Nieuws

Preek 25 februari 2024

Vorige week zijn wij de veertigdagentijd begonnen in de woestijn. Dat is in de Schrift geen paradijselijke plek, maar een oord van beproeving en van onderscheiding. Wij zagen er Jezus een soort retraite doormaken na zijn doop in de Jordaan. Een veertigdaagse vooraleer zijn publieke optreden te beginnen.

Vandaag betreden wij heel ander terrein. Liefst tweemaal worden wij een berg opgeleid. Wij gaan de hoogte op, wij hebben een hele klim te maken. Eenmaal met Abraham en eenmaal met Jezus. Tweemaal de berg op, maar wat een verschil. De eerste keer is het een klim in het duister, terwijl de tweede baadt in licht. We herkennen dat vermoedelijk. Soms zie je tegen het leven op als tegen een berg en is het een zware en moeizame klim, en soms loop je met het hoofd in de wolken en beklim je de berg van je dromen met een groots vergezicht.

Onze reis begint vandaag met de zware klim van Abraham. Het heeft hem in zijn leven niet meegezeten. Hij heeft ooit alles achter zich gelaten, door een innerlijke stem geraakt die hem een gezegende toekomst beloofde. Maar het is anders gelopen dan verwacht. En de zoon der belofte heeft lang, al te lang op zich laten wachten. En nu is er opnieuw die innerlijke stem. Abraham krijgt te horen dat hij de jongen moet offeren op de berg. Dat woord is kruisigend , onbegrijpelijk ook voor hem, en hoe zal hij dat kunnen? Het snijdt door zijn hart. Wie vraagt  zo iets? Zo iets kan God toch niet vragen? Hij is toch een God van levenden en hij wil toch niet de dood van zijn zoon? Wat blijft er dan nog over van die belofte? Wat moeten wij met dat verhaal, wat moeten wij met zo’n God?

Het wordt een zware klim en onderweg wordt er vrijwel niets gezegd. Wat valt er trouwens te zeggen? Abraham gaat, maar hij begrijpt het niet en hij hoopt tegen alle hoop in. Hij heeft het na de geboorte van Isaak allemaal voor zich gezien. Toen het kind er eindelijk was, wist hij dat de toekomst veilig was gesteld. God doet zijn woord gestand. Kinderen komen van God, zij zijn niet ons eigendom. Ook Abraham heeft hem gekregen en nog wel in zijn ouderdom, een Gods geschenk. En nu, nu moet hij hem offeren. Maar daarboven op de berg, op het kritieke moment, is er opnieuw de stem en die bevrijdt hem van een dodelijke last. Het kind van de belofte wordt van zijn banden ontdaan. God bevrijdt de jongen uit de hand van Abraham, Isaac zal zijn eigen weg gaan. Als kind van de belofte, maar niet zoals Abraham het had gedroomd of gedacht.  Die weg van Abraham, brs en zrs, is de onze. Daarom ook heet hij vader van alle gelovigen. In zijn weg van vallen en opstaan, van ongeduld en wachten, zien wij onze weg. In een wereld waarin wij alles menen te kunnen maken en regelen, op onze tijd en onze wijze, dienen wij te leren los te laten om God geschiedenis te laten schrijven met het leven, met mensen die ons zijn toevertrouwd. Dat is een hele weg, het is ook een lang innerlijk gesprek.

En dan die andere berg, waar alles baadt in licht. Hier is het niet de vader die de berg opgaat en die moet leren loslaten, hier zien wij de zoon van de belofte de berg opgaan. Hij gaat niet met een zware tred. Hier gaat iemand de berg op die zijn roeping, zijn bestemming heeft aanvaard, er ja op heeft gezegd op grond van een overrompelende ervaring bij de doop. Hier geen worsteling maar een opgenomen zijn in het licht.  Wij zien hoe Jezus de drie uitverkoren leerlingen meeneemt de berg op om hen een blik te gunnen op zijn ware gestalte. Zij gaan er de berg voor op, weg uit de drukte van het alledaags bestaan. Deze intimiteit verdraagt geen afleiding en entertainment.  En daar op de berg werd Jezus voor hun ogen van gedaante veranderd, hij onderging een metamorfose staat er in het Grieks. Die metamorfose is voor de leerlingen bestemd, zoals ook Elia en Mozes er voor hen zijn. Heel dit gebeuren is niet om Jezus, maar om de leerlingen binnen te leiden in het geheim van Jezus’ persoon en hen te bemoedigen voor de weg die hun te wachten staat. Hoe donker de weg van Jezus ook zal worden, hoe geschonden zijn aangezicht straks ook zal zijn, Jezus gaat die weg vrij en in overgave aan de Vader om het licht van Gods liefde te laten zegevieren, tot in de dood.  Zoals Abraham zijn droom omtrent de toekomst moest loslaten, vertrouwend op Gods woord, zo zullen de leerlingen en wij met hen ons in de nacht mogen vastklampen aan de schittering op de berg. Zij zien Jezus’ aardse gestalte helemaal opgaan in de schittering van het onvergankelijke licht. Licht uit Licht.

En bij de straling voegt zich het woord vanuit de wolk.  De schittering wordt gezien maar verbergt tegelijk het onzienlijke van Jezus’ persoon. Maar het woord maakt deelgenoot van wat niet gezien wordt. ‘Dit is mijn Zoon, de welbeminde, luistert naar hem’.   Dat woord had Jezus bij zijn doop gehoord, nu wordt het aan de drie leerlingen toevertrouwd. Wie naar Jezus luistert, hoort het woord van de Vader. En zo worden wij door Jezus binnengeleid in ons eigen zoon en dochter zijn van de Vader, in de bron van ons bestaan.

Ze hadden het visioen willen vasthouden en Petrus stelde voor drie tenten te bouwen, maar het leven laat zich niet vasthouden, de realiteit van alle dag herneemt zijn loop. Het visioen is verdwenen, maar het woord blijft in hun oren klinken: ‘luistert naar hem’. Luisteren, nog niet spreken en verder vertellen, want er is nog een hele weg te gaan vooraleer het licht van Pasen alles zal verlichten.

Wij vervolgen onze weg samen met de leerlingen, met de pelgrimsweg in het hart en met  de bemoediging ons op de berg geschonken. Wij volgen met de leerlingen  Jezus op zijn weg, waarop hij ons zal laten zien wat ware liefde en ware vrijheid is, en wij voegen ons in het spoor van Abraham, vader van alle gelovigen, om door alle ervaringen van loslaten en sterven heen deel te krijgen aan de volheid van Gods belofte, het leven in het klare Licht. AMEN

Abt Thijs Ketelaars

B40d2 Gen 22; Rom 8; Mc 9,2-10

Preek 18 februari 2024

Afgelopen woensdag zijn wij de 40-dagentijd begonnen. 

In een abdij is dat een sterke tijd, die je samen beleeft. Veel gelovigen staan er alleen voor, zeker als kerkgebouwen  sluiten en je de vertrouwde omgeving van het parochieverband mist. Dat is misschien een stukje woestijnervaring delen met de Heer die door de Geest naar de woestijn gedreven werd. Hij is naar ons toegekomen in onze verlorenheid en afgedaald in onze diepte, zoals we hoorden in de tweede lezing bij Paulus, om verbinding te brengen. Het geloof brengt mensen samen, maakt ervan bewust dat wij bij elkaar horen en tot Godsvolk zijn gemaakt. Een kerkgebouw beeldt dat uit. Het is niet alleen `zomaar een dak boven wat hoofden’, de toren wijst naar omhoog en het gebouw is er om ruimte en bescherming te bieden aan de gemeenschap. 

