Nieuws

De uitnodiging en het antwoord

Wanneer Jezus een gelijkenis vertelt aan de oudsten en de hogepriesters (Mt. 22,1-14), mogen we goed luisteren. Zijn woorden zijn scherp. Hij roept deze religieuze leiders op tot omkeer. Zij kennen de Schrift en de beloften van God. Maar Jezus houdt hun voor: je kunt onderlegd zijn en toch weigeren je door de Heer te laten raken. Toch kan deze gelijkenis ook bij ons weerstand oproepen. Het verhaal botst met het godsbeeld dat we zo graag koesteren.

We hoorden de profeet Jesaja spreken over een God die alle tranen van de gezichten zal afwissen. Hij bereidt een feestmaal voor alle volken. Hij zal de dood voor altijd vernietigen (Jes. 25,6-10a). Dat is het beeld van God waarin we rust vinden.

En dan vertelt Jezus deze gelijkenis. Een koning organiseert een bruiloftsfeest voor zijn zoon. De genodigden weigeren te komen. Sommigen slaan zijn dienaren zelfs dood. Daarop laat de koning hun stad in brand steken. Dat is een harde reactie, die ons niet onberoerd laat. Als we op het nieuws de beelden zien van steden die in brand staan, krijgt dit verhaal een huiveringwekkende actualiteit. We kunnen ons afvragen hoe dit te rijmen valt met de God die volgens Jesaja alle tranen van de gezichten zal afwissen.

En dan is er nog die man die wel komt, maar geen bruiloftskleed draagt. Hij wordt buiten in de duisternis geworpen, waar geween is en tandengeknars. Laten we die scherpe kanten niet gladstrijken. Wat voor God zien we hier aan het werk?

Een eerste stap om deze knoop te ontwarren, vinden we in de woede van de koning. Een God die onverschillig staat tegenover het kwaad, zou ook onverschillig staan tegenover de slachtoffers ervan. Als mensen worden vermoord en het recht wordt vertrapt, kan God daar niet onbewogen bij blijven. De Bijbel spreekt over Gods toorn. Niet als de driftbui van een tiran, maar als de ernst van Gods liefde, die zich tegen het kwaad keert.

Maar dan neemt het verhaal een verrassende wending. Het feest gaat door. De dienaars moeten de straat op en iedereen bijeenbrengen: slechten én goeden.

Dat is ongehoord. Er wordt geen selectie gemaakt. Niemand kan bij de ingang zeggen: ‘Ik heb recht op een plaats omdat ik zo braaf ben.’ En niemand hoeft te wanhopen: ‘Voor mij is er geen plaats, want ik heb te veel fouten gemaakt.’ De uitnodiging komt vóór onze verdienste. God nodigt ons uit, niet omdat we het verdiend hebben, maar uit genade.

Maar hoe zit het dan met die man zonder bruiloftskleed? Ook hij is uitgenodigd en toch wordt hij buiten in de duisternis geworpen. We lezen dat gemakkelijk als een straf: hij draagt niet het juiste kleed en wordt daarom weggestuurd. Maar misschien mogen we bij die scène wat langer stilstaan.

In de grondtekst staat: ‘Werp hem buiten, in de duisternis.’ En dan volgt: ‘Dáár zal geween zijn en tandengeknars.’ Dat woord ‘dáár’ brengt ons bij de plaats waar de man terechtkomt: buiten, in de duisternis. Daar kan hij blijven mokken en jammeren. Hij blijft buiten het feest en buiten de vreugde die de koning met zijn gasten wil delen. Maar in het Rijk van God is geen plaats voor dat mokken en jammeren. Daar worden mensen samengebracht, daar worden tranen afgewist en wonden geheeld.

Het gaat bij het bruiloftskleed niet om onze outfit of om uiterlijke religieuze prestaties. De kerkvader Augustinus zag in het bruiloftskleed een beeld van de liefde. Het gaat erom of wij de liefde die God ons schenkt, in ons leven werkzaam laten worden, ook in onze omgang met de naaste.

Hier ligt de directe uitdaging voor de oudsten en de hogepriesters. Zij menen vanuit hun kennis te kunnen bepalen wie bij God hoort en wie niet. Maar God keert hun logica om en nodigt iedereen uit, slechten én goeden. Het dragen van het bruiloftskleed – het openstaan voor Gods liefde – maakt duidelijk of we werkelijk bereid zijn het feest binnen te gaan. Wie anderen bij voorbaat uitsluit, sluit zich in feite af voor die liefde.

