Geen producten in je winkelmand.

Nieuws

Preek begrafenis br. Simon Laoût 15 juni 2021

De Prins Hendrikstichting waar onze broeder Simon de laatste twee jaar van zijn leven met veel zorg werd omgeven, was oorspronkelijk een rusthuis voor bejaarde zeelui. Het was hun laatste ankerplaats. Nu was broeder Simon bij mijn weten geen zeeman, al was hij al sinds zijn doop aan boord genomen van het schip van de kerk. Zijn leven is veeleer gekenmerkt door het evangelie van vandaag en dat speelt zich af op het land. Het verhaal van de Emmausgangers, zo staat in zijn aantekeningen, moest in de uitvaartliturgie als evangelie gebruikt worden.

Sinds jaar en dag wordt die tekst in ons getijdengebed gelezen tijdens de completen van Paasdag.  Als koster en man van de liturgie had broeder Simon die taak voor zich gereserveerd.  En zo hebben wij hem zijn lievelingstekst uit de Schrift elk jaar horen voorlezen.

Als monnik word je grootgebracht met de Schrift. Zo ook broeder Simon. En gaandeweg raak je steeds meer thuis in dat verhaal van God met ons mensen en ontdek je er je eigen plek in. Simon herkende zich in die twee leerlingen op weg. Maar eerst en bovenal ontdekte hij dat de verrezen Heer met hem optrok nog voor hijzelf dat in de gaten had. Dat Emmausverhaal bevat een grote troost en bemoediging en daar heeft hij zich een leven lang aan opgetrokken. Hij, de Heer, trekt in ons midden met ons mee. Daar hoeven we ons geen zorgen over te maken. Veeleer dienen we erop bedacht te zijn dat wij niet voorbijlopen aan zijn aanwezigheid onder ons. Dat vraagt om stille aandacht en een ontvankelijk hart. Paus Franciscus spreekt graag over de vreugde van het evangelie en Simon stemde daar graag mee in. Zijn geloof werd gekenmerkt door een opgewektheid, een vreugde, die voortkwam uit de diepe overtuiging dat Hij, de Heer, met ons gaat en ons gaande de weg ons de weg wijst. We staan er niet alleen voor.

Maar behalve die aanvankelijk ongeziene gast zijn er nog twee figuren in het verhaal en die maken ook wezenlijk onderdeel uit van broeder Simons levensreis.  Als monnik was hij een man van het koorgebed, en zijn leven lang heeft hij trouw als cantor met zijn heldere stem meegezongen in het koor. Van de vroege morgen tot aan de completen als afsluiting van de dag. Maar hij was ook een man van mensen. Dat hoorde bij zijn aard en hij legde heel gemakkelijk contact met jan en alleman. Niet voor niets wordt in de vele condoleances die wij dezer dagen ontvangen verwezen naar zijn vriendelijkheid en attente zorg voor mensen. Die trek heeft hij herkend in het evangelie van vandaag. Hij is heel zijn leven met mensen onderweg geweest, op welke post hij ook stond. Dat charisma kwam helemaal tot zijn recht toen hij gastenbroeder werd. Hij was geen geleerde theoloog en moeilijke discussies hadden niet zijn belangstelling, maar eens te meer wees het evangelie hem hier de weg. Samen optrekken in het geloof dat die derde in ons midden de weg zal wijzen. Luisteren naar het lief en leed van de ander die je levenspad kruist en gaandeweg de stem van de derde ontdekken die een weg wijst, die moedeloosheid doet verkeren in hoop en die kille en weifelende harten kan doen warmlopen voor een nieuwe weg.

Man van gebed, man van mensen, misschien is er nog een derde element in het verhaal dat broeder Simon karakteriseert. Een van de jongere broeders merkte afgelopen dagen op dat hij broeder Simon zo bewonderde omdat die vanuit een kerk die voor het concilie alle trekken had van een gesloten bastion, gegroeid was naar een open houding, waarin ook mensen werden verwelkomd en omarmd die buiten de geijkte kaders vielen. Geen veroordeling, maar een warm hart om te zien hoe samen de weg van het evangelie, de weg van het leven te kunnen ontdekken en gaan. Die houding vindt de goede verstaander ook terug in het evangelie van vandaag. Daar zouden we het woord dialoog en gesprek aan kunnen verbinden. In het verhaal van de Emmausgangers zijn twee en later drie personen onderweg. Die twee leerlingen zijn in een crisis beland en ze weten niet wat hun te doen staat. Daar helpen regels en voorschriften gewoonlijk niet direct verder. Zo’n situatie vraagt om een gesprek, om een dialoog om samen te zoeken naar de weg. Broeder Simon is niet alleen voor talloze bezoekers van het gastenhuis maar ook voor velen daarbuiten een gesprekspartner geweest. Iemand die met een vriendelijke glimlach of een attent gebaar de weg opende voor een gesprek dat deuren ontsloot naar een hoopvol verdergaan op de eigen levensweg.

Man van gebed, man van mensen, man van dialoog.  Hij heeft Jezus ontmoet die met hem op de lange weg van zijn leven is meegegaan, hij heeft tochtgenoten ontmoet en met hen lief en leed gedeeld. En gaandeweg zijn zij, en wij met hem, voor elkaar beeld van de Christus geworden die de ogen opent en het hart opnieuw tot leven wekt, toekomst geeft.

Wij nemen vandaag afscheid van een broeder die een leven lang geleefd heeft met en uit een verhaal dat leven heeft gegeven aan hemzelf en aan velen die hij op zijn levenspad heeft ontmoet. Zo lezen wij zijn portret in het Emmausverhaal.  En tegelijkertijd kijken wij in een spiegel en wordt het verhaal voor ons een uitnodiging, wordt broeder Simon voor ons een uitnodiging om in zijn voetstappen te treden. Ieder op zijn eigen plek, met zijn eigen gaven en zijn eigen roeping. Met vallen en opstaan en samen onderweg.