Kort geleden werd in de krant geschreven over de klokken van de Westertoren in Amsterdam. Tijdens de restauratie van de toren waren de klokken lange tijd stil. Dat was voor iemand die er blijkbaar last van had dat de klok ook ’s nachts de uren sloeg, aanleiding om een actie te starten om ook in de toekomst ’s nachts niet meer te luiden, zodat hij of zij rustig kon  blijven slapen. Het leverde een storm van protest op. In een grote stad is altijd geluid en voor veel mensen waren die klokken juist heel dierbaar. Sommigen werden juist wakker omdat de klok niet sloeg op het gewone uur. Kerk en samenleving. Is de kerk verbindend? Hebben wij haar nodig of is zij overbodig? De monniken van de byzantijnse ritus kennen net als wij, het gebruik van kerkklokken, en maken er bij grote feesten uitbundig gebruik van. Voor de aankondiging van gewone gebedsdiensten gebruiken zij het simandron, een houten of metalen plaat waarop met een hamer ritmisch wordt geklopt. Dat symboliseert de oproep van Noach die de dieren bijeenbrengt in de ark van het behoud. De kerk is die ark, die allen samen brengt om ons te sparen voor de zondvloed, en veilig koers zet naar het land van belofte waar God redding brengt en zijn vredeboog gespannen heeft, waar Jezus, die zetelt aan Gods rechterhand ons wacht. 

Kerkzijn betekent: Samen luisteren, samen bidden, samen zingen, samen vieren, je samen engageren voor vrede en gerechtigheid. Goed om dat deze 40 dagen te overwegen. 

De samenkomst als kerkgemeenschap is belangrijk. Wij kunnen daarover veel leren van onze broeders en zusters uit de Oosterse traditie die op zondag samen komen om God te eren, maar ook om die gemeenschap te beleven, met elkaar uit te wisselen, te delen. De kerkgebouwen van de Oosterse christenen hebben ook ruimte om ontspannen samen te zijn, om te leren, om in parochieverband actief te zijn op allerlei gebied. En daarnaast is er veel meer dan bij ons, de traditie van het vasten bewaard als een serieuze voorbereiding op de grote kerkelijke vieringen. Jezus zelf heeft het voorbeeld gegeven van samen optrekken, maar ook de waarde laten zien van een tijd van retraite. 

Gedurende heel zijn openbare leven, waarin Hij weldoende rondging, velen genas, en voor iedereen woorden van opbeuring en troost sprak, werd  Jezus omringd door zijn leerlingen en een menigte die Hem volgde, en tegelijk omringd door onbegrip, door toenemende vijandschap en haat. Rondom Hem  werd het net dichtgetrokken, met de bekende dramatische afloop. En Jezus wist dit vanaf het begin. 

Nadat Johannes Hem gedoopt had in de Jordaan, zo schrijft het Evangelie, dreef de Geest Jezus naar de woestijn.  Veertig dagen bracht Hij daar door, terwijl Hij door de satan op de proef werd gesteld. Die periode was zeker geen vakantie, geen weldoende rust, zoals gasten die zich  enkele dagen terugtrekken in een abdij. Het was een snoeiharde woestijnervaring, Hij was zonder gezelschap van mensen, maar werd beproefd en belaagd  door de satan in persoon, de boze, listige doodsvijand. Die had in het paradijs weinig moeite met het eerste mensenpaar te bedriegen, maar Jezus weerstond hem, 40 dagen lang. Een bittere strijd, zoals Hij die nog eenmaal zou moeten voeren in de laatste nacht van zijn leven, in Getsemane, waar zijn ziel dodelijk bedroefd was en Hij de Vader smeekte of de kelk niet aan Hem voorbij mocht gaan: “maar niet zoals Ik wil, maar zoals Gij wilt.” Marcus schrijft hoe nu, als Jezus de satan heeft weerstaan, engelen komen en Hem hun diensten bewijzen. Ook staat er dat Hij verbleef met de wilde dieren, wat wel wil duiden op het herstel van de paradijssituatie van volmaakte vrede en harmonie. In de geschiedenis van het monnikendom is die vriendschap met de dieren een constante. Deze Godzoekers straalden zoveel vrede uit dat de dieren daarvoor gevoelig waren, wat zorgde voor paradijselijke taferelen. In de levens van de heiligen vinden wij verhalen over vriendschap met een leeuw, een beer, met slangen, of denk aan Franciscus en de wolf van Gubbio..  

De overwinning van Jezus in de woestijn, deze vrede met het dierenrijk en de harmonie  met de hemelmachten, afspiegeling van een innerlijke harmonie met onze menselijke hartstochten, is in de wereld vandaag nog allerminst gerealiseerd. Nu niet en ten tijde van Jezus’ leven ook niet. Dat bleek wel uit de gevangenneming van Johannes. Jezus kondigt de nabijheid aan van het Rijk Gods, en in zijn Persoon was dat ook aanwezig, maar het wordt pas realiteit onder de mensen, onder ons, als wij ons daarvoor open stellen, en de beproeving hebben doorstaan. Daarom luidde zijn boodschap, en die klinkt tot vandaag: “bekeert u, en gelooft in de blijde boodschap.” Of juister vertaalt: vertrouwt op het goede nieuws. 

Het vertrouwen op Gods solidariteit met ons geeft ons moed om ons te blijven inzetten, zowel in ons alleen zijn als verbonden met elkaar, en te blijven hopen op een wereld waarin mensen elkaar tot steun zijn, waarin de vijandschap en de wreedheid het afleggen tegen de solidariteit van de kinderen Gods. Daartoe sterke onze deze viering.

br. Gerard Mathijsen osb

Zondag 18 februari 2024 eerste zondag veertigdagentijd 

Genesis 9, 8-15; 1 Petr. 3, 18-22; Mc. 1, 12-15. 

 

Preek Aswoensdag 2024

Wij staan aan het begin van de veertigdagentijd, de opgang naar Pasen. Onze vader Benedictus heeft een apart hoofdstuk gewijd aan die periode. Dat is opvallend, want dat doet hij niet voor andere liturgische tijden zoals advent of paastijd. Hoeveel belang hij wel niet hecht aan die veertigdagentijd  blijkt uit zijn opmerking dat het leven van de monnik eigenlijk altijd moet zijn als in de vasten.[1] Is dat niet teveel van het goede? Ja, en dat heeft vader Benedictus zelf al in de gaten, want hij voegt heel nuchter aan zijn eerdere opmerking toe, dat maar weinigen zoveel deugd bezitten [2]om dat vol te houden. Veertig dagen woestijn, het is geen sinecure, het is afzien. En in onze christelijke en ook monastieke traditie heeft dat afzien gaandeweg de kleur en toon bepaald van de spirituele reis in die veertig dagen. Boete doen en ontzegging werd het grote thema. Maar wie zo aan een reis begint, krijgt meer obstakels dan gewenst op de weg. Daar is weinig te merken van de vreugde van de Geest[3] waarover Benedictus spreekt als onmisbaar element van de tocht. En een regel verder scherpt hij het nog aan en horen wij hem zeggen ‘met de vreugde van het verlangen, dat uit de Geest is, uitzien naar het heilig Paasfeest’.[4] Dat is heel andere praat dan een somber gezicht en in zak en as neerzitten.

