Nieuws

Hoogfeest H. Adelbertus

Zondag 23 juni 2024

Eucharistievieringen op de Adelbertusakker aan de Sint Adelbertusweg (naast huis 31)

7.00 uur Vogeltjesmis

10.00 uur Plechtige Eucharistieviering, met koor, fanfare en de broeders van de abdij (geen viering in de abdijkerk)

11.45 uur Concert in de abdijtuin verzorgd door Muziekvereniging Eensgezind met fanfareorkest en opleidingsorkest

Preek 16 juni 2024

De lezingen die wij hoorden spreken van grote vertrouwdheid met moeder aarde en evenzeer van bewustzijn van een hemelse toekomst waarvan wij geen beeld hebben. Een aarde die ons is toevertrouwd, een eeuwige toekomst die onze bestemming is.
In onze communiteit hebben we de laatste weken op video samen gekeken naar enkele programma’s over de voedselproductie en bevoorrading in de wereld. Nog altijd zijn er heel wat mensen met een eigen groentetuin, en misschien met enkele fruitbomen. Hier in de abdij zijn wij daar zeer mee gezegend. Wat is het mooi dat alles te zien groeien, en wat smaakt beter dan opbrengst uit eigen tuin? Maar echt zelfvoorzienend zijn nog maar heel weinig mensen, en voor stedelijke agglomeraties, voor heel het Westen is de voedselvoorziening een groot probleem. Er is wel een enorme wereldwijde organisatie opgezet, een gigantisch netwerk van productie, vervoer, verdeling, en verspreiding. Daarmee worden onze landen, West-Europa en de Verenigde Staten en Canada, voorzien van voorheen ongekend aanbod van gevarieerde en exotische gewassen, groenten en fruit, maar terzelfder tijd lijden de bewoners van de landen waar dat alles groeit, en die daar leven en werken een schraal, noodlijdend bestaan. Het idyllische beeld van de boer die zijn werk doet en dan kan gaan slapen tot de akker rijp is voor de oogst gaat voor deze mensen niet op. Als we vandaag de lezingen horen, wat kunnen wij daarvan dan meenemen voor onze levenspraxis?

De Heer biedt ons twee prachtige parabels. De boer die leeft in harmonie met de natuur, die zijn taak volbrengt, de grond voorbereidt, het zaad zaait, en te zijner tijd de oogst binnenhaalt, maar die daarna voor een goede oogst afhankelijk is van de natuur. Wij leven op de aarde die ons rijkelijk voedt. Er wordt van de mens zeker enige activiteit gevraagd: hij moet het land bewerken en behoeden, maar de aarde zelf brengt de vrucht voort, automatikoos: uit zichzelf.

Zrs. en brs., wie zijn wij? Wie is de mens? Wie is dat bevoorrechte creatuur, die zomaar beschikken mag over die wondermooie schepping, die hem dient met alle soorten vrucht en gewas? In de H. Schrift heeft hij een naam: Adam: de mens, de stamvader van heel de mensheid. De aarde is hem toevertrouwd, maar niet naar willekeur, hij is verantwoordelijk voor heel de mensheid, wij zijn verantwoordelijk voor elkaar. De aarde brengt de vruchten voort, maar ieder mens heeft de taak zijn broeders en zusters te geven wat hun toekomt, aan ieder het zijne te geven, te zorgen voor een eerlijke verdeling. Dat wil niet zeggen dat ieder evenveel moet ontvangen, maar wel dat ieder moet krijgen, dat wat hij/zij nodig heeft. Sint Benedictus heeft dat voor zijn monnikengemeenschap prima geregeld. Niet “gelijke monniken gelijke kappen” maar ieder overeenkomstig zijn behoeften.

Zusters en broeders, leeft de mens, de mensheid overeenkomstig deze eenvoudige regel? Wij zien rijke landen die zich niet bekommeren om andere volkeren die met dood en ondergang worden geconfronteerd, die worden verjaagd door natuurrampen of oorlogsgeweld. Wij zien landen bestuurd worden door mensen met een zo groot ego dat het lachwekkend zou zijn als het niet zo triest was. We zien een miljarden verslindende wapenwedloop van machthebbers die beheerst worden door argwaan en machtswellust, die anderen vrezen en verachten, en zo de wereld naar de afgrond voeren. In plaats van te bewerken en te behoeden wordt de aarde vergiftigd en verwoest.

In de tweede lezing hoorden wij de apostel: “onze enige eerzucht is Christus te behagen. Want allen moeten wij voor Christus ’rechterstoel verschijnen opdat ieder het loon ontvangt voor wat hij in dit leven heeft gedaan, goed of kwaad.” En bij Ezechiël hoorden wij dat op een gegeven moment de Heer zelf een nieuw begin zal maken, dat Hij een hoge boom zal vernederen en een dorre boom tot bloei zal brengen.

Zrs. en brs., wij leven in een wereld die ver is afgedwaald van Gods openbaring. Die de weg dramatisch kwijt is. We kunnen ons daarin verloren voelen en machteloos. Maar dan spreekt Jezus ons toch ook over het mosterdzaadje. Het Rijk Gods lijkt op een mosterdzaadje, het allerkleinste zaadje op aarde. Het wordt groter dan alle tuingewassen en biedt een schuilplaats aan de vogels.

We worden geconfronteerd dichtbij en veraf, op kleine schaal en op wereldschaal met zoveel zieke denkbeelden, zoveel negativiteit,  we kunnen ons machteloos voelen, overweldigd door conflicten en problemen, maar het evangelie sterkt ons en nodigt ons uit om te geloven in de macht van het kleine, de overwinning van het goede. God heeft het eerste en het laatste woord. Hij heeft de aarde toevertrouwd aan Adam en zijn nageslacht, maar Hij heeft de gevallen mensheid ook zijn Zoon geschonken als de tweede Adam, en diens Kruisboom biedt beschutting aan ieder die er zijn toevlucht neemt. Moge dat ons tot blije en dankbare mensen maken, dat wij ons verantwoordelijk weten voor elkaar, voor ieder die op onze weg komt, en daarin gedragen en bemoedigd door de Schepper van hemel en aarde. Dat wij niet ontmoedigd worden, niet klein te krijgen zijn, maar vertrouwen op de Eeuwige die ons voor zijn rijk heeft bestemd, een hemels leven dat hier begint, waar wij in dit tijdelijk bestaan zelf onze bijdrage mogen leveren door de weg te gaan van Gods geboden, door te groeien in menselijkheid, in gelijkvormigheid met Christus, onze broeder en Heer.

br. Gerard Mathijsen osb

Lezingen: Ez 17:22-24 | 2 Korintiërs 5:6-10 | Markus 4:26-34

Preek 9 juni 2024

Vermoedelijk heeft u bij het luisteren naar het evangelie opgemerkt hoe het verhaal begint met de familie van Jezus die hem komt ophalen, en hoe er op het eind opnieuw sprake is van de familie die hem wil spreken. En tussen die twee episodes is er een discussie met de Schriftgeleerden. We hebben dus van doen met een soort drieluik.  We zijn vermoedelijk meer vertrouwd met drieluiken in de schilderkunst. In veel oude kerken tref je ze aan. Het middenstuk van zo’n schilderij is het belangrijkste en is dan ook altijd groter dan de zijpanelen.

De drie panelen van vandaag vertellen ons over de relatie van familie en Schriftgeleerden met Jezus. En die relatie blijkt van een andere kleur dan die wij vaak op devote en vrome afbeeldingen aantreffen. Marcus laat daar geen twijfel over bestaan. Maar de vertaling van vandaag moffelt dat schurende in de relatie weg, vermoedelijk om geen aanstoot te geven aan vrome oren. Maar waarom zo bang? Wil mij dus vergeven als ik vandaag de tekst hier en daar op de voet volg, want details maken soms het verschil.

