Geen producten in de winkelwagen.

Nieuws

Preek 3 juli 2022

De afgelopen dagen waren een en al feestelijkheid. We vierden St. Jan de Doper, het H. Hartfeest, St. Adelbert, de apostelen Petrus en Paulus. Maar ook deze gewone zondag, de veertiende door het jaar is een dag van grote vreugde, en bevat voor ons een boodschap bevat van vreugde waarmee we meer dan een week vooruit kunnen.

De afgelopen dagen waren een en al feestelijkheid. We vierden St. Jan de Doper, het H. Hartfeest, St. Adelbert, de apostelen Petrus en Paulus. Maar ook deze gewone zondag, de veertiende door het jaar is een dag van grote vreugde, en bevat voor ons een boodschap bevat van vreugde waarmee we meer dan een week vooruit kunnen.

Een opbeuring kunnen we wel gebruiken, want we leven in een bewogen tijd, in een wereld vol onzekerheid en dreiging. Binnenlands is er veel onrust, ontevredenheid, wantrouwen, zorg. Ik hoef dat hier niet allemaal nader te benoemen, in de kerk houden we de politiek graag buiten, maar met de gevoelens van onrust en onzekerheid hebben we wel te maken.

Laten we kijken naar Jezus, onze voorganger. Hij is op weg naar Jeruzalem met een boodschap van vreugde en vrede, maar Hij kent de prijs die Hij zelf zal betalen met zijn Bloed. Uit zijn doodgemarteld Lichaam zal de Geest stromen die de aarde vernieuwt, die een nieuwe schepping tot stand brengt, een nieuw Godsvolk, zijn Kerk.

72 leerlingen zendt Jezus uit. Eerder heeft Lucas, evenals Marcus en Matheus al verteld dat Jezus 12 leerlingen uitkoos die Hij ook apostelen noemde. Dat twaalftal, ieder met name genoemd, vertegenwoordigt de 12 stammen van het volk Israël. Hier is sprake van 70 of 72 leerlingen ( voor beide getallen zijn goede argumenten te geven). Het  getal van 72 moet worden opgevat in zijn symbolische betekenis van universaliteit.Men nam aan dat er tweeenzeventig volkeren waren in de wereld, en dat tweeenzeventig talen werden gesproken. De discipelen werden naar alle volkeren gezonden, omdat de Heer gekomen is om allen te redden. Eerst twaalf naar de verloren schapen van het huis Israël, “in elke stad en plaats, waar Hij zelf heen zou gaan”, daarna een groot aantal van zijn discipelen, om uit te gaan over de hele wereld, naar alle volkeren en stammen en talen. Twee aan twee moesten zij getuigen zijn van zijn evangelie, als zijn gevolmachtigden, en om dat te staven toegerust met wondermacht. In het boek Handelingen lezen wij over zulke zendelingsparen: Paulus en Barnabas, Barnabas en Marcus, Paulus en Silas. Hun immense opdracht ging hun aantal, en daarmee hun mogelijkheden verre te boven. Daarom moesten zij allereerst bidden tot de Heer van de oogst om arbeiders te sturen. Dat was en is de eerste taak van Jezus’ gezanten: het gebed. Als Jezus de twaalf aanstelt doet Hij dat ook nadat Hij de nacht heeft doorgebracht in gebed. Laten we nooit vergeten dat gebed ook onze eerste opdracht is.

In de sacramentskapel hier in de kerk hebt u vast wel eens gekeken naar de gedenksteen die daar tegen de achterwand is aangebracht. Hij beeldt de droom uit van aartsvader Jacob te Bethel. Die heeft daar een visioen van een ladder die op de aarde rust en tot in de hemel rijkt, waarlangs engelen opstijgen en neerdalen. (Gen. 28, 12). Die engelen zijn boden die de noden van de mensen brengen voor Gods troon, en de genade van God vanuit de hemel naar de mensen brengen. Beelden, uiteraard, symbolen, die uitdrukken dat er communicatie is tussen hemel en aarde, tussen de Schepper en zijn schepping, tussen de Eeuwige en ons aardse stervelingen. In de Oosterse traditie delen de monniken in de opdracht van de engelen. Wij denken bij engelen allereerst aan hemelse geesten, gevleugelde gestalten, maar het woord engel betekent bode, gezondene, eigenlijk hetzelfde als apostel, eveneens gezant. Het hoort tot de opdracht van de monniken om die ladder tussen heme en aarde te gaan, omhoog te klauteren en af te dalen, om de verbinding tussen God en mensen levendig te houden in trouw gebed. En het eerste waarvoor zij moeten bidden is dat de Heer meer arbeiders stuurt om te oogsten. Bij de goede God bevelen wij de belangen van alle mensen, van heel de wereld aan, alle noden en die zijn even talrijk als gevarieerd, en namens de Heer mogen zijn boodschappers een geweldig kado brengen nl. de vrede aanbieden: laat uw eerste woord zijn: vrede aan dit huis!

Apostelen en engelen zijn boodschappers van God. We weten dat er helaas ook gevallen engelen zijn. Die hebben ook een naam: duivel diabolos, dat betekent verdeler. Zij zijn onze vijanden en proberen verder te verscheuren, en verdeeldheid te zaaien, vijandschap in ons hart te planten. Als wij leerlingen van Jezus willen zijn, en ons willen aansluiten bij die eerste tweeenzeventig, laten we dan vasthouden aan de vrede en niet toegeven aan de diabolische werking van de vijanden van Christus’kruis. Laten we zelfs het stof van onze voeten schudden maar vasthouden aan de kern van ons geloof: “het Rijk Gods is nabij! ” Dat is het goede nieuws, de troostende boodschap.

Onze samenleving verspreidt bij voorkeur het onkruid van het slechte nieuws, het fake news, dat zoveel gemakkelijker gehoor vindt dan de boodschap die het Evangelie brengt. Het slechte nieuws wordt gretig geloofd en verspreid, het krijgt alle gelegenheid om voort te woekeren. Positief nieuws is niet interessant. De waarheid mag niet worden gezegd, de vredeboodschap wordt ontkend.  Maar toch: “zalig de vredebrengers, zij zullen kinderen van God worden genoemd.” Kinderen van God, dat is nog mooier dan engelen, apostelen of gezanten. En daartoe zijn wij allen geroepen. Apostelen waren er maar twaalf, de 72 leerlingen, die in de Oosterse traditie ook allemaal een naam hebben gekregen en gezamenlijk worden gevierd, waren een 6 maal grotere groep, maar tot kinderen van God zijn wij allen geroepen. Moge ons gemeenschappelijk getuigenis onze samenleving omvormen tot vrede, zodat God bij zijn mensen kan wonen en ons allen kan vervullen van zijn vrede en zijn barmhartigheid. Dan zal ons hart zich kunnen verheugen, onze beenderen zullen bloeien als het jonge groen, en de dienaren van de Heer zullen zijn macht ervaren.

Br. Gerard Mathijsen osb

14e zondag dhj C 3 juli 2022  Jes. 66, 10-14c; Gal. 6, 14-18; Lc. 10, 1-12+17-20.

Boekennieuws

Hier vindt u weer een lijst met de nieuw aangeschafte boeken in de boekwinkel. Daarnaast zijn er twee titels verschenen die we speciaal onder uw aandacht willen brengen.