Wat mogen wij daarvan leren? Misschien dit: waar wij het doel verwisselen met de middelen, daar wordt het leven een last in plaats van lust. Wil je kampioen worden op de 400 meter horden, dan moet je bij je training het doel voor ogen houden en niet de vele oefeningen en baantjes om de race met succes uit te lopen. Het doel van de tocht door de woestijn is het beloofde land van melk en honing, de vrijheid van de kinderen Gods door niets en niemand geknecht, ook door de dood niet. Zicht op dat voorland,  geeft moed en kracht om de tocht niet alleen te beginnen, maar ook vol te houden als er zware stukken zijn. Je weet waar je het voor doet, dat koninkrijk waar alle tranen worden afgewist en geen mensenkind verloren loopt.

Hoe dan de tocht te gaan dit jaar? Allereerst door het kompas gericht te houden op de Geest zoals vader Benedictus ons aanraadt. Maar hoe doe je dat afstemmen op de Geest? Daarvoor geeft paus Franciscus in zijn boodschap voor de veertigdagentijd een kostbaar advies. Paus Franciscus is een man van actie, ‘het is tijd om te handelen’, schrijft hij in zijn brief. Maar dan voegt hij eraan toe “In de veertigdagentijd betekent dit ook even halt houden.” En hij gaat dan als volgt verder: “ We staan stil in gebed om het woord van God te ontvangen en, net als de Samaritaan blijven we ook stilstaan bij een gewonde broeder of zuster. …. Vertraag dus en neem een pauze! De contemplatieve dimensie van het leven, die de veertigdagentijd ons helpt herontdekken, zal nieuwe energieën  vrijmaken.” Tot zover de Paus.

Het gaat erom ons leven, onze levensreis te herijken aan het evangelie, en dat is maar mogelijk als we in de hectiek van het hedendaagse bestaan aandacht hebben voor God en voor elkaar. En waar er geen stilte of pauze meer is, daar lopen we niet alleen aan God en de mensen voorbij, maar komen we ook zelf om in een woestijn van eenzaamheid. Maar als we stil houden en luisteren naar het waaien van de Geest kan er een nieuwe gevoeligheid ontstaan voor het antwoord op de vraag: “waartoe zijn wij op aarde, wie ben ik en wie is mijn broeder en zuster? Dan krijgen ook de klassieke vastenpraktijken een nieuwe betekenis: vasten, aalmoezen geven en gebed samen met een geest van waakzaamheid, zij vormen de drieslag van ons menselijk bestaan: ‘vasten gaat over de juiste omgang met jezelf, aalmoezen gaat over onze relatie tot de naaste en bidden over de relatie tot God. Alle drie hebben in onze dagen te lijden onder stress en drukte en daarmee verkeert heel onze samenleving in een crisis. Die lossen wij niet op met harder te werken of nog harder te lopen of te consumeren. Dat zal ons het beloofde land niet nader brengen. Maar nemen wij in deze veertigdagentijd de pauzetijd in acht om te onderscheiden wat er toe doet, en hoe wij samen elkaar kunnen dragen en dienen  op die tocht door de woestijn in de hoop en het vertrouwen dat de woestijn van onze wereld zal veranderen in bronnenland waar op Paasmorgen de jubel en de lofzang niet verstomt.

Voor U in deemoed, met U in geloof, in U in stilte. AMEN.

Abt Thijs Ketelaars

[1] RB 49.1

[2] RB 49.2

[3] RB 49.6

[4] RB 49.7

20240214 Aswoensdag

 

Preek 11 februari 2024

We zijn in de afgelopen weken nog maar nauwelijks begonnen met het lezen van het evangelie van Marcus in de zondagsliturgie, of er komt alweer een voorlopig eind aan. Dat is natuurlijk spijtig, want wij waren juist aan het wennen aan de verteltrant van Marcus en nu worden we weer een ander pad op gestuurd. Volgende week beginnen wij met de veertigdagentijd onze opgang naar Pasen, en die heeft zijn eigen leesschema. Maar voor het zover is, werd ons vandaag nog het slot van het eerste hoofdstuk van Marcus voorgelezen.

Het evangelie van Marcus is vermoedelijk het oudste van de vier evangelies die ons in de Schrift zijn overgeleverd. Het is ook het kortste en wij mensen van de 21e eeuw met drukke agenda’s en een samenleving die almaar sneller lijk te lopen, zijn bij Marcus dus aan het goede adres. Hij is niet alleen kort en bondig, maar het gaat bij hem ook allemaal op stel en sprong. Het woordje ‘terstond’ ‘meteen’ onmiddellijk’ is een stopwoord in zijn tekst. Is het een teken van ongeduld bij de evangelist of laat dat woord iets proeven van het onverwachte en verrassende dat Marcus steeds weer aan het licht ziet komen in het optreden van Jezus?

In dat eerste hoofdstuk waarvan wij vandaag het slot hoorden is het een gaan en komen van Jezus. Het begon in de woestijn, daarna zagen wij hem rondtrekken en leerlingen roepen in Galilea. Vervolgens kerkte hij in de synagoge te Kafarnaüm en ging na afloop bij Simon buurten en dan eindigt het vandaag op een weinig bepaalde plaats. Er wordt geen naam genoemd en dat zal niet zonder reden zijn, want melaatsen mochten zich niet in de bebouwde kom ophouden vanwege besmettingsgevaar.  Vermoedelijk heeft Jezus hem dus ontmoet bij een van zijn tochten buiten de bewoonde wereld. Wat zegt ons dat alles over Jezus?  Minstens dit: dat hij geen wereldvreemde persoon was, en ook niet iemand die het menselijk verkeer ontliep. Integendeel, hij was overal te vinden waar zich mensen ophouden, hij deelde het menselijk bestaan en geen plek of plaats was hem te min om mensen nabij te zijn, hun lief en leed te delen. Het was ook geen man die zich beperkte tot bepaalde kringen.  Hij schaamde zich voor niemand, en hij ontweek niemand. Soms nam hij zelf het initiatief om mensen op te zoeken, soms liet hij zich uitnodigen of zag hij mensen naar zich toekomen. Hoe dan ook, hij had tijd en oog voor iedereen, hooggeplaatsten en randfiguren, gezonden en zieken. Dat lijkt niet erg schokkend of nieuwswaardig, je zou er het etiket alledaags op kunnen plakken, ware het niet dat wij allen uit ervaring weten hoe moeilijk het ons valt om aandacht en zorg te hebben voor om het even wie. Onze tijd schijnt een vetleren medaille te krijgen voor het plakken van etiketten en het ontlopen of weigeren van mensen. Deze mankeert dit of dat, is niet links genoeg of is te conservatief, heeft een lastig karakter of de verkeerde huidskleur of seksuele geaardheid. De lijst kent geen einde en de onherbergzaamheid van onze samenleving groeit daarmee met de dag. Nee, zeg nu niet dat Jezus’ gedrag zo alledaags was.  Of toch, hij zag allen als kinderen van God die het verdienden gezien te worden, bemind te worden, opgeraapt te worden en een welkom te krijgen. Ons is die maat niet vertrouwd, wij hebben nog een hele weg te gaan om de deur van ons hart en huis open te zetten zoals Jezus heeft gedaan.