Laten we eindigen aan de zee. Een van de vrijwilligers die Broeder Simon regelmatig bezocht, ging af en toe met hem in de rolstoel naar de zee. Ze zaten daar een aantal keren samen stil naar de zee te staren. En bij haar kwam de vraag op: zou broeder Simon als zijn naamgenoot over water hebben kunnen lopen? Ik blijf het antwoord schuldig op die vraag. Hij was een landrot, dat weet ik, een pelgrim op Gods wegen en daar heeft hij menigeen die geen grond meer onder voeten had met een glimlach, een gebaar of een woord een pad gewezen door de zee, en stappen doen zetten in nieuw land. God zij gedankt voor dit leven midden onder ons. AMEN.

Abt Thijs Ketelaars

Lc. 24, 13-35

Preek 6 juni 2021

SPANNINGEN

In onze samenleving zijn we gewend geraakt aan snel reageren. Maar dat een eerste reactie niet altijd de beste is, bleek me bij de voorbereiding van de preek van vandaag. Toen ik het evangelie van deze viering las, kwam spontaan als eerste reactie de vraag: ‘wat moet ik daar nu mee beginnen?’

Eerste reactie, maar daarna nog eens lezen, en nog eens, en stil de tekst laten binnenkomen. Gaandeweg gebeurde er iets, er tekende zich een patroon af bij de personen die in het verhaal voorkomen. En wat eerst ver weg was en vreemd, kwam dichtbij en werd een spiegel van ons leven.

Wat gebeurt er in dit verhaal?

Allereerst zien we Jezus na zijn eerste publieke optreden naar huis terugkeren. Hij heeft succes gehad en het lijkt erop dat hij de regie over het leven daarmee is kwijtgeraakt.  Populariteit is mooi en leuk, maar wat als je leven als het ware wordt overgenomen door de publieke opinie en de media? Marcus vermeldt dat er niet eens meer tijd was om te eten.

Nu ging het Jezus niet om succes. Hij wilde zelf niet in de kijker staan, maar heel zijn doen en laten was gericht op heling van mensen en op de dienst aan Gods koninkrijk. Gods zorg voor mensen stond centraal. Maar ja, de buitenwacht gaat met zo’n verhaal op de loop en dan wordt er gepraat. De een is voor, de ander stelt er vragen bij en weer een ander zegt dat die man niet bij zijn verstand is.

En wanneer de familie er lucht van krijgt, komen ze overhaast want ze horen hoe hij voor gek wordt uitgemaakt. Dat komt de goede naam van de familie te na. Dat moeten ze voorkomen.

Maar hebben ze het wel bij het rechte eind? Volgen ze zonder nadenken wat ’men zegt’’, het gepraat in de straat, of hebben ze een eigen opvatting over de situatie. Het evangelie laat het in het midden, maar de context doet vermoeden dat de publieke druk de doorslag geeft.

De tweede groep die op het gebeuren reageert zijn de Schriftgeleerden die uit Jerusalem gekomen zijn. Die komen van ver en ze hebben een heldere en klare mening over wat hier gebeurt. Beëlzebub huist in hem. Het zijn de mannen van macht en orde, van regel en wet. Zij kennen de wet op hun duimpje en ze weten van orde. Het optreden van Jezus past daar niet in, meer nog, vanaf het begin van zijn optreden laat hij zich juist in met mensen die bij de Schriftgeleerden buiten de boot vallen, omdat er moreel, fysiek, geestelijk of etnisch iets op hen valt aan te merken.  Deze handhavers van het religieuze gezag doen ongetwijfeld met overtuiging en toewijding hun werk, maar vraag is ze of ze ook Gods werk doen. Zijn de grenzen die ze trekken en de maat die ze aanleggen niet al te zeer mensenwerk?

En dan krijgen we de reactie van Jezus op de boute uitspraak van de Schriftgeleerden. Het lijkt in eerste instantie lik op stuk. Zo vierkant als de veroordeling was, zo hard zijn Jezus’ woorden. Hij kapittelt de mannen met eenzelfde goddelijk aanspraak als zij deden. Hij doet geen enkele poging tot verzoening. Waarom deze reactie? Een zonde tegen de heilige Geest, noemt hij hun gedrag, erger kan het niet.

Menig commentaar stoort zich aan Jezus’ onverbloemde optreden, maar wat staat er op het spel? Werk van de duivel wordt hem verweten door de Schriftgeleerden en dat raakt Jezus in het hart. Want de duivel is bij uitstek degene die verdeeldheid zaait. Daarvoor gebruikt die duistere figuur allerlei methodes, vrome en minder vrome, slinkse en publieke. Verdeeldheid zaaien, scheiding maken tussen wij en zij, tussen goeden en kwaden. De Schriftgeleerden zijn experts in het scheiden van goed en kwaad, gelovig en ongelovig. Dat zijn categorieën die op zijn tijd nuttig zijn, maar als ze op de verkeerde plaats worden gebruikt, dan is het leed niet te overzien, dan worden mensen afgeschreven en uitgeschreven. Maar daarvoor is ons het woord van God niet gegeven. Dat is een duivels gebruik ervan in de mantel van de vroomheid.

En Jezus, hij doet precies het omgekeerde, want zijn doen en laten wordt bepaald door de Geest die samenbrengt en heling bewerkt. Heel zijn doen en laten is ‘het openzetten van deuren in plaats van ze te sluiten, om zo Gods helende, verzoenende, scheppende en vergevende werk doorgang te geven’.[1] Niet dat hij alles goedkeurt of het kwaad door de vingers ziet, maar mensen kun je maar winnen en op de weg naar bekering en heling zetten als je ze niet afschrijft. Als je ze, zoals God zelf doet, blijft zoeken en beminnen.

In deze discussie gaat het om het hart van het evangelie, om de ziel van God, en daar is voor Jezus geen compromis mogelijk. Dan zou hij zichzelf verloochenen, zijn roeping en zending. Hij is niet gekomen om te veroordelen, maar om te redden, om beeld en gelijkenis te zijn van Gods barmhartigheid.[2]

Lasteren tegen de heilige Geest noemt Jezus hun gedrag. Het scheppende en helende werk van God in het alledaagse bestaan blokkeren of tegenwerken, is er iets ergers denkbaar?