Dat is natuurlijk het mooie tijdschrift over Adelbert en de 1100 jaar religieus leven in Egmond.
Het zal u niet ontgaan zijn, de hele week is het al feest.

Maar ook is verschenen het nieuwe nummer van Klooster! Kloostertuinen en waarin ook de tuin rondom onze abdij uitgebreid aan bod komt. Tezamen een mooi en warm beeld van onze abdij.

9,95
€ 9,95

Preek H. Adelbert – Hoogfeest 25 juni 2022

Gisteren vierden wij het hoogfeest van het Heilig Hart. Dat wordt dit jaar omkranst door twee andere hoogfeesten. Ik weet niet hoe vaak dat voorkomt, maar het betekent dat Johannes de Doper en Adelbert het heilig Hartfeest omlijsten, of anders gezegd, dat het feest van het heilig Hart het middenpaneel vormt van een drieluik. Dit jaar althans. Een drieluik, wanneer wij zo naar deze driehoogfeesten kijken, wat zouden die drie panelen ons dan kunnen laten zien?

Bij een drieluik draait het altijd om het middenpaneel. Dat is dan ook vrijwel altijd groter in formaat dan de zijpanelen. Bij de feesten van deze dagen is dat zonneklaar. Maar waar menige BN’er op het hoofdpaneel zou willen staan, zien wij Johannes en Adelbert glunderen dat hun dat bespaard is gebleven. Hun leven was er op gericht om in navolging van Jezus een ander in het licht te stellen. Zij schuiven weg naar de zijkant om de blik te richten op de figuur in het midden, van hem willen zij leren hoe met een hart als dat van Jezus in het leven te staan.  Van Johannes de Doper hebben wij het woord ‘hij moet groter worden en ik kleiner’. Dat spreekt boekdelen en van Adelbert hebben wij een levensbeschrijving die hem toont als iemand die niet op de voorgrond treedt, maar die mensen nabij is in eenvoud en bescheidenheid.

Nee, die twee willen op die zijpanelen ook niet geportretteerd worden als schenkers en belangrijke notabelen. Zij zijn er tegen wil en dank opgekomen. Van hen hoefde het niet, maar als ze daarmee zouden kunnen laten zien, wat Jezus in hun leven heeft betekend, dan willen ze het wel doen. ‘Niet aan ons Heer, niet aan ons, maar aan U de eer’. Dat zegt niet iedereen hen na, laat staan dat wij dan ook nog de daad bij het woord voegen. Onze samenleving en wijzelf incluis geven niet zelden blijk van een ander streven.

Twee zijpanelen, het ene met Johannes die van oudsher de patroon van de monniken is en het andere met de patroon van onze abdij. Twee monnikenvaders mogen wij zeggen, leerlingen van Jezus, de een als voorloper en de ander als navolger. Geraakt en geïnspireerd door dezelfde Heer. Maar als puntje bij paaltje komt twee heel verschillende personen.

Maar laten we nu eerst eens kijken naar het middenpaneel. Wat zien wij daar?   De ouderen onder ons zijn nog vertrouwd met beelden of schilderijen en niet te vergeten prentjes waar Jezus wordt afgebeeld met een hart dat op de buitenkant van zijn kleding is geplaatst om toch vooral te laten zien hoezeer Jezus hart voor ons heeft. Artistiek behoren die afbeeldingen niet tot de mooiste kerkelijke kunst. Vraag is of het ook anders kan.   Zou er bijvoorbeeld een herder op kunnen staan met het verloren schaap op zijn schouder, of misschien een beeltenis van de vader van de verloren zoon die stil de verte inkijkt, turend of hij hem terug ziet komen. Dat beeld zou niet alleen bij Jezus passen, die niets liever doet dan mensen thuisbrengen bij zichzelf en bij God, maar in dat beeld zien wij in Jezus ook de menselijke gestalte van de Vader. Die loopt al vanaf het begin van zijn geschiedenis met ons mensen in de hof en roept ‘Adam waar ben je?’ Het is de roep van een bezorgde vader die op zoek is naar zijn zoon die zichzelf in de nesten heeft gewerkt.

Jezus, als beeld en gelijkenis van de Vader die hart heeft voor ons en er alles voor geeft, zichzelf geeft, met hart en ziel en alle kracht. God als compassie, meelevend en meelijdend, opdat niemand verloren gaat maar allen leven vinden. Heel het verhaal van de Schrift wordt verteld in dat perspectief, ook de duistere kanten van Gods volk. Op de momenten waar men het spoor bijster was, bleef er die innerlijke hartenklop die trok en nodigde tot ommekeer en nieuw leven.

Kijk naar die herder op het middenpaneel en kijk naar die vader op de uitkijk en laat je erdoor raken zoals eens Johannes de Doper en Adelbert door die beeltenis en dat verhaal werden geraakt. Zij kwamen er niet meer van los, en zij verschijnen op de zijpanelen als mannen die hun leven helemaal in dienst hebben gesteld van dat hartsverlangen van de Heer. Johannes de Doper ging er voor naar de woestijn om die hartenklop van de Heer tot de zijne te maken en Adelbert begaf zich in de oefenschool van de dienst aan de Heer om vandaar de oversteek te maken naar onze streek.

Die twee zijpanelen lijken op elkaar, maar bij alle gelijkenis is er ook verschil.  Johannes de Doper had in de woestijn de geschiedenis van Israël herkauwd en bemediteerd en hij besefte dat wij mensen het leven kunnen verspelen, de boot missen. Dat wilde hij kost wat kost voorkomen en zo werd hij een boetepredikant met woorden als een bijl aan de wortel. Dat is klare taal, maar als ze met compassie worden gezegd, kunnen zij wonderen doen. Zijn nederigheid maakte van hem een wegbereider: ‘hij moet groter worden en ik kleiner’.

En dan dat andere paneel, nog een keer. Daar staat of zit Adelbert, van wie in zijn levensbeschrijving wordt gezegd dat hij een zachtaardig en aangenaam karakter bezat dat iedereen tot navolging aanzette.’ [1] Ongetwijfeld heeft hij Johannes de Doper bewonderd om zijn ijver en hartstochtelijke inzet voor Gods volk. Hij heeft zich gespiegeld aan diens nederigheid, want ook Adelbert zocht niet de aandacht en de eer van mensen. ‘Hij moet groter worden, en ik kleiner’. Maar in zijn leven zocht hij met een andere pedagogiek mensen te winnen voor de grote mensenliefde van God. Adelbert zag bij de goede herder en de vader op de uitkijk bovenal de zorg en het meeleven en bleef niet stilstaan bij de fouten en misstappen van zijn kudde. Die mildheid toont zich ook op een ander manier. Johannes verliet alles, hij was een asceet van het zuiverste water zoals menige woestijnvader, Adelbert gunde het zichzelf zijn familie nog eens op te zoeken. Mildheid en maat, wij hebben, broeders, naast Benedictus nog een huispatroon die ons tot navolging wil aanzetten om de mensenliefde van God ónder ons en ín ons vrucht te laten dragen zoals die wonderlijke appel uit zijn levensverhaal. AMEN.

Abt Thijs Ketelaars

[1] Rupert van Mettlach: Leven van Adelbert, hfdst.4.

