Preek Abt Thijs 1 januari 2021

20210101 Lucas 2,16-21 nieuwjaar

Wij zijn, broeders, deze eerste dag van het nieuwe jaar vanmorgen begonnen met psalm 95 in de lezingendienst. En uitzonderingen daargelaten doen we dat alle dagen van het jaar. Ieder morgen is het eerste wat we horen “heden als gij zijn stem hoort”. En wij sluiten de dag het hele jaar door af  met een psalm die ook ieder dag terugkeert. Psalm 134 is heel kort, maar hoe kun je de dag beter eindigen dan elkaar wederzijds te groeten. ‘Thans, zegent de Heer’, zo is de aanhef van die psalm. Wij zegenen de Heer, en dat is een eerbiedige manier van groeten en als antwoord  zegent Hij ons, ‘Hij zegene u uit Sion, de Heer’, klinkt het. God beantwoordt dat groeten van ons, want daar blijft Hij niet ongevoelig voor. Tussen die twee psalmen, tussen dat horen en zegenen, ligt onze monastieke dag ingebed, het hele jaar door, ook dit nieuwe jaar.

Als je dat aan een buitenstaander vertelt, komt er wel eens de reactie “wat saai. Ik moet er niet aan denken dat ik dat elke dag zou moeten doen.” Zo ’n reactie verdient respect, maar is misschien toch wat voorbarig. Want is het niet een zegen voor ons, mensen, wanneer je dag zich voltrekt tussen een gespitst en aandachtig luisteren naar de stem van een geliefde die je ’s morgens wekt en aan wie je ’s avonds voor het slapen gaan met een groet dank zegt voor de voorbije dag, voor het gedeelde leven. En als die avondgroet door de ander dan ook nog wordt beantwoord, raakt dan de hemel de aarde niet?

“Heden als gij zijn stem hoort,” dat betekent dat deze dag ertoe doet, dat je vandaag een persoonlijk woord mag verwachten, wees dus alert en gespitst om te voorkomen dat je die stem mist. Waakzaamheid is dan ook een belangrijk thema in onze monastieke traditie. Je niet laten afleiden om het woord en de speciale intonatie van vandaag toch vooral niet te missen. We weten immers allemaal hoe gemakkelijk je een ander kunt misverstaan of helemaal niet hoort, als je er niet echt bij bent, als je gedachten ergens anders zijn, verstrooid, afgeleid.

Horen, onze monastieke dag begint er mee, nodigt er toe uit. En Benedictus heeft die psalm  in de oren als hij zijn regel gaat schrijven. Die begint immers met datzelfde woord: “Luister mijn zoon”. Waar dat gebeurt, opent zich een weg naar verstaan, naar ontmoeting, naar kennen en gekend worden.

Op deze feestdag van Maria, de moeder van God, wordt zij ons in de Schrift getoond als een icoon van het ware luisteren. In de ontmoeting met de herders in de stal is zij een en al oor, gespitste aandacht. En wat zij hoort, doet haar verwonderd staan. Ze weet het niet direct een plaats te geven, en ze bergt de woorden in haar hart en overpeinst ze. Ze begint niet met meteen te zeggen: ik begrijp het niet, leg het mij eens uit, nee, ze bergt de woorden in haar hart, beklopt ze, laat ze tot leven komen in de stilte van haar hart, draagt ze met zich mee zoals ze het kind in haar schoot heeft gedragen.

“Heden, als gij zijn stem hoort”, We zien het in Maria gebeuren, hoe zij luistert naar de herders en hoe zij in de stilte van haar hart luistert naar de  verborgen roep van God in die woorden. Het zijn  de twee vleugels van de ene duif. Waar een van twee ontbreekt, is het met het opwieken gedaan, krijgt het leven nooit zijn ware vrije vlucht.

W krijgen, broeders, vandaag op de eerste dag van het jaar een kostbaar geschenk aangereikt. Ik zei het al: een icoon, die er niet alleen is om te bewonderen, maar om na te volgen, zodat ook in ons Christus geboren kan worden.  Dat vraagt niet om uitzonderlijke en spectaculaire daden, nee, het vraagt om een stille en volgehouden aandacht voor die stem die spreekt in ons leven van alledag. In de liturgie en de lectio, maar ook in de ontmoetingen en het werk. Maar je kunt die stem alleen maar horen als je niet aan multitasking doet. Dat is een uitvinding van onze tijd die geen navolging verdient. Met alles tegelijk bezig zijn, is geen deugd. Het leven verdient stille aandacht, innerlijke waakzaamheid, en die zien we vandaag uitgetekend in de gestalte van de moeder Gods.

Maar daar blijft het niet bij. De liturgie van deze eerste dag van het jaar reikt ons nog een ander cadeau aan met de lezing van de plechtige priesterzegen uit het boek Numeri. Die is heel bewust gekozen voor deze eerste dag van het jaar. Ons leven wordt aan het begin van het nieuwe jaar onder die zegen geplaatst. ‘Moge de Heer u zegenen en behoeden, moge de Heer de glans van zijn gelaat over u spreiden,… moge de Heer zijn gelaat naar u keren’.

Wij worden bij monde van de priester door God gezegend. In de avondpsalm is het een zegenen over en weer, hier is het alleen God die plechtig zegent. Ik noemde dat een groeten en  hoe diep die groet de ziel raakt blijkt uit de woorden die gebruikt worden. Dat zegenen wordt nader omschreven in de woorden  ‘behoeden’, ‘zijn gelaat over u spreiden’ en ‘zijn gelaat naar u keren’. Door God met liefde aangekeken en omgeven worden, dat is zegenen. ‘Je mag er zijn’, ‘ik zie je graag’, dat is wat er gebeurt als je wordt gezegend.

Zo zegent God ons deze eerste dag van het jaar. Hij stuurt ons het nieuwe jaar in met de zegen dat Hij met ons gaat, dat zijn liefdevolle blik ons blijft volgen en begeleiden, door alle wederwaardigheden van het leven heen.

Twee kostbare iconen, de ene met de Eeuwige die ons zegent en de andere met Maria die intens luistert, en samen vormen ze het beeld van het leven waartoe wij als mensen zijn geroepen en begenadigd.

Vanmorgen zijn wij de dag al begonnen met de oren te spitsen voor de stem die ons roept en vanavond zegenen wij weer de Heer met de woorden van psalm 134 ‘Thans, zegent de Heer.’ Wij zullen het met des te meer vreugd doen, nu Hij ons deze morgen al zegent en zijn gelaat naar ons toekeert ten teken dat Hij ons graag ziet, een belofte van leven voor het nieuwe jaar. AMEN.

Nieuwsbrief

Schrijf u vrijblijvend in en blijf op de hoogte van de activiteiten van Abdij van Egmond.

We respecteren uw privacy. Sint-adelbertabdij zal uw e-mailadres nooit delen met derden.
© 2021, Abdij van Egmond Algemene voorwaarden