“Jezus ging naar huis”, zo hoorden wij. Maar welk huis is dat? In elk geval niet het huis van zijn familie of van zijn moeder, want die komen dadelijk pas opdagen. Heeft hij mogelijk een eigen huis of is hij ergens een huis binnengelopen? Is hij mogelijk bij ons binnengelopen? Daar is het een drukte van jewelste, iedereen weet hem er te vinden. Er is zelfs zoveel volk, dat ze, zo staat er, “zelfs geen gelegenheid hadden om te eten”. Maar let op het detail, bij eten zou je kunnen denken aan een uitgebreide maaltijd, maar letterlijk staat er  ‘zodat ze zelfs geen brood konden eten”. Er was dus zelfs geen tijd voor een snel tussendoortje. Er komt zoveel volk op hem af dat hij misschien wel de regie van een geordend bestaan kwijtraakt. Jezus zit daar niet mee, zo lijkt het. Zijn gedrevenheid en zijn passie nemen dat op de koop toe. Gods roep en de Geest is de drive voor zijn inzet en verkondiging van het evangelie. Hij staat ergens voor, hij gaat ergens voor.

Maar zodra zijn familie van de situatie lucht krijgt, “trekken zij eropuit om hem mee te nemen”, zo hoorden wij voorlezen. Dat klinkt nogal onschuldig, maar Marcus gebruikt daar een woord dat klip en klaar aangeeft dat ze hem met sterke hand willen meenemen. De Naardense bijbel spreekt over ‘overmeesteren’. En dat doen ze omdat hij volgens hen ‘niet meer bij zijn verstand was’. Wat zeggen die paar zinnen ons over zijn familie? Hadden ze geen besef van wat hem bezielde en bewoog? Waren ze boos, schaamden zij zich voor zijn gedrag en zijn manier van doen?  Wilden ze hem misschien met hun optreden tegen zichzelf beschermen? Je zult maar zo’n kind of broer hebben. Ons mag het te denken geven over onze kijk op Jezus. Kennen wij hem echt en wat doet dat met ons? Wat is onze reactie?

Dat is dan het linker zijpaneel van ons schilderij. Nu naar het middenpaneel, dat is veel groter en nog dramatischer.  Waren Jezus’ bloedverwanten met hem begaan, nu komen er heren uit Jeruzalem, Schriftgeleerden, de mannen van de wet,   en die hebben hun mening klaar.  De familie maakt zich zorgen en willen hem ontvoeren, maar de Schriftgeleerden maken zich helemaal geen zorgen, en willen hem niet ontvoeren, maar uitschakelen. En ze doen dat op een voor ons heel herkenbare manier, namelijk iemand zwart maken, hem demoniseren. Zij zeggen dat hij door de duivel bezeten is, terwijl Jezus juist mensen tot leven wekt. Dat is geen duivelswerk, integendeel dat is doen waartoe hij en wij geschapen zijn. Maar voor de Schriftgeleerden blijkt het een inbreuk op hun gezag en macht te zijn. En zo grijpen ze naar het duistere wapen waarbij zij Jezus’ activiteit en zijn innerlijk gezag als duivelswerk betichten. Ze draaien daarmee alles om en noemen het goede van Jezus kwaad. En ze doen dat willens en wetens. Het lijkt in menig opzicht op de wereld van vandaag. Jezus lijdt nog steeds onder demonisering samen met en in allen die om hun inzet voor het leven worden betiteld als vijanden van het volk of erger.

Maar Jezus blijft trouw aan zijn innerlijke weg en dient de Schriftgeleerden van repliek. Als hij een pact met de duivel zou hebben gesloten, dan zou hij dus de duivel met de duivel bestrijden en dat is natuurlijk onzinnig.

En dan volgt die moeilijke passage over de zonde tegen de heilige Geest. Maar misschien begrijpen wij dat woord van Jezus nu toch een beetje. Deze mannen weigeren weloverwogen in Jezus’ optreden het werk van de Geest te zien, Gods barmhartige omzien naar zijn volk. Waar de werkelijkheid zo welbewust wordt verdraaid en ontkend, is sprake van een zonde tegen de heilige Geest.  Dat is onvergeeflijk gedrag, daar sluiten de Schriftgeleerden zichzelf buiten de gemeenschap van Gods leven.

Nog een enkel woord over het rechter zijpaneel. Daar ontmoeten we opnieuw de familie van Jezus. Was Jezus aan het begin van het verhaal door een veelheid van mensen omgeven, hier is de kring niet kleiner. En als er dan door de bloedverwanten een poging wordt gedaan Jezus te spreken te krijgen, wijst Jezus naar de kring om hem heen. Geestverwantschap gaat voor hem boven bloedverwantschap. Die laatste hebben niet altijd oog en oor voor je roeping, zij verstaan je soms niet of wijzen je af. Voor Jezus telt de gemeenschap die samen met hem de wil van de Vader in het leven van alledag poogt te onderscheiden en te volbrengen. Horen zijn verwanten daar nog niet bij? Hebben ze nog een weg te gaan? En zo komen wij op het eind terug bij het begin: Wie is Jezus voor ons, kennen wij hem echt? Herkennen wij ons misschien in de Schriftgeleerden, of in het gedrag van zijn bloedverwanten of dat van zijn geestverwanten? Vragen voor ieder van ons.

Moge de Geest ons helpen onderscheiden en ons innerlijk sterken om met Jezus tegen alle tegenweer in de weg van heling en heil te gaan. Elke dag weer, tot opbouw van een gemeenschap van vrede en barnhartigheid. God ter eer en de aarde tot zegen.  AMEN.

Abt Thijs Ketelaars

Preek 2 juni 2024

Zondag 9 dhj B  Deut.5/12-15; 2 Kor. 4, 6-11; Mc. 2, 23-3,6.

Met de lezingen van deze zondag spelen we om zo te zeggen een thuiswedstrijd. Het gaat hier om wat wij aan het doen zijn. Wij vieren de dag des Heren. Daarom zijn wij samengekomen, we luisteren naar de Schrift en we vieren het misoffer. Wij brengen ons te binnen dat Jezus ons Gods heils wil is komen bekend maken, dat hij ons in tekenen nabij wil zijn en deel geeft aan zijn eigen leven. In onze abdij staat die viering dagelijks centraal, zoals dat tot voor kort was dat het geval in elke kerk. De secularisatie, met als gevolg gebrek aan priesters en wegslijtende betrokkenheid van gelovigen heeft dat op de meeste plaatsen onmogelijk gemaakt. Het is nu al heel mooi als mensen de zondag in ere houden als de dag des Heren.

In de H. Schrift lezen we, en vandaag hoorden we het in het boek Deuteronomium:  “Zes dagen kunt u werken en al uw arbeid verrichten, maar de zevende dag is een sabbat voor de Heer uw God. Dan kunnen uw dienaar en uw dienares uitrusten evenals gijzelf.” Dat moet in de cultuur van die tijd hoogst ongewoon zijn geweest. De mensen vereerden wel hun goden, maar bekommerden zich in het algemeen weinig om hun slaven. Vrije mensen konden zich wijden aan de dingen van de geest en daarnaast aan allerhande spelen en sport. Dienaren, en dat waren meestal buitgemaakte slaven, werden door verstandige meesters zeker niet altijd niet slecht behandeld, maar zij hadden nergens recht op, en zeker geen geregelde vrije dag..

Was die dag des Heren, een geregelde vrije dag, niet een echt  godsgeschenk!