Preek zondag 19 juni 2022

In het evangelie van deze zondag belijdt Petrus, in naam van alle apostelen, het Messiasschap van Jezus: “U bent de Gezalfde van God”. Volgens het evangelie van Mattheüs vond deze bekentenis plaats in Caesarea Filippi. We horen deze tekst uit Mattheüs lezen op het feest van de Heiligen Petrus en Paulus over tien dagen. Laten we vandaag stilstaan bij de woorden die Jezus spreekt na Petrus’ belijdenis: de aankondiging en prediking van zijn lijden en dood.

Dit tweede deel van het evangelie van deze zondag hangt nauw samen met de passage uit het boek van de profeet Zacharia, die vandaag in de eerste lezing is voorgelezen. Deze korte passage maakt deel uit van een profetie van de profeet Zacharia over de bevrijding van Jeruzalem aan het einde der tijden: “Op die dag … Zal Ik alle paarden en hun berijders met verdwazing slaan…Ik zal de het huis van Juda redden…Ik zal mijn bescherming uitbreiden tot de inwoners van Jeruzalem…” Leest in deze context de verzen “Zij zullen hun ogen opheffen naar hem die zij hebben doorstoken; zij zullen over hem weeklagen als over een enige zoon; zij zullen bitter om hem wenen als over een eerstgeborene.” Dit alles zal gebeuren, zegt de profeet, “op die dag.”

Deze uitdrukking “op die dag” is een verwijzing naar het einde der tijden, dat wil zeggen naar de messiaanse tijden. In die tijd, in de nood van de oorlog van het einde van de wereld, zal het volk van God worden bekeerd, en tot zijn God terugkeren: “En Ik zal over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem een ​​geest van mededogen uitstorten die hen tot bidden brengt”, een geest van bekering, van innerlijke transformatie; dit zal bewerken dat de inwoners van Jeruzalem zullen opzien naar hem die ze hebben doorstoken. De profeet Zacharia lijkt hier de lijdende Dienaar van het boek Jesaja in gedachten te hebben.  Voor de apostel Johannes werd de profetie van Zacharia letterlijk gerealiseerd, toen een van de soldaten die Jezus kruisigden, met een speer het hart van Jezus doorboorde (Joh.19/34).

Voor de apostelen, kinderen van hun tijd, was het moeilijk om een ​​lijdende Messias-Dienaar te accepteren. Wat Jezus hun in het evangelie van deze zondag aankondigt: “De Mensenzoon moet veel lijden, en door de oudsten, de hogepriesters en de Schriftgeleerden verworpen worden”, schrikt hen af. En wat hij eraan toevoegt: “dat hij op de derde dag weer zal opstaan”, begrijpen zij niet. Ze zullen het later begrijpen. Op dit moment is het voldoende om hen aan te kondigen dat het zal gebeuren, zodat wanneer het gebeurt, zij zich herinneren dat dit was voorspeld en voorzien, al in het Oude Testament, door de profeet Zacharia, in de passage die vandaag als eerste lezing is gelezen.

“De Mensenzoon moet veel lijden, maar ook al wie Mij volgen wil”. Aan het lijden valt niet te ontsnappen. De Messias zal er niet aan ontsnappen, en evenmin de leerling. Dit is wat Jezus zijn apostelen vervolgens vertelt; en dit geldt niet alleen voor hen, maar voor elke christen: “Wie Mij wil volgen, laat hij zichzelf verloochenen, dagelijks zijn kruis opnemen en Mij volgen”. De discipel, ieder van ons die in Jezus de Messias heeft herkend en eenmaal heeft aanvaard dat Hij een lijdende Messias is, is geroepen steeds het voorbeeld van zijn Meester te volgen, zijn eigen kruis op zich nemen en het niet te weigeren. Door zijn leven te verliezen zoals Jezus zal de discipel (m/v) het redden. We kunnen dat lezen als een aankondiging van het martelaarschap dat veel, zelfs heel veel van Jezus’ discipelen zullen ondergaan. In vroegere tijden, maar nu misschien nog meer.

Deze week hoorden wij van onze medebroeders in Nigeria, die daar toch wonen in een vrij rustige streek, dat in een kerk niet zo heel ver van hun klooster verwijderd door fanatieke Fulani Moslims 50 christen werden vermoord, waaronder de moeder van een van hun broeders. Maar als er wordt gezegd dat je elke dag je kruis moet dragen, gaat het niet alleen over martelaarschap, wat altijd mogelijk is voor elke discipel van Christus, maar gaat het over al het fysieke en morele lijden dat het leven op aarde met zich meebrengt. Daarvoor hoeven we niet naar Afrika, of naar Oekraïne. Ieder van ons is geroepen, en ieder naar eigen maat, om deel te nemen aan Jezus’ kruis. Dit lijden, en de verzaking die het met zich meebrengt, de pijn die het veroorzaakt, is nooit nutteloos, nooit zonder betekenis. Als wij het met geloof aannemen is het een garantie voor de opstanding en dus voor het ware leven. Want alles wat wij moeten inleveren in dit leven, elk verlies, elke tegenvaller, elke mislukking, als we het dragen in het spoor van Jezus, in gelovig vertrouwen, zal omgevormd worden tot een winst, tot ons heil, tot toename van eeuwige leven: “Wie zijn leven voor mij verliest, zal het redden”. Een moeilijke, maar ook een troostvolle waarheid.

Troostvolle woorden zegt ons ook de apostel vandaag: “Gij zijt allen kinderen van God door het geloof in Christus Jezus. … Als u bij Christus hoort, bent u erfgenamen krachtens de belofte.”

Br. Gerard Mathijsen osb

Preek Sacramentsdag 16 juni 2022

Sacramentsdag en Witte Donderdag laten ons hetzelfde geheim vieren, maar het is geen ééneiige tweeling. Er is verschil tussen die twee en dat zit hem in de context van het gebeuren. Witte Donderdag maakt deel uit van het dramatische einde van Jezus’ leven, het staat in een historische samenhang waar tal van machten en krachten aan het werk zijn. Sacramentsdag kent niets van dat alles, dit hoogfeest staat in de context van een theologische beschouwing over de eucharistie, die zijn voorlopig einde vond met de instelling van het feest van Sacramentsdag in 1264. Eén geheim, twee heel verschillende werelden waarin het ter sprake komt. En die twee hoeven wij niet tegen elkaar uit te spelen. Zij geven er elk hun eigen kleur en diepte aan.

Op Witte Donderdag is Jezus met zijn leerlingen samen in het boven vertrek om het paasmaal te vieren. Dat feest viert een ontsnapping aan de dood, maar die valt alleen de mens ten deel die bereid is door het water van de dood heen te gaan. Je moet er alles voor geven anders zul je de oever van het nieuwe bestaan nooit bereiken.  Voor Jezus krijgt die Paasavond een bijzondere betekenis, want hij beseft dat voor hem het einde nabij is. En dan neemt hij aan tafel het brood en de wijn en reikt die aan zijn leerlingen toe. Het gebaar is o zo simpel,  heeft niets theatraals, maar het is de samenvatting van een heel leven dat zich gegeven heeft ten dienste van de weg die hij als zijn roeping zag. Vanaf het moment dat de hemel voor hem was opengegaan bij de doop heeft hij zijn leven ingezet voor de komst van Gods koninkrijk, wat dat ook van hem zou vragen. Zijn leven geven als brood, opdat anderen zouden leven en mochten ontdekken dat God met hen het goede voorheeft. Zo is Jezus mensen nabij geweest in het leven van alledag, in nood en pijn, bij vreugde en vrolijkheid, bij bruiloften, maar ook aan het ziekbed. Steeds was hij er met een bemoedigend woord, een helende hand, maar soms ook met een roep om bekering. Laat je leven niet tevergeefs geleefd zijn, neem de uitnodiging aan.

