“Ook ik kende Hem niet”
Vorige week sloten wij de kersttijd af met de doop van de Heer. Die mededeling zorgde voor een mail of ik mij niet had vergist. Was niet 2 februari het einde van de kersttijd, het feest dat vroeger Maria Lichtmis heette en tegenwoordig Opdracht van de Heer wordt genoemd. Geen gekke vraag, want die opdracht van de Heer is natuurlijk eerder in de tijd dan de doop. Maar toch, officieel is de kersttijd afgesloten met de doop van de Heer. Maar toen Franciscus van Assisi eenmaal een levende kerststal had gemaakt 751 jaar geleden hebben de franciscanen de devotie van de kerststal wijd verbreid en heel populair gemaakt waarbij ook nog eens extra aandacht aan Maria werd besteed. En zo bleef op veel plaatsen en in veel gezinnen de kerststal staan tot 2 februari, het feest van de opdracht van Jezus in de tempel. En ook nu is daar niets op tegen. Integendeel, in onze beeldcultuur is dat een moderne manier om het oude verhaal bij de tijd te brengen.
Maar vandaag beginnen wij dus weer de groene tijd door het jaar. Maar ook deze zondag zorgt voor een verrassing. Niet alleen komt de doop die wij vorige week gevierd hebben nogmaals ter sprake, maar ook Johannes de Doper lijkt geen afscheid van ons te kunnen nemen of wij van hem. Hij heeft ons gedurende de advent naar Jezus geleid en ons naar hem verwezen, maar ook nu wij de gewone reeks van zondagen beginnen, meldt hij zich nog een keer. Voor wie houdt van iets nieuws is het misschien een tegenvaller, maar voor wie uitziet naar een betrouwbare gids, is hier aan het juiste adres.
Johannes de Doper pleit niet voor zijn eigen zaak, want die heeft hij niet. Het is ook geen man die zichzelf zo nodig in het licht wil plaatsen, integendeel hij is de wegbereider voor wie na hem komt. Dat is een tegendraads geluid in onze wereld waar zovelen erop uit zijn zichzelf te etaleren en groot te maken. Te midden van al die grote en kleine goden is Johannes een witte raaf, deemoedig en zelfvergeten. Het gaat niet om mij, zegt hij steeds weer, het gaat om het komen van God in jouw bestaan, zodat jij werkelijk en waarachtig zult leven.
Hij was de voorloper van Jezus, hij heeft de weg voor hem bereid. En Jezus heeft in hem naast een voorloper ook een voorbeeld gezien. Johannes heeft hem door woord en daad geholpen zijn eigen weg te vinden. En als wij dan heden ten dage het evangelie willen verkondigen, dan doen wij er goed aan Johannes als voorbeeld te nemen. En nu wij hem vandaag ontmoeten in het evangelie van de apostel Johannes wijs ik graag op twee korte uitspraken van de voorloper die alleen in dit evangelie voorkomen. Ze zijn niet alleen de moeite waard om te overwegen, maar ook om na te volgen. De eerste uitspraak horen wij de voorloper vandaag zeggen en liefst tweemaal. “Ook ik kende Hem niet”. Dat is een woord om lang bij stil te staan, niet alleen omdat het tweemaal wordt gezegd, maar ook omdat het vraagt om van alle kanten te worden beklopt en beluisterd. De grote Augustinus was er zo door in verlegenheid gebracht dat hij zijn kerkgangers op 13 maart 413 naar huis stuurde met de mededeling “ik kom er niet uit, ga naar huis en denk zelf over deze woorden en kom overmorgen terug, misschien wil de Geest ons dan de tekst ontsluiten’. En op 21 maart dankt Augustinus de gelovigen dat ze ondanks het koude weer toch naar de kerk zijn gekomen. ‘Ook ik kende hem niet’, Dat geldt niet alleen voor Johannes de Doper, maar is ook ons deze ervaring niet onbekend? Johannes die met de geschiedenis van God met zijn volk vertrouwd was en uitzag naar de beloofde Messias, hij zag uit naar iemand van wie hij niet wist wat hij precies te verwachten had. Wat zou onze verkondiging winnen met zo’n houding van niet weten en verwachten, van wachten en luisteren. Johannes laat zich vandaag kennen in zijn kwetsbaarheid en hij wint er alleen mee, en wij worden er door getroost en bemoedigd op onze geloofsweg.
En dan de tweede uitspraak, het is tegelijk de laatste keer dat wij hem iets horen zeggen in het evangelie: ‘hij moet groter worden en ik kleiner’. Hoe zou de wereld eruit zien als al die grote ego’s en ook de kleine ego’s van eenzelfde houding blijk zouden geven? Hoeveel ruimte zou er dan niet ontstaan voor waarheid, recht en vrede? En wat zou zo’n houding niet bijdragen bij het samen de weg zoeken naar eenheid in onze eigen kerk, en aan de eenheid van de verschillende kerken?
Johannes, laten we vandaag die twee houdingen van hem meenemen: de nederigheid van het niet weten en de grootheid van het ruimte maken voor het levende woord van de Heer.
Vanuit die gezindheid reikt Johannes ons vandaag zijn getuigenis aan over Jezus. Hij doet dat met twee titels, de eerste is ‘lam Gods dat de zonden van de wereld wegneemt’. God komt als een lam. In Jezus toont hij zich, Hij komt niet met geweld, hij schreeuwt niet en op straat verheft hij zijn stem niet. Hij komt als een lam, zachtmoedig. Hij komt ook als het lam dat geslacht wordt, dat in al zijn onschuld de last van anderen draagt en de dood op zich neemt. Wat ik, Johannes, nooit heb geweten, dat God zo weerloos en kwetsbaar tot ons komen zou, ik heb het gezien, toen ik de Geest op die ene zag rusten, daar in de diepte van het water. En nu wijs ik je op hem, naar hem, want in hem verschijnt Gods weerloze en verlossende liefde in heel zijn volheid. En dan voegt hij er in één adem de tweede titel aan toe om zijn getuigenis over Jezus af te sluiten: “Deze is de zoon van God”. Hij heeft als God geleefd, koste wat het kost. Niet hoog gezeten op een troon, niet met macht en geweld, maar als een die alles heeft gegeven, midden tussen ons, met ons en voor ons. Levend uit het licht, Licht uit Licht, opdat wij door zijn Geest herboren op onze beurt zouden leven als kinderen van het licht, elkaar tot zegen.
AMEN.
br. abt Thijs Ketelaars
Lezingen: Jesaja 49:3.5-6; 1 Korinthe 1:1-3; Joh 1: 29-34