Naast herinnering aan de eigen slavernij van de Joden in Egypte gold een andere reden voor de sabbat: “Want in zes dagen maakte Jahweh de hemel en de aarde, de zee en alles wat daarin is. Maar Hij rustte op de zevende dag. En daarom zegende Jahweh de sabbatdag. en heiligde hem (Ex.20/11).  Deze tweede motivatie is geïnspireerd op het scheppingsverhaal uit het eerste hoofdstuk van Genesis:

Israël rust elke zevende dag en draagt ​​die aan Jahweh op, omdat Jahweh zelf in zes dagen de hemel en de aarde heeft gemaakt, maar op de zevende dag niet actief was en deze zegende en heiligde. Ter herinnering daaraan rust  Israël elke zevende dag en wijdt deze aan Jahweh. Deze tweede motivatie is meer theologisch, meer spiritueel, zo u wilt, dan de eerste. Maar beide redenen zijn geldig. Na zes dagen werken zal de mens een rustdag nemen en deze opdragen aan Jahweh, zijn God. Het vieren van de sabbat is een garantie voor verlossing, een teken van het verbond dat met God is aangegaan, een teken dat Israël toebehoort aan Jahweh, zijn God (Ex. 3/13; Ez. 20/12-20).

De sabbat is een rustdag, een vreugdevolle dag, “verrukkelijk en eerbiedwaardig” volgens Jesaja (58/13). We gingen op de sabbat naar het heiligdom, naar de tempel, naar de synagoge, of om een ​​man van God te bezoeken” (II Koningen 4/23). Zwaar werk, handel en reizen werden onderbroken. Na de verwoesting van de Tempel en in Tijdens de ballingschap won de sabbat zelfs aan belang en de regels voor de naleving ervan werden strenger en strenger.

In de tijd van Jezus hadden de Farizeeën de sabbat tot een dag van dwang gemaakt. Jezus veroordeelde de sabbat niet, hij vierde die, maar verwierp de bekrompen interpretatie van de sabbat door de Farizeeën: “De sabbat”, zei hij tegen hen, “is gemaakt voor de mens, en niet de mens voor de sabbat” (Mark. 2/27). ). En omdat hij de Mensenzoon (de Messias) is, is hij ook de meester van de sabbat (28/2). Hij komt om het oude verbond af te schaffen en tegelijkertijd te vervolmaken en te vervangen door een nieuw verbond. De oude sabbat maakt plaats voor de nieuwe Dag des Heren.

Moge deze dag een rustdag voor ons zijn, een heilige dag, gewijd aan de lof van God, een dag voor de Heer.

Dat hij vandaag in de lezingen zo prominent naar voren komt is een mooie gelegenheid om er weer eens fris naar te kijken. Want hoe gaan wij om met dit gebod, dat in feite een geschenk is? Bij wat wij krijgen of kopen is dikwijls een gebruiksaanwijzing bijgesloten, zoals ook bij medicijnen, zorgvuldig te lezen  om niet voor verrassingen te komen staan. Ook met het beleven van de dag des Heren kan het fout gaan. Hij kan verkeerd worden begrepen, hij kan worden misbruikt, hij kan het tegengestelde worden van waartoe hij bedoeld was. Mensen kunnen er een trauma aan overhouden, hij kan hun jeugd bederven. In de literatuur zijn er veel sombere beschouwingen aan gewijd. Dagen waarop niets mocht, dagen van verveling, met lange kerkdiensten en sombere preken.

Dan is een dag des Heren geen vrije dag, maar een dag waarop veel moet en nog meer niet mag, een dag van verplichtingen en verboden, een verloren dag. En dat is eigenlijk zonde. Zonde van de vrije dag. Zo had de Heer het niet bedoeld. Dan is de dag des Heren als die verschrompelde hand, dan ben je ermee onthand, totdat de Heer je geneest. Die dag des Heren die bedoeld was als rustdag, om tot je zelf te komen, om ruimte te maken voor dankbaarheid, de weldaden van de Heer te overdenken, te belijden en te vieren. Om familiebanden aan te halen, om mensen die moesten zwoegen, voor wie het leven zwaar was en weinig perspectief bood een adempauze te geven.

Kijk eens hoe Jezus de sabbat beleeft. Hij wandelt met zijn leerlingen door het veld, en zij plukken wat aren. Hij geeft zijn leerlingen daarbij de vrijheid van kinderen Gods. En Hij verdedigt hun gedrag tegenover zijn tegenstanders. Hij wijst op de diepe zin van de Sabbat: “De mens is er niet voor de sabbat, maar de sabbat is er voor de mens.”

De dag des Heren is een dag van rust voor de mens, die vrij mag zijn van de dagelijkse zorg om te leven als kind van God. Voor sommige mensen is het dan wel geen werkdag, maar hij zit propvol met verplichtingen, sociale contacten, sportevenementen, die geen ontspanning meer zijn maar stress veroorzaken. Wij monniken zijn vrij voor Preek 2 juni 2024

God, niet dat wij ontlast zijn van alle arbeid, u kent het motto ora et labora, en vroeger waren de lekenbroeders die het hardst werkten ook de beste bidders. Vacare Deo, vrij zijn voor God is je zelf en je zorgen uit handen kunnen geven, los kunnen laten, overgeven aan God, onze Schepper en Vader, die zijn volk Israel heeft bevrijd uit Egypte, en die nog steeds onze bevrijder wil zijn, als wij ons vrij willen maken voor Hem, de dingen een dag in de week de dingen laten, en onze wereld toevertrouwen aan zijn zorg. Dat is weldadig, en bevrijdend. En als we ons daarin verbonden weten met de Eeuwige, en we groeien in dankbaarheid en vertrouwen, dan kan de zondag echt een feestdag zijn. Wat zou dat onze samenleving ten goede komen!

br. Gerard Mathijsen osb

Preek Sacramentsdag 2024

Wij vieren vandaag het hoogfeest van Sacramentsdag. Is dat geen verdubbeling van Witte Donderdag, en is dat wel nodig? Daarover kun je van mening verschillen, en dat mag. Maar misschien is het vruchtbaarder de vraag te stellen, wat dat feest ons vandaag zou kunnen zeggen over het geheim dat wij in dit sacrament vieren.

De eucharistie, die laatste maaltijd van Jezus met de zijnen. We vinden dat gebeuren terug in drie van de vier evangelies, en Johannes, zo weet u, heeft er een variant op met  het verhaal van de voetwassing. Dat is op zich al iets dat te denken geeft. Blijkbaar kun je het grote teken van Jezus’ leven en sterven, van zijn liefde totterdood op verschillende manieren vertellen. En ook de drie evangelisten die het verhaal van het laatste avondmaal hebben overgeleverd doen dat met eigen accenten. Zij hebben elk in zeker zin hun eigen theologie. Dat behoort tot de rijkdom van ons geloof, en alles willen terugbrengen tot één formule of tot één theologisch traktaat doet daar afbreuk aan. Wij hoeven niet bang te zijn voor eenheid in verscheidenheid. De oudste overlevering van Jezus’ leven en sterven zet er zijn stempel op als waarmerk van echtheid.

Vandaag hoorden wij het verhaal zoals Marcus dat heeft opgetekend. Het is het oudste en de overige evangelisten hebben leentjebuur gespeeld voor hun weergave van dit bijzonder moment van Jezus en zijn leerlingen, waarbij  toch elk zijn eigen toets en kleur er aan heeft gegeven.

Laat ons dan een ogenblik stilstaan bij een paar trekken uit het Marcus’ verhaal die ons misschien kunnen helpen het gebeuren met nieuwe ogen te zien en er de diepte van te peilen.