Heel zijn handel en wandel, zijn spreken en zwijgen, zijn bidden en werken, het waren evenzovele zaadkorrels die samen om zo te zeggen de basis vormden voor het brood dat zijn leven geworden is. En de wijn was de oogst van zijn vele momenten waarop hij mensen de vreugde van het koninkrijk liet proeven met de inzet van heel zijn leven. En op Witte Donderdag werd dat alles bezegeld met de maaltijd waarbij hij getuigde dat er geen terugweg meer was en dat hij er ten volle ja op zei. Tot aan de rand, tot het uiterste, tot het laatste moment onderschreef hij waar hij voor stond. En bij alle tragiek en alle duisternis was deze daad daarmee ook een teken van geloof, hoop en liefde. Geen dreiging, geen geweld of wat dan ook kon deze liefde breken of ongedaan maken. En met het brood en de wijn reikt hij ons een spijs van eeuwig leven. Over deze gave heeft de dood geen macht. Jezus gaat er doorheen zoals brood door het vuur van de oven gaat en druiven geperst worden tot wijn, leven en lijden getransformeerd tot kristalheldere liefde, sterker dan de dood.

Op Sacramentsdag vieren wij hetzelfde geheim, maar nu in een heel andere context. Hier geen rumoerig en volgepakt Jerusalem, geen dreigende wolken van verraad, vernedering, verloochening en dood, maar een verstilde viering, een schouwen naar het geheim van Gods liefde die zich als brood voor de wereld gegeven heeft. Dat kan wereldvreemde trekken aannemen, maar het kan ook helpen dieper door te dringen in de levensgang van Jezus. Samen met Sacramentsdag kwam ook de aanbidding van het sacrament in zwang. Daar valt van alles over te zeggen, maar laten we vandaag een moment stil staan bij de vruchten die wij ervan kunnen oogsten. Het stil verwijlen bij het sacrament  kan ons in deze tijd van jachten en jagen gevoelig maken voor de  schat die verborgen ligt in het stil vertoeven in het gezelschap van een geliefde. Zonder woorden, er zijn voor en met de ander.  Dat simpele brood waarnaar wij opzien kan ons de weg wijzen niet alleen naar het geheim van Gods ontlediging, maar ook naar de weg die er nodig was en is om tot zuiver brood van of voor Christus te worden. Jezus is brood geworden en daartoe zijn veel korrels bijeengebracht, samen gemalen, een bestaan tot eenheid gebracht en getransformeerd tot spijs die leven geeft. Dat is niet iets van één dag, dat vergt ascese, geduld, overgave, volharding en doorheen dat alles onbaatzuchtigheid. Hij heeft het bevochten en er zich aan overgeven in nachten van gebed en in dagen van aandacht voor anderen. En toen hij ervoor door het vuur moest, heeft hij niet geweigerd in geloof ja te zeggen.

Sacramentsdag, het is een feest dat ons uitnodigt om aan de voeten van de Heer te overwegen en te schouwen waartoe liefde in staat is. Hier wordt niet alleen het leven van Jezus getransformeerd, maar dat geldt ook voor ons leven, wanneer wij lang genoeg dit geheim beschouwen met een innerlijke blik en ons laten raken.  In die stille overweging verteren wij het brood dat Christus is om zo zelf brood voor de wereld te worden.  Zonder dat zitten aan de voeten van de Heer, zonder die stille aanbidding zijn wij misschien ijverige Martha’s, maar mist ons leven de liefdevolle en intense aandacht van Maria. Wij zijn evenwel geschapen om beide Maria’s te zijn. Witte Donderdag en Sacramentsdag, twee vormen van het ene geheim, maar alleen als ze samen worden beleefd, als het ene ongedeelde geheim, als het ene gebod van de liefde voor God en de naaste, als  brood voor ons gebroken tot leven voor de wereld en als dankoffer voor het leven ons gegeven. Zo moge het zijn. AMEN.

Abt THijs Ketelaars

Drievuldigheidszondag   12 juni 2022

“Nog veel heb Ik u  te zeggen, maar Gij kunt het nu nog niet dragen. Wanneer Hij echter komt, de Geest der waarheid, zal Hij u tot de volle waarheid brengen.”

Jezus heeft nooit een dogmatische verhandeling gegeven over de H. Drie-eenheid. Wel heeft Hij steeds gesproken over zijn hemelse Vader, en benadrukt dat Hij en de Vader één zijn. Om die reden wilden de omstaanders Hem stenigen. Zij beschouwden zijn woorden als godslastering. Ook heeft Hij, zoals in het evangelie vandaag, gesproken over de H. Geest en diens komst beloofd. Als wij in de waarheid staan zullen wij diens stem mogen vernemen. Hij zal ons alle nodige onderricht geven.

Dat is dus de opdracht die wij hebben, lieve mensen, dat wij in de waarheid gaan staan. Of liever: dat wij de waarheid zoeken. Want dat kunnen we misschien over de waarheid zeggen: het is niet iets dat je hebt, maar eerder iets dat je drijft, de motor die je stuwt.

Denk aan de mooie woorden van Sint Augustinus aan het einde van zijn traktaat over de Drie-eenheid: “Geef dat ik U zoekend mag vinden en dat, wanneer ik U heb gevonden, ik U blijf zoeken.”

Maar hebben wij niet veel andere, meer dringende zorgen aan ons hoofd, mogen wij ons wel verliezen in gedachten over het geheim van God, terwijl onze wereld in brand staat? Moeten wij ons geen zorgen maken over het beëindigen van het geweld, over de wapenwedloop die weer opnieuw is ingezet, de polarisatie in de politiek, de CO 2 problematiek, hoe wij een leefbare aarde kunnen nalaten aan een komende generatie? Nadenken over het geheim van de Allerheiligste Drievuldigheid, is dat geen luchtfietserij?

Gisteren in de middagdienst hoorden we een lezing over de weg van de mens. Woorden van onze medebroeder Benoît Standaert, die deze weer ontleende aan denkers uit het verleden als Gregorius van Nyssa en Meister Eckhart. “Het leven is een opgang. Je bent nooit aangekomen. Het is een duurzame pelgrimstocht. Pas op het hoogste punt bereik je God. Maar het is van belang dat einddoel wel voor ogen te houden. Want pas in het licht van het absolute einde krijgen onze initiatieven,  alle dingen uit ons aardse leven, hun echte inhoud, hun al of niet blijvende waarde.”

Het heeft dus zin om ons leven te zien in het perspectief van de Allerhoogste.

Jezus leefde in een voortdurende verbondenheid met de Vader, vervuld met hun beider Heilige Geest. Dat bewoog Hem tot een grote liefde voor en deernis met de mensen. Dat was het voorbeeld dat Hij hen voorhield en waartoe Hij hen uitnodigde. Hele nachten bracht Hij door in gebed. Daarin zocht Hij zijn kracht en zijn inspiratie.