En vandaag vormt het slot van hoofdstuk één de climax van die welwillende blik en dat begaan zijn met mensen. Vandaag horen we hoe een melaatse zijn pad kruist en op hem toestapt. De daad van die man getuigt van  moed en hoop. Want als melaatse had hij niets te zoeken in de kring van de gezonde mensen, hij mocht stad of dorp eigenlijk niet eens in.  Buitengesloten,  sociaal als ook religieus. Onrein. Hij mocht ook de synagoge niet in. De kerk was voor hem verboden gebied, besmettelijk als hij was. Wij verstaan dat sinds covid onder ons huishield misschien weer. Je brengt het leven van anderen in gevaar als je je niet aan de voorschriften houdt.

Wat de melaatse doet, getuigt van hoop en geloof. Zijn stap getuigt van zijn verlangen niet als een levend dode zijn dagen te moeten doorbrengen. Afgesloten van anderen, buitengesloten. Zo kan en wil hij niet verder.  En de naam van Jezus is doorgedrongen tot in zijn geschonden bestaan. En hij waagt het hem te benaderen ‘Als gij wilt, kunt gij mij reinigen’. Dat is geen directe vraag maar eerder een vertrouwensuitspraak. ‘Jij zou het kunnen’.  Ik verlaat mij op jou. En het raakt Jezus tot in zijn ziel, ja tot in zijn ingewanden. Hij is ervan ondersteboven, want het doet een appel op zijn roeping: waartoe ben ik op aarde, wat is mijn zending? Hoe de liefde die de Vader voor mij heeft hier te delen om leven te geven aan deze man die levend dood is? Kan ik dat, mag ik dat, wil ik dat?  En wat zijn dan de gevolgen voor Jezus zelf? Maar hij is innerlijk zo geraakt, hij kan de ogen niet sluiten voor het leed van deze mens, een Gods kind zoals hijzelf, maar één dat zwaar geschonden is. En Jezus doet dan , want Franciscus van Assisi later van hem overneemt.  Hij omarmt hem, en met zijn woord bevrijdt hij hem uit zijn isolement, wekt hem tot leven en geeft  hem zijn waardigheid en plaats binnen Gods gemeenschap terug. Zo gaat God met ons om in Jezus.

Als kerk worden wij vandaag  geroepen en aangesproken door Jezus. Wij mogen ons in al onze gebrokenheid en met al onze kwetsuren aangeraakt en bemind weten door hem. Geheeld en geheiligd als kind van God.  Maar wij worden als kerk ook geroepen om op grond van die liefde te doen wat hij ons heeft voorgedaan: niet buitensluiten, maar omarmen, helen en opnemen en samen aan de tafel van het leven God zegenen dat Hij met ons een weg ten leven gaat. AMEN.

Abt Thijs Ketelaars

Bdhj6 2024 Mc 1,40-45

Preek 4 februari 2024

Broeders en zusters, Wij vervolgen gedurende deze eerste weken van het kerkelijk jaar de lezing van het evangelie van Marcus, dat het eerste optreden van Jezus als het ware van dag tot dag, bijna van uur tot uur beschrijft. Wij geloven in Gods menswording. Stap voor stap komt Hij aanwezig in ons gewone, alledaagse leven, en maakt dat buitengewoon. Hij komt naar ons toe om ons op te richten, te genezen en te bemoedigen.

In de pericope van vandaag wordt verteld dat Jezus samen met zijn nieuw verworven discipelen op sabbat de synagoge heeft bezocht. Gewoner kan het niet, zou je denken. Hij heeft ze op de dag des Heren meegenomen naar de kerk. Helaas gaat die gewoonte om de wekelijkse rustdag te beginnen met kerkbezoek in ons land en in West Europa verloren. U houdt eraan vast, ik feliciteer u daarmee. Een vriend van mij die priester is in Bangladesh schreef dat de katholieken daar begin februari een noveen bidden tot Antonius van Padua die eindigt met een groot feest. Elke dag is er dan ’s morgens om 6.30 u en ’s middags om 16 u. een viering en dagelijks komen daar 8000 à 9000 mensen naar toe. Dat zal hier niet zo vlug gebeuren. We zijn geseculariseerd, geëmancipeerd. Dat is op sommige punten een vooruitgang. Maar toch mogen wij ons ook wel afvragen of we door die seculariserende beweging gelukkiger zijn geworden? Niet dat we zouden moeten terugkeren naar vroeger. Maar het is toch goed te beseffen dat ons leven rijker is dan dat we het enkel maar tijdelijk goed hebben. We leven voor elkaar, we leven voor de eeuwigheid. Wij mogen Gods nabijheid in ons leven als een welkdaad dankbaar aannemen, en daarin troost vinden in moeilijkheden. Jezus is gekomen om die band tussen hemel en aarde zichtbaar te maken en voor ons beleefbaar. In de synagoge, we hoorden het de vorige week, bracht Jezus iedereen in verbazing  door op spectaculaire wijze een bezetene te bevrijden van een onreine geest. De mensen hebben het erover, maar Jezus wil niet in het centrum staan; Hij trekt zich met zijn leerlingen terug in de woning van Simon. Na de viering is er daar koffie, om het maar zo voor te stellen. De Heer gaat bij de familie van Simon op de koffie. Blijkbaar heeft Simon zijn schoonmoeder op bezoek. Misschien woonde zij bij hem in, of misschien woonde Simon met zijn vrouw bij die schoonmoeder in. Dat blijven open vragen. Die schoonmoeder ligt ziek te bed. Eigenlijk komt het dus niet zo goed uit dat daar nu een hele groep mannen komt binnenvallen! Hoe gaat Jezus met deze situatie om? Hij gaat naar de zieke toe, pakt haar bij de hand, zeker heel bijzonder in die tijd: een rabbi raakte geen dames aan, en “deed haar opstaan”. Dat is wat Jezus doet: Hij doet mensen opstaan, Hij zet een mens op zijn of haar voeten, Hij doet ons verrijzen. De schoonmoeder van Petrus komt overeind, zij voelt zich herboren. Het contact met Jezus is voor de vrouw weldadig. Misschien was zij wel ziek van het besluit van haar schoonzoon Simon om de visserij op te geven en zich bij Jezus aan te sluiten. Want hoe moest het nu in huize Petrus? Wie zorgde voor zijn vrouw, haar dochter? Maar aangeraakt door Jezus verandert haar mening, en zij krijgt vertrouwen in de situatie. Zij staat op en bedient hen. Er heerst weer vrede in het huis. Dit gebeurt in het huis van Simon, maar we kunnen ons voorstellen hoe snel zo’n gerucht zich verspreid heeft. Het gonst in Capharnaum, en als tegen de avond de sabbatsrust niet meer gehouden hoeft te worden komt alles in beweging en brengt men alle zieken en bezetenen voor de woning waar Jezus verblijft. Blijkbaar ging er heel wat leed schuil achter de pittoreske woningen van het vissersplaats. `Jezus genas velen die aan allerhande ziekten leden en dreef tal van geesten uit’. Daar broeide heel wat kwaad, veel ellende. Jezus maakt er korte metten mee.