Marcus begint zijn verhaal met de zin:   “  Op de eerste dag van het ongedesemde brood, de dag waarop men het paaslam slacht, zeiden de leerlingen tot Jezus: Waar wilt gij dat we voorbereidselen treffen zodat ge het paasmaal kunt houden.” Dat is een zin om niet overheen te lezen.  Paaslam en paasmaal, die horen bij elkaar. Maar hier op een bijzondere manier. Want wat Jezus met hen gaat vieren is een paasmaal waar hij zichzelf in tekenen geeft als  paaslam. En wie het heeft over paaslam heeft het over offeren en vrijkopen. Bevrijding uit slavernij en knechtschap, bevrijding van de laatste vijand die de dood is, dat is de inzet van Jezus’ leven en sterven.  De leerlingen en wij met hen schuiven hier dus aan bij een bijzondere maaltijd, een maaltijd die een teken en een testament is. Geen doordeweeks etentje, maar een zwaar beladen moment, waar Jezus zijn leven op het spel zet in tekenen. Hij loopt vooruit op wat komen gaat.

Maar om de ware aard en de wijze van dit offer op het spoor te komen verdient ook nog een ander woord uit die eerste zin van Marcus onze aandacht.  Het gaat om het woord ‘ slachten’, offeren dat Marcus gebruikt. Dat komt in zijn evangelie alleen op deze plaats voor:  “het slachten van het paaslam” Wij weten allemaal wat slachten is, offeren, maar het woord krijgt  een andere draagkracht en inhoud als wij  het verbinden met het woord  “offer, slachtoffer”, dat bij Marcus ook maar één keer voorkomt. ( In het Grieks is het van dezelfde stam als het woord  ‘slachten’.)“  God beminnen met heel zijn hart en al zijn krachten gaat boven alle brand- en slachtoffers,”[1] zo horen wij een Schriftgeleerde instemmend zeggen op een uitlating van Jezus. Met dat citaat  in ons achterhoofd krijgt niet alleen het woord slachten maar al wat hier te gebeuren staat een andere kleur en betekenis. De laatste maaltijd van Jezus, die hier wordt voorbereid, is dus van de orde van de liefde: het laatste avondmaal gaat alle offers overtreffen, het zal er de definitieve afschaffing van markeren’[2]

Er is in de theologie, in de spiritualiteit, in de kunst en recentelijk in de cinematografie veel aandacht geweest voor het lijden en de kruisdood van Jezus. Die worden op de meest gruwelijke wijze afgebeeld en beschreven. Mel Gibson kon het niet erg genoeg afbeelden om aan te geven hoe groot en afschuwelijk het lijden van Jezus was. Dat was het inderdaad, en er is tot op de dag van vandaag nog steeds een zee van lijden dat alle verbeelding tart. Maar dat lijden is niet bevrijdend en verlossend omdat het zo groot is.

Het lijden van Jezus, waarvan het brood dat gebroken wordt en de beker van het verbond de tekenen zijn, dat lijden is maar verlossend en bevrijdend omdat het de uitdrukking is van een onvoorwaardelijk ja op een leven in trouw aan de Vader. De liefde dringt hem, zij drijft hem zich te blijven geven ook waar alles en ieder zich tegen hem keert. Zijn liefde voor allen die hem zijn toevertrouwd, voor allen die hij met de liefde van de Vader bemint, die liefde maakt geen halt voor de dreiging van de dood, hij aanvaardt ze als uiterste consequentie.

Wij vieren vandaag geen bloederig offer, maar wij vieren een liefde sterker dan de dood, een liefde die allen omvat vriend en vijand, leerling en tegenstander, een hoogte en diepte, een breedte en lengte die ons te boven gaat,

Hoe diep die liefde reikt wordt ons getoond in de passage  die vandaag helaas in de tekst is weggelaten. Daar staat dat alle twaalf leerlingen met Jezus aan tafel gaan. Judas is er dus ook bij,: “een van u zal mij overleveren, een die met mij eet”, horen wij Jezus zeggen. Dat is voor de kerk in de loop der eeuwen moeilijk verteerbaar geweest. Maar kan het anders, Jezus is gekomen om zondaars te redden en niet enkel rechtvaardigen een plaats aan de tafel te geven.  Gods liefde die ons in Jezus wordt geopenbaard,  sluit allen in. Daarvoor heeft Jezus zijn leven gegeven ook toen Judas zijn leven verspeelde. In het uur dat door Jezus het brood gebroken wordt en hij zich geeft voor ons aller heil, wordt door Judas de communio verbroken door hem over te leveren.   Hier reikt prijsgave, overgave door Judas  en het zichzelf vrij geven door Jezus met elkaar verbonden op leven en dood, maar het is de liefde die het duister zal overwinnen.

Naderen wij dan tot de tafel van de Heer als mensen die leven van zijn vergeving en sluiten wij op onze beurt niemand uit van de tafel die heil en heling schenkt.  AMEN.

Abt Thijs Ketelaars

[1] Mc.12,33

[2] David Marc D’Hammonville: Marc, l’histoire d’un choc . pg 316

Preek Pinksteren 2024

 Onlangs liet ik een vertaalsite op het internet een van mijn preken vertalen in het Engels. Die preek had heel wat voorbereiding gekost, er zaten uren in, maar de vertaling leek daar niet van te weten en was in een mum van tijd geleverd. Misschien niet helemaal foutloos, maar toch. Dat lijkt prachtig, maar ik stond perplex en vond het confronterend. Het gaf ook te denken. Als dat een beeld is van onze cultuur, betekent dat dan dat er geen tijd meer is om stil en rustig na te denken, om groei en ontwikkeling een kans te geven?  We kunnen, denk ik, niet ontkennen, dat onze samenleving in een steeds sneller tempo voortjaagt en wat doet dat met het leven en met ons mensen?

Het grote boek van ons geloof dat nog geen weet had van internet, kent een ander tempo. Is het daarom ouderwets en niet meer van deze tijd, of bewaart het misschien een geheim dat wij over het hoofd dreigen te zien met alle gevolgen van dien.

Vandaag vieren wij het feest van Pinksteren en dat gebeurt vijftig dagen na Pasen.  Jezus mag dan wel op Pasen verrezen zijn, maar het heeft vijftig dagen geduurd voordat dit gebeuren innerlijk bij de leerlingen zijn plek heeft gevonden en hen heeft omgevormd. De dood en opstanding van Jezus liggen in het evangelie dichtbij elkaar, maar voor de leerlingen gold een ander parcours. Was de opstanding de voltooiing van Godswege van een leven dat zich tot het einde gegeven had in overgave en liefde, voor de leerlingen was het vooralsnog een duister gebeuren dat zich aan hun begrijpen en beleven onttrok. Het vergde een almaar herlezen van wat ze hadden meegemaakt en dan nog konden ze er de vinger niet op leggen. Er was tijd nodig, en wie tijd zegt, heeft het over innerlijk verwerken en innerlijk luisteren, maar ook over Geest en inspiratie.

Vandaag is het de vijftigste dag na Pasen en Lukas, de schrijver van de Handelingen, probeert ons in beelden te vertellen wat er in die tijd met de leerlingen is gebeurd. Laten wij deze morgen stilstaan bij enkele elementen uit dat verhaal. Nemen wij de tijd, want alleen dan is menselijk leven werkelijk mogelijk. Geen internetsnelheid, maar door God gegeven tijd om te groeien en te verstaan.

Zij waren samen op dezelfde plaats hoorden we Lukas vertellen. Hoezeer we als mens ook geroepen zijn tot een persoonlijk geloof en hoezeer dat ook een persoonlijk avontuur is, je hebt anderen nodig op die weg als wegwijzers, als tochtgenoten en als samen zoekenden. Want een doorgedreven individualisme dreigt dood te lopen in de woestijn van het leven.