Wij kunnen Gods geheim niet beter benaderen dan door Hem daarin naar onze mogelijkheden na te volgen. Door in geloof in vrede te leven met God en met elkaar. Wij hoorden de woorden van Paulus aan de christenen van Rome: “Gods liefde is in ons hart uitgestort door de heilige Geest die ons werd geschonken.”

Wij hebben van God in zijn heilige Drievuldigheid een moeilijk geloofspunt gemaakt, dat in de geschiedenis tot scheuringen en godsdienstoorlogen heeft geleid.

Of dat getuigt van ware godsdienstzin? Ik weet het niet.

Natuurlijk, het is de taak van ambtsdragers en theologen om over de zuiverheid van de leer te waken.

Maar we dienen toch bovenal voor ogen te houden dat God liefde is en vrede wil.

Ik herinner mij een echtpaar uit mijn jeugd. In die tijd waren grote gezinnen nog heel gewoon. En dit echtpaar had, voor zover ik mij herinner, zeker zes kinderen, en misschien zijn er nog wel bij gekomen. Hij was gynaecoloog in een groot ziekenhuis, en zij was een heel lieve en ook heel mooie vrouw. Maar wat op mij als jongeman bijzonder indruk maakte was dat zij, na de nodige huwelijksjaren, nog steeds heel erg verliefd waren op elkaar. Hij was een kundig arts en stond nuchter en reëel in het leven, maar hij smolt voor zijn vrouw. Zij betekende alles voor hem, en hij deed ook alles voor haar. Maar, – en daarom breng ik dit hier nu ter sprake – op medisch gebied hield hij afstand van haar. Hij wilde zijn geliefde echtgenote niet behandelen als patiënt. Als het ware objectiveren. En dat wilde hij niet. Zij was zijn liefde.

Zusters en broeders, moeten wij zo ook niet staan tegenover het mysterie van de Allerheiligste Drie-eenheid. Dat is zo’n intiem geheim. Dat is de binnenkant van ons eigen wezen. Daarin ligt onze oorsprong en onze eindbestemming. Over alles wat er gebeurt met ons na dit aards bestaan weten we bijzonder weinig. Ja, er is een voortbestaan, ja we zullen een geestelijk lichaam krijgen, maar hoe moeten we ons dat voorstellen? Wat wij weten, wat wij mogen hopen, is dat  Hij onze toekomst is, dat Hij ons leven draagt, door alles heen. Dat is wat wij vandaag bijzonder vieren, dat Hij onze Vader is, dat Jezus onze Verlosser is, dat Gods Geest ons heiligt, ons zuivert, onze fouten vergeeft en ons heiligt. Dat de oneindig grote God de kern van ons leven is, ons bewoont en bewaart, ons met elkaar verbindt. Door de sacramenten is die verbondenheid bezegeld, maar alle mensen zijn schepselen Gods en Hij die liefde is kan niet anders dan het geluk van ieder bewerken. Hoe komt het dat in de eerste eeuwen het christendom zo snel de samenleving voor zich wist te winnen? Is het niet omdat het goed nieuws verkondigde, en de wereld overtuigde door een levend geloofsgetuigenis?

Mogen wij vandaag geraakt worden door het vuur van Gods liefde, en in een wereld die helaas weer opnieuw naar wapens grijpt getuigen dat wij ons vertrouwen stellen in de wapens die het evangelie ons aanreikt, de kracht van het gebed, een vurig geloof, en liefde en respect voor alle leven. In Naam en tot eer van de Drieëne God die hemel en aarde heeft gemaakt.

 

Br. Gerard Mathijsen osb

Pinksterpreek 5 juni 2022

Vorig jaar zaten wij tijdens de Paastijd in een lockdown en het Pinksterfeest met zijn openslaande deuren en zijn venster op de wereld veranderde daar niets aan. Althans zo op het eerste gezicht, maar wij hebben vorig jaar toch Pinksteren gevierd, want Jezus komt, zo lezen wij in menig paasverhaal in de evangelies, zelfs door gesloten deuren. Hij laat zich niet weerhouden door een lockdown of welke blokkade dan ook. Hij opent de deur van het hart en schenkt ons zijn Geest om te leven als kinderen van het licht, kinderen van de hoop.

Hoe staat het er dit jaar voor? De lockdown is voorbij en de vensters op de wereld staan weer zó ver open dat Schiphol de drukte niet aankan. Maar hoe staat het met de deuren van ons hart, staan zij wel zo wijd open als bij het eerste Pinksteren het geval was?

Die eerste leerlingen waren na de dood van Jezus in hun schulp gekropen, zij hadden zich teruggetrokken achter dichte deuren, want de wereld kwam hun als vijandig voor. Zij hadden er niets goeds van te verwachten, de terechtstelling van Jezus was er het levende bewijs van. Gods koninkrijk dat zij in hem verwachtten, het was met zijn dood uit hun blik verdwenen.

Maar het liep anders, want Jezus trad hun dichtgetimmerde bestaan binnen als een levende, als door de Vader uit de muil van de dood ontrukt. Want hij die zijn leven lang op de adem van Gods Geest had geleefd, werd door de banden van de dood niet vastgehouden, maar werd thuis gebracht in Gods schoot. En de leerlingen kregen te verstaan dat zij het leven van Jezus moesten herlezen uitgaande van wet en profeten. Jezus had zijn leerlingen aangespoord te bidden en te wachten, want dat nieuwe leven, dat herlezen van Jezus’ bestaan maar ook van hun eigen bestaan, vergt niet alleen tijd maar ook de bijstand van de Geest. Want zonder die adem blijft alles dood.

Wij hebben dan ook de afgelopen negen dagen gebeden en gewacht op de Geest. “Veni sancte Spiritus’, Kom o Geest’, Geest die schept en herschept vanaf den beginne.  Want waar enkel duister en chaos was, zorgde de adem van God dat er leven tevoorschijn kwam, een schepping waarin God behagen vindt als in een troetelkind. Een wereld die tot op de dag van vandaag vraagt om bewoond en bewerkt te worden op de adem van Gods Geest, respectvol, leven hoedend en bewarend, van klein tot groot, en in heel zijn rijkdom aan levensvormen.

Maar dat blijkt moeilijker dan je misschien zou verwachten. De mens, uit stof geschapen, mag dan wel Gods adem in zijn neus hebben ontvangen, dat blijkt nog geen garantie dat hij met de schepping omgaat zoals God het graag ziet.  En wij lezen in het boek van ons geloof, hoe het leven al vanaf de eerste dag een te moeilijk experiment lijkt. De afgunst zorgt voor dood in plaats van leven in dankzegging. Maar God laat niet varen het werk van zijn handen en in de wisseling van de tijd blijft zijn Geest gaande om mensen toe te rusten voor een nieuw begin in waarheid en gerechtigheid.  Soms zijn het koningen, soms zijn het profeten of wijze vrouwen die het voortouw nemen, want God heeft ons niet geschapen voor de dood maar voor een leven dat weet te delen en dankbaar te ontvangen.

De Geest die levend maakt, die schept en herschept vanaf het begin, is door Jezus aan zijn leerlingen beloofd. Hij zal hun niet eenzaam achterlaten. Want hij die heel zijn leven met hen heeft gedeeld, die hun deelgenoot gemaakt heeft aan de liefde van de Vader, hij blijft met hen begaan en hij zal op een nieuwe manier bij hen zijn. Gingen zij tijdens zijn leven met hem de weg, nu zal hij hen innerlijk nabij blijven. De Geest, zo zegt hij vandaag in het evangelie, zal u alles leren en in herinnering brengen’.  Dat is niet máár een herinnering, nee dat is een meegaan in de tijd, gedragen en gesteund door wat hij was en door wie hij nu is. Zoals je na de dood van een geliefde soms van mensen hoort dat ze verder gaan, innerlijk door hem of haar bewoont met wie ze eerder het leven deelden. Verdergaand gedragen en gesterkt door zijn geest.