En de evangelist openbaart ons ook de krachtbron van zijn optreden. Hij put zijn kracht uit het verborgen gebed. Nog diep in de nacht gaat Hij naar buiten en zoekt een plaats waar Hij alleen is met zijn hemelse Vader. Dat stille nachtelijke gebed is zijn geheim, daar vindt Hij troost en inspiratie om zijn zending te vervullen, in de verbondenheid met de bron van alle leven, van alle liefde, in de diepste eenheid met de Eeuwige. De verbondenheid tussen Vader en Zoon in de Heilige Geest, zij gaat ieder menselijk begrip te boven, zowel taal als inzicht schieten te kort. Maar uit wat de Bijbel erover meedeelt weten wij dat dit de oorsprong en het einddoel vormt van al wat is. Bron en einddoel van heel de schepping. Ook als mens heeft Jezus behoefte aan stilte en eenzaamheid om zich hierin te verliezen. Simon en zijn gezellen, de mannen die Hij kort tevoren zelf geroepen had om Hem te volgen, achtervolgden Hem nu. Fijn om leerlingen te hebben, maar ook lastig soms! Zij waren er nog niet aan toe te worden ingewijd in het intieme mysterie van zijn god verbondenheid.  Hij moest eerst volbrengen waartoe Hij gekomen was: het aankondigen van Gods Koninkrijk, de oproep tot bekering.

Bij het volgen van Jezus hoort dat wij Hem ook volgen in het gebed. Zelf heeft Hij ons geleerd het Onze Vader te bidden. Wat is het mooi als kinderen dat van hun ouders mogen leren, en meekrijgen als een schat, een troost in moeilijkheden, en altijd een uitzicht op waar het in het leven werkelijk om gaat. Wij mogen ons daarin verenigen met het gebed van Jezus, waarvan Simon en de andere de ongenode gasten waren hier buiten Capharnaum, en straks op de Thabor de bevoorrechte ooggetuigen. Dat gebed richt ons op en geneest ons, het draagt de wereld en brengt de mensheid naar haar bestemming, het brengt ons allen thuis.

br Gerard Mathijsen osb

Zondag 5 dhj B 7 februari 2021

Preek 28 januari 2024

Wij volgen vandaag de evangelist Marcus die ons de synagoge van Kafarnaum binnenleidt waar Jezus zijn publieke optreden begint. Hij is nog maar nauwelijks binnen of hij neemt al het woord en dat nog wel op een manier die opvalt. Vandaag geen boekenwijsheid, niet iemand die spreekt als de Schriftgeleerden, maar iemand die spreekt van binnenuit, met een gezag dat stoelt op innerlijke ervaring. Hier is iemand aan het woord die in zijn doop zijn naam heeft horen klinken als geliefde zoon van God, en die vanuit dit bewustzijn andere mensen tegemoet treedt en leven aanzegt.

Iedereen in de synagoge voelt het, de mensen worden er door geraakt. Zijn woorden zijn als vuur dat  de harten sneller doet kloppen.

Woorden met gezag, maar die krijgen direct te maken met fel commentaar. Er is een man met een onreine geest in de synagoge en hij laat op niet mis te verstane manier van zich horen. Hij schreeuwt het uit en op het eerste gezicht lijkt het alsof hij de catechismus al kent voordat die geschreven is. Zijn woorden bieden tot de dag van vandaag stof voor meditatie. Wat gebeurt hier, en wat wordt hier eigenlijk gezegd? Allereerst komt in die woorden doodsangst naar voren. ‘Zijt gij gekomen om ons in het verderf te stoten?’ Dat is nogal wat. Jezus blijkt doodsbedreigend, de schreeuwer is zijn leven niet veilig. Wat ook opvalt is dat de spreker het in zijn verhaal over ‘ons’ heeft. Over wie heeft hij het dan? Over zichzelf en de onreine geest die hem bewoont? Heeft die onreine geest hem zo in zijn greep dat de man zelf niet meer baas is over zichzelf? En dan tot slot de uitroep: ik weet wie gij zijt, de heilige Gods. Dat is toch een waar woord zou je denken, waarom dan al die angst of Jezus het slechte met hem voorheeft. Maar Jezus wil dat woord niet horen uit die mond en legt hem het zwijgen op en gebiedt de onreine geest uit hem weg te gaan. En dan zien wij de man stuiptrekken, hij heeft niet eens macht over zijn eigen lichaam. Wonderlijk verhaal, wat moeten wij met dat alles?

Misschien moeten we daarvoor toch even terug naar het begin van de episode. Jezus was nog maar nauwelijks binnen in de synagoge of er werd tot driemaal toe gezegd dat hij onderrichtte en onderricht gaf en wel op een heel eigen wijze. Met gezag, met innerlijk gezag. Er wordt niet verteld wat hij onderrichtte, maar er wordt wel verteld hoe hij onderrichtte. Met bevrijdend gezag. Dat blijkt uit de bevrijding van de man die in de macht van een onreine geest was. Dat is niet een van de vele wonderverhalen uit het evangelie, het is eerder een programmatische vertelling over Jezus’ verkondiging die ons aan den lijve wil doen voelen wat ware verkondiging doet.

Jezus verkondigde zijn leer, welke wordt niet gezegd, maar voor hij goed en wel aan het woord is, staat er iemand op en begint hem de catechismus voor te houden. Maar voor je beurt spreken is niet alleen ongepast, het getuigt misschien ook van grote onzekerheid en angst. De man mag dan wel heel het abc van de leer kennen, maar het is voor hem geen bevrijdend woord, integendeel, het houdt hem gevangen. Dat is niet het evangelie van Jezus, hoezeer de woorden ook dezelfde zijn. Waar titels en woorden worden gebruikt om anderen de les mee te leren of erger nog ermee om de oren te slaan, daar is het woord van God tot een molensteen om de nek geworden in plaats van een woord dat het juk van de schouder neemt en je in plaats van stuiptrekken doet opspringen als lammeren in de wei.

Jezus spreekt met gezag, een ander gezag dan dat van Schriftgeleerden. Die meenden iets te moeten verdedigen, zij legden de wet haarfijn uit als een wetboek waar je je aan te houden had. Maar de wet is geen woord om mee te slaan, maar het is een woord om mee te gaan, een weg ten leven. Dat houdt niet in dat we de wet naast ons neer kunnen leggen, maar dat we haar dankbaar moeten gebruiken als wat zij is: een lamp voor onze voet, een verzameling stapstenen om droog door het water te gaan naar de overzij.

Misschien is het verhaal dat wij vandaag in de Schrift horen bovenal een symbool voor het leven en de verkondiging van Jezus. Wij horen vandaag geen inhoud van zijn preek, omdat zijn eigen leven de preek is, een gezagvol en bevrijdend getuigenis. Een leven door de adem van de Geest bewoond en bewogen. Die adem was de grond van zijn gezag en zijn vrijheid, de vrijheid van de kinderen Gods, niet geknecht en gebonden door welke letterknechterij ook, maar geroepen om ons te bevrijden van alles wat niet God is, wat mensen gevangen houdt, van zichzelf vervreemdt, opsluit en van zijn eigen stem berooft.

Aan het begin van zijn openbare leven maakt Jezus in de synagoge van Kafarnaum een statement. Hij bevrijdt een mens die met al zijn vrome praat in de macht is van een afgod die hem het leven niet gunt, maar gevangen houdt. De Heer bevrijdt hem uit die banden des doods zodat hij rechtop kan gaan.