Zij waren bijeen op dezelfde plaats. Zij zochten steun bij elkaar toen hun leven overhoopgehaald was door de dood van Jezus. Ze namen de tijd om te rouwen, om vragen te stellen en te zoeken hoe verder. Zij zochten hun weg tussen de verhalen dat hij leefde. En zij stonden stil bij al wat ze hadden meegemaakt en wat Jezus had gezegd over de Geest die hun alles nieuw zou doen verstaan en hun de weg zou wijzen. Het nam tijd, het vroeg herlezen van de oude Schrift, om onderling gesprek, om samen bidden en het vroeg om stilte. Zo verging het hen en zo vergaat het ons als wij al tastend en zoekend de weg door het leven zoeken.

En dan valt er ineens het woord plotseling in het verhaal. Dat contrasteert sterk met wat eraan voorafgaat. Daar een geduldig en stil wachten en aftasten, en nu als een donderslag bij heldere hemel dat plotselinge opkomen van een hevige wind en iets als vuur.  Het leven neemt een wending waar ze misschien op hadden gehoopt, maar die ze niet zelf in de hand hadden. Het overkomt hen en misschien herkennen wij er iets van als we terugdenken hoe soms ineens de schellen ons van de ogen vallen of de last van een zwaar verdriet van ons afvalt en er zich nieuw perspectief toont.  Om dat te beschrijven neemt Lukas zijn toevlucht tot beelden uit de oude Schrift die generaties lang het leven heeft gevormd.  De hevige wind voert ons terug naar het scheppingsverhaal. Daar is het de Geest die als een hevige wind boven de chaos zweeft. Hier is heel het huis er vol van. Het is alsof zich op deze plek een nieuwe schepping voltrekt en leerlingen die door dood en angst getekend waren, worden herschapen tot mensen bezield en bevlogen door de Geest die hun tot onverschrokken getuigen maakt van Gods liefde sterker dan de dood. En dan het vuur dat zich als tongen over hen verdeelt, en hun hart kracht en moed schenkt.

Op deze vijftigste dag wordt de wedergeboorte van de leerlingen een feit. Hier komt de opgestane Heer in hun hart tot leven. Het is geen verhaal meer buiten hen, maar een innerlijk bewoond worden, dat zo’n kracht en dynamiek geeft aan hun bestaan dat de deuren opengaan en ze voor niets of niemand meer bang zijn.

Met dat nieuwe leven klinkt er ook een nieuwe taal zo lezen wij in het vervolg van het verhaal. Waar de wereld vol was van een Babylonische spraakverwarring, wrange vrucht van afgunst en agressie, daar klinken nu woorden die mensen samenbrengen uit alle talen en culturen in een gemeenschap waar men elkaar verstaat, geraakt door Gods liefde sterker dan dood en verderf. Deze gemeenschap, het is de kerk zoals God die zich heeft gedroomd.

Het is vandaag de vijftigste dag. De leerlingen hebben een hele weg afgelegd na Pasen. Meer nog, de Heer heeft met hen een hele weg afgelegd eer de Geest bij hen was ingedaald.

Op deze geboortedag van de kerk zal zo dadelijk Nikki Apeldoorn het vormsel ontvangen en zo met het zegel van de Geest haar plaats innemen in het lichaam van de kerk. Nikki heeft juist als de leerlingen een weg afgelegd, zij heeft al vele talen leren kennen tijdens haar jaren op het Zuid Amerikaanse continent en nu door haar leven in de Jeannette Noëlhuis waar de gemeenschap de deuren heeft openstaan voor mensen uit allerlei cultuur en taal. Moge de Geest haar vandaag toerusten met zijn gaven om in een wereld waar al te vaak deuren worden gesloten als bevlogen leerling van de Heer getuige te zijn van zijn universele en inclusieve liefde. En wij allen die vandaag Pinksteren vieren, laten wij niet achterblijven en ons van dag tot dag voegen in de leerschool van het evangelie opdat het aanschijn van de aarde mag worden vernieuwd. AMEN.

Abt Thijs Ketelaars

2040519 Pinksteren Hand. 2,1-11; Gal. 5,16-25; Joh. 15,26-27; 16, 12-15

Preek 12 mei 2024

Zusters en broeders,

Tussen Hemelvaart en Pinksteren vieren we a.h.w. een kleine ad­vent van de H.Geest. Negen da­gen van verstilling en verwach­ting, een tijd van gebed, van biddend saamhorig­heid beleven. Het is onze oudste noveen. 9 dagen samen bidden. In protestantse kringen heet deze zondag `het weeskind’

De lezingen van deze zon­dag tussen beide hoogfeesten vormen een sterke eenheid. Zij kunnen ons gebed voeden. Lezingen als verbin­dingswe­gen naar een hemel die opengaat, waar de Vader gehoor schenkt, waar de Mensenzoon bidt aan Gods rechterhand, en vanwaar de Geest wordt toegezegd. De Geest, die van de Vader uit­gaat, is immers krachtens zijn wezen niets anders dan beweging naar de Vader toe. In de heden­daagse theologie wordt in de Geest graag het vrou­we­lijke, moederlijke, zorgende, van God gezien. Wij mensen kunnen het niet laten ons voorstellingen te maken, ook al weten wij dat God die allemaal te boven gaat. Met onze beelden en voorstellingen kunnen wij nooit Gods wezen uitzeggen en wij moeten vermijden van onze ideeën idolen te maken, want dan zitten we goed fout, of het nu mannelijke of vrouwe­lijke afgoden zijn. In het evangelie horen wij een passage uit Jezus’ hogepriesterlijk gebed waarin Hij zijn hemelse Vader smeekt dat zijn leerlingen deel mogen krijgen aan de waarheid van Gods Woord. Dat is een waarheid die bevrijdt, ruimte schept en leven geeft, een waarheid die je nooit hebt, die je niet bezit, maar waarin je mag leven en groeien en verbonden wordt met Gods schepping. Een wonderlijke waarheid die ons beperkte verstand te boven gaat, die ons verheft boven eigen mogelijkheden, die ons verandert en ons juist zo meer ons zelf doet zijn. God is onze waarheid, en God is groter dan ons hart!

De confrontatie met hun verrezen Heer confronteert de apostelen met die waarheid en maakt nieuwe mensen van hen. De dramatische gebeurtenissen van zijn heengaan hebben hen diep getekend en een verandering van zielsgesteldheid bewerkt. Voordien waren zij naief, opgetogen dat de rabbi uit Nazareth, de wonderdoener, hen tot zijn leerlingen had gekozen, zij waren ambitieus en zelfverzekerd. Door wat met Jezus gebeurde bij zijn heilig Lijden en zijn wrede kruisdood gingen zij door een diep dal. De verrezen Heer had hen een veel dieper inzicht gegeven in de diepte van wat Hem had bezield, en in hun eigen roeping. Zij begrepen dat hun apostel-zijn nu pas begon, en wat het inhield aan totaal engagement, aan bereidheid te getuigen met hun eigen leven.

Dat bracht hen, in de eerste dagen na Pasen ertoe hun twaalftal te willen aanvullen, door iemand in hun groep op te nemen in de plaats van Judas. Daarover vertelde ons de eerste lezing.

