Geen producten in de winkelwagen.

Preek 24 juli 2022

Cdhj17 20220724 Gen. 18,20-32; Kol. 2,12-14; Lc.11,1-13

Zij kwamen bij hem met een vraag.  Vragen zijn er in soorten en gradaties, toen en nu.  ‘Mag ik van u een postzegel, is heel iets anders als ‘houd je van mij? Kent de ene vraag geen aarzeling, bij een andere sta je misschien te schutteren of schaam je je. Denk maar aan al die vragen om hulpverlening of vragen over je zielenpijn.

De leerlingen komen vandaag bij Jezus met een vraag. Het is hún vraag, heel persoonlijk. En het gaat niet over koetjes en kalfjes, maar de binnenkant van de leerlingen is ermee gemoeid.

‘Heer, leer ons bidden zoals Johannes het ook aan zijn leerlingen geleerd heeft’. Johannes heeft aan zijn leerlingen zijn eigen ervaring doorgegeven en nu krijgt Jezus dezelfde vraag van zíjn leerlingen. Zij vragen niet om een cursus uit de boeken, maar ze vragen om zíjn manier van bidden, want ze hebben gezien wat het met hem doet. Dat heeft een verlangen in hen wakker geroepen.  En wie weet, herkennen wij ons in die vraag, raakt zij een snaar in ons.

Wel, laat ons dan gespitst zijn op het antwoord.  Het eerste wat opvalt: Jezus begin niet zoals veel hedendaagse cursussen met allerlei oefeningen en technieken, dat je zus of zo moet gaan staan, liggen of zitten. Is dat dan nutteloos of overbodig? Misschien niet, maar het zou ons toch op het verkeerde been kunnen zetten.  Jezus is een zoon van Israël en dat volk heeft geleerd in alle omstandigheden en situaties te bidden. In de tempel met al zijn pracht en praal, maar ook in de grootste verlorenheid getuige de psalmen en op uiterst kritische momenten zoals Abraham ons vandaag laat zien.

Jezus bidt vanuit de traditie die hem heeft gevormd en gedragen. Thuis, in de synagoge en in de tempel. Kan het ook anders?  Ongetwijfeld, maar waarom ver gaan zoeken als de schat je dichtbij wordt aangereikt?

Maar hoe bidt Jezus dan? Dat horen wij in het onze vader dat hij de leerlingen aanreikt. Dat gebed wordt ons in de Schrift door Matteüs en Lucas overgeleverd. Die twee versies zijn niet helemaal gelijk aan elkaar. Dat mag te denken geven. In de jonge kerk ging het blijkbaar niet om letterknechterij maar om de ziel van het gebed. Wij doen er dan ook goed aan ons verre te houden van alle misplaatste ijver voor uniformiteit in liturgische teksten en gebeden. Het evangelie zelf wijst ons ook hier de weg en de overlevering van het onze vader spreekt boekdelen. Laten wij het hart van het gebed zoeken en van bijzaken geen hoofdzaken maken.

Maar er is nog meer dat verrassen kan. As het om bidden gaat, wordt in de traditie en in bepaalde kringen nog wel eens neergekeken op het vraaggebed. Als het al niet afgedaan wordt als infantiel of nutteloos, dan is het toch de minste trap van het gebed. Eigenlijk zouden wij altijd moeten loven.  Maar hoe dat te rijmen met het evangelie van vandaag, waar Jezus zelf ons een gebed aanreikt dat vrijwel helemaal uit vragen en beden bestaat. En de voorbeelden na het gebed onderstrepen dat vragen nog eens. Het onze vader bestaat in feite helemaal uit vragen, na de aanhef om de heiliging van Gods naam, en ook dat is in feite een bede.

Het is in het leven vaak veel gemakkelijker te geven dan te ontvangen. Geven geeft je aanzien, je kunt er zelfs mee pronken, terwijl ontvangen, de hand ophouden en vragen je in een situatie van afhankelijkheid plaatst. Dat willen wij liever niet, en soms schamen wij er ons voor. Hoe vaak bekruipt ons bij vragen niet het gevoel dat wij iets schuldig blijven en zoeken wij naar wegen om de schuld te vereffenen. Wij staan niet graag in de schuld. En dat terecht. Maar bestaat er misschien ook een situatie, waarin wij in de schuld blijven staan en ons toch niet onvrij of gekleineerd hoeven te voelen? En is dat niet wat ons in Jezus en door Jezus wordt geopenbaard, als hij ons het onze vader geeft? De aanhef van dat gebed is fundamenteel, het begint met de aanspraak ’Vader’. Bidden is voor de traditie waarin Jezus is grootgebracht een gesprek, binnentreden in een relatie.  Een relatie van vader en zoon om in termen van de Schrift te spreken.  Voor Jezus een relatie die hij tot op de bodem heeft geproefd en beleefd. Jezus wist zich bij uitstek zoon en hij noemde God vader, aan wie hij alles te danken had, aan wie hij het bestaan schuldig was. Hij zegt niet voor niets dat de vader hem alles in handen heeft gegeven en dat hij enkel leeft uit de vader. Uit die onuitputtelijke vertrouwensband, uit die intense en intieme ervaring dat het leven louter gave is. Een gave die hem niet opzadelt met een schuld, maar hem sterkt in een vertrouwvolle relatie van zoon die alles mag en durft vragen.

Om alles te kunnen ontvangen moet je straatarm zijn zoals Jezus. Alles is gekregen, het leven zelf en daarom staat er in het hart van het onze vader de bede om brood. Brood vragen, dat is het leven zelf vragen. Wij zien het dezer dagen voor onze ogen gebeuren nu door de oorlog de graanvoorziening van hele volken in gevaar komt. Geen brood op de plank, geen leven. En het gaat in de bede nadrukkelijk om het dagelijks brood, om het leven dat dag na dag wordt ontvangen en niet eens voor altijd.

Als Jezus zijn leerlingen en ons vandaag betrekt in zijn gebed, dan voert hij ons binnen in zijn omgang met de Vader. Die relatie bepaalt zijn leven, zij ís zijn leven. Hoe zou je kunnen ontvangen zonder in vertrouwen te vragen? En hoe vragen zonder te verlangen? En hoe verlangen zonder de ervaring zelf verlangd te zijn. Deze zoon is vrucht van Gods eigen verlangen. En dat verlangen draagt de naam van Heilige Geest, de adem die leven geeft en liefde is. Daaruit leeft hij, daar laat hij ons om vragen, opdat wij levend uit die adem op onze beurt zouden geven en vergeven als kinderen van God.  AMEN.

Abt Thijs Ketelaars

Nieuwsbrief

Schrijf u vrijblijvend in en blijf op de hoogte van de activiteiten van Abdij van Egmond.

We respecteren uw privacy. Sint-adelbertabdij zal uw e-mailadres nooit delen met derden.
© 2022, Abdij van Egmond Algemene voorwaarden