Op deze Pinkstermorgen hoorden wij het verhaal uit de handelingen van de apostelen. De crisis is doorstaan en meer dan dat. Jezus is naar de hemel opgestegen, verdwenen in de wolk van God, maar uit die intimiteit komt hij op een nieuwe manier bij hen binnen. Kenden zij hem eerst van de omgang in stad en straat, nu kennen zij hem van binnen als een vuur dat hen verwarmt, bezielt, bemoedigt en troost. Hen innerlijk bevrijdt en een nieuwe taal doet spreken. Niet aangeleerd na veel studie, maar ontvangen zoals het een verliefde ziel overkomt, die van binnen wordt geraakt of zoals iemand die na een lange vriendschap innerlijk is veranderd en zijn weg vervolgt als een herboren mens.

Pinksteren, de Geest van het begin die de chaos overschaduwde, de Geest die koningen en profeten bewoog, die Maria overschaduwde, en die als een hevige wind de deuren open blies van de leerlingen in de bovenzaal. Allemaal taal en tekens die getuigen van een innerlijk ervaring, die hun hart in vuur en vlam zette en hun tong en taal gaf om te getuigen dat God ons niet voor de dood geschapen heeft maar voor een leven dat in vrede en gerechtigheid met elkaar wordt gedeeld. Geen toren van Babel waar de kennis en het vernuft wordt gebruikt om God naar de kroon te steken, maar een stad waar de poorten openstaan en in verscheidenheid van taal en cultuur eensgezind en in onderling verstaan Gods naam wordt groot gemaakt als Vader van Jezus Christus, eerstgeborene uit de doden en eerstgeborene van heel de schepping, universele broeder, voor niemand te min.

Pinksteren, Veni sancte Spiritus, Kom Heilige Geest, vervul ons hart met liefde, opdat het aanschijn van de aarde mag worden vernieuwd. AMEN.

Abt Thijs Ketelaars

HAND. 2,1-11; Rom. 8,8-17; Joh. 14,15-16.23b-26

 

Preek Hemelvaartdag 2022

Tweemaal vertelde Lucas ons vandaag dat Jezus ten hemel werd opgenomen. Aan het begin van de Handelingen van de apostelen en aan het slot van zijn evangelie. Wat rest ons nu nog van hem? Er is geen graf meer dat wij kunnen bezoeken. Hooguit is er een lege plek. En er valt ook niets meer te zien, Hij is aan onze ogen onttrokken, opgenomen ten hemel. Die hemel is geen plek boven de wolken, maar een naam voor God. Jezus is opgenomen in God, in de wolk van niet weten, dat eigen domein van God.

Hij is opgenomen in de hemel zoals hij ons ook uit de hemel was geschonken. En misschien begint er nu iets bij ons te dagen, brengt het slot van het evangelie ons terug naar het begin. Wij hebben  zojuist horen spreken over ‘grote blijdschap’ bij de leerlingen. Dat voert ons terug naar de aanvang van Jezus’ aardse bestaan. Daar werd door de engel uit den hoge aan de herders ‘grote blijdschap’ verkondigd, ‘ ‘heden is u een redder geboren Christus de Heer’. Zo rijmen begin en einde op elkaar. Maar als dat zo is, dan stelt zich de vraag: wat heeft dat te betekenen? Is het verhaal dan misschien toch niet uit, maar staan we aan een nieuw begin?

De grote blijdschap die de herders werd gemeld, was het begin van een mensenleven waarin Gods liefde onder ons verscheen, kwetsbaar als een pasgeboren mensenkind, overgeleverd aan de handen van mensen. Een mensenkind, God zal ons redden is zijn naam. Een mens die grote blijdschap bracht in het leven van mensen die niet meetelden, die geen naam en geen gezicht hadden, die wachtten op bevrijding uit tal van vormen van eenzaamheid en dood. Als een lopend vuur is het rond gegaan en van heinde en ver kwamen ze naar hem toe. En waar de een hem met open armen ontving, daar werd door een ander een bedreiging gezien voor de maatschappelijke orde of voor de eigen positie.  Want hij liet zich aan niets gelegen liggen behalve aan het woord van de Vader, die gezegd had: jij bent mijn geliefde zoon. Uit dat woord had hij geleefd en daaruit had hij mensen bemind zonder onderscheid, allemaal kinderen van God om te delen in zijn liefde en leven. Dat geschenk uit de hemel, het was tenslotte vermalen onder de machten die niet wilden weten van dienen, maar slechts uit waren op heersen, een tegenstrever die zich al laat gelden vanaf het prille begin van de schepping. Maar dood en duisternis kregen op deze mens geen greep, geworteld als hij was in het licht. En vandaag horen wij hoe dat leven door God wordt opgenomen en wordt thuisgebracht in de schoot van zijn ontferming. Na al het onze te hebben gedeeld en in het land van de  ballingschap de weg te hebben gebaand naar het leven in Gods licht, is hij definitief aan onze blik en aanraking onttrokken. Maar niet zonder een laatste woord, een belofte en  zending.

Dat levensverhaal wordt aan beide kanten omgeven door mensen die het met grote blijdschap ontvangen. De herders zijn de eerste verkondigers van het evangelie, terwijl het nog in al zijn kwetsbaarheid in een kribbe ligt. Zij spreken grote woorden over een pasgeboren mensenkind, dat de belichaming is van Gods belofte. Een nieuw begin voor onze wereld.

En aan het eind van het verhaal, wanneer dat mensenkind, zo lijkt het, geen spoor meer onder ons achterlaat, is er opnieuw grote blijdschap. Maar waar zouden die leerlingen blij om kunnen zijn, nu alles voorbij lijkt en het boek van Jezus’ leven gesloten? Naar de hemel staren biedt geen uitkomst en toekomst, want de hemel is de hemel van God en onze plek is op aarde. Is er op de aarde dan toch toekomst zonder hem? Ja, er is toekomst, maar eer het zover is, moeten de leerlingen de aardse Jezus helemaal achter zich laten, loslaten  zoals hijzelf hun had gezegd. Want er moest in hun bestaan op een heel nieuwe wijze plaats komen voor hun Heer, voor hem die hun de weg naar de Vader had ontsloten, die beeld en gelijkenis was van Gods barmhartigheid. Had Hij hun niet gezegd dat ze kracht uit den hoge zouden ontvangen en dat de Geest hun alles in herinnering zou brengen wat hij hun gezegd had?  Zijn leven was niet uit en over, maar zou een nieuw begin kennen. Was hij voorheen onder hen en met hen op weg, nu zou hij in hen de weg met hun gaan.

Hemelvaart van de Heer, het is een einde maar het is ook de aanzet van een nieuw begin. Daartoe worden de leerlingen uitgenodigd om te wachten, om in Jeruzalem te blijven. Want zij zijn in blijde verwachting, zij verwachten de geboorte van Christus in de schoot van hun bestaan, de Geest die levend maakt. Zij houden zich op in de tempel, heiligdom waar in stilte en lofzang God woont.