Het verhaal was nog maar nauwelijks begonnen of er klonk een vraag: wat hebt gij met ons te maken? De vraag van een man die zichzelf niet was. En het verhaal eindigt ook met een vraag: wat is dit? Daar komt wel een antwoord op, maar het blijft bij een nuchtere constatering: een nieuwe leer met gezag. En pas drie hoofdstukken later horen we een andere vraag. Dan is het niet meer ‘wat is dit’, maar ‘wie is dit’. Of dit onderricht met zijn innerlijke bezieling in de synagoge ook het hart van de toehoorders heeft bereikt blijft in het ongewisse. Vandaag is er heel opvallend geen lofprijzing, wel verbazing, maar wat heeft dit gezagvol spreken met de toehoorders gedaan?  Er is, zo lijkt het nog een hele weg te gaan eer zij God leren aanbidden zonder vrees, als kinderen van het Licht? Misschien geldt dat ook voor ons. Moge dan Jezus met zijn gezagvol en bevrijdend optreden onze Gids zijn. AMEN.

Abt Thijs Ketelaars

Bdhj4 2024 Mc 1,21-28

Preek 21 januari 2024

Jezus roept volgelingen. Daarover gaat het vandaag. Roepingsverhalen zijn spannend.

Van de week las ik over een zuster in Brabant, zr. Tarcisa van de Zusters van Oirschot die op 17 januari honderd jaar is geworden. Altijd gelukkig geweest in haar kloosterleven, hoewel zij zelf meent eigenlijk nooit roeping te hebben gehad. Nooit hogere of diepere gevoelens. Zij voelde zich er gewoon goed en op haar plek. In haar jeugd had zij wel eens iets gehad met een jongen, maar dat was niets geworden. Het huwelijk trok haar niet, arm was ze al van huis uit, nooit anders gewend, gehoorzaamheid ook, nee, het klooster voldeed prima aan haar behoeften. Bij dit verhaal vond ik het spannend of je hier nu wel of niet kon spreken van roeping? Die zuster, met haar rimpelloos bestaan, zou zij straks misschien toch mogen zien dat de Heer wel degelijk aanwezig was geweest in haar leven, haar heel eenvoudig verlangen vervulling had geschonken, haar had beschermd en geleid? Haar geroepen tot dit leven? Is Hij niet in elk leven aanwezig, zorgzaam en liefdevol, al merk je er helemaal niets van? Niet iedereen is een zr. Bertken die spectaculair 57 jaar zat ingekluisd in de Utrechtse buurkerk. Toen zij overleed luidden alle klokken in de stad! Voor wie wordt dat gedaan! In het leven van veel mensen is er twijfel en onzekerheid, duisterheid en onvermogen. Ieder leven is een apart verhaal, en het is altijd spannend.

De vorige zondag hoorden we het verhaal van de roeping van de kleine Samuel, en in het Johannes evangelie van de eerste leerlingen van Jezus. Ook vandaag horen we weer een roepingsverhaal. Het accent ligt nu anders. De vorige week waren de leerlingen van Johannes de Doper gefascineerd door Jezus. Zij verlangden te weten waar Hij verblijf hield, zij wilden met Hem zijn. Zij erkenden in Hem zelfs de Messias. De roeping zat heel diep. De kiem lag in het verlangen van hun hart, de uitnodiging van Jezus bracht het zaadje tot bloei en tot rijpheid. Bij de kleine Samuel in de eerste lezing van de vorige week kwam de roeping van de Eeuwige zelf, mysterieus maar onmiskenbaar.

In de lezingen van vandaag wordt in het licht gesteld waartoe ieder wordt geroepen.

In het evangelie zijn het dezelfde namen als de vorige week waarvan sprake is: Andreas en Simon, maar in een andere context. In het Johannesevangelie vinden wij hen in de omgeving van Johannes de Doper. Andreas was een leerling van de Doper, en werd door deze naar de Heer verwezen: ‘zie het Lam Gods’. Zij worden geschilderd als Godzoekers, die op weg worden geholpen. Het innerlijk verlangen werd gestuurd door hun leraar Johannes de Doper. In het Marcusevangelie, waaruit wij vandaag horen, worden de eerste leerlingen weggeroepen uit hun beroep van visser. Niets zegt dat zij op zoek waren naar een geestelijke bestemming. Zij worden gekozen en zij stemmen in: ‘Ik zal mensenvissers van jullie maken.’ Mensenvissers: niet om er rijk van te worden of gelukkig, Nee, om te dienen, om anderen over te brengen van de dood naar het leven. Jezus brengt genezing en uitkomst, Hij wil mensen gelukkig maken, en heeft daarbij helpers nodig. De vissen die de geroepenen zullen vangen worden uit de wateren des doods opgevist om overgebracht te worden in de grote stroom van levend water. Daartoe roept Jezus zijn leerlingen. En zij worden geroepen om Hem te volgen om daarin door Hem gevormd te worden. ‘Ik zal maken dat gij vissers van mensen wordt’. In zijn nabijheid leren zij de intenties van God te verstaan, leren zij beseffen dat God wil dat de mens leeft.

Het boek Jona is een prachtig getuigenis dat die boodschap van Jezus niet revolutionair is in de openbaringsgeschiedenis van Israël. Het vertelt ons hoe ook het eerste testament spreekt van Gods heils wil voor alle mensen, hoe Hij dat zijn profeet duidelijk maakte, helemaal tegen diens zin. Jona krijgt een zending tegen wil en dank, tegen heug en meug. Jona beseft heel goed welke opdracht hij van God krijgt: Hij wordt geroepen om heidenen en zondaars tot bekering en leven te brengen. Dat zint hem voor geen meter. Eerst vlucht hij voor zijn boodschap weg. Als hij door overmacht toch gedwongen wordt zijn missie te volbrengen doet hij dat erg onsympathiek. Wat een verschil tussen zijn woorden en die van Jezus: de Heer predikt: ‘De tijd is vervuld en het Rijk Gods is nabij. Bekeert u en gelooft in de blijde boodschap’. Jezus biedt heil aan. Jona is een onheilsprofeet: ‘Nog veertig dagen en Ninive zal vergaan.’ Hij laat geen hoop, hij biedt geen uitzicht. Maar goddank: de mensen van Ninive blijken gevoelig voor zijn boodschap, zij worden bewogen door de goede geest. Die zet hen aan tot boete, en God laat zich daardoor raken. Het boek Jona is een getuigenis van geloof in de God van Israël als een God van mededogen en menslievendheid, een God die wil dat alle mensen, heidenen en Joden redding en genezing vinden.

Ik begon met u te vertellen over die zuster van honderd jaar die gelukkig was in haar kloosterleven, maar niet geloofde dat God daarin een rol had gespeeld. Zij dacht dat zij haar geluk als het ware gesmokkeld had. Denkt u niet dat God heel tevreden zal zijn dat zij zo gelukkig is geweest in haar kloosterleven? Haar plichten zonder gemopper, met plezier heeft gedaan? Dat wij alleen Gods wil doen als het heel moeilijk en pijnlijk is? Zou de Eeuwige niet meer vreugde vinden in de vrede van zijn volk dan in pijn en oorlog? Niet liever zien dat wij het goed maken dan dat wij lijden?