De Schriftgeleerden hebben het goed gezien. Jezus is thuisgekomen met een menigte die zij niet zouden willen ontvangen, tollenaars, zondaars, zieken en mensen van allerlei slag. Zij verdelen in goeden en kwaden, gelovigen en ongelovigen, Jezus verzamelt en heelt om alle kinderen van God bijeen te brengen, allen door God bemind en geroepen tot nieuw leven.

Het verhaal eindigt met een hernieuwd verschijnen van de familie. Ze willen hem spreken. Kwamen ze in het begin van het verhaal omdat er over hem gepraat werd, nu komen ze en menen ze als biologische familie voorrang te hebben. Maar Jezus wijst naar de kring om zich heen. Daar zit zijn grote familie, want als ware zoon van God denkt en leeft hij niet vanuit wij en zij, maar gedreven door de Geest is het één groot wij, allen kinderen van God,  geroepen elkaar tot zegen te zijn. AMEN.

Abt Thijs Ketelaars

Bdhj10  2021  Mc. 3,20-35

[1] Vgl. Rowan Williams: Stilte en honingkoek pg. 126

[2] Vgl. Mc. 2,17; Lc. 6,36;

Preek Sacramentsdag 3 juni 2021

De kerk viert al sinds haar prille begin eucharistie. Het begon op die avond dat Jezus brood en wijn nam en ze aan zijn leerlingen gaf. Het was op Paasavond toen ze in Jerusalem bijeen waren. We hebben het zojuist door de evangelist Markus horen vertellen.  Sindsdien wordt de kerk gevoed en opgebouwd door de viering van dat geheim.

Vieren wij dan ook al zolang Sacramentsdag? De argeloze kerkganger antwoordt op die vraag misschien met ‘ja’. Maar de kaarten liggen daar toch een beetje anders.

Het feest dat wij vandaag vieren gaat terug op een traditie die in het begin van de 13e eeuw is ontstaan in het bisdom Luik. Dat het niet bij een plaatselijk gebruik is gebleven, maar het feest voor de hele kerk werd voorgeschreven is te danken aan paus Urbanus IV. Hij was afkomstig uit Luiks gebied en hij nam de devotie en verering van het sacrament mee naar Rome toen hij paus werd. In 1264 werd het feest op de liturgische kalender van de universele Latijnse kerk geplaatst.

De eucharistische praktijk en vroomheid is in de loop der tijd danig veranderd. In de Middeleeuwen was er nauwelijks meer sprake van actieve participatie van de gelovigen en van het ontvangen van de eucharistische gaven. In onze dagen is dat heel anders. Het begon onder Pius X die de veelvuldige communie sterk propageerde en Vaticanum II heeft veel bijgedragen aan een actieve deelname aan de eucharistie. Wij plukken daarvan de vruchten.

Eucharistie is weer geworden wat het aanvankelijk was: een actieve deelname aan Jezus’ levensgang en levensgave, ja een betrokken worden in deze levensgave van Jezus. Daarom kijken we ook niet enkel toe, maar participeren wij, ja eten en drinken wij het lichaam van Christus om zelf helemaal te worden opgenomen in zijn gave aan de Vader. Wanneer wij eucharistie vieren delen wij in die grote dankzegging van Jezus die zich aan de Vader geeft maar ook aan ons – omwille van ons heil – en door deel te nemen aan die viering worden wij zelf lichaam van Christus om te doen wat hij heeft gedaan.

Eucharistie is dus een dynamisch gebeuren en geen schouwtoneel waaraan wij passief deel hebben door op te zien naar de hostie. Eucharistie is het sacrament waarin heel Jezus’ leven samenkomt op dat cruciale moment, daar aan de vooravond van zijn lijden en dood.

In deze tekenen zien wij hoe hij zich geeft ten einde toe. Niets houdt hij over, alles geeft hij weg: lijf en leden zet hij in om de naam van God te eren en mensen helend nabij te zijn. Eucharistie is dan ook het sacrament van de ontlediging, maar niet als een triest verlies maar als een dankzeggend geven aan de Vader en aan ons tot vergeving van de zonden, tot opbouw van een nieuw bestaan.

Totterdood heeft hij ons liefgehad, met hart en ziel. Willen wij daar deel aan krijgen, aan dat voor ons gegeven bestaan, dan is er maar één weg: die van de ontlediging, van het loslaten van je eigen bestaan, van het openen van je hart en handen. Want alleen zó, met lege handen, met een ruim hart, is er plaats om te ontvangen, om opgenomen te worden in die beweging van geven en ontvangen die het hart was van Jezus’ bestaan. Ëén en al gegevenheid, dat vieren wij ieder keer dat wij deelnemen aan de eucharistie.

Maar hoe verhoudt zich zo’n spiritualiteit, zo’n eucharistische beleving nu tot het feest van Sacramentsdag? Dat gaat immers terug op een traditie waarin de eucharistie heel anders werd beleefd. De lekengelovigen mochten kijken maar niet participeren. Zij mochten aanbidden, want na heel veel theologisch debat was alle nadruk komen te liggen op Christus’ reële tegenwoordigheid in de hostie. Het sacrament was in die discussie waar tegenstellingen werden aangescherpt tot een object geworden, iets om naar te kijken. Zo’n opvatting ziet iets wezenlijks over het hoofd. Maar elke tijd kent zijn grenzen en beperkingen.

Maar wat moeten wij dan vandaag met het feest van Sacramentsdag? Is er dan geen plaats meer voor eucharistische aanbidding en devotie? Of zoals een theoloog schreef: “Die spijs is er niet voor verering in stilte en aanbidding”.[1] Ik denk dat zo’ n opmerking iets wezenlijks over het hoofd ziet. Als de eucharistie het sacrament is van Gods liefde die zich geeft in vlees en bloed, in het concrete bestaan van Jezus, dan is dat een dynamisch en actief gebeuren. En wij worden daar heel actief in betrokken Wij worden opgenomen en meegenomen in dat verbond, in die leven schenkende ontmoeting met de Heer. Maar is daar ook niet tijd en plaats nodig voor een passief moment, voor contemplatie, voor aanbidding voor pure aanwezigheid? Zoals geliefden zich actief aan elkaar geven, met elkaar optrekken, omgevormd worden in een gedeeld bestaan, zo zal er in dat leven ook plaats zijn voor momenten van pure presentie, van niets doen, van bij elkaar verwijlen, van stille aanwezigheid als een weg om elkaar nog dieper te leren kennen en beminnen.

