Geen producten in de winkelwagen.

Nieuws

Preek 2e zondag van de Advent

De liturgie laat  ons vandaag in onze opgang naar Kerstmis niet alleen een oproep tot bekering horen, maar biedt ons ook een beeld van paradijselijk heil. Tussen die twee lezingen staat het woord van Paulus. Hij zegt ons waartoe al die woorden en verhalen opgetekend zijn en in welke geest wij ze dienen te lezen en te beluisteren.

De Schrift is er niet om elkaar mee om de oren te slaan en zijn eigen gelijk binnen te halen. Gods woord is ons gegeven, zo zegt Paulus, tot onze volharding en vertroosting, om temidden van al wat ons overkomt in hoop te leven.

Volharding en vertroosting, die hebben wij allemaal broodnodig. Want ook in deze advent is er geen gebrek aan berichten en beelden van onheil en onrecht. Je zou er de moed bij kunnen verliezen. Komt er dan nooit een einde aan die zinloze keten van moord en doodslag, van terreur en uitzichtloze ellende? Of het nu van links of van rechts komt, geweld is geweld en of het ooit een ander kind zal baren is nauwelijks een vraag.

Langs die weg valt er geen heil te verwachten. En in de geschiedenis die God met zijn volk schrijft, zijn profeten en rechtvaardigen daar meer en meer van overtuigd geraakt. Niet zelden hebben zij dan ook tegen de stroom in geroeid en wegen gewezen die heel tegendraads waren.

Vandaag schildert de profeet Jesaja  ons de wereld  als een paradijs. Te mooi om waar te zijn, wereldvreemde praat, zal deze of gene misschien opmerken. Maar laten wij niet te vlug oordelen en voor onze beurt spreken. Want hier is geen man aan het woord die vanuit een veilig en verzekerd bestaan heil en zegen aankondigt. Integendeel, wie zijn oor goed te luisteren legt, hoort hier iemand spreken over toekomst vanuit een leven dat tot de wortel toe is afgesneden. Zijn verhaal mag nog zo’n hoge vlucht nemen, het begint met beide benen op de grond, in het aangevochten bestaan dat wij allemaal kennen en herkennen. Geleerden mogen dan twisten over datum en eeuw van deze profetenwoorden, zonder veel geleerdheid verstaan wij dat Israël in de dagen van de profeet nauwelijks nog  iets te betekenen had en het koningshuis tot weinig meer dan niets was gereduceerd. Weg glorie van weleer, gouden verhaal, wat rest er nog?

Heel de orde, al wat structuur aanbracht en garantie bood voor een van God gegeven bestaan, het is tot op de grond verdwenen.

 Wat doet een mens in zo’n situatie? Je kunt bij de pakken gaan neerzitten, alle hoop laten varen. Er is niemand die daar geen begrip voor zal kunnen opbrengen. De oude stam van Israels koningshuis, getekend met het zegel van Gods uitverkiezing, wat is er van over na zoveel koningen die hun eigen waardigheid en de naam van God te grabbel gooiden? Vertrapt, vernederd, gedeporteerd. Afgeknot tot op de wortel.

Wat hebben wij te verwachten in een wereld, waar ons in het groot en in het klein soms niets meer rest dan een knoestige stronk. Door weer en wind geschuurd.  De profeet maakt het mee, hij ziet het, maar hij ontwaart met zijn gelovig oog ook iets anders. Jesaja ziet die onooglijke rest uitbotten. Hij ziet er nieuw leven in komen, bezield en vervuld van Gods eigen levensgeest. Nieuwe geboorte uit een verdorde schoot. Eeuwenlang hebben mensen er zich aangesproken door geweten en bemoedigd in situaties die soms hopeloos leken. Levens die waren afgeknot en geloofsgemeenschappen die tot op het bot waren afgeleefd, zij hebben uit dit verhaal nieuwe kracht geput.

Temidden van een volk waar vrijwel alle hoop vervlogen was, waar niemand het recht meer ziet stromen als water, temidden van dat volk ziet de profeet een loot ontspringen aan Davids stam. Gods Geest wordt er vaardig, en de profeet spreekt van een nieuwe aarde, waar alles zijn plaats heeft, waar mens en milieu  geen vijanden meer zijn en waar de wortel van Isai opgericht staat als banier voor de volken. En ons ligt de vraag op de lippen: hoe zal dit geschieden? Begint het niet daar, waar wij juist als de profeet oog hebben voor dat kleine begin, die prille loot die te midden van alle afbraak en pijn in onze grote en kleine wereld zomaar opschiet. Hebben wij er oog voor, zijn er in ons leven nog momenten van stille aandacht die het opmerken?  Wordt onze blik verduisterd door het leven van alledag of is er tijd voor bezinning, die de eerste stap naar nieuw leven wijst, een open hart, een open schoot?.