De grote heiligen, de martelaren, de gestigmatiseerden, zij zijn te  bewonderen en te vereren. Maar zou God niet ook behagen hebben in de eenvoudige gezinnen, in jonge mensen die gelukkig zijn met elkaar, in kinderen die het goed hebben. Zou Hij niet zeer tevreden zijn als we goed zijn voor elkaar, zorgen voor elkaar? Zou dat ook niet gelden op kerkelijk terrein? Natuurlijk zoeken wij te leven volgens de waarheid, volgens de rechte leer. Maar dat betekent niet dat wij anderen verketteren en veroordelen, maar ieder de ruimte geven en respecteren? We mogen ons zelf houden aan de katholieke leer, en het gezag van de paus aanvaarden. Maat laten we ook eerbied hebben voor de overtuiging van anderen, ook al strookt die niet met wat wij geleerd hebben en voor waar houden. Laten we vooral bidden dat wij samen naar de waarheid mogen toegroeien, een waarheid waarin voor ieder leven is, waarin wij allen elkaars broeders en zusters zijn en onze ene Heer en God Vader mogen noemen, Christus Jezus onze Lieve Heer, en onze verbondenheid beleven in de liefde van de Ene Heilige Geest. Aan Hem zij eer en glorie, onze onbegrijpelijke, beminnelijke, eeuwige God.

br. Gerard Mathijsen osb

3e zondag door het jaar B Marcus 1, 14-20     2024

Preek 14 januari 2024

Het nieuwe jaar is alweer twee weken oud, maar het is nog niet te laat om een nieuw begin te maken. Dat is het trouwens nooit. Tussen de spreuken van de eerste monniken in de Egyptische woestijn in de 5e eeuw bevindt er zich een die overgeleverd is op naam van abt Silvanus. Hij luidt als volgt: ‘Abba Mozes legde aan abba Sivanus de vraag voor: ‘Kan een mens elke dag een nieuw begin maken?’ ‘Als hij een werker is, ’antwoordde abba Silvanus, ‘kan een mens elke dag, ja elk uur een begin maken.[1] Die vraag van abba Mozes komt waarschijnlijk niet uit de lucht vallen. Hij had een zwaar beladen verleden en dan een nieuw begin maken is geen vanzelfsprekendheid. Het antwoord van abba Silvanus getuigt van hoop en vertrouwen.

Elke dag een nieuw begin. Wij hoorden vandaag wij twee roepingsverhalen, één uit het oude en één uit het nieuwe testament. Twee verhalen die een stap, een nieuw begin markeren. In het ene verhaal is het een kantelpunt in het leven van de nog jonge Samuël en in het verhaal van de leerlingen van Johannes zijn het vermoedelijk twee jong volwassenen die voor een keuze komen te staan. Keuzes maken, voor keuzes geplaatst worden, het is niet aan leeftijd gebonden. Ze hebben wel in elke levensfase hun eigen kleur en ook hun eigen weg.

Roepingen zijn er in veelvoud en het is niet zo dat die alleen voorbehouden zijn aan religieuzen en priesters. Dat mocht vroeger weleens zo zijn voorgesteld, maar dat klopt niet met het leven van alledag. Iedereen heeft daar een roeping en een taak en de een is niet minder dan de ander. Elk mens heeft zijn roeping in het leven en het komt erop aan jouw roeping, jouw weg te ontdekken.

Hoe dat in zijn werk gaat, zien wij vandaag in de lezing uit het profetenboek en uit het evangelie. Laten we er een ogenblik bij stilstaan om zo ook zicht te krijgen op onze eigen weg. Roepingen zijn persoonlijk, maar tegelijk is er ook sprake van gemeenschappelijke elementen in roepingsverhalen. De twee verhalen van vandaag leveren daar een mooi voorbeeld van.

De jonge Samuel is door zijn moeder al op heel jeugdige leeftijd aan de tempeldienst afgestaan. En de oude priester Eli neemt hem onder zijn hoede en wijdt hem in de tempeldienst in. Samuel is een soort koorknaap of misdienaar die zijn rol met ijver vervult. Zo gaat dat in een mensenleven. Je wordt door geboorte, afkomst en geloofsovertuiging in een bepaalde traditie en cultuur grootgebracht. Dat is een mengsel van binnen en buitenkant. Maar dan op een nacht wordt de jonge Samuel wakker met een droom waarin hij wordt aangesproken. Hij hoort zijn naam roepen en het eerste wat hij doet is naar Eli lopen in de veronderstelling dat de oude man hem nodig heeft. Dat blijkt evenwel niet het geval en ook Eli heeft niet direct door wat hier gaande is. Het duurt even voor Eli beseft wat hem te doen staat. Samuel wordt in zijn droom geroepen maar hij heeft er hulp bij nodig om adequaat op die stem te reageren. En Eli wijst hem daarbij de weg, waarbij hij zelf helemaal terugtreedt. Het gaat om de toekomst van de jongen. En zo begint voor Samuel een nieuwe fase in zijn leven, een nieuw begin. Dankzij een persoonlijke aanspraak en dankzij zijn luisterbereidheid. Zonder die twee zou zijn levensverhaal niet de wending krijgen die nu voor hem ligt.

In het evangelie van vandaag gaat het er ongeveer op dezelfde manier aan toe. Er is verschil, maar dat komt door de context en de personen. Twee leerlingen van Johannes worden door hun meester gewezen op iemand die voorbijkomt. Als Johannes hen niet op Jezus had geattendeerd zouden ze hem vermoedelijk niet hebben opgemerkt. Een van de velen op straat, niks bijzonders. Maar Johannes wijst naar Jezus en zegt: ‘Zie het lam Gods’. Dat woord komt bij de leerlingen binnen en zorgt voor een keer in hun leven. Niet dat alles op stel en sprong verandert, maar het doet hen stappen zetten. Zij gaan Jezus achterna zoals misschien iemand achter een meisje aan gaat op wie zijn oog gevallen is. Begin wellicht van een nieuw leven.

Zoals Eli een bemiddelende rol had voor Samuel, zo heeft Johannes dat voor zijn twee leerlingen. En in beide verhalen is er  een gebeuren dat appelleert en de  geroepene in spe innerlijk raakt. Bij de éen gebeurt het in een droom, bij de anderen bij het noemen van een naam en wie de Schrift een beetje kent, kan die reeks uitbreiden waar elke roeping zijn eigen kleur en context heeft.

Samuel woonde in de tempel en het is daar dat in een droom een stem tot hem sprak die zijn leven veranderde.  Hij gaf God gehoor en dat was het begin van een luisterend leven waarin Samuel profeet werd, een mens in dienst van Gods leven schenkend woord. De vreugde en de pijn die dat met zich meebracht, komt in het vervolg van het boek Samuel aan de orde.

De weg van de leerlingen uit het evangelie kent ook zijn eigen parcours. Na die eerste stap van hen waarbij zijn Jezus achternagaan zien wij een ander het voortouw nemen. Want Jezus keert zich om naar de mannen die hem volgen en stelt een vraag. Daarop volgt dan weer een vraag van hun kant: ‘Waar houdt gij u op?’ Letterlijk staat er: ‘ Waar woont u?’ en daarop volgt dan een uitnodiging: ‘Komt en ziet’ . De leerlingen komen thuis bij Jezus, en dat is meer dan zijn optrekje zien. Zij raken bij hem thuis, letterlijk maar ook figuurlijk. En dat gebeuren krijgt een vervolg tot op deze dag.

Mens zijn, geroepen worden, je plaats vinden in het leven, het vraagt een luisterend oor en een tochtgenoot die je tot steun is op de weg om de roep te leren onderscheiden en er een antwoord op te geven, een weg ten leven, een thuis komen in het stil gesprek met God en met het leven. Mogen wij er in het nieuwe jaar een nieuw begin mee maken. AMEN.