De eucharistie is er om haar te nuttigen, om omgevormd te worden in het lichaam van Christus. Maar de eucharistie nodigt ook uit tot stille aanwezigheid bij een geheim dat steeds dieper gekend en bemind wil worden, een gedeeld bestaan in actie en contemplatie, een bestaan waarin wordt gedankt, gedeeld en in stilte Gods mateloze liefde voor ons mensen wordt gesmaakt en geëerd.

Laat ons in die geest dit feest vieren tot opbouw van onze gemeenschap in Christus, opdat het aanschijn der aarde mag worden vernieuwd en allen deel krijgen aan de tafel van het leven. AMEN.

Abt Thijs Ketelaars

[1] BT 2008,62

20120603 Sacramentsdag  Mk. 14

Preek 1e Pinksterdag 2021

Een Ademtocht

“Toen de dag van Pinksteren aanbrak, waren allen bijeen op dezelfde plaats” zo begon het verhaal. ‘Was het maar waar’, heeft u misschien gedacht, want we zitten nog steeds met de beperking dat we de kerk maar op een kier open kunnen zetten gezien de 1,5 meter regeling. Wat dat betreft laat het verhaal ons op een houtje bijten.

Maar misschien is daarmee niet alles gezegd en valt erbij nader toezien toch iets te oogsten van die tekst.

Wij hebben het laatste jaar allemaal moeten wennen aan een lockdown die ons werd opgelegd. Het einde daarvan is in zicht, maar wat heeft het niet allemaal teweeggebracht.

In de Paasverhalen uit het evangelie was er afgelopen weken ook sprake van een lockdown voor wie goed heeft opgelet. Die was niet direct opgelegd van buitenaf, maar eerder van binnenuit. De leerlingen waren door de dood en opstanding van Jezus zo van hun stuk gebracht en van vrees vervuld, dat ze zich verschanst hadden achter dichte deuren uit vrees voor de Joden.  Een lockdown  uit angst voor erger.

Maar een lockdown die deuren sluit en ramen dichtplakt, maar geen uitzicht geeft op nieuwe mogelijkheden en kansen is even erg als de dood zelf. En geloof maar dat er achter die gesloten deuren niet alleen angst zat, maar ook agressie, onbegrip en woede. Het is allemaal heel herkenbaar.

Het heeft de verrezen Heer heel wat moeite gekost om zijn leerlingen achter die gesloten deuren vandaan te krijgen en ze op nieuwe wegen te zetten als mensen van hoop, Paasmensen.

Maar in het vervolg van het verhaal, op het slot van het Lukas’evangelie , is er sprake van een tweede soort lockdown, die we wellicht beter de naam van retraite kunnen geven.

Wat is er aan de hand? De leerlingen kunnen het Pasen van de Heer nog steeds moeilijk vatten en geloven. Jezus heeft hun de Schriften uitgelegd en ze te verstaan gegeven dat de weg van de mensenzoon zo moest verlopen, maar het bleek niet bij hen te beklijven, het kwam niet echt binnen. Dan nodigt Jezus hen uit om in de stad te blijven en te wachten tot ze met kracht zouden worden toegerust. Deze lockdown is geen passief afwachten en ook geen angstig wegkruipen achter dichte deuren, maar een zich openen en uitzien naar nieuw leven, een samen bidden in verwachting.

Die lockdown heeft een heel andere kleur dan de eerste. En vandaag hebben we gehoord waar dat op uitloopt. Hun huis, hun hart, hun mond wordt vervuld van de heilige Geest. Waar kort tevoren apathie was, onbegrip, ongeloof, ontmoediging en angst, en wat al niet meer, waar de leerlingen zich hadden afgesloten van de buitenwereld, daar keren ze zich nu vol vuur naar die wereld toe en beginnen ze te spreken in tal van talen. Ze verkondigen hoop en nieuw leven in Christus.

Pinksteren, doorbraak van de Geest die Jezus bezielde en die nu bezit neemt van de leerlingen. Niet alleen hun leven neemt een heel nieuwe wending, maar ze nemen anderen daarin mee, vreemden worden vertrouwden, aangesproken in hun eigen taal, er opent zich een weg naar een nieuwe gemeenschap.

En wij, kunnen ook wij uit de lockdown tevoorschijn komen als nieuwe mensen?  Is er alleen verzet of zou het toch ook zoiets als een retraite kunnen zijn?  Meestal duren die niet zo lang, maar in het leven hebben we het niet zomaar voor het zeggen. En dan, wat dan? Verzet of de handen opengelegd om iets nieuws te ontvangen? Kan dat, kunnen wij dat?

Onze cultuur leent zich daar niet echt toe. Onze samenleving is er een van haast en stel en sprong. Je merkt het aan het elektronisch verkeer, tussen bericht en antwoord zit nauwelijks of geen tijd meer. Actie reactie. Is er nog ruimte voor de Geest, voor de stilte waarin niet een reactie, maar iets nieuws geboren kan worden?

Zou er tussen actie en reactie nog plaats kunnen zijn voor een ademtocht waarin we kunnen kiezen hoe te reageren?  Laten we ons gijzelen door het gebeuren of geeft die adempauze ruimte aan de Geest die kiest voor het leven. Anders gezegd, sla je direct terug of houd je de hand terug en denk je aan toekomst voor jou en de ander. Zo teer als een ademtocht is de Geest, zo onopvallend en soms vrijwel onmerkbaar ook. Maar wat kan een glimlach of een vinger op de mond, een vraag om vergeving, een excuus allemaal niet doen. Paulus hoorden we  in de Galatenbrief spreken over de vruchten van de Geest en die lijken veel minder spectaculair dan we misschien verwachten. Maar ze zijn wel fundamenteel voor een gezond samenleven in klein en groot verband. Geduld, vriendelijkheid en goedheid vormen het midden van de reeks.

