Geen producten in de winkelwagen.

Preek Hemelvaartdag 26 mei 2022

2022 Hemelvaart Hand.1,1-11; Hebr. 9,24-28; 10,19-23; Lc 24,46-53

Tweemaal vertelde Lucas ons vandaag dat Jezus ten hemel werd opgenomen. Aan het begin van de Handelingen van de apostelen en aan het slot van zijn evangelie. Wat rest ons nu nog van hem? Er is geen graf meer dat wij kunnen bezoeken. Hooguit is er een lege plek. En er valt ook niets meer te zien, Hij is aan onze ogen onttrokken, opgenomen ten hemel. Die hemel is geen plek boven de wolken, maar een naam voor God. Jezus is opgenomen in God, in de wolk van niet weten, dat eigen domein van God.

Hij is opgenomen in de hemel zoals hij ons ook uit de hemel was geschonken. En misschien begint er nu iets bij ons te dagen, brengt het slot van het evangelie ons terug naar het begin. Wij hebben  zojuist horen spreken over ‘grote blijdschap’ bij de leerlingen. Dat voert ons terug naar de aanvang van Jezus’ aardse bestaan. Daar werd door de engel uit den hoge aan de herders ‘grote blijdschap’ verkondigd, ‘ ‘heden is u een redder geboren Christus de Heer’. Zo rijmen begin en einde op elkaar. Maar als dat zo is, dan stelt zich de vraag: wat heeft dat te betekenen? Is het verhaal dan misschien toch niet uit, maar staan we aan een nieuw begin?

De grote blijdschap die de herders werd gemeld, was het begin van een mensenleven waarin Gods liefde onder ons verscheen, kwetsbaar als een pasgeboren mensenkind, overgeleverd aan de handen van mensen. Een mensenkind, God zal ons redden is zijn naam. Een mens die grote blijdschap bracht in het leven van mensen die niet meetelden, die geen naam en geen gezicht hadden, die wachtten op bevrijding uit tal van vormen van eenzaamheid en dood. Als een lopend vuur is het rond gegaan en van heinde en ver kwamen ze naar hem toe. En waar de een hem met open armen ontving, daar werd door een ander een bedreiging gezien voor de maatschappelijke orde of voor de eigen positie.  Want hij liet zich aan niets gelegen liggen behalve aan het woord van de Vader, die gezegd had: jij bent mijn geliefde zoon. Uit dat woord had hij geleefd en daaruit had hij mensen bemind zonder onderscheid, allemaal kinderen van God om te delen in zijn liefde en leven. Dat geschenk uit de hemel, het was tenslotte vermalen onder de machten die niet wilden weten van dienen, maar slechts uit waren op heersen, een tegenstrever die zich al laat gelden vanaf het prille begin van de schepping. Maar dood en duisternis kregen op deze mens geen greep, geworteld als hij was in het licht. En vandaag horen wij hoe dat leven door God wordt opgenomen en wordt thuisgebracht in de schoot van zijn ontferming. Na al het onze te hebben gedeeld en in het land van de  ballingschap de weg te hebben gebaand naar het leven in Gods licht, is hij definitief aan onze blik en aanraking onttrokken. Maar niet zonder een laatste woord, een belofte en  zending.

Dat levensverhaal wordt aan beide kanten omgeven door mensen die het met grote blijdschap ontvangen. De herders zijn de eerste verkondigers van het evangelie, terwijl het nog in al zijn kwetsbaarheid in een kribbe ligt. Zij spreken grote woorden over een pasgeboren mensenkind, dat de belichaming is van Gods belofte. Een nieuw begin voor onze wereld.

En aan het eind van het verhaal, wanneer dat mensenkind, zo lijkt het, geen spoor meer onder ons achterlaat, is er opnieuw grote blijdschap. Maar waar zouden die leerlingen blij om kunnen zijn, nu alles voorbij lijkt en het boek van Jezus’ leven gesloten? Naar de hemel staren biedt geen uitkomst en toekomst, want de hemel is de hemel van God en onze plek is op aarde. Is er op de aarde dan toch toekomst zonder hem? Ja, er is toekomst, maar eer het zover is, moeten de leerlingen de aardse Jezus helemaal achter zich laten, loslaten  zoals hijzelf hun had gezegd. Want er moest in hun bestaan op een heel nieuwe wijze plaats komen voor hun Heer, voor hem die hun de weg naar de Vader had ontsloten, die beeld en gelijkenis was van Gods barmhartigheid. Had Hij hun niet gezegd dat ze kracht uit den hoge zouden ontvangen en dat de Geest hun alles in herinnering zou brengen wat hij hun gezegd had?  Zijn leven was niet uit en over, maar zou een nieuw begin kennen. Was hij voorheen onder hen en met hen op weg, nu zou hij in hen de weg met hun gaan.

Hemelvaart van de Heer, het is een einde maar het is ook de aanzet van een nieuw begin. Daartoe worden de leerlingen uitgenodigd om te wachten, om in Jeruzalem te blijven. Want zij zijn in blijde verwachting, zij verwachten de geboorte van Christus in de schoot van hun bestaan, de Geest die levend maakt. Zij houden zich op in de tempel, heiligdom waar in stilte en lofzang God woont.

Gingen wij met de herders op zoek naar Gods mensenkind in de kribbe, grote blijdschap voor de wereld, nu worden wij geroepen om met de leerlingen in stille verwachting open te staan voor de Geest van hem die naar de Vader is opgegaan.  De liturgie schrijft daar geen negen maanden voor, maar negen dagen. Maar laat ons geen haast maken, in onze jachtige tijd waar stilte een kostbaar goed is en waar de schoot van ons verlangen maar al te vaak door andere zaken wordt gevuld, worden wij uitgenodigd in gebed en stille aandacht ons voor te bereiden op de inwoning van hem die ons nodigt tot een nieuwe gemeenschap.  Wij zien uit naar een nieuwe geboorte van ieder van ons, bewogen en bewoond door de Geest, wij zien uit naar een nieuwe geboorte van de kerk, gemeenschap waar het woord van God wordt verwelkomd, gekoesterd en beleefd met hart en ziel en alle krach, opdat het aanschijn der aarde mag worden vernieuwd tot lof van Gods heerlijkheid. AMEN.

Abt Thijs Ketelaars

Nieuwsbrief

Schrijf u vrijblijvend in en blijf op de hoogte van de activiteiten van Abdij van Egmond.

We respecteren uw privacy. Sint-adelbertabdij zal uw e-mailadres nooit delen met derden.
© 2022, Abdij van Egmond Algemene voorwaarden