Dat betekent niet dat we daarin altijd feilloos slagen. We schieten allemaal weleens tekort en we falen soms in het toelaten om bemind te worden. Maar die menselijke onmacht is gelukkig iets heel anders dan een bewuste weigering. Het gaat erom of we de innerlijke bereidheid hebben om ons door die liefde te laten leiden, in plaats van ons er koppig voor af te sluiten.

Die bereidheid hoeft niet gepaard te gaan met grote spirituele gevoelens. Ons hart kan droog aanvoelen, zonder dat we daarom Gods liefde afwijzen. Zijn we bereid ons door de Heer te laten verrassen? Zeker wanneer zijn goedheid groter blijkt dan we hadden verwacht?

De apostel Paulus laat in zijn brief zien wat dat vertrouwen betekent. In wisselende omstandigheden heeft hij geleerd te leven vanuit zijn verbondenheid met Christus.

‘Ik vermag alles in Hem die mij kracht geeft’ (Fil. 4,12-14.19-20).

Niet omdat alles hem gemakkelijk afgaat, maar omdat hij zich aan Christus’ liefde vasthoudt.

En vandaag staat de tafel ook voor ons klaar. Wij zitten hier niet omdat we ons leven perfect op orde hebben. Ieder van ons is welkom. Niemand hoeft te zeggen: ik ben niet goed genoeg. Niemand kan zeggen: ik heb hier recht op. De uitnodiging gaat aan ons vooraf. We mogen komen en ons toevertrouwen aan de liefde die ons roept. Moge ons antwoord zijn dat we Gods genade aannemen en binnengaan.

Amen

Broeder Paul Cools

Kerkwijding

Wij vieren vandaag het hoogfeest van de kerkwijding van onze huidige abdijkerk, maar wij vergeten daarbij ook niet dat de grote middeleeuwse kerk ook op 7 oktober werd ingewijd. Dat was in het jaar 1143. Bij de consecratie van de huidige abdijkerk, 72 jaar geleden, was de bouw werkelijk voltooid, maar de middeleeuwse kerk was pas in 1199 echt af. Dat was zo’n 70 jaar na het begin van de bouw.

Bouwen kost tijd en dan gaat het niet alleen om de tijdsduur van het metselwerk. Daar gaat al het nodige werk aan vooraf, denk maar aan fondsenwerving en ontwerp en na het metselwerk is er ook nog tijd voor alle andere werkzaamheden nodig. Een kerk bouwen vraagt tijd en het vraagt samenwerking van tal van ambachten en deskundigheid. Dat was vroeger zo, dat is nu nog zo.

Waarom dit alles opgehaald op het feest dat wij vandaag vieren? Zou het kunnen zijn dat zich in de bouwgeschiedenis van het stenen gebouw zich ook iets spiegelt van de bouw van de geestelijke tempel, van de gemeenschap die in dit stenen gebouw samenkomt? Ook die gemeenschap wordt niet in één dag opgebouwd. Al die levende stenen moeten tot een hechte gemeenschap aaneen worden gevoegd anders is het gevaar aanwezig dat de gemeenschap al gauw uiteenvalt of een los verband is zonder vitale uitstraling.

Een stenen kerk bouwen vereist tijd, geduld, volharding , samenwerking en veelsoortige inbreng en competentie. Datzelfde geldt ook voor de gemeenschap die er  kerkt. En die twee hangen misschien meer samen dn wij gewoonlijk denken. Waar de kerkgemeenschap is doodgebloed, waartoe dan nog een kerkgebouw? Zeker, het kan als monument een stille verwijzing zijn naar een verleden dat niet meer bestaat, en ook nog een stille getuige zijn  van een werkelijkheid die wij uit het oog verloren hebben. Maar daar willen wij het vandaag niet bij laten.

Als wij vandaag de ogen niet sluiten voor de crisis in de kerkgemeenschappen en de teloorgang van veel kerken, welke les trekken wij daaruit op deze feestdag?  Toch vooral dit: dat we moeten investeren, maar niet direct in geld en goed. We dienen te investeren in de levende stenen, in de gemeenschap die deze kerk als huis van gebed heeft ontvangen. Want zonder die gemeenschap, wordt het kerkgebouw aal gauw een lege doos, en tot slot een last die teveel geld kost.