Gingen wij met de herders op zoek naar Gods mensenkind in de kribbe, grote blijdschap voor de wereld, nu worden wij geroepen om met de leerlingen in stille verwachting open te staan voor de Geest van hem die naar de Vader is opgegaan.  De liturgie schrijft daar geen negen maanden voor, maar negen dagen. Maar laat ons geen haast maken, in onze jachtige tijd waar stilte een kostbaar goed is en waar de schoot van ons verlangen maar al te vaak door andere zaken wordt gevuld, worden wij uitgenodigd in gebed en stille aandacht ons voor te bereiden op de inwoning van hem die ons nodigt tot een nieuwe gemeenschap.  Wij zien uit naar een nieuwe geboorte van ieder van ons, bewogen en bewoond door de Geest, wij zien uit naar een nieuwe geboorte van de kerk, gemeenschap waar het woord van God wordt verwelkomd, gekoesterd en beleefd met hart en ziel en alle krach, opdat het aanschijn der aarde mag worden vernieuwd tot lof van Gods heerlijkheid. AMEN.

Abt Thijs Ketelaars

2022 Hemelvaart Hand.1,1-11; Hebr. 9,24-28; 10,19-23; Lc 24,46-53

Preek 22 mei 2022

In de tweede lezing van vandaag geeft de visionaire Johannes ons een intrigerend beeld van de heilige stad die beheerst wordt door Gods stralende aanwezigheid.

Jeruzalem, niet in het stof en de stank van de zomerse hitte, benauwde straatjes binnen de vele malen opgelapte muren, en poor­ten, om­zwermd door bedelaars, ook geen hedendaags beeld, met veel toeristen en heel veel militairen, maar een stad zoals zij bedoeld is, zoals de Schepper haar gewild heeft, haar droomt, en haar eens zal doen zijn: een hemelse, schitterende stad, gebouwd uit kostbaar gesteen­te, met engelen aan de poorten.

Het meest wonderlijk is wel: de tempel, die het oude Jeruzalem aantrek­ke­lijk maakte en heiligde, is er niet te zien. Deze nieuwe stad wordt geheiligd en verlicht door de aanwe­zigheid van God en van het Lam, die er het stralend middel­punt van vormen.

Ja, een prachtige droom van die oude Johannes, maar geen aardse werke­lijkheid. Een beeld van wat komen zal, geen afspiegeling van het heden. De stad, die Johannes ziet, daalt van God uit de hemel neer. Een stad, een gemeen­schap, die door mensen wordt gebouwd ziet er anders uit. Daarover gaat het in de eerste lezing.

In de jonge christengemeenschap te Antiochië heerst grote onzeker­heid en ernstige meningsverschillen over welke de religieuze normen en waarden zijn, waaraan men onverkort dient vast te houden, en welke als achterhaald kunnen worden beschouw­d. Moeten wie zich vanuit het heidendom aansluiten, de gebruiken van de joden overne­men? Moeten joden die in Jezus zijn gaan geloven als de Christus, breken met hun eigen religieuze traditie?

Ieder denkt daar anders over, en misschien juist omdat men het niet helemaal zeker weet, wordt er  met grote felheid gediscussieerd .

Wie de vernieuwingen van het Tweede Vaticaans Concilie heeft meege­maakt herkent misschien iets van soortgelijke problemen: ook toen moest opnieuw worden vastgesteld welke verplichtingen en geboden het leven bepaalden, tot welke vrijheid men zich geroepen mocht weten, en hoe men zijn verbon­denheid met Christus binnen de ge­meenschap van gelovigen gestalte kon geven.

De oplossing voor de gelovigen in Antiochië wordt te Jeruzalem gezocht en gevonden in eensgezind beraad van apostelen en oudsten, die nauw voeling houden met wat leeft in de plaatse­lijke gemeen­schap en die zich daarbij laat leiden door Gods Heilige Geest. Als je èrgens een strak vasthouden zou verwachten aan de joodse overleve­ring, dan toch wel in hartje Jeruza­lem. Een beter bewijs dat de gemeen­schap daar bezield was van de Geest van Jezus dan de ruimheid, waarmee men besloot te volstaan met minimale eisen voor de nieuwe gelovi­gen, is wel niet denkbaar. De jonge Kerk, in het heilig vuur van het eerste begin, houdt ons een model voor van echte apostoliciteit. Mensen niet afstoten met overbo­dige ballast, maar een gedrags­lijn zoeken door samen biddend te luisteren naar de Geest. Synodaliteit, het woord van toen, het woord voor vandaag. Paus Franciscus roept ertoe op. Samen zoeken, en ons laten leiden door Gods Geest. “Hij zal u alles in herinnering brengen wat Ik u gezegd heb”, heeft Jezus beloofd.

Er is een nauwe relatie, een wisselwerking tussen de band, die gelovi­gen onder­ling samenhoudt in de ruimte van de Geest, en de zeer innige band, die de gedoopte heeft met Gods eigen geheim.

“Het eigenlijk menszijn ontluikt slechts in de mate dat de mens naar God verlangt, naar Hem toeleeft, en vanuit Hem naar de dingen toegaat,” schreef Romano Guardini. Hoe meer een mens spiritueel zijn/haar  binnen­kant ontdekt, en daar tot vrede komt, hoe meer hij/zij ook in staat is de ander echt ander te laten zijn, en de ruimte te gunnen. En ook: hoe meer hij/zij oog krijgt voor de binnenkant van de dingen, voor hun intrinsieke waarde.

Misschien, dat zo het stoffige Jeruzalem uit Johannes dagen ten diepste toch meer gelijke­nis had met diens hemels visioen, dan ik suggereerde. Heeft Jezus niet geweend over Jeruzalem, juist omdat Hij de stad zo liefhad? Waren haar muren Hem niet dierbaarder dan kostbaar gesteente? Waren de bedelaars voor de poorten geen gezanten Gods?

De verbondenheid met God is een groeiproces, doorheen moeilijkhe­den en duister­nis. Maar als wij ons overgeven aan dat proces, aan de werking van de goddelijke genade in ons innerlijk, ontstaat er een diepe vrede.

“Niet zoals de wereld die geeft”   of voorwendt te geven. Geen opper­vlakkige vrede, en geen werkeloze, maar het diepe vertrouwen dat we uiteindelijk belan­den in Gods hand, dat zijn zorg over ons waakt. Een gevoel van verbon­denheid, dat aanzet om niet te berusten in onrecht, om niet de ogen te sluiten voor de nood van mensen.

“Als iemand Mij liefheeft, zal hij mijn woord onderhouden”, zegt de Heer. Teken van ons in-Christus zijn is ons dienstbaar meeleven met elkaar. Zo ontstaat een gemeenschap naar het hart van de Heer. Eens zal die worden opgenomen in de stralende stad van omhoog, nu is het nog een pelgri­merend volk onderweg.

Misschien dat voor velen van ons het visioen van de ziener van Patmos te hoog is, dat wij liever dromen over die eerste lezing, waar aposte­len en oudsten in overleg met heel de gemeente gaan, – synodaal –  biddend eendrach­tig besluiten nemen  die ruimte bieden en het voor godzoekers mogelijk en aantrekkelijk maken zich aan te sluiten. Laat ieder zijn eigen dromen dromen. Het is goed die dromen te koesteren.

