ons een nog inniger relatie, de verbondenheid met Hem gaat nog dieper, die schept een band, sterker dan de dood. Dit gegeven vormt het merg van het evangelie, door ons persoonlijk toebehoren aan Jezus zijn wij kinderen van de Vader. Door Hem hebben wij ook met elkaar een heel nieuwe relatie, die uitgaat boven onze gewone menselijke verhoudingen. Daarom noemen wij als christen gelovigen elkaar ook broeders en zusters. Een buitengewoon sterke verbondenheid die wortelt in God en uitbloeit in een leven als christen. Als een man een vrouw huwt, en daarvoor vader en moeder verlaat, blijft hij met hen verbonden in kinderlijke genegenheid en dankbaarheid, hij gaat hen niet haten! Wie gaat beseffen wat het kindschap Gods betekent, hoe een mens zich ten diepste door de Heer gekend, bemind, vergeven, genezen mag weten, krijgt met God een sterke band die ook de dierbaarste relaties overtreft. De Heer vereenzelvigt zich met zo’n mens: “wie u opneemt, neemt Mij op.” Die mystieke eenwording wordt door Paulus in de brief aan de Romeinen uitgewerkt. Paulus heeft een diepe visie, hij is voor een eenvoudig sterveling moeilijk te begrijpen, en ook de grote theologen worstelen met zijn dikwijls moeilijk geconstrueerde taal. Maar gelukkig openen de Schriftlezingen van deze zondag niet met een theologisch traktaat, maar met een vertelling die ieder van ons zal hebben aangesproken. Een heel menselijk verhaal. Elisa was bevriend met een vrouw. Zij woonde in Sunam, een dorpje vlak bij Naïm, waar Jezus later de dode zoon van een weduwe ten leven zal wekken. Deze sunamitische is geen weduwe, maar gehuwd met een welgestelde man. Helaas is het echtpaar kinderloos. Misschien is dat de reden dat de vrouw in haar zorgzaamheid oog heeft voor de nood van de profeet en hem gastvrijheid biedt. Regelmatig ontvangt hij van haar een maaltijd en zelfs een woning, een gemeubileerd vertrek dat altijd voor hem klaar staat. De man Gods is daardoor geroerd en toont zich dankbaar. Hoe kan hij dit uiten? Zijn dienaar vermoedt de diepe kinderwens van het echtpaar. En Elisa gaat daarop in. De vrouw blijft schroomvallig buiten de kamer, maar de profeet voorzegt haar: volgend jaar zult u een zoon aan het hart drukken. Ongevraagd is de hartenwens van de vrouw vervuld. Als later haar kind wordt getroffen door een zonnesteek en overlijdt, geeft de Sunamitische blijk van haar geloof in de profeet en zal hij op haar aandringen haar dode zoontje weer tot leven wekken door zijn vurig gebed. “Wie een profeet opneemt omdat het een profeet is, zal ook het loon van een profeet ontvangen.”
Zusters en broeders, deze lezingen zetten ons aan tot een groot vertrouwen in God. We kunnen denken: God heeft mij zeker in veel opzichten gezegend maar ik word toch ook wel zwaar beproefd. Wie kent niet goede mensen die het onmetelijk moeilijk hebben. En toch! Door alle beproevingen heen draagt God zorg voor ons. En wij geloven dat Hij eens alle doden zal doen opstaan en verrijzen tot een beter leven. Nu in dit korte aardse bestaan worden wij op de proef gesteld. En in onze hoogontwikkelde samenleving waarin het menselijk kunnen zoveel vermag, is het voor ons moeilijk deze begrensdheid te aanvaarden. Wij kunnen niet begrijpen dat er op het politieke vlak dingen gebeuren waarvan zoveel mensen het slachtoffer zijn. Mensen in groot en klein verband, in de wereldpolitiek en misschien evengoed in onze directe omgeving handelen dikwijls onbegrijpelijk. De anglicaanse aartsbisschop Rowan Williams ziet het als de kern van de spirituele uitdaging waarvoor wij zijn geplaatst hoe wij omgaan met de andersheid van de ander. Je hebt daar geen antwoord op. Je moet het verdragen. In die beproeving vasthouden aan het geloof. Natuurlijk is dat niet gemakkelijk. In het evangelie horen wij al: ‘Heer vermeerder mijn geloof! Ik geloof Heer, kom mijn ongeloof te hulp.’ Laten wij altijd bidden om de grote genade van het geloof, voor onszelf, voor anderen.
Dierbaren, de schriftlezingen van vandaag geven ons te verstaan dat wij in de Persoon van Jezus, in zijn vriendschap, zijn liefde en zijn geestelijke nabijheid, een schat hebben die alles te boven gaat. Dat moge ons houvast bieden. Vanuit die rijkdom mogen wij uitgroeien tot open, ontvankelijke, gastvrije mensen, die ons door niets laten scheiden van Gods liefde.