Zo dadelijk zingen we ook weer de Pinkstersequens met die aloude beden die ook de onze zijn zoals “Maak weer zacht wat is verstard, koester het verkilde hart, leid wie zelf de weg niet vond.”

Geest, Gods ademtocht, de wind die waait waarheen hij wil. Adem die aan de schepping leven geeft, die in staat bleek dorre beenderen te doen opstaan. Wat zou er gebeuren als wij de tijd namen, elke dag een heel kleine retraite, een positieve lockdown om onze ademtocht te laten vullen met de adem van Gods Geest, zodat ons spreken en zwijgen, ons doen en laten bewogen en geleid zouden worden niet door een impulsieve reactie maar door een adem die leven geeft.

Het verhaal uit de Handelingen mag ons ertoe uitnodigen. De leerlingen komen uit hun beslotenheid tevoorschijn en ze spreken mensen aan, niet uit de hoogte, maar staat er ‘in hun eigen taal’. Waar de Geest de ziel is van ons spreken worden bruggen gebouwd, worden culturen overbrugd en wordt een ander niet meer aangekeken op een vreemde tongval.

Kom o Geest, vervul ons hart opdat het aanschijn der aarde mag worden vernieuwd en wij elkaar verstaan en samenleven God ter eer. AMEN.

Abt Thijs Ketelaars

23-5-2021

Preek Hemelvaartsdag 13 mei 2021

Hemelvaart van de Heer, wat moeten we ons daarbij in Gods naam voorstellen? Lukas vertelt het heel plastisch en dan krijgt het nog een vervolg in de woorden van twee mannen in witte gewaden. Hun opmerking: ‘wat staan jullie naar de hemel te kijken?’ doet al vermoeden dat dat de verkeerde blikrichting is. Een vreemd verhaal waar menigeen niet goed raad mee weet. Wat wil dit tafereel nu eigenlijk zeggen?
Schriftverhalen moet je leren lezen zoals je ook je eigen leven moet leren lezen. Je moet thuis raken in de taal en ook in de voorstellingswereld. Dat vergt tijd, maar ook aandacht en invoelingsvermogen.
Als een verliefde ziel tegen vriend of vriendin zegt: Jij zachtgeplooide poes van mij’, dan weet elke puber dat je dat niet letterlijk moet nemen. Het is een beeld dat iets zegt over een relatie, over iets dat zichtbaar en onzichtbaar is.
Wanneer de Schrift ons vandaag spreekt over de hemel dan gaat het niet over een plaats of ruimte ver weg. In Jezus’ dagen was het woord ‘hemel’ een ander woord voor ‘God’. Denk maar aan de uitdrukking ‘koninkrijk der hemelen’ die identiek is aan ‘koninkrijk van God’. Dat kan ons helpen bij het verstaan van de uitdrukking: ‘Opgenomen worden in de hemel’ . Dat gaat niet over een plek ver weg in of buiten de kosmos, dat is thuisgebracht worden bij God. Opgenomen in de volheid van die relatie, geborgen en verborgen in God, die leven is. Delend in een intimiteit. Daarin deelt jezus ten volle, maar de leerlingen hebben nog een weg te gaan.
Lukas laat die hemelvaart van Jezus 40 dagen na Pasen plaats vinden. Daarin verschilt hij van Johannes bij wie Pasen, Hemelvaart en Pinksteren op een en dezelfde dag gebeuren. Nu kun je natuurlijk de vraag stellen: wie van de twee heeft gelijk? Maar misschien is dat niet de beste insteek en is het wijzer te vragen: wat wil Lukas ons duidelijk maken met dat getal veertig. Veertig jaar had Israël door de woestijn getrokken voor het binnenging in het beloofde land en Elia maakte een reis van veertig dagen vooraleer hij bij de berg van God aankwam. En Jezus heeft bij Lukas veertig dagen in de woestijn doorgebracht voordat hij aan zijn publieke optreden begon. Het getal veertig wijst dus op een tijd van voorbereiding en innerlijke verandering.
Tussen Pasen en Hemelvaart liggen bij Lukas veertig dagen. Een tijd van voorbereiding, van innerlijke verandering bij de leerlingen. Die tijd hadden ze nodig om te vatten wat het zeggen wil dat Jezus uit de dood is opgestaan. Zij wisten er aanvankelijk helemaal geen raad mee, want dood is dood, maar nee hij leeft. Maar gaandeweg hebben ze verstaan en is het bij hen binnengekomen dat dit afscheid niet het einde was. Ja, Hij de levende zelf is bij hen binnengekomen met zijn Geest.
De kruisdood van Jezus leek het bittere einde van een toegewijd bestaan aan God en mensen. Levend uit God, levend voor God, levend voor wat mensen leven geeft, een naam en een gezicht. Waarmee zou het leven meer gediend zijn, waarmee zou God meer geëerd zijn en waarmee zou Jezus meer trouw hebben kunnen zijn aan zichzelf?
Hij had bij Johannes in de rij gestaan en zich laten dopen. Dat was een overrompelende ervaring geweest. Hij was er innerlijk door aangeraakt en veertig dagen had hij in de woestijn nodig gehad om te beseffen waartoe de ervaring van Gods welbeminde zoon hem uitnodigde, waartoe ze hem riep.
En de rest van zijn leven laat zien hoe dat unieke zoon zijn hem niet verleidde tot zich laten gelden of zich ergens op laten voorstaan. Integendeel, hij leefde uit dat grote geheim van God, die leven geeft en mensen tot leven wekt.
En zo levend opende Jezus voor menigeen die niet in tel was, die geen naam en gezicht had, die in het verhaal van de groten niet voorkwamen tenzij als slaven en randfiguren, voor hen opende Jezus met zijn ontfermende blik de hemel. Die kleinen en geknechten wisten zich bemind, thuis bij God.
Maar de waarheid is weerloos en de wereld kent ander machten en krachten die enkel denken aan een hemel voor zichzelf of voor de happy few. Of die menen dat God een strenge selectie maakt, mensen buitensluit in plaats van uit te zien als de vader van de verloren zoon.
Misschien zou je mogen zeggen: Jezus leefde vanuit de hemel, Jezus leefde vanuit God en hij leefde naar God toe en in die beweging zocht hij al Gods kinderen mee te nemen.
Terwijl hij thuis was bij God, levend in en uit de liefde, werd hem door anderen dat leven ontzegd. En waar het God eigen is leven te geven, zijn de machten van deze eeuw de grote tegenspelers en zo eindigde Jezus’ leven aan het kruis.
De dood leek het laatste woord te hebben en de leerlingen van Jezus waren ten einde raad. Maar het leven van Jezus mocht dan wel een gewelddadig einde kennen, op de ziel van dit bestaan had het geweld geen greep. Leven uit God, leven voor God, daar heeft de dood geen greep op. God zelf heeft daar het laatste woord, zoals Hij er ook het eerste woord heeft dat leven geeft en tot leven roept.
Jezus is door de Vader die de ziel was van zijn zwijgen en spreken, van zijn bidden en beminnen, thuisgebracht. Hij is binnengegaan in het geheim van God en de liefde die hem een leven lang met zijn leerlingen verbond, die liefde heeft de leerlingen op een weg van veertig dagen nieuw leven ingeblazen.
Wanneer wij vandaag de hemelvaart van de Heer gedenken, dan gaat het niet om een ruimtevlucht de sterren voorbij. Het gaat om een opgenomen worden in het leven van God, om het thuisgebracht worden bij Hem uit wie Jezus als zoon een leven lang heeft geleefd, de dood voorbij.
En wij, wij die achterblijven, dienen niet naar de hemel te staren, maar ons te laten bewonen door de Geest die van Vader en Zoon uitgaat, opdat ook wij in het leven van alledag leven als kinderen van het Licht en heel het aanschijn der aarde mag worden vernieuwd.

