Preek 7 mei 2023

Pasen5 2023 Hand. 6,1-7; 1Petr. 2,4-9; Joh. 14,1-12

Luisteren is een hele kunst. Dat weten wij allemaal. Luisteren moet geleerd worden, en zelfs dan is het nog niet vanzelfsprekend. De regel van onze vader Benedictus begint niet zonder reden met dat woord: “luister mijn zoon”, en dat is een program voor een heel leven. Maar soms is er zoveel innerlijk of uiterlijk lawaai dat we niet in staat zijn om met een open en ontvankelijk hart te luisteren.

Wanneer Jezus vandaag zijn verhaal gedaan heeft over het huis van de Vader, komen er vragen uit de groep van leerlingen, waaruit blijkt dat ze ofwel slecht geluisterd hebben of dat ze nog zo weinig met hem vertrouwd zijn, dat ze de eigenlijke betekenis van zijn woorden niet hebben verstaan.

Jezus spreekt over het huis van de Vader waar ruimte is voor velen. Je hoeft die woorden misschien niet tot in de finesses te verstaan om er toch door geraakt te worden. Hier spreekt iemand die door zijn vertrouwelijke omgang in het gebed ons iets zegt over het geheim van God.  Ruimte voor velen, dat klinkt heel anders dan al die woorden die zeggen wie wel of niet welkom is in Gods huis. God is ruimhartig, ja veel ruimhartiger dan wij denken of dromen. Daar kunnen wij als kerk elke dag nog van leren.

Dat is trouwens niet iets van deze tijd. In de eerste lezing was er al sprake van dreigende hokjesgeest.  De weduwen van de Hellenisten, zeg maar de buitenlanders, werden volgens het verhaal achtergesteld bij die van de Joden, mensen uit eigen kring dus. Ook de kerk van het eerste uur had dus zijn problemen.  Toen de apostelen daar weet van kregen, poogden ze het in goede banen te leiden. En daarbij wisten ze te delegeren en anderen  verantwoordelijkheid te geven om te zorgen dat iedereen recht werd gedaan, vreemdeling en huisgenoot. Dat verhaal blijft ook voor de kerk in onze dagen actueel, niet alleen als het gaat om delegeren, maar ook om erop toe te zien dat al Gods mensenkinderen krijgen wat ze nodig hebben. Daar geldt geen onderscheid van afkomst, kleur, taal, geslacht of wat dan ook. Allen zijn wij kinderen van God.

In het huis van de Vader is ruimte voor velen. Dat woord van Jezus is vertrouwenswaard, omdat hij het zelf heeft beleefd, ervaren en voorgeleefd. Hij heeft zelf in die onmetelijke ruimte van Gods liefde geleefd. Dat was het geheim en de vreugde van zijn leven. Vanuit die ruimte heeft hij mensen bemind en hij nodigt ons uit zelf ook die ruimte binnen te treden. Dat is niet iets wat hoeft te wachten of moet wachten tot het uur van onze dood. De hemel, dat huis van God, is vaak voorgesteld als een plek na dit aardse bestaan, maar dat is toch maar een erg menselijke manier van voorstellen. Wanneer Jezus spreekt over het huis van de Vader, dan heeft hij het over een levende relatie. Het is ermee als met getrouwde mensen. Ze wonen onder één dak, maar meer nog, zo hopen we toch, wonen ze bij en met en in elkaar.

Thuis komen bij elkaar, thuis komen bij God, daarvoor zijn wij geschapen, voor minder hoeven wij het niet te doen.

Maar uit de reactie van Tomas blijkt dat ze de ware betekenis van die woorden niet begrijpen. Het is alsof het leven aan de binnenkant  hun nog vreemd is. De omgang met Jezus is voor hen aan de buitenkant gebleven. Nu moeten we ze daar maar niet om kapittelen, want is het met ons veel anders? Is onze weg met Jezus al een echt innerlijke weg? Is onze omgang al zo vertrouwd geworden dat wij met de Heer wonen in de liefde van de Vader? Biddend, maar ook in onze omgang met elkaar, met mensen optrekkend vanuit de liefde van de Vader? Niet oordelend, maar mensen dragend en dienend, zodat ze hun ware bestemming vinden.

Zoals gezegd, Tomas blijft het allemaal nog vreemd. Heengaan naar de Vader? Waar heeft hij het over? Nee, toon ons de Vader, dat is ons genoeg. Maar God kennen, lieve mensen, is iets anders dan een foto bekijken.  De Vader leren kennen, dat doe je door je levensweg te gaan in verbondenheid met Jezus. In zijn onbegrensde liefde voor mensen, maar ook in zijn mateloos vertrouwen op Gods liefde voor hem en voor ons. Wie de Vader wil zien moet vertrouwelijk met Jezus leren omgaan, hem zo in zijn doen en laten volgen, dat in dat menselijk gelaat van Jezus  de Vader zelf oplicht met zijn liefde voor kleine mensen.

Hoe zou het zijn, als die liefde ons zou bewonen, als wij plaats zouden bieden aan dat geheim?

Onze vader Benedictus zegt aan het begin van zijn monnikenregel dat het hart van de monnik zich verruimt naar mate hij voortgang maakt op de weg van het evangelie. Dat mag je hopen, of je nu monnik bent, oblaat of kerkganger, als je een leven lang in de school van het evangelie oefent.

De ruimte van Gods liefde, wij mogen er hier van proeven in dit huis waar wij zo dadelijk brood en beker delen. Het zijn de tekenen van een liefde sterker dan de dood, een liefde die heel de wereld omvat en zich door niets of niemand weerhouden laat. In die liefde van de Zoon leren wij de Vader werkelijk kennen en zo is hij onze weg naar het huis met de vele woningen, naar het hart van de Vader. Laten wij dat geheim met vreugde en dankbaarheid vieren en bidden wij dat ons harte zich mag verruimen opdat de aarde een huis, een thuis, wordt voor allen. AMEN.

Abt Thijs Ketelaars

Nieuwsbrief

Schrijf u vrijblijvend in en blijf op de hoogte van de activiteiten van Abdij van Egmond.

We respecteren uw privacy. Sint-Adelbertabdij zal uw e-mailadres nooit delen met derden.
© 2024, Abdij van Egmond Algemene voorwaarden