br. Gerard Mathijsen osb

Zondag 13 dhjA 2 juli 2023
Lezingen: 2 Koningen 4:8-11,14-16 | Rom 6:3-4,8-11 | Mat 10:37-42

Preek 19 februari 2023

Deze zondag liturgie biedt ons drie lezingen met uitdagende, maar wel heel mooie uitspraken. “Geen weerstand bieden aan onrecht” “Bemint uw vijanden”. Wat bedoelt de Heer met zulke woorden? Wie is daartoe in staat? En stel dat u het zou kunnen, mag dat dan wel van iedereen gevraagd worden? Kunnen mensen zich niet gekwetst en overvraagd voelen door zulke uitdagingen, die te hoog gesteld lijken. De lat te hoog gelegd. Je mag zulke hoge idealen misschien niet als gebod stellen, maar ze zouden kunnen zijn bedoeld als  uitdaging, als uitnodiging. En wat zou de wereld er anders uitzien als wij mensen zouden proberen hieraan te beantwoorden.

Als we die hoge eisen opvatten als geboden verliezen ze hun glans, maar als we er een uitdaging in horen kunnen ze de wereld in een nieuw licht laten zien.

Ik probeer nu geen les uit een handboek aan de man/vrouw te brengen, maar er in beelden over praten. Jezus zelf heeft niet anders gedaan: Hij sprak in parabels. En aan die parabels verbond hij een duidelijke conclusie. Een opdracht, zou je kunnen zeggen. Zo hoorden wij het vandaag:  “Weest dus volmaakt, zoals uw Vader in de hemel volmaakt is.” Waarin bestaat die volmaaktheid? Jezus heeft dat zelf verduidelijkt: God laat de zon opgaan over goeden en bozen en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. M.a.w. God maakt geen onderscheid. Hij oordeelt wel, maar Hij veroordeelt niet. Hij is gul, Hij is barmhartig. Hij is mateloos in zijn barmhartigheid.

Wij mensen zijn geschapen naar Gods beeld. Wij zijn uitgenodigd om daarvan iets te weerspiegelen, volgens onze eigen maat. De mateloosheid van God hoeven wij niet te evenaren, dat zou absurd zijn. Maar ieder heeft zijn eigen maat, en wij moeten niet onder die maat blijven.

Geschapen naar Gods beeld. Laat ik dat verduidelijken door een geschiedenis. Een verhaal uit een samenleving in Zuid Amerika die nog niet beïnvloed was door Europese kolonisatoren. Over mensen die nog niet in aanraking waren gekomen met het evangelie, maar wel mensen, geschapen naar Gods beeld!

In een nederzetting waren twee jonge mannen slaags geraakt en de een had de ander gedood. Hij was door zijn dorpsgenoten overmeesterd en men beraadslaagde welk vonnis hem wachtte.

`Hij heeft een moord gepleegd en verdient de doodstraf’, was het oordeel. `Ja maar niet zomaar, meenden enkele vrienden van de vermoorde jongeman. Het slachtoffer stond in zijn recht en is door de ander schandalig aangepakt. Hij heeft zich misdragen, en niet voor het eerst. We willen dat hij niet zomaar gedood wordt, maar hem laten voelen zoals hij verdient’.