Abt Thijs Ketelaars

20210513 Hemelvaart Hand. 1,1-11; Ef.1,17-23; Mc. 16,15-20

Begrafenis Broeder Cor Dekker 6 mei 2021

In april 2014 stelde broeder Cor, toen 90 jaar oud, enkele notities op schrift voor het geval hij kwam te overlijden. Een ging in een paar woorden over de reden van zijn intrede op 11 februari 1946, maar er was ook een zin die schreef over wat nog komen moest. Als hij te overlijden kwam, stelde hij als grafschrift voor: ‘in de Zon van Gods aanwezigheid’.

Toen afgelopen zaterdag 1 mei broeder Cor om 8.15 uur in de ochtend in alle rust op zijn cel overleed, scheen plotsklaps het zonlicht op zijn gezicht. Was het de Zon van Gods aanwezigheid die het fiat gaf aan wat hij zich als grafschrift had toegedicht?

De zon van Gods aanwezigheid, daarvoor was hij naar Egmond gekomen, maar ook in het leven van de monnik schijnt niet alle dagen dat vriendelijk licht van Gods aanwezigheid, althans niet in alle klaarheid. Soms gaat die zon verborgen achter een dik wolkendek.  Het lange leven van broeder Cor vormt daar geen uitzondering op. Dat hij toch op zijn negentigste achterom kijkend de tekst voorstelde ‘In de Zon van Gods aanwezigheid’, laat ons iets vermoeden van de dankbaarheid en van de verzoening met het leven waarop hij terugkeek.

De woestijn en het dorre land, ze waren er geweest, en ook de donkere nacht, maar Gods barmhartigheid had gaandeweg alles in nieuw licht gehuld. Broeder Cor is van ons heengegaan, niet als een heilige of een volmaakt mens, hij zelf wist wel beter, maar hij is heengegaan als iemand die dankbaar was voor alles wat hem ten deel gevallen was en die vol verwachting uitzag naar  wat geen oog of oor heeft gezien of gehoord. Want daar keek hij met het klimmen van de jaren meer en meer naar uit.

Zijn lange leven omspande bijna een hele eeuw. Een eeuw van uitersten, van dood en verderf, een eeuw ook van hoop op vernieuwing in kerk en samenleving. Hoe te midden van dat alles je weg te vinden en je houding te bepalen? Dat geldt zowel voor de mensen buiten als voor die binnen het klooster. Want ook monniken zijn aardbewoners.

Wat laat broeder Cor ons vandaag na als kostbare erfenis?  Misschien mag ik een paar momenten uit zijn leven naar voren halen die ons kunnen helpen en bemoedigen bij het zoeken van onze eigen weg.

In het boekje ‘in de voetsporen van broeder Cor’, horen we hem vertellen hoe ingrijpend de laatste oorlogsjaren voor hem waren. Hij moest onderduiken om aan tewerkstelling in Duitsland te ontkomen. Eens te meer bleek hoezeer wij mensen op elkaar zijn aangewezen en zonder de hulp van anderen red je het niet. Hij heeft het aan den lijve ondervonden. Voor zoiets kies je niet. Maar wat als het je overkomt? Hopen het te overleven, dat zeker, maar Cor bleek te midden van alle beroering zich niet af te sluiten voor een innerlijke klop op de deur. En hij gaf gehoor. Hij noemde zichzelf een verliefde ziel, en zo leidde zijn weg naar Egmond.

Inmiddels hebben wij, 75 jaar later opnieuw ervaren, hoezeer wij op elkaar zijn aangewezen, hoezeer ons leven verbonden is met dat van anderen en wat het vraagt en kost om je verantwoordelijkheid daarin te nemen. Dat vergt een hele omslag in een samenleving die meent alles te kunnen regelen en alles zelf in handen te hebben. Maar het leven van broeder Cor lezend, beseffen we dat het zo niet in elkaar steekt.  Dat kun je als verlies beschouwen, als het kwijtraken van zelfbeschikking en zelfstandigheid, maar voor broeder Cor was het de ontdekking van een afhankelijkheid in vertrouwen en van een geborgenheid in God, die de rest van zijn leven heeft bepaald.

Eenmaal in Egmond heeft hij zich met al zijn energie en kracht ingezet voor de pas weer opgerichte priorij. Zijn jaren op de boerderij, in de tuin, de kaarsenmakerij en bovenal 46 dienstjaren in de keuken, je kunt het je nauwelijks meer voorstellen. Aldoor in de weer en dan ook nog een man die graag in de boeken dook en zijn innerlijke blik probeerde te verruimen en zijn omgang met God zocht te verdiepen.

