Preek 21 januari 2024

3e zondag door het jaar B Marcus 1, 14-20     2024

Jezus roept volgelingen. Daarover gaat het vandaag. Roepingsverhalen zijn spannend.

Van de week las ik over een zuster in Brabant, zr. Tarcisa van de Zusters van Oirschot die op 17 januari honderd jaar is geworden. Altijd gelukkig geweest in haar kloosterleven, hoewel zij zelf meent eigenlijk nooit roeping te hebben gehad. Nooit hogere of diepere gevoelens. Zij voelde zich er gewoon goed en op haar plek. In haar jeugd had zij wel eens iets gehad met een jongen, maar dat was niets geworden. Het huwelijk trok haar niet, arm was ze al van huis uit, nooit anders gewend, gehoorzaamheid ook, nee, het klooster voldeed prima aan haar behoeften. Bij dit verhaal vond ik het spannend of je hier nu wel of niet kon spreken van roeping? Die zuster, met haar rimpelloos bestaan, zou zij straks misschien toch mogen zien dat de Heer wel degelijk aanwezig was geweest in haar leven, haar heel eenvoudig verlangen vervulling had geschonken, haar had beschermd en geleid? Haar geroepen tot dit leven? Is Hij niet in elk leven aanwezig, zorgzaam en liefdevol, al merk je er helemaal niets van? Niet iedereen is een zr. Bertken die spectaculair 57 jaar zat ingekluisd in de Utrechtse buurkerk. Toen zij overleed luidden alle klokken in de stad! Voor wie wordt dat gedaan! In het leven van veel mensen is er twijfel en onzekerheid, duisterheid en onvermogen. Ieder leven is een apart verhaal, en het is altijd spannend.

De vorige zondag hoorden we het verhaal van de roeping van de kleine Samuel, en in het Johannes evangelie van de eerste leerlingen van Jezus. Ook vandaag horen we weer een roepingsverhaal. Het accent ligt nu anders. De vorige week waren de leerlingen van Johannes de Doper gefascineerd door Jezus. Zij verlangden te weten waar Hij verblijf hield, zij wilden met Hem zijn. Zij erkenden in Hem zelfs de Messias.De roeping zat heel diep. De kiem lag in het verlangen van hun hart, de uitnodiging van Jezus bracht het zaadje tot bloei en tot rijpheid. Bij de kleine Samuel in de eerste lezing van de vorige week kwam de roeping van de Eeuwige zelf, mysterieus maar onmiskenbaar.

In de lezingen van vandaag wordt in het licht gesteld waartoe ieder wordt geroepen.

In het evangelie zijn het dezelfde namen als de vorige week waarvan sprake is: Andreas en Simon, maar in een andere contekst. In het Johannesevangelie vinden wij hen in de omgeving van Johannes de Doper. Andreas was een leerling van de Doper, en werd door deze naar de Heer verwezen: ‘zie het Lam Gods’. Zij worden geschilderd als Godzoekers, die op weg worden geholpen. Het innerlijk verlangen werd gestuurd door hun leeraar Johannes de Doper. In het Marcusevangelie, waaruit wij vandaag horen, worden de eerste leerlingen weggeroepen uit hun beroep van visser. Niets zegt dat zij op zoek waren naar een geestelijke bestemming. Zij worden gekozen en zij stemmen in: ‘Ik zal mensenvissers van jullie maken.’ Mensenvissers: niet om er rijk van te worden of gelukkig, Nee, om te dienen, om anderen over te brengen van de dood naar het leven. Jezus brengt genezing en uitkomst, Hij wil mensen gelukkig maken, en heeft daarbij helpers nodig. De vissen die de geroepenen zullen vangen worden uit de wateren des doods opgevist om overgebracht te worden in de grote stroom van levend water. Daartoe roept Jezus zijn leerlingen. En zij worden geroepen om Hem te volgen om daarin door Hem gevormd te worden. ‘Ik zal maken dat gij vissers van mensen wordt’. In zijn nabijheid leren zij de intenties van God te verstaan, leren zij beseffen dat God wil dat de mens leeft.