Maar laten wij allereerst God zoeken in de intimiteit van ons hart: daar spreekt Hij tot ons en openbaart ons zijn liefde. Onze zorgen en noden, onze vreugde en onze hoop, mogen wij Hem toevertrouwen, onze kleine gemeenschap van broeders en oblaten, ieders gezin, familie, en de grote gemeenschap van de Kerk worden verlicht door de luister van zijn licht, en hebben zijn vrede als hecht fundament.

Br. Gerard Mathijsen

6e Paaszondag C-jaar 2022

 

 

Preek 15 mei 2022

Er valt vandaag veel te vieren en te gedenken en daarbij dringt zich de vraag op ‘waar te beginnen en wat terzijde te laten om niet te verdwalen. Het is de vijfde zondag in de Paastijd, het is ook de zondag voor de Oosterse kerken en het is de zondag waarop in Rome tien leerlingen van Jezus, 4 vrouwen en 6 mannen, heilig worden verklaard.

En bij die tien bevindt zich ook een Nederlander zoals u weet, Titus Brandsma, een echte Fries. Precies 80 jaar geleden omgekomen in het concentratiekamp Dachau. Een man wiens heiligheid niets van doen had met zweverigheid en vrome praat, maar met trouw aan de fundamentele waardigheid van elke mens en het zich sterk maken voor vrijheid van meningsuiting, niet om een ander te verguizen of zwart te kunnen maken, maar om de waarheid te zoeken en te dienen. Hij heeft er zijn leven voor gegeven.

En dat brengt ons bij het evangelie van vandaag. Het waren maar een paar zinnen uit het 13e hoofdstuk van Johannes. Die woorden krijgen hun ware betekenis alleen als we de context niet uit het oog verliezen.  Jezus spreekt ze op het ogenblik dat Judas van tafel is weggegaan bij het laatste avondmaal om Jezus te verraden. Na dat vertrek horen wij Jezus zeggen ‘nú is de mensenzoon verheerlijkt en God is verheerlijkt in hem’. Hoe rijm je die woorden met de situatie? Judas verlaat de kring om Jezus aan te geven en Jezus spreekt over zijn verheerlijking. Wat is dat dan ‘God verheerlijken’? Is dat niet trouw blijven aan je meest eigen roeping? En daartoe heeft Jezus dag in dag uit geluisterd naar Gods stille stem. Hij heeft geluisterd in de stilte van de nacht, in het gebed en in het leven van alledag en bij de voorlezing van de Schrift. En al luisterend heeft hij gehoord hoezeer God hem beminde. En vanuit die oergrond heeft hij zijn roeping beleefd, de roeping van ons allen: mensen beminnen, allen zonder onderscheid, met de liefde die uit God is, Hij die zijn zon laat opgaan over goeden en slechten. Jezus zegt er ja op, niet omdat hij de dood niet vreest of het leven niet de moeite waard acht. Hij zegt ja omdat alleen zo God verheerlijkt wordt en er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde verschijnt waar God zelf bij de mensen woont, een wereld waar God alles in allen is.

Grote woorden die door het leven van alledag niet zelden worden tegengesproken, maar die overeind blijven in de overgave en de vrede waarmee Jezus het leven heeft aanvaard. Op die weg heeft Jezus navolgers gekregen, die net als hij vanuit een innerlijk luisteren naar het leven dat hun was geschonken, hebben geleefd. Zij hebben Gods wil gedaan door in het leven van alledag aan de liefde geen grens te stellen en tegen alle verdrukking in de waarheid te zoeken en te dienen. De heiligen die vandaag op de kalender worden bijgeschreven, horen in die rij thuis. Zij zijn in Jezus’ voetstappen getreden en hebben in soms heel barre omstandigheden niet opgehouden mensen te beminnen en de waarheid te dienen. Zo hebben ook zij God verheerlijkt in hun broze bestaan en zijn zij in een duistere wereld een licht op de kandelaar, een baken van hoop.

Je hoeft daarvoor geen heldendaden te verrichten, maar om het met Titus eigen woorden te zeggen ‘Wij zijn niet geroepen om in het openbaar levend grootse, opvallende en druk besproken dingen te doen… het is wél onze plicht om de gewone dingen op grootse wijze te doen, dat is met een zuivere intentie en de inzet van heel de persoonlijkheid.’[1] Het leven van Titus Brandsma speelde zich grotendeels af aan de universiteit waar hij les gaf en in de wereld van de journalistiek. Twee terreinen waarop veel mensen toen en nu werkzaam zijn. Maar waar anderen hun principes verlieten om het vege lijf te redden of om ander voordeel, daar bleef Titus trouw, omdat zijn doen en laten gegrond was in een innerlijk luisteren, in zijn geworteld zijn in de stille overgave aan God, die hem de waardigheid van de mens deed hooghouden, allen zonder onderscheid, wie of waar ook, allen kinderen van God, de een niet minder dan de ander. Trouw ook aan het beginsel in de journalistiek de waarheid te dienen en zich niet te laten intimideren of toe te geven aan stemmen die eisen zich te voegen naar een ideologie die niet stoelt op evangelische grondslag. ‘Blut und Boden’ zijn toen en ook nu geen grond waarop een vreedzaam en menswaardig bestaan kan worden opgebouwd.  Titus Brandsma, hij was een principieel mens, maar tegelijk ook een irenische mens, geworteld als hij was in de stilte en innerlijke vrede van God. Wanneer hij in de gevangenis van Scheveningen op 22 januari 1942 op last van de Gestapo zijn laatste geschrift aan het papier toevertrouwt, dan eindigt hij zijn kritische beschouwing over de NSB en de Duitse bezetting van ons land met de woorden: ‘God zegene Nederland. God zegene Duitsland, God geve, dat beide volkeren weldra weer in volle vrede en vrijheid naast elkaar staan in zijn erkenning en tot zijn eer, tot heil en bloei van beide zoo na verwante volkeren.’ ‘Voeg daar het getuigenis aan toe uit Dachau, waar hij tot zijn medegevangenen zegt “men moet voor deze mensen (de bewakers) bidden opdat ze tot inzicht komen’, en je beseft dat hier een mens staat die vrij is, hoe gebonden ook, een mens in wie God verheerlijkt wordt en de naaste wordt geëerd. Een mens die 80 jaar geleden werd omgebracht en wiens woorden vandaag spreken in een wereld die nood heeft aan waarheid in journalistiek en leven, een wereld die uitziet naar daden die leiden kunnen tot verzoening en vrede, in eigen land en ver daarbuiten.

Titus en zijn heilige metgezellen mogen ons inspireren tot vernieuwde evangelische inzet in bidden en werken, in spreken en zwijgen, opdat het aanschijn der aarde mag worden vernieuwd en vrede aller deel wordt. AMEN.

Abt Thijs Ketelaars

[1] Titus Brandsma magazine pg. 13 citaat uit 1934

Cpa5 2022 Hand. 14,21-27;Apoc. 21,1-5a; Joh. 13,31-33a.34-35

 

Nieuwsbrief

Schrijf u vrijblijvend in en blijf op de hoogte van de activiteiten van Abdij van Egmond.

We respecteren uw privacy. Sint-adelbertabdij zal uw e-mailadres nooit delen met derden.
© 2022, Abdij van Egmond Algemene voorwaarden