Ondanks alle dood en duisternis heeft de profeet een boodschap van vertroosting en hoop voor zijn volk. Niet als een dooddoener maar als vuur onder de as, een vuur waarin de Geest is blijven smeulen, waar de Geest des Heren is blijven rusten op een heilige rest.  Temidden van het gaan en staan van de  groten der aarde is aan de stronk een twijg ontsproten, die tot een koninklijke gestalte is uitgegroeid. Hij heeft Gods gerechtigheid en trouw belichaamd, ten einde toe.

Johannes de Doper voegt zich vandaag met zijn woorden in de  lijn van het profetisch getuigenis. Maar hij heeft wel een andere toon en legt andere accenten. Waar Jesaja het accent legt op het werk van Gods scheppende Geest, die nieuw leven doet ontspruiten, daar ligt bij Sint Jan het accent op de goede vruchten die wij dienen voort te brengen als blijk van bekering. Want de adel van God is het, dat hij zijn werk van heil niet verricht zonder het fiat van de mens. Zijn scheppende liefde gaat ons weliswaar altijd vooruit, Hij spreekt het eerste woord en schenkt zijn Geest, maar in heel die gang van de menswording wil hij niet zonder ons ja-woord. Johannes spreekt van de bijl aan de wortel, dat is forse taal, maar misschien  is er voor dat nieuwe begin in ons bestaan eerst een hele sanering nodig. Als we de situatie in onze wereld echt tot ons laten doordringen, dan kunnen wij niet ontkennen dat er een echte ommekeer nodig is, in het groot en in het klein. Niet pappen en nat houden, maar werkelijk ruimte maken voor een nieuw begin, opdat er nieuw leven kan ontluiken en wij de spruiten en loten alle zorg geven die ze verdienen .

Zo gaan wij dus op naar Kerstmis, uitziend naar de Geest die wasdom en nieuw leven geeft en ernst makend met onze bekering, opdat het aanschijn van de aarde mag worden vernieuwd. AMEN.

Abt Thijs Ketelaars

Preek2advA 20221204 Mt3.1-12

Preek 3 april 2022

Het zal u ook wel eens overkomen zijn, dat u mensen niet hebt laten uitspreken of dat u voortijdig hebt gereageerd op een verhaal dat nog niet af was. Soms loopt dat goed af, maar het kan ook gebeuren dat uw reactie de plank misslaat. Had u de ander de kans gegeven zijn hele verhaal te doen, dan was het vermoedelijk anders gelopen.

Vandaag begeven wij ons op glad ijs, nu de liturgie ons maar een klein fragment laat horen uit een lang hoofdstuk. Dat heeft ertoe geleid dat wij dat verhaal meestal van het opschrift voorzien ‘de overspelige vrouw’. Dat lijkt heel correct, maar wanneer wij het verhaal binnen het groter verband bekijken, is het de vraag of wij het bij het juiste eind hebben.

Er dreigt een vrouw gestenigd te worden die op overspel is betrapt. Zo begint het hoofdstuk. En het einde is niet veel anders. Daar horen wij hoe er stenen worden opgeraapt om Jezus te stenigen. De vrouw ontkomt omdat Jezus het voor haar opneemt en op het eind neemt Jezus de wijk en ook hij ontkomt aan de dood. Voorlopig althans.

Er is nog iets dat onze aandacht verdient. Hoofdstuk 8 speelt zich helemaal af in de tempel.

De plek waar God bij de mensen woont. De plek waar in het heilige der heiligen de twee tafelen van het verbond worden bewaard met woorden die tot doel hebben het leven te hoeden en richting te geven. Woorden door God zelf geschreven omdat hem het leven van de mens zo lief is. Woorden van waarheid geijkt aan de geschiedenis van God met zijn volk. Woorden om te onderhouden en te doen.

En juist op die plek, in de tempel, zijn wij vandaag getuige van een scene, waar heel andere krachten en mechanismen aan het werk zijn.  De overspelige vrouw is daar maar een eenvoudige pion in een schaakspel waar zij ten tonele wordt opgevoerd om een andere persoon ten val te brengen.