Na de Hemelvaart van de Heer, keerden de apostelen terug van de Olijfberg naar Jeruzalem. Voordat de Heer van hen scheidde, zei hij tot hen: “Ik zal jullie sturen wat mijn Vader heeft beloofd. Blijft daarom in de stad totdat jullie bekleed worden met kracht van boven. Johannes doopte met water, maar jullie zullen worden gedoopt met de Heilige Geest in een paar dagen” (Luk.24/49; Hand.1/5). Hoeveel dagen weten ze niet. In Jeruzalem brachten ze de dagen door met wachten en ondertussen baden ze en bereidden ze zich voor. De apostelen gingen terug naar de bovenkamer, waar ze op Witte Donderdag het Laatste Avondmaal hadden gevierd. Nu al vormen allen, de apostelen en de discipelen, een gemeenschap, het begin van de  Kerk. Maria, de moeder van Jezus, is onder hen, net als de broers, familieleden van Jezus, evenals de vrouwen die Jezus waren gevolgd uit Galilea, in totaal honderdtwintig mensen (Hand. 1/12-15).

Ze zijn blij, niet langer verdrietig vanwege het vertrek van Jezus, omdat ze weten dat Hij te zijner tijd zal terugkeren en dat over een paar dagen een andere Parakleet, een andere trooster en verdediger, hen in deze tussenliggende tijd te hulp zal komen.

Terwijl ze wachten, blijven ze de Tempel bezoeken en keren dan terug naar het Cenakel, om te bidden en hun gemeenschapsleven voort te zetten.

Een van de eerste daden van deze gemeenschap van het Cenakel is het regelen van de vervanging van Judas. Petrus neemt het initiatief. Hij houdt een toespraak waarvan de traditie de essentiële punten heeft behouden, die Lukas heeft verzameld in het verslag van de verkiezing van Matthias, dat zojuist als eerste lezing werd voorgelezen.

De toespraak heeft vier punten: de val van Judas, de voorspelling van deze val door de Schrift, de noodzaak om een ​​vervanger voor de gevallen apostel te kiezen en de voorwaarden voor deze keuze.

Het is nodig, aldus Petrus, dat alvorens de Heilige Geest komt het apostolisch college, dat door de afvalligheid van Judas tot elf is teruggebracht, weer compleet zal zijn. Voor de eerste christenen was het geval van Judas pijnlijk en bijna onverklaarbaar. Hoe kon Jezus als apostel iemand kiezen waarvan hij van tevoren wist dat hij een verrader zou zijn? Petrus geeft voorlopig slechts een kort antwoord. De Schrift die deze afvalligheid had voorspeld, moest in vervulling gaan. Dit beroep op de Schrift is uiteraard slechts een gedeeltelijke verklaring voor het geval van Judas, maar voldoende om uit te leggen dat Jezus het wist, had voorzien en dat hij niet onverwachts werd verraden. Voor Petrus was op dit moment het belangrijkste dat een van de psalmen waarnaar hij verwijst had gezegd: “Zijn opdracht zal overgaan op een ander”, en dat het daarom nu nodig was om in de plaats van Judas een andere te kiezen.

En ze zijn het allemaal eens over de voorwaarden waaraan kandidaten voor de functie van Judas moeten voldoen: ze moeten de Heer trouw gevolgd zijn vanaf zijn door Johannes tot aan zijn hemelvaart. Want zo had Jezus zelf gehandeld:  uit degenen die Hem vanaf het begin van zijn openbare leven waren gevolgdhad Hij  zijn twaalf apostelen had gekozen. Er waren ooggetuigen nodig die konden getuigen over alles wat Jezus had gedaan en gezegd, geloofwaardige en betrouwbare getuigen.

Twee kandidaten voldeden aan deze voorwaarde. Daarom nemen zij hun toevlucht tot  loten, nadat ze gebeden hebben tot de Heer die de harten doorzoekt, zodat God zelf aanwijst wie de lege plaats in de bediening, de dienst van het apostelschap, zal innemen.

‘En het lot viel op Matthias, die voortaan tot de twaalf apostelen werd gerekend.’ Het apostelcollege was nu voltallig en voorbereid op de komst van Gods Geest.

Als wij in onze dagen en in onze gemeenschap beseffen dat we Gods Geest nodig hebben vinden we in hun handelen een model, een voorbeeld hoe wij ons daarop kunnen voorbereiden, in gebed, in samenkomen en ons openstellen.

Iedereen heeft het erover: de kerk, en niet alleen die van Rome, alle kerken zijn in een crisis. Hoe is het mogelijk dat in zo’n gezelschap van mensen die zeggen dat ze in God geloven en dat ze zijn dienst zijn toegewijd, zoveel schandalen aan het licht zijn gekomen? De kerk van onze dagen heeft groot gezichtsverlies geleden doordat mensen die er een uitverkoren positie innamen, zoals Judas dat deed in het apostelcollege, ontrouw bleken, onwaardig, en de reputatie van het instituut ernstig hebben geschaad. Hoe heeft Jezus die ene apostel zo kunnen vertrouwen? Hoe hebben die rotte appels zoveel ruimte gekregen in de kerk? In onze dagen is het nu het schandaal van het sexuele misbruik. Vroeger waren er andere misstanden die ergernis gaven. Machtsmisbruik, nepotisme, noem maar op.

In het evangelie bidt Jezus voor de gemeenschap die Hij achterlaat. Dat het kwaad haar niet de baas mag worden, ook al manifesteert het zich in haar gelederen, het mag niet het laatste woord hebben.  Dat de waarheid overwint, en zij die waarheid toegewijd mag zijn.

Daarom zusters en broeders bidden wij tot de Vader van onze  Verrezen en in de hemel opgenomen Heer, dat Hij ons, zijn kerkgemeenschap,  zuivert en heiligt door de gave van zijn Heilige Geest. Mogen wij volharden in dat gebed, elkaar vasthouden, en bidden dat de Geest zijn werk in ons verricht, nu in deze viering en in ons leven van elke dag.

br. Gerard Mathijsen osb

Preek Hemelvaart 2024

Veertig dagen hebben wij inmiddels Pasen gevierd. Dat is een bekend bijbels getal. Het werd uitdrukkelijk genoemd in de eerste lezing, waar sprake is van Jezus’ verschijnen aan de leerlingen gedurende veertig dagen na zijn verrijzenis.  Dat getal roept bij ons misschien de veertig jaren op die Israël door de woestijn trok op weg naar het beloofde land. Beeld van een levenslange reis.

Na die veertig dagen werd Jezus ten hemel opgenomen, zo meldt Lukas ons. Veertig dagen, dat getal evenals het beeld van het opstijgen naar de hemel vraagt om een oplettend oor en een luisterend hart.

De leerlingen waren na Jezus’ wrede dood helemaal van de kaart. Zij hadden het zich allemaal heel anders voorgesteld. En het bericht van zijn verrijzenis waarmee de vrouwen aankwamen, werd aanvankelijk niet geloofd. Kun je ze het kwalijk nemen? Hoe zouden wij hebben gereageerd? Dood is dood, en zeker zo’n dood als hij gestorven was. Het was een vloek volgens de Schrift. Maar daar bleef het niet bij. Een weg van veertig dagen hebben ze nodig gehad om de dood en opstanding van Jezus te verstaan. Veertig dagen lang legde de verrezen Heer hen de Schriften uit.  Dat was geen voortzetting van het oude bestaan. Er is geen lijk opgewekt, dat moge duidelijk zijn uit de wijzen waarop hij herkend werd. Nee, de herkenning vond plaats door de wijze waarop ze werden aangesproken, door het verwijzen naar de Schrift, en door het breken van het brood. Er was herkenning, maar er was ook onbegrip. Zij stelden vragen over het koninkrijk voor Israël, wanneer konden zij dat nu verwachten?  Hoe moet dat nu verder? Op die vraag krijgen ze geen direct antwoord. Maar wij horen wel iets heel nieuws. Jezus spreekt over de Geest die ze zullen ontvangen als vrucht van zijn totale inzet voor Gods koninkrijk. En vervolgens horen wij Jezus grenzen verleggen. De Geest die hij zal zenden, de Geest die schept en herschept, zal hen aanzetten tot aan het einde van de wereld te gaan. De liefde van Christus, zijn gave totterdood, is niet voor een kleine of selecte groep. In zijn dood en opstanding is heel de mensheid herschapen, is de Nieuwe Adam verschenen en daarvan moeten de leerlingen getuigen tot aan het einde van de wereld. Was het voor Pasen een evangelie geweest voor het Joodse volk, na Pasen is het een blijde boodschap voor alle volken. Met die opdracht wordt de kleine wereld van de leerlingen opengebroken en op zijn kop gezet. Het zal een tijd duren voordat ze er alle consequenties van overzien. En die ontdekkingstocht duurt voort tot op de dag van vandaag. Want is de universaliteit waartoe de kerk geroepen is wel doorgedrongen tot in alle aspecten en onderdelen van haar getuigenis? Worden er misschien nog mensen of groepen buitengesloten in plaats van ingesloten?  De Geest die bij het begin van de schepping over de wateren zweefde en in Christus herscheppend aan het werk is, laat zich niet beperken tot een kleine groep of natie, die wil heel de schepping vernieuwen in Christus en daar krijgen de leerlingen als lichaam van Christus een actieve rol in toebedeeld.

Veertig dagen en toen werd Jezus ten hemel opgenomen. Voor Jezus een nieuw begin, maar ook voor de leerlingen een nieuw begin. Jezus, opgenomen in de schoot van de Vader vanwaar hij ons ook geschonken is, toen hij als mensenkind onder ons verscheen. Teruggekeerd in die intimiteit waaruit hij als beminde zoon van God aan ons gegeven is. Hij is de weg van de mens gegaan in totale overgave aan de Vader en zijn dood was een laatste ja en dat ja werd in de verrijzenis en de opneming ten hemel door de Vader bevestigd, liefde sterker dan de dood. Liefde van voor alle tijden, liefde in de tijd, liefde voor altijd, thuisgebracht in het huis van de Vader, zittend aan zijn rechterhand.

Veertig dagen, een woestijntijd voor de leerlingen, een oefenschool zoals Jezus ooit veertig dagen in de woestijn doorbracht en hij zijn trouw aan de Vader en aan zijn levensweg bevestigde. Veertig dagen, waarin de leerlingen de tijd krijgen om met de nieuwe situatie om te gaan. Dat bleek nog niet zo eenvoudig en dat herkennen wij misschien ook wel.

Veertig dagen, een tijd om herschapen te worden. Een tijd om door de verrezen Heer te worden onderwezen, zijn leven te herlezen in het licht vaan Pasen, een tijd om Jezus los te laten om hem te laten binnengaan in het geheim van de Vader, een tijd ook om de liefde van Christus, sterker dan de dood, op een nieuwe wijze binnen te laten in hun eigen bestaan. Niet als iets waar wij recht op hebben of wat aan een kleine groep van uitverkorenen is voorbehouden.  Nee, de liefde van Christus moge ons de oude mens doen afleggen zodat wij bekleed kunnen worden met de nieuwe mens, toegerust met de gaven van omhoog om ons met hart en ziel te wijden aan het werk waartoe de Heer ons roept. Paulus wijdt daar prachtige woorden aan in de tweede lezing die wij hebben gehoord. Maar laat het niet bij het horen blijven, maar zetten wij ons er ook toe ze in praktijk te brengen, opdat onze verscheurde en verdeelde aarde wordt opgebouwd tot het ene lichaam van Christus, waar wij elkaar dragen en dienen zonder onderscheid en God alles in allen mag zijn.

Veertig dagen zijn verstreken, maar er resten ons nog negen dagen naar Pinksteren. Laten ze gevuld zijn met een eenstemmig gebed om de gaven van de Geest, dat wij ten volle toegerust worden tot het werk dat ieder van ons wacht. AMEN.

Abt Thijs Ketelaars

20240509 Hemelvaart Hand. 1,1-11; Ef. 4,1-13; Mc 16,15-20

Expositie Abdij van Egmond in oorlogstijd ’40 – ‘45

De monniken van de Abdij van Egmond hebben gedurende de Tweede Wereldoorlog roerende tijden beleefd. Een deel van hen is geëvacueerd, de Abdij (toen nog Priorij) zelf is tijdelijk gevorderd geweest door de Duitsers. De achterblijvende monniken hebben in Egmond-Binnen onderdak verleend aan Italianen en moesten uiteindelijk zelf ook vluchten. Vanuit aangrijpende verhalen uit het persoonlijke dagboek van een broeder wordt nu voor het eerst het verhaal uit de oorlogstijd verteld en met foto’s getoond. De meeste foto’s zijn gemaakt door Pater Nieuwenhuys.

Een van de fragmenten uit het oorlogsdagboek van de broeder:
“Na enige tijd begon men in het dorp te schieten, mensen schreeuwden en renden voorbij St. Jozef. Toen dit in hevigheid toenam besloot broeder Gerlach eens naar beneden te gaan en te vragen wat men van de toestand dacht. Beneden was alles weg en de deur op slot. Aan de voorkant stonden twee soldaten met het geweer in de aanslag maar met de ruggen naar ons huis. Broeder Gerlach stormde naar boven, greep zijn horloge en vulpen en verstopte de kroniek, ging door de achterdeur richting Doelen. Nu was hij daar in die vier jaar Egmond nog nooit geweest. Mensen stonden buiten en vroegen wat er in het dorp aan de hand was. Hij vroeg een damesfiets, doch kon op het einde van de Doelen niet verder door de tankval. Bij het laatste huisje riep men hem binnen. Het bleek de familie Tervoort te zijn. Nauwelijks zat hij daar of twee jongens van de familie Baart kwamen langs de ligusterheg geslopen en namen hem mee. In minder dan tijd was de tuniek uit en deze ging in een bietenmand met bieten erop. Bertus leende zijn pak en toen in de schuilkelder. De hond moest naar de zolder, want anders gaf deze de plaats van de schuilkelder aan.”
Vanaf 10 april 2024 kunt u in het museum bij de winkel van de Abdij van Egmond de expositie bezoeken van dinsdag tot en met zaterdag van 11:00 uur tot 16:30 uur.

Preek 5 mei 2024

Afgelopen zondag lazen we in het evangelie de gelijkenis van de wijnstok: Jezus de ware wijnstok, wij, zijn volgelingen, de ranken. Vandaag het vervolg van deze gelijkenis.

Jezus is de wijnstok, wij zijn de ranken. Als we vrucht willen dragen, zullen we vast moeten houden aan de wijnstok. Gescheiden van de wijnstok verkwijnen de ranken. Los van de wijnstok, los van Jezus, kunnen wij, de ranken, niets doen. Verbonden met Hem dragen zij vrucht. Alles is genade. Daarom: “Blijf in mij, drukt Jezus zijn volgelingen op het hart… en je zult veel vrucht dragen.” Wat heeft ons dat vandaag te zeggen?

Wat is dat: in Christus blijven? Jezus maakte in het evangelie van afgelopen zondag duidelijk dat in Hem blijven hetzelfde betekent als in zijn woorden blijven, en dat heeft dan weer te maken met het onderhouden van zijn geboden. Wat is dit concreet?  Jezus zegt het vandaag in het evangelie: “Dit is mijn gebod (mijn belangrijkste gebod, het gebod dat alle andere geboden samenvat en omvat): dat jullie elkaar liefhebben zoals ik jullie heb liefgehad. En onmiddellijk voegt Hij eraan toe dat er geen grotere liefde is dan zijn leven te geven voor zijn vrienden. Door te sterven voor zijn vrienden, geeft een mens alles wat hij heeft en alles wat men van hem kan verwachten en hopen. Mensen die hun leven opofferen geven een bewijs van liefde tot het einde toe. Dat spreekt ons, zeker deze dagen, wel aan. Dat is ook wat Jezus deed voor ons, en zijn liefde is daarom hèt grote voorbeeld voor ons. Geloofsgetuigen, martelaren, alle eeuwen door zijn Hem gevolgd. Behalve om religieuze redenen kunnen mensen ook andere motieven hebben die hen aanzetten hun leven in de waagschaal te stellen: de liefde voor hun dierbaren, voor het land, voor de vrijheid. Denk aan de vrijheidsstrijders nu op zoveel plaatsen in onze wereld, die zich verzetten tegen indringers, tegen mensen die hun vrijheid en hun goed bedreigen.