Abt Thijs Ketelaars

[1] Stemmen uit de stilte dl 2, hoofdstuk 11,69

Bdhj2 20240114 1 Sam3; Joh 1,35-42

Preek Doop van de Heer 2024

Deze zondag is het besluit van de Kersttijd. Wij lazen en luisterden naar het begin van de blijde boodschap in het oudste evangelie: van Marcus. In de Kerstnacht werden niet minder dan drie geboorteverhalen gelezen: Het begin van het Matteüsevangelie, het  geboorteverhaal volgens Lucas, en de proloog van het Vierde Evangelie.

Zoals u weet is het evangelie volgens Matteüs niet het oudste. Het eerst geschreven evangelie het meest oorspronkelijke getuigenis van Jezus komst in onze wereld is dat volgens Marcus, en vandaag lezen wij de opening daarvan. Het evangelie volgens Marcus begint niet met een verhaal over Jezus kindsheid, zoals Matteüs en Lucas, ook niet met een geslachtslijst. En evenmin biedt Marcus  een duizelingwekkende theologie zoals Johannes dat durft in zijn proloog. Toch is zijn opening markant te noemen. Marcus opent als met een klaroenstoot: “Begin van de blijde boodschap van Jezus Christus, de Zoon van God.” Bij Matteüs komt die uitspraak pas als een conclusie helemaal op het einde, als Jezus aan het kruis de geest heeft gegeven roept de heidense honderdman uit: “Waarlijk, Hij was een Zoon van God.”  Wat in het evangelie volgens Matteüs de slotconclusie van de mensen is, vormt bij Marcus het punt an vertrek, het geeft de inhoud en betekenis aan van wat volgt.  Zowel Johannes als de synoptici wijzen op de belangrijke rol die Johannes de Doper speelt, en op de betekenis van het doopsel dat Jezus wenst te ondergaan, en waarmee zijn openbare leven een aanvang neemt. Jezus treedt de geschiedenis van zijn volk binnen als Messias, maar heel anders dan verwacht, niet met macht en majesteit, maar verborgen en bescheiden. Hij wordt  aangekondigd en aangewezen door Johannes de Doper, die als Elia, en in overeenstemming met Jesaja, de mensen oproept zich tot God te bekeren. En bij zijn aantreden, als Jezus uit het water komt ziet Hij de hemel openscheuren, daalt de Geest over Hem neer, en hoort Hij de stem uit de hemel: Gij zijt mijn Zoon, mijn Veelgeliefde, in U heb ik welbehagen. Later bij de Gedaanteverandering op de berg, wordt uitdrukkelijk gezegd dat de leerlingen de stem uit de wolk horen, hier is het misschien alleen Jezus die dit verneemt. Maar de tekst van het evangelie maakt ieder hoorder tot deelgenoot. Door dit getuigenis van het evangelie zijn wij alle mede-hoorders. Getuigen van de stem van de Vader die zich uitspreekt over zijn Zoon, en aanduidt wie Hij is. In de gedaante van een duif wijst de H. Geest, verpersoonlijking van de liefde van de Vader voor de Zoon en van de Zoon voor de Vader Jezus aan. De Duif brengt ons helemaal terug naar bij het begin van de schepping, toen de Geest over de wateren zweefde. Hier daalt Hij neer over Jezus, de nieuwe Adam, bij de schepping van een nieuwe mensheid. Hemel en aarde ontmoeten elkaar, raken aan elkaar. De doop in de Jordaan luidt een nieuwe werkelijkheid in. Jezus wordt in het water van de Jordaan ondergedompeld en stijgt daarna uit het water op, zoals hij straks de dood in zal gaan en uit het graf zal herrijzen. In de dood en de verrijzenis van de Zoon van God, de Welbeminde, vindt het doopsel zijn volle betekenis en wordt de ritus van Johannes de Doper tot een sacrament, teken en bewerker van goddelijk leven. Hier in de Jordaan tijdens de doop van Christus openbaart God voor de eerste keer het mysterie van zijn Wezen: het is de enige uitdrukkelijke openbaring van de Heilige Drievuldigheid in de Heilige Schrift. Ook de goddelijke natuur van Jezus als de Zoon wordt hier aan het licht gebracht, als Zoon van de Vader. Hij heeft onze menselijke, sterfelijke natuur aangenomen, Hij is afgedaald tot onze nederige staat om ons te verlossen en eveneens kinderen van God te maken.

Dat is wat het evangelie van Marcus, in de taal van zijn tijd, in beelden die voor zijn tijdgenoten beter  verstaanbaar waren dan voor ons na 20 eeuwen en in een heel andere cultuur, vertelt. Het goede nieuws dat ons in Jezus geopenbaard wordt dat ieder mens een geliefd kind van God is. Dat hier de hemel opengaat is een groot openbaringsgebeuren. Hebben de omstanders dit begrepen? Waarschijnlijk pas veel later. Dringt de boodschap tot ons door? Zusters en broeders proberen wij het te begrijpen en bidden wij om dit te kunnen doen. Wat hier gebeurt, het mysterie dat Jezus afdaalt in het water, en dat de stem van de Vader weerklinkt, gebeurt ter wille van ons. Jezus is mens geworden en heeft zich laten dopen, opdat voor ons de hemel opengaat en de Vader tegen ieder van ons zegt: “Jij bent mijn zoon, mijn dochter, in jou heb Ik welbehagen.” Wij zijn allen opgenomen in zijn stamboom door het sacrament van het heilig doopsel in de  ene Kerk van Christus die onze moeder is. Wat heeft die kerk daar nu mee te maken, zullen sommigen misschien denken. De kerk is niet geliefd in onze tijd. Wel Jezus, niet het instituut, kun je dikwijls horen. Maar wij kennen Jezus enkel door de gemeenschap die zijn woorden bewaart en overleeft, die zijn gedachtenis levend houdt. Het is een gemeenschap die bestaat uit zwakke mensen, en daardoor heeft zij fouten en gebreken. Lieve mensen, kan het anders? Misschien hebben wij het getroffen en zijn wij geboren en opgegroeid in een gelukkig gezin, maar zelfs als onze ouders heiligen waren, dan zullen zij niet zonder fouten zijn geweest, zonder menselijke hebbelijkheden en gevoeligheden. Als het goed is houden wij daarom niet minder van hen. Misschien juist meer. Laten wij dan ook de kerkelijke gemeenschap niet weggooien of veroordelen, maar er van harte van houden, haar hooghouden en waarderen. Zij brengt ons bij Jezus, zij spreekt ons over Jezus, zij houdt het verhaal levend, dank zij haar staan wij in de levensstroom van de Jordaan en ontvangen wij de heiligende werking van Gods Geest, en mogen wij ons kinderen weten van God. Danken wij daarom God, en vieren wij deze eucharistie in eenheid met alle mensen van Gods welbehagen.

br. Gerard Mathijsen osb

Doop van de Heer 7 januari 2024; Jes. 55, 1-11; 1 Joh.5, 1-9; Mc. 1, 7-11

Nieuwsbrief

Schrijf u vrijblijvend in en blijf op de hoogte van de activiteiten van Abdij van Egmond.

We respecteren uw privacy. Sint-adelbertabdij zal uw e-mailadres nooit delen met derden.
© 2024, Abdij van Egmond Algemene voorwaarden