Bij zijn intrede had hij gezegd dat hij kwam om Gods wil te vervullen, maar gaandeweg zo staat er in die notitie uit 2014 ontdekte hij dat ook de eigen wil in het spel was. Dat bleek een vasthoudende compagnon, want broeder Cor was ook een temperamentvolle man. En hoe strenger, hoe beter, is zeker niet altijd het beste kompas als het om het innerlijk leven gaat.  Probeerde hij met het vuur van het begin de hemel te veroveren en was het aardse van geen waarde, gaandeweg wist hij tot een zekere onderscheiding te komen.  Op dat pad heb je ook gidsen nodig en die vond hij in de spiritualiteit van de Karmel. Mens zijn, mens worden, daar heb je de hulp van anderen bij nodig, en dat niet even maar een leven lang. Toen en nu.

En zo tekende zich voor broeder Cor nog voor hij aan zijn grote wandelingen en fietstochten begon, een innerlijk parcours af dat de zon van Gods aanwezigheid meer en meer deed stralen over het leven van alledag. En nu citeer ik: Op zoek gaan in de tijd naar de eeuwigheid. Dat doe ik door elke dag te leven in het NU met alle aandacht en met al mijn zintuigen om zo tastend God op het spoor te komen.’

Leven in het nu, niet als een goedkoop en onverantwoord ‘pluk de dag’, maar als een stil en verwonderd omgaan met de broosheid van het bestaan, waarin Gods kwetsbare liefde zich openbaart.

Broeder Cor heeft er zich een leven lang op toegelegd, met vallen en opstaan, soms op doodlopende paden, maar steeds weer terugkerend aan de hand van de Heer die hem als een verliefde ziel had aangesproken in een duistere tijd en die een leven lang niet van zijn zijde is geweken om hem te leiden in sporen van waarheid.

De zon van Gods aanwezigheid moge nu als een nieuwe dag zonder einde over hem opgaan. AMEN.

 

Broeder Cor herdacht in Noordhollands Dagblad

Wandelbroeder’ Cor (97) overleden aan corona. Hij werd in de oorlog ’verliefd op God’ en vond later de liefde voor zijn Schepper in de natuur

Cor Dekker teelde bloemen in de abdijtuin.
© Foto Mediahuis

’Dankbaar voor de zorg die hij ontving is hij vol verwachting als een kind de hemelse hoven binnengetreden, waarnaar hij al zolang uitzag.’ Dat schrijven de monniken van de Abdij van Egmond over hun medebroeder Cor Dekker, die zaterdag op 97-jarige leeftijd overleed.

Het lichaam van de oudste van de twaalf broeders van Egmond bleek niet bestand tegen het corona-virus, waarmee alle bewoners van de abdij zijn besmet.

Broeder Cor kwam uit een kinderrijk tuindersgezin in Heerhugowaard. Toen hij in de oorlog ondergedoken zat, werd hij ’verliefd op God’, zoals hij later in een interview zei. In februari 1946 deed hij zijn intrede in de Sint Adelbertabdij van de benedictijnen in Egmond-Binnen, toen een nog jonge gemeenschap. Ruim twee jaar later legde hij de gelofte af waarmee hij definitief koos voor het kloosterleven, met het strikte dagritme van vroeg opstaan, bidden, eten studeren en werken.

Noeste werker

In zijn overlijdensbericht herinneren zijn medebroeders Cor Dekker als een noeste werker. ’Op de boerderij, in de kaarsenmakerij, maar bovenal in de keuken heeft hij zich voor de communiteit ingezet’. In de abdijtuin teelde hij bloemen. Daar had hij zijn eigen ’kloostercel’ getimmerd: een hutje van wat oude palen en worteldoek, waarin hij het leven beschouwde vanuit een plastic tuinstoel.

Broeder Cor was een fervent wandelaar. In de natuur en de stilte zocht hij God.
© JJfoto.nl/Jan Jong

Hij trok er ook veel op uit om wandel- en fietstochten te maken, iets waar hij na 46 jaar werk in de keuken speciaal verlof voor moest vragen. Tien jaar geleden verscheen een wandelboekje ’In de voetsporen van broeder Cor’. Wandelen had voor hem een spirituele betekenis, vertelde hij toen in een interview met deze krant. ’In het klooster kun je niet genieten van de schepping, daar is alleen maar steen.’ En hij zei: ’Ik vind de liefde terug in de natuur, waar de Schepper weer tot mijn hart spreekt.’

Vriendschap

Hella van der Wijst beschreef Cors levensverhaal in haar wandelboek ’Hella’s voetsporen’. Zo ontstond een bijzondere vriendschap tussen de tv-journaliste en de tanige broeder met zijn pretogen en rode appelwangetjes. Hella van der Wijst zocht hem regelmatig op in het klooster, schrijft ze in een op Facebook geplaatst in memoriam. Dan wandelden ze samen. Van uren wandelen in de duinen werd het een wandelingetje in de kloostertuin achter de rollator. Broeder Cor bleef genieten van het kleine om hem heen.

 

Broeder Cor Dekker.
© JJfoto.nl/Jan Jong

’Tot het laatst bleef broeder Cor mij verbazen en trakteren op zijn wijsheid en heerlijke onbevangenheid’, schrijft Van der Wijst. ’Zo zag hij uit naar het leven na de dood, maakte er de mooiste voorstelling van, terwijl hij van het leven hier ook nog volop bleef genieten.’

Hoogfeest van de Aankondiging van de Heer

Tijdelijke gelofte br. Erik de Jong.

 

In het voetspoor van het Tweede Vaticaans Concilie heeft het feest van vandaag een naamsverandering ondergaan.  Maar de volksmond spreekt nog altijd van Maria-Boodschap. Over die naamsverandering kun je van mening verschillen. Was dat nu nodig? Wie daarover het laatste woord heeft, mag het zeggen. Maar die verschuiving in de naam, laat zien dat wij mensen onze kijk op gebeurtenissen kunnen veranderen. Wat eerst voorop kwam maakt plaats voor een andere kijk. Stond in de benaming ‘Maria-Boodschap’ Maria in het centrum van de belangstelling, bij de “Aankondiging van de Heer’ verschuift de blik en is die primair op Jezus gericht.