Vandaag op deze 5 meidag is er alle reden om ons te bezinnen, en te beseffen dat we onze vrede, onze vrijheid en onze welvaart te danken hebben aan wie zich daarvoor hebben ingezet en geofferd. Die vrijheid is heel veel waard. Maar onze diepste en uiteindelijke vrede kunnen we alleen maar verwachten van onze Heiland. En Hij roept ons zijn voorbeeld te volgen. Zoals Hij zijn leven gaf voor zijn broeders, zo moet de liefde van zijn leerlingen, zijn volgelingen, discipelen, zo ver gaan dat ze indien nodig hun eigen leven opofferen door voor hun broeders en zusters te sterven. Dat is ons geloof. Zo toonde en leerde de Heer ons de maatstaf en wijze van christelijke liefde.

Jezus legt er bij zijn discipelen nadrukkelijk de nadruk op dat zij actieve liefde voor hun broeders aan de dag moeten leggen. “Dit is mijn gebod.” Hij zegt niet mijn advies, mijn wens, maar mijn gebod. En dan zul je ook mijn vrienden zijn, als je doet wat Ik je gebied, als je dit gebod van broederlijke liefde in acht neemt. Een mens onthult zijn meest intieme gedachten enkel aan intieme vrienden. Voor een dienaar is het strikt genomen voldoende dat hij de bevelen van zijn meester uitvoert zonder het doel of de ware betekenis ervan te kennen. De dienaar is niet noodzakelijkerwijs op de hoogte van de intenties van de meester. Maar aan zijn apostelen maakte Jezus alles bekend wat hij van zijn Vader had gehoord: ‘Ik noem jullie niet langer dienaren,’ zegt Hij tegen hen, ‘want de dienaar weet niet wat de meester wil. Nu noem ik jullie mijn vrienden. Alles wat ik van mijn Vader heb geleerd, heb ik u bekendgemaakt.’

Jezus sprak met zijn apostelen over zijn goddelijk zoon schap; Hij openbaarde hun de Vader en het intieme liefdesleven tussen Hem, de Zoon en de Vader. Er zijn geen geheimen meer tussen Jezus en zijn discipelen, net zoals de meest intieme vrienden geen geheimen onderling hebben. Het is ook waar dat Jezus hen nog veel dingen te zeggen heeft die zij nog niet kunnen verdragen. Maar dit zijn geen nieuwe geheimen die hij tot nu toe voor hen verborgen zou hebben gehouden. Zij zullen de Heilige Geest, de Parakleet, de trooster ontvangen. Hij zal hen herinneren aan alles wat Jezus hen vertelde. Net als Jezus zal de Heilige Geest tot hen spreken over de Vader, maar zijn onderwijs zal niet anders zijn dan wat Jezus hen leerde. Hij zal niets aan het Evangelie toevoegen, maar de boodschap verdiepen.

“jullie zijn mijn vrienden…Maar jij bent het niet die mij (als vriend) hebt gekozen, maar ik ben het die jou heeft gekozen”. De vriendschap tussen Jezus en zijn volgelingen is niet te vergelijken met gewone menselijke vriendschap, vriendschap tussen gelijken, op basis van wederzijdse genegenheid. Hier ligt het initiatief bij Jezus. In de tweede lezing van deze zondag wordt ons door Sint-Jan hetzelfde verteld: “Niet wij hebben God liefgehad; Hij was het die ons liefhad” Het initiatief ligt bij Hem. Hieraan herkennen we de ware liefde: zij gaat vooraf aan de liefde van de ander. Laten wij ook onder elkaar dezelfde attente liefde hebben. Laten we als eerste beminnen. Laten we niet wachten tot de liefde van de ander zich eerst manifesteert: “Dit is wat ik van jullie vraag: elkaar liefhebben.

Dierbare zusters en broeders, hoe urgent, hoe actueel is deze boodschap. Nog nooit heeft de mensheid over zoveel mogelijkheden beschikt. Wetenschap en techniek hebben een niveau bereikt dat armoede en honger zou kunnen uitbannen, dat veel ziekten en kwalen de baas zou kunnen. Helaas wordt dit potentieel voornamelijk aangewend om vernietigingswapens te produceren, om atoomvrije bunkers te bouwen, helaas worden we beheerst door angst, argwaan, vijandschap en haat. Onze politieke leiders spreken serieuze taal. Zij roepen op tot waakzaamheid, tot bewapening. Er zou toch veel meer moeten worden gezocht naar toenadering, naar wegen die naar vrede leiden.

Maar al lijkt de situatie hopeloos, er is geen reden tot wanhoop. God heeft ons 200 jaar geleden in Bethlehem zijn Zoon toevertrouwd in de weerloosheid van een kind, en op Calvarië heeft die Zoon, door zijn liefde en weerloosheid alle kwade machten weten te overwinnen. De Verrezen Heer heeft na Pasen zijn Geest over zijn leerlingen uitgestort en van bangeriken geloofshelden gemaakt. Laten wij bidden om een nieuw Pinkstervuur, nieuwe begeestering, dat de Heer ons zegent met zijn Heilige Geest en voor alle onheil bewaart.

Dierbare zusters en brs., Vanmorgen kwam V. abt Thijs mij vragen om vandaag mijn woordje een beetje langer te maken!

Alle Oosterse Christenen vieren vandaag nl. Pasen. Soms valt hun Paasdatum samen met die van ons, dit jaar ligt er bijna 40 dagen tussen. Maar terwijl wij Pasen konden vieren in vrijheid en betrekkelijke welvaart, toch voor de meesten, al zijn ook hier veel mensen die het moeilijk hebben, in veel gebieden waar onze Oosterse zusters en broeders leven is de situatie erger dan het hier was in de WW II. Met name in het Noorden van Ethiopië, in Tigray is de situatie vreselijk, onmenselijk. De bevolking van 8 miljoen meest Orthodoxe Ethiopiërs wordt daar uitgehongerd en vernietigd. Het is een vergeten gebied. En het is een gebied met een cultureel zeer rijk verleden van duizenden jaren, en ook met een zeer oude monastieke traditie vanaf de 4e eeuw. In het ontoegankelijk gebergte zijn tal van kerken en kloosters die tot nu toe bewoond zijn en waar monniken zich toeleggen op smeed- en schrijfkunst. Dat alles gaat nu verloren.

Wij proberen de mensen daar te steunen, en abt Thijs vroeg mij de collecte bijzonder aan te bevelen. De abdij zal niet nalaten zelf ook een duit in het zakje te doen.

Bij voorbaat heel veel dank.

br. Gerard Mathijsen osb

Zondag 6 na Pasen B

Hand. 10,25-26+34=35+44-48; 1 Joh. 4, 7-10; Joh. 15, 9-17.

Nieuwsbrief

Schrijf u vrijblijvend in en blijf op de hoogte van de activiteiten van Abdij van Egmond.

We respecteren uw privacy. Sint-adelbertabdij zal uw e-mailadres nooit delen met derden.
© 2024, Abdij van Egmond Algemene voorwaarden