Denkend aan het kerkgebouw en de kerkgemeenschap die er samenkomt, welk appèl gaat daar vandaag vanuit? Wat roept dat bij ons op en waar daagt het ons toe uit? Misschien allereerst dit: geloven doen je niet op je eentje. Het is wel een persoonlijke beslissing, maar als het antwoord ‘ja, ik wil’ is, dan betekent dat dat je door de doop wordt opgenomen in een gemeenschap. De apostel Paulus spreekt in dat verband over het lichaam van Christus, waar je deel van uitmaakt. En de vitaliteit van het geheel hangt af van het samenspel van alle ledematen, hoe verschillend ze ook zijn. Ze zijn op elkaar aangewezen en van elkaar afhankelijk om als gezond lichaam de taak te kunnen vervullen waartoe het lichaam is geroepen. In dat verband denk ik ook aan het woord synodaliteit. Niet iedereen staat te trappelen om aan dat proces deel te nemen uit vrees voor nieuwigheden die niet in de kerk thuishoren. Maar laat vrees niet de gids op ons pad zijn, maar de heilige Geest. En die was in de buurt toen die twee Emmaüsgangers onderweg waren. Die waren samen op weg, en dat is wat het woord synodaal betekent. En op die weg deelden ze met elkaar hun vragen en teleurstellingen en door ze niet te ontkennen kon het wonder gebeuren.  De vitaliteit van de kerkgemeenschap hangt ervan af of we met elkaar samen op weg gaan. De doop is geen toegangsbewijs voor de hemel, waarna je je gezicht niet of nauwelijks meer laat zien in de geloofsgemeenschap. Nee, de doop is een verbintenis voor het leven, dat je samen met al die gedoopten  met welke kleur of taal ook samen een broeder en zuster gemeenschap vormt die het eerste en tweede gebod als handvest heeft.

Geloven doe je persoonlijk, maar niet alleen. Als kinderen van één Vader en als broeders en zusters van Jezus geven wij persoonlijk en samen vorm en uitdrukking aan ons geloof. Wij leven uit dezelfde liefdesadem van Gods Geest en wij zingen samen Gods lof en wij danken om het leven ons gegeven; wij bidden samen om elkaar te sterken en te bemoedigen in het geloof en wij doen samen voorbeden  voor de noden en verlangens van onze geloofsgemeenschap die samen onderweg is en wij vergeten daarbij ook de wereld niet die in barensweeën verkeert. Kinderen van een Vader, geroepen om God te beminnen en zorg te dragen voor elkaar.

Geloven doe je samen, en het tweede gebod  bindt ons op het hart elkaar te beminnen als broeders en zusters. Dan kun je dus niet zomaar wegblijven uit de kring die haar vitaliteit maar krijgt en bewaart als iedereen de plek inneemt die hem of haar is toebedeeld. Ieder met eigen gaven en talenten, maar allen ten dienste van het leven van heel de gemeenschap. Omzien naar elkaar, niet aan elkaar voorbijzien, maar in Gods naam elkaar dragen, verdragen op zijn tijd, maar bovenal dienen, eren en beminnen. Waar we dat nalaten, verwaarlozen of vergeten kan het kerkgebouw wel sluiten, want dat is er om samen te vieren, samen te treuren als het moet, samen het lied te zingen dat ons boven onszelf uittilt en bovenal het brood en de beker te delen die ons leren tot hoever de liefde gaat: mijn leven gegeven voor jou, voor jullie.

Wij vieren het feest van de kerkwijding van onze kerk, 72 jaar geleden. Laten wij het dankbaar doen en zetten wij de deur wijd open want de Heer die hier de gastheer is nodigt met een wonderlijke gastvrijheid; bij hem is ook de verloren zoon en de tollenaar van harte welkom.

Voor U in deemoed, met U in geloof, in U in stilte.

AMEN

 

Vader abt Thijs Ketelaars

Muzikaal college over barmhartigheid

Op zaterdagmiddag 17 oktober klinkt in de Adelbertabdij het muzikale college ‘Giving a Shit – mens blijven, juist nu’. Theoloog Dr. Ralf Bodelier onderzoekt samen met vijf musici wat barmhartigheid nog betekent in een tijd van polarisatie, prestatiedruk en digitale afstand.