Het boek Jona is een prachtig getuigenis dat die boodschap van Jezus niet revolutionair is in de openbaringsgeschiedenis van Israel. Het vertelt ons hoe ook het eerste testament spreekt van Gods heilswil voor alle mensen, hoe Hij dat zijn profeet duidelijk maakte, helemaal tegen diens zin. Jona krijgt een zending tegen wil en dank, tegen heug en meug. Jona beseft heel goed welke opdracht hij van God krijgt: Hij wordt geroepen om heidenen en zondaars tot bekering en leven te brengen. Dat zint hem voor geen meter. Eerst vlucht hij voor zijn boodschap weg. Als hij door overmacht toch gedwongen wordt zijn missie te volbrengen doet hij dat erg onsympathiek. Wat een verschil tussen zijn woorden en die van Jezus: de Heer predikt: ‘De tijd is vervuld en het Rijk Gods is nabij. Bekeert u en gelooft in de blijde boodschap’. Jezus biedt heil aan. Jona is een onheilsprofeet: ‘Nog veertig dagen en Ninive zal vergaan.’ Hij laat geen hoop, hij biedt geen uitzicht. Maar goddank: de mensen van Ninive blijken gevoelig voor zijn boodschap, zij worden bewogen door de goede geest. Die zet hen aan tot boete, en God laat zich daardoor raken. Het boek Jona is een getuigenis van geloof in de God van Israël als een God van mededogen en menslie-vendheid, een God die wil dat alle mensen, heidenen en Joden redding en genezing vinden.

Ik begon met u te vertellen over die zuster van honderd jaar die gelukkig was in haar kloosterleven, maar niet geloofde dat God daarin een rol had gespeeld. Zij dacht dat zij haar geluk als het ware gesmokkeld had. Denkt u niet dat God heel tevreden zal zijn dat zij zo gelukkig is geweest in haar kloosterleven? Haar plichten zonder gemopper, met plezier heeft gedaan? Dat wij alleen Gods wil doen als het heel moeilijk en pijnlijk is? Zou de Eeuwige niet meer vreugde vinden in de vrede van zijn volk dan in pijn en oorlog? Niet liever zien dat wij het goed maken dan dat wij lijden?

De grote heiligen, de martelaren, de gestigmatiseerden, zij zijn te  bewonderen en te vereren. Maar zou God niet ook behagen hebben in de eenvoudige gezinnen, in jonge mensen die gelukkig zijn met elkaar, in kinderen die het goed hebben. Zou Hij niet zeer tevreden zijn als we goed zijn voor elkaar, zorgen voor elkaar? Zou dat ook niet gelden op kerkelijk terrein? Natuurlijk zoeken wij te leven volgens de waarheid, volgens de rechte leer. Maar dat betekent niet dat wij anderen verketteren en veroordelen, maar ieder de ruimte geven en respecteren? We mogen ons zelf houden aan de katholieke leer, en het gezag van de paus aanvaarden. Maat laten we ook eerbied hebben voor de overtuiging van anderen, ook al strookt die niet met wat wij geleerd hebben en voor waar houden. Laten we vooral bidden dat wij samen naar de waarheid mogen toegroeien, een waarheid waarin voor ieder leven is, waarin wij allen elkaars broeders en zusters zijn en onze ene Heer en God Vader mogen noemen, Christus Jezus onze Lieve Heer, en onze verbondenheid beleven in de liefde van de Ene Heilige Geest. Aan Hem zij eer en glorie, onze onbegrijpelijke, beminnelijke, eeuwige God.

br. Gerard Mathijsen osb

Nieuwsbrief

Schrijf u vrijblijvend in en blijf op de hoogte van de activiteiten van Abdij van Egmond.

We respecteren uw privacy. Sint-adelbertabdij zal uw e-mailadres nooit delen met derden.
© 2024, Abdij van Egmond Algemene voorwaarden