Maakt dat nu zoveel verschil?  Ja, dat maakt echt verschil, want nu komt Maria in de schaduw van Jezus te staan en niet andersom. Niet dat Jezus haar die plaats misgunt en zich nu naar voren dringt. Integendeel, als het verhaal iets in het licht stelt, dan is het wel de nederigheid van God, die om ons geluk niet veraf wil blijven en afdaalt tot onze menselijke staat om samen met ons en midden onder ons de weg te gaan die naar het leven leidt. Op dat bochtige en soms zware en onbegrijpelijke parcours blijft hij niet toekijken vanuit de verte, maar hij trekt mee in de lange rij van mensen onderweg, bemoedigend, hoopgevend en zo nodig ook kritisch. Maria is dus niet de hoofdpersoon in het verhaal, maar we moeten haar ook niet helemaal aan de rand zetten. Eigenlijk moeten we die twee benamingen van het feest samen gebruiken. Dan krijgen we misschien het beste beeld. Want bij God ligt dan wel het initiatief en hij zendt daartoe zijn engel uit, maar hij kan dit grote avontuur maar aan, als de mens ermee instemt.  En dat is nauwelijks te vatten. Dat God zich zo kwetsbaar en afhankelijk heeft gemaakt van de mens, dat hij vraagt en zoekt om diens hand en hart, om de schoot en het leven van Maria. Daarin spiegelt zich onze menselijke adel en onze verantwoordelijkheid. Ondanks alle falen dat we in heel de geloofsgeschiedenis zien, wordt God niet moe en aarzelt Hij niet om telkens weer opnieuw de aanzoek te doen om zijn verbond met de mens te kunnen verwezenlijken.

Die naamsverandering, die verandering van perspectief, is niet voorbehouden aan de liturgie.  We treffen haar ook aan in het leven van alledag, waar onze kijk op wat is voorgevallen of ons is overkomen soms verandert en ons voor nieuwe keuzes plaatst.

Misschien is zoiets het geval, wanneer je na een half leven in de maatschappij de bakens verzet en kiest voor een heel ander pad. Dat hoeft niet te betekenen dat het oude bestaan daarmee als minderwaardig of een mislukking terzijde wordt geschoven, maar het laat zien dat het leven in een ander perspectief wordt gezien en dat leidt tot een andere weg.

Vandaag zal broeder Erik professie afleggen en zet hij een nieuwe stap op de monastieke weg die wij samen gaan. Aan die stap is een lange reis voorafgegaan en we hopen dat er nog een lange weg op volgt, hier in onze gemeenschap.

Maar laten we nog eens terugkeren naar het evangelieverhaal van vandaag.

In de iconografie wordt Maria hier gewoonlijk afgebeeld terwijl ze geknield of zittend een boek leest. Leest ze de Schrift en gaan de woorden misschien dansen op de pagina, komen ze tot leven, wanneer ze innerlijk wordt geraakt en aangesproken?

En dat gebeurt niet in de hoofdstad of de tempel. Niet in het publiek domein voor aller ogen, maar verborgen in een binnenvertrek. Niet in storm en donder, maar bij het suizen van de zachte bries van de Geest en de onbeschreven presentie van een engel. Onze God heeft een voorkeur voor het verborgene, een mediapresentatie staat niet op zijn agenda.

Dat woord van alzo hoge, dat innerlijk geraakt worden, Maria weet er aanvankelijk geen raad mee. Het zal je maar gebeuren, maar ze sluit de deur niet, ze vraagt en ze luistert naar woorden waarvan haar de betekenis nog ontgaat. Ze wikt en weegt, en bij alle duister wekken ze in haar vertrouwen en ze geeft haar ja woord op een avontuur waarvan ze de gevolgen bij lange niet overziet. Het pad zal vreugde brengen, maar ook verdriet, pijn en onbegrip, maar ze zal het gaan ten einde toe in de schaduw van haar zoon.

De eeuwen door hebben monniken dit tafereel gelezen als een beeld van hun eigen leven. Ook wij zoeken dagelijks in de lectio ruimte te maken voor het woord. We doen dat op een stille plek. We luisteren en proberen de stilte in het leven van alledag te bewaren om het stille suizen van de Geest niet te missen als wij worden aangesproken of aangeraakt. We spiegelen ons aan Maria om met moed en geloof ja te zeggen en zo hopen we dat ons hart zich zal verruimen zoals Benedictus het uitdrukt om de dienst van de Heer met vreugde te vervullen, om de Christus in ons geboren te laten worden.

Niets stellen boven de liefde van Christus[1], zo houdt Benedictus ons voor. Dat is geen gebod, maar het is het antwoord op een aanzoek. Dat is een persoonlijk avontuur, maar wij gaan het samen in een gemeenschap van broeders. En samen pogen wij op deze plek gestalte te geven aan het lichaam van Christus, als een plek van vrede, gebed en gastvrijheid, waar mensen op adem kunnen komen om hun eigen weg met moed en vertrouwen te kunnen vervolgen.

Het feest van de aankondiging van de Heer is een uitgelezen moment om professie te doen, om samen met Maria ja te zeggen op de onverwachte aanzoek van de Heer. Het is een heel persoonlijke beslissing, maar de weg hoef je niet alleen te gaan. We gaan hem samen met jou, broeder Erik, en we hopen en bidden dat we samen onder geleide van het evangelie, en vertrouwend op Gods barmhartigheid[2] hier de lof Gods mogen zingen tot in lengte van dagen. AMEN.

Abt Thijs Ketelaars

Jes. 7,10-14; Hebr. 10,4-10; Lc. 1,26-38

[1] Vgl. RB 4,21; 72,11

[2] Vgl. RB 4, 74

Nieuwsbrief

Schrijf u vrijblijvend in en blijf op de hoogte van de activiteiten van Abdij van Egmond.

We respecteren uw privacy. Sint-adelbertabdij zal uw e-mailadres nooit delen met derden.
© 2021, Abdij van Egmond Algemene voorwaarden