Een oude man kwam daartegen in verzet. Het recht moet zeker zijn loop hebben, vond hij, maar het is niet goed toe te geven aan wraakzucht. Dat zullen de goden ons vergelden. Uiteindelijk wendde men zich tot de vader van de vermoorde jongeman. Wat was zijn mening?  Ze zaten allen  in een kring. De jongeman die de moord had gepleegd lag zwaar gekneveld daar buiten en wachtte bevend op het oordeel. De vader van het slachtoffer zweeg lange tijd. Toen wees hij naar zijn woning, en zei: “daar staat mijn huisje, en daarachter ligt een stuk bouwland en in de prairie loopt mijn vee. Ik heb daar heel mijn leven gewerkt en toen ik niet meer kon heeft onze zoon dat overgenomen en gezorgd voor mijn vrouw en mij, voor ons vee,  onze akker en de tuin. Nu is mijn zoon dood, hij komt niet meer terug, en wij blijven berooid achter. Zijn moordenaar kunnen wij natuurlijk ook doden. Maar wat winnen wij daarmee? Laat hem als straf de taak van mijn zoon overnemen. Laat hij het werk doen wat onze jongen niet meer kan doen”. Daarover moest uitvoerig worden beraad. Het nam veel tijd in beslag. Pas tegen de avond kwamen ze tot een besluit. De geboeide moordenaar werd in het midden geplaatst en de oudste zei hem: “Je ziet daar het huis van de ouders van je slachtoffer. We leggen je de verplichting op levenslang voor zijn ouders en hun bezit zorg te dragen. Als je dat belooft zullen we je jou je schuld niet nadragen en kun je in leven blijven”. De jonge man viel snikkend de vader van zijn slachtoffer te voet. Hij kwam zijn verplichting na, en werd ten slotte voor het bejaarde echtpaar als een zoon, die in de wijde omgeving aan anderen ten voorbeeld werd gesteld..

Deze parabel laat menselijke wijsheid zien. Deze mensen hadden nog geen kennis van het evangelie, en waren ook niet geraakt door alle ellende van een een samenleving die de weg kwijt is. We zien dat in hun gemeenschap het beeld van God naar wie zij geschapen zijn, wel is aangetast, anders sla je elkaar niet dood, maar niet uitgevaagd. Je kunt samen – vandaag zou men zeggen in een synodaal proces- de weg ontdekken die gegaan moet worden om vrede te herstellen en te bevestigen.

Een ander verhaal, nu in een christelijke context:

In WW II zijn verschrikkelijke dingen gebeurd. Overal in Europa, en ook in ons land. Deze week werd bekend dat de dossiers van alle landverraders, en van alle mensen die met de bezetter hebben geheuld of samengewerkt, zijn gedigitaliseerd en openbaar zullen worden gemaakt. Ongetwijfeld zal dat veel losmaken, en zullen kinderen of kleinkinderen van mensen die fout blijken te zijn geweest daar last mee krijgen. Hoe daarmee om te gaan? Moeten de kinderen van mensen die fout zijn geweest gebukt blijven gaan onder die schuld?

De allergrootste oorlogsmisdaad uit WW II is de moordpartij te Marzabotto een kleine plaats in de Povlakte bij Bologna, waar de Nazi’s in in 1944 1830 burgers op afschuwelijke wijze van het leven hebben beroofd, omdat in hun dorp onderduikers waren opgenomen. Een traumatisch gebeuren dat nog steeds niet genezen is. Pastores en theologen hebben zich het hoofd gebroken hoe men moet omgaan met deze wrange erfenis? Vergeven en vergeten? De gemeente van Marzabotto heeft een Zwitserse kunstenaar  gevraagd een monument te ontwerpen ter nagedachtenis, en deze religieus geïnspireerde kunstenaar,  Jozua Boesch wilde zich niet aan dit verzoek onttrekken. Het werd een innerlijk gevecht waaruit een triptiek geboren is die Kaïn en Abel uitbeeldt: links hun beider kreet naar de hemel: een kreet van nood en wanhoop; rechts de verzoening van de twee broers, door de liefde van Christus die neerdaalt, en die  Abel omhelst, maar ook Kaïn de hand reikt en opricht uit zijn verlorenheid; en centraal de twee broers die samen Eucharis­tie vieren, omhuld met een mantel van liefde onder het kruis.

Zusters en broeders, bidden wij dat wij in klein en in groot verband onze menselijke, dikwijls ingewikkelde verhoudingen stellen in het licht van de Heer, dat wij leven als kinderen van de hemelse Vader, dat heel onze wereld, Israël en Palestina, Joden en Arabieren, Rusland en Oekraïne, de Verenigde Staten en China,  Oost en West zich bewust worden dat wij  deze kwetsbare planeet mogen bewonen en beheren in  het licht van God, gered en tot eenheid geroepen in Christus Jezus, de redder van de wereld, onze enige hoop.

Br. Gerard Mathijsen osb

Zondag 7 door het jaar, zondag voor Aswoensdag. 19 februari 2023

Lev. 19,1-2;17-18; 1 Kor. 3, 16-23; Mt. 5, 38-48.

Nieuwsbrief

Schrijf u vrijblijvend in en blijf op de hoogte van de activiteiten van Abdij van Egmond.

We respecteren uw privacy. Sint-adelbertabdij zal uw e-mailadres nooit delen met derden.
© 2024, Abdij van Egmond Algemene voorwaarden