Misschien kunnen wij de titel van ‘overspelige vrouw’ beter vervangen door de titel ‘strikvraag’. Het gaat die schriftgeleerden en Farizeeën helemaal niet om die vrouw en of zij nu wel of niet schuldig is, het gaat die mannen erom Jezus in zijn woorden te vangen en zo een argument te hebben om hem ter dood te brengen.

‘Wij willen de broedervolken verenigen’ werd er afgelopen weken in een presidentieel paleis en een kerk gezegd en daarbij werd er beroep gedaan op heilige traditie en heilige woorden en instituties, maar in feite is het erom te doen een regering ten val te brengen en een land en volk te annexeren.

In het evangelie van vandaag gebeurt hetzelfde. De geleerden halen er de wet van Mozes bij, maar intussen wordt die wet misbruikt voor heel andere doeleinden onder het mom van waarheid en recht.  Zo gaat dat de eeuwen door.

En de waarheid is daar het kind van de rekening. Ja, meer nog, Jezus is het kind van de rekening, hij die het levende beeld is van de waarheid. Op het eind van het evangelie zal hij op de vraag van Pilatus geen antwoord geven, maar zwijgen. Want de waarheid is zo weerloos als een pasgeboren mensenkind. De waarheid kan zich niet verdedigen, zij kan alleen maar zichzelf blijven, zwijgen en zich tonen in al haar naaktheid en kwetsbaarheid. Jezus geeft dan ook geen antwoord op hun vraag, want het beste antwoord zou een slag in de lucht zijn voor wie niet horen wil. Zij hebben hun antwoord al klaar. Het enige dat Jezus doet is een symbolische daad stellen. Hij schreef in het zand. Het is de enige keer dat Jezus iets schrijft, verder horen of zien wij hem in de Schrift nergens schrijven. Wij zien hem wel lezen en bidden, maar niet schrijven. En nu hij één keer schrijft, kunnen wij het niet lezen. Is het om ons eraan te herinneren dat wij hém moeten lezen, het woord in vlees en bloed?  Dat woord spreekt, eerst tegen de mannen en pas in laatste instantie tot de vrouw. Zijn antwoord op hun aanhoudend vragen is kort. Het is niet wat zij verwachten, maar roept hen op het levende woord van God in hun eigen hart te overwegen. Wat zegt het daar over jezelf? Plaats jezelf eerst eens onder het woord voordat je een ander aanklaagt. En het feit dat zij allemaal afdruipen, siert hen ondanks hun heimelijke bedoelingen. Zij beseffen dat ze zelf geen schone lei hebben.  Mochten zij en wij daar dan ook naar handelen. Voorlopig mislukken hun plannen.

En Jezus blijft over met de vrouw in het midden van de kring die leeg is.  Het gesprek dat dan volgt beperkt zich tot het wezenlijke. Geen slaapkamerverhaal en ook geen zedenpreek, maar een woord dat toekomst biedt, dat bevrijdt en uitnodigt tot nieuw leven.

Wij zijn vandaag op onze weg naar Pasen getuigen van een bijzonder verhaal. Wij zijn getuigen hoe het woord van God geschreven in de wet en in de harten van mensen wordt misbruikt. Niet openlijk, maar verhuld in religieuze taal. En daarmee verwordt Gods woord van een medicijn en een wegwijzer ten leven tot een gif en een wapen om te doden.

Maar wij zien ook hoe het woord van God geschreven in het zand, en geschreven niet op steen maar in vlees en bloed, bij machte is nieuw leven te geven.  En uit kracht van dat woord is Jezus in staat het eigen leven prijs te geven opdat anderen van de dood zouden worden gered.

Wij gaan op naar Pasen. De weg wordt steiler en nauwer, en waar er nu nog een ontkomen is, daar zal dadelijk de strik van de vogelaar dicht getrokken worden. Maar de waarheid, waarvoor wij onze oren in dit verhaal hebben gespitst, laat zich niet de mond snoeren en de vogel zal ontkomen uit het net van de vogelaar en opwieken hemelhoog. Dat hopen en geloven wij. In die hoop gaan wij onze weg en in die hoop worden wij geroepen te doen wat Jezus ons heeft voorgedaan, opdat de steppe zal bloeien en allen zich mogen laven aan de bron van levend water. AMEN.

Abt Thijs Ketelaars

C40d5 2022  Joh. 8. 1-11

Nieuwsbrief

Schrijf u vrijblijvend in en blijf op de hoogte van de activiteiten van Abdij van Egmond.

We respecteren uw privacy. Sint-adelbertabdij zal uw e-mailadres nooit delen met derden.
© 2022, Abdij van Egmond Algemene voorwaarden