In een samenleving waarin onverschilligheid vaak geldt als stoer, pleit Bodelier voor de herwaardering van medeleven, zachtheid en betrokkenheid. ‘Voor onverschilligheid hebben we tegenwoordig heel veel woorden’, zegt hij. ‘Van ‘boeieh’ en ‘ik geef er geen zak om’ tot ‘not giving a shit’. Maar er zijn nauwelijks nog woorden voor medeleven of goedheid. ‘En wat we niet meer benoemen, dat verdwijnt.’

‘Giving a Shit – mens blijven, juist nu’ brengt muziek, kunst en filosofie samen in een verhaal over medemenselijkheid.
Centraal staan de eeuwenoude ‘Zeven Werken van Barmhartigheid’ zoals de hongerigen voeden, de zieken bezoeken en vreemdelingen huisvesten. Deze worden vertaald naar actuele thema’s als ontwikkelingshulp, vrijwilligerswerk en dakloosheid onder arbeidsmigranten.

Het college wil aanzetten tot nadenken en, hopelijk, tot actie. ‘Giving a Shit’ is geen zwaktebod, maar verzet tegen de onverschilligheid van deze tijd’, aldus Bodelier. ‘Wie om anderen geeft, maakt de wereld warmer. We moeten weer verschillig durven zijn.’

Praktische informatie
Datum & tijd: zaterdag 17 oktober 14.30–16.30 uur
Locatie: kerk Adelbertabdij Egmond
Aanmelden verplicht: via een mailtje naar info@curicos.nl
Meer informatie: www.givingashit.nl
Entree: free gift na afloop

Overweging Zr. Benedict

De steen die de bouwlieden hebben afgekeurd,
is juist de hoeksteen geworden.
Op last van de Heer is dat gebeurd
en het is wonderbaar in onze ogen.

De afgelopen week hebben de broeders van de abdij hun jaarlijkse retraite gevierd en ik mocht die begeleiden. En nu mag ik de overweging doen in deze eucharistieviering als afsluiting van de retraite. Op deze zondag wordt herdacht dat de heilige Franciscus 800 jaar geleden zijn leven teruglegde in de handen van de Heer. Zijn inspiratie en de vruchten van zijn leven en sterven, zijn nog steeds voor ons belangrijke bronnen, die ons voeden en een weg wijzen in ons omgaan met elkaar en met de schepping, dichtbij en wereldwijd.

Het thema van de wijngaard is rijkelijk aanwezig in de lezingen van vandaag. Het is een beeld dat aan vele domeinen raakt.

De wijngaard is het visioen van God met zijn schepping, de vurige liefde van God voor de mens die  Hij naar zijn beeld en gelijkenis geschapen heeft. Maar zoals we allen weten en ook ervaren, is dat geen kado dat we passief kunnen ontvangen en daarna doen wat we willen.

Nee, het gaat over een relatie, een liefdesrelatie, die alleen maar mogelijk is als het gaat om twee geliefden, die de liefde geduldig willen cultiveren. Die wijngaard vraagt veel zorg en is kwetsbaar. Goede vruchten dragen is niet vanzelfsprekend. Het is onze dagelijkse ervaring. Echte liefde vraagt dat wij uitgaan uit onszelf om uit te kunnen gaan naar de ander. De ander op de eerste plaats stellen. En daarvoor moeten we iets van onszelf opgeven. Dat is moeilijk en doet pijn. Het kost ons. Het is maar in een langdurig proces, dat we groeien in ware liefde.

De broeders van deze gemeenschap hernieuwen aan het einde van iedere retraite hun geloften. Die drie geloften zijn: bestendig leven in deze gemeenschap met alles wat het leven brengt: de gelofte van stabiliteit; zich dagelijks toeleggen op wat de Heer van hen vraagt tot behoud van de liefde: de gelofte van bekering van leven; en de gelofte van gehoorzaamheid: luisteren, open staan voor wat de ander, voor wat het leven werkelijk vraagt. De communiteit doet dat, omdat het beleven van die geloften in deze concrete gemeenschap nooit vanzelfsprekend is en telkens nieuwe inzet en uitdaging vraagt. Het is levend leven en vraagt een heel leven. Er is veel te cultiveren in die wijngaard en dat gaat altijd door om de Heer van de wijngaard de vruchten aan te kunnen bieden, die van Hem zijn. Maar geldt dat niet voor ieder goed leven.

Sint Paulus komt ons te hulp als hij zegt: weest onbezorgd. Laat al uw wensen bij God bekend worden in gebed en smeking, en nooit zonder dankzegging.
En de vrede van God, die alle begrip te boven gaat, zal uw harten en uw gedachten behoeden in Christus Jezus. Dat is de andere kant, want de vruchtbaarheid komt van God en niet van ons. Paulus weet wat hij zegt. Alleen door zijn ervaring van de levende Heer heeft hij zijn haat en kortzichtigheid kunnen overwinnen. En hoe is dat met ons, die hier samen zijn, wij die ons christen noemen? Waar zijn wij Christus als de levende op het spoor gekomen? En waar hebben we de barmhartigheid en liefde ervaren die God ons toedraagt. God, die liefde is en zachtmoedigheid.

Waar zijn we geraakt door de nood of vraag van anderen? Waar hebben we onszelf kunnen loslaten ten gunste van een ander die beroep op ons doet? Het is voor ieder van ons goed om daar van tijd tot tijd bij stil te staan en het ons weer in herinnering te brengen. Waar gaat het om in mijn leven?

In de retraite van deze week hebben we er bij stilgestaan. We hebben de oude teksten uit het begin van het monastieke leven gelezen en naast ons eigen leven gelegd. Onze binnenwereld van gedachten en verlangens, van tegenstrijdigheden en tekortkomingen is complex. Het gebed is een onmisbaar instrument om op koers te blijven. Dat geldt niet alleen voor monniken en monialen. Dat geldt voor iedere gelovige, ieder naar eigen maat en mogelijkheid. De psalmen en de lezing van de Schrift, zij leren ons hoe mens te zijn en te worden. Al het menselijke komt erin voor, soms ruw en moeilijk te verstaan en dan weer vol hoop en overgave. Het gaat om ons menselijk tekort. Het volmaakte leven bestaat er niet in dat ons falen en tekortkomen er niet meer zouden zijn. Integendeel, ons falen en ons tekortkomen, maken dat ons hart zuiver kan worden. En wat is zuiverheid van hart anders dan komen tot oprechte liefde en zorg voor elkaar én voor de schepping, voor al wat leeft.

Ook Sint Franciscus is de moeilijke weg gegaan om de mens te worden naar Gods hart, die hij geworden is. Hij is vaak miskend geweest in zijn leven. Hij heeft teleurstellingen gekend, op het einde van zijn leven sloeg zijn orde een andere weg in dan hij voor ogen had. Maar dat alles heeft hem gelouterd. In zijn beroemde gebed is de eenvoudige beweging van het ik-gericht zijn naar de ander als ander toe, de essentie.

“Heer, maak mij een instrument van Uw vrede.
Laat mij liefde brengen waar haat heerst,
laat mij vergeven wie mij beledigde,
laat mij verzoenen wie in onmin leven”,

en zo verder.

Mogen ook wij instrumenten van vrede worden. Al de conflicten in de wereld, de grote en de kleine, ze komen voort uit die hartstochten die leven in het hart van iedere mens. We voelen ons vaak machteloos op het niveau van de wereldconflicten, zeker nu met steeds meer oorlogen en dreigende oorlogen, ellende en onrecht. Maar door te letten op de bewegingen in ons binnenste, die conflict veroorzaken, kunnen wij een instrument worden van vrede door ons open te stellen voor Gods genade en liefde, ons openstellen voor die groei in  zuiverheid van hart, die ook de armoede van Sint Franciscus is. Dan zal de God van vrede met ons zijn.

“Heer, maak mij een instrument van Uw vrede.

 Want het is toch door te geven, dat men ontvangt
 door te verliezen, dat men vindt
 door te vergeven, dat men vergiffenis ervaart
 door te sterven, dat men verrijst tot het eeuwige leven”

Amen

Overweging gehouden door zuster Benedict Tissen van Abdij Koningoord

Het Ja en Nee in ons

Dierbaren,

‘Laat uw ja ja zijn, en uw nee nee’, zegt Jezus in de Bergrede. Dat klinkt helder. Maar vandaag vertelt Hij over twee zonen bij wie woorden en daden niet samenvallen. De een zegt ja en blijft thuis. De ander zegt nee en gaat toch. Wie van de twee doet de wil van zijn vader?

Het antwoord weten we meteen. En toch is de vraag minder eenvoudig zodra we deze op onszelf betrekken. Want in ons leven zijn beide zonen herkenbaar.

Er zijn momenten waarop wij ja zeggen. Ja, ik zal tijd voor je maken. Ja, ik zal luisteren. Ja, ik zal helpen. Misschien menen we het op dat moment ook oprecht. Maar de dag raakt vol, iets anders vraagt onze aandacht, en het blijft bij goede bedoelingen.

Er zijn ook momenten waarop wij nee zeggen. Omdat het ons niet uitkomt, omdat we moe zijn, of omdat we bang zijn voor wat er van ons gevraagd wordt. En later denken we: misschien moet ik toch gaan. Misschien heeft die ander mij werkelijk nodig.

Jezus vertelt zijn gelijkenis aan de hogepriesters en de oudsten van het volk. Zij kennen Gods Wet en hebben een verantwoordelijke plaats in het geloofsleven. Juist daarom is Jezus vraag indringend.

Zij hebben Johannes de Doper gehoord, die mensen opriep tot bekering. Zij hebben ook gezien dat tollenaars en prostituees naar hem luisterden en hun leven wilden veranderen. Toch bleven zij zelf op afstand.

Jezus zegt hun iets dat hard moet zijn aangekomen: ‘De tollenaars en de prostituees gaan eerder dan jullie het Rijk Gods binnen.’ Daarmee zegt Hij niet dat hun verleden er niet toe doet. Hij zegt dat hun verleden niet hun toekomst hoeft te bepalen. De tollenaars en prostituees, zij hebben geluisterd en zijn in beweging gekomen. De hogepriesters en oudsten die meenden al op de goede plaats te staan, liepen het gevaar stil te blijven staan.

Daarover spreekt ook de profeet Ezechiël. Het volk vraagt zich af of Gods wegen wel rechtvaardig zijn. Ezechiël antwoordt dat een mens niet voor altijd wordt vastgelegd op wat hij vroeger heeft gedaan. Wie een verkeerde weg verlaat en recht en gerechtigheid doet, zal leven. Er is een nieuwe weg mogelijk, voor u, voor mij, elke dag opnieuw.

Dat is een troostrijk woord. Misschien dragen wij iets met ons mee waar we spijt van hebben: een hard oordeel over iemand, een vriendschap die we hebben verwaarloosd, een belofte die we niet zijn nagekomen.

Soms denken we dat het inmiddels te laat is om nog iets goed te maken. Ezechiël en Jezus houden ons vandaag voor: begin met de stap die je nu kunt zetten. Zoek die ander op. Spreek een eerlijk woord. Vraag vergeving, of bied hulp aan. Het hoeft niet in één keer volmaakt te zijn. Maar zet die stap.

De eerste zoon uit de gelijkenis in het evangelie doet niet wat de vader van hem vraagt. De vader vraagt: ga vandaag werken in de wijngaard. Hij antwoord dan: ‘Goed vader’, maar doet het niet.

Aan de tweede zoon vraagt de vader hetzelfde. ‘Nee, ik wil niet’. Later krijgt hij spijt en gaat toch naar de wijngaard. Jezus vertelt niet wat hem precies van gedachten doet veranderen. Misschien herinnert hij zich zijn vader.

Misschien beseft hij dat het werk gedaan moet worden. We weten alleen dát hij gaat. Zijn eerste antwoord blijkt niet zijn laatste woord te zijn.

De wijngaard van de Vader ligt ook voor ons niet ver weg. Wij betreden haar waar we zorg dragen voor elkaar: in het gezin, in onze gemeenschap, op het werk, bij een zieke buur of een eenzame gast. Soms vraagt dat iets groots. Vaker begint het klein: iemand laten uitspreken, een taak op ons nemen die niemand graag doet, terugkomen op iets wat we hebben gezegd. Zo krijgt ons “ja” handen en voeten.

Daarbij kunnen we ons afvragen waarom de eerste zoon thuisblijft. Ook dat vertelt Jezus niet. Misschien wilde hij zijn vader graag tevredenstellen en zei hij daarom onmiddellijk: ja. Maar een vriendelijk antwoord alleen is nog geen gehoorzaamheid. Die vraagt dat we ons werkelijk laten raken door wat de ander van ons vraagt.

Paulus wijst ons in de tweede lezing de weg. ‘Geef niet alleen om uw eigen belangen, maar ook om die van anderen’, schrijft hij aan de Filippenzen. Daarna spreekt hij over Christus.

Hij klampte zich niet vast aan zijn hoge plaats, maar maakte zich klein en werd gehoorzaam, tot de dood aan het kruis. In Hem zien we hoe ver Gods liefde gaat. Christus blijft niet op afstand van ons leven. Hij komt ons nabij en geeft zichzelf.

Als wij proberen te luisteren, te dienen en opnieuw te beginnen, hoeven we dat dus niet alleen op eigen kracht te doen. Christus gaat ons voor. Hij kent onze zwakheid en nodigt ons toch uit Hem te volgen. Zijn liefde kan ons helpen om een aarzelend ‘nee’ te veranderen in een oprecht ‘ja’.

Misschien is dat vandaag de vraag voor ieder van ons: waar wacht de Vader op mij? Niet op een indrukwekkend antwoord, maar op een stap. Misschien weten we al lang welke stap dat is. Misschien moeten we er nog even stil voor worden om haar te ontdekken.

Straks komen wij samen aan de tafel van de Heer. Wij brengen mee wat goed ging, en ook wat onaf is gebleven. Wij danken Hem voor zijn trouw en vragen om de moed opnieuw te beginnen.

God houdt ons niet vast aan ons eerste antwoord. Hij vraagt of wij vandaag zijn wijngaard binnengaan: met aandacht voor wie ons nodig heeft, met de bereidheid ons te laten veranderen, in het spoor van Christus, die zichzelf voor ons heeft gegeven.

Moge deze viering van de Eucharistie, sacrament van éénheid en liefde ons sterken en bemoedigen, om van hier op tocht te gaan en daar te doen wat wij hier belijden: God liefhebben, elkaar nabij zijn, en elkaar in liefde te dienen. Tot eer van Zijn Naam.

Amen

 

Abt Gerard

Lezingen: Ezechiël 18,25-28 · Filippenzen 2,1-11 · Mt. 21,28-32

 

Allerzielen 2026

Journalist Jan Vriend doet zijn persoonlijke verhaal op Allerzielenviering op vrijdagavond 30 oktober om 19.00 uur

De Abdij van Egmond en het Hospice van Egmond aan Zee werken weer samen in een viering van Allerzielen voor de hele regio. Die vindt plaats op vrijdag 30 oktober om 19.00 uur in de Abdijkerk. Belangstellenden zijn vanaf 18.00 uur welkom in de Benedictushof. Daar is koffie en thee. En vandaar gaat het om 18.30 uur in processie langs de herinneringsboom naar de Abdijkerk. Bij de viering van Allerzielen is er altijd een gastspreker. Dit keer is het de in de regio bekende journalist Jan Vriend. Hij werkt voor het Noordhollands Dagblad en andere regionale kranten en tekent daar heel geregeld voor verhalen met een levensbeschouwelijke inslag. Op Allerzielen zal hij vertellen over het verlies van zijn broer op jeugdige leeftijd. Dat sterven heeft een gat in het gezin geslagen. Naast Jan Vriend spreken abt Thijs Ketelaars en Susan Verwer namens het hospice. Leo Fijen leidt deze bijeenkomst waar ook gezongen wodt door het koor van het hospice, de Distelvinken. Tenslotte is misschien wel het belangrijkste onderdeel het noemen van de namen. Die van het hospice en die van de abdij. Namen van hen die ons heilig zijn en ons ontvallen zijn. U kunt de namen van uw overleden dierbaren insturen naar: info@abdijvanegmond.nl. Deze worden bij naam genoemd in de viering op 30 oktober

 

Werkers van het eerste uur

Afgelopen week was het weer Prinsjesdag en hebben wij gehoord wat de plannen en wensen zijn van de regering. En inmiddels heeft ook de oppositie zich laten horen. Wat heeft het evangelie dat wij zojuist gehoord hebben ons in die context te vertellen? Of moeten wij het terzijde schuiven als een verhaal dat niet meer past in deze tijd? Maar laten we niet te vlug zijn met ons oordeel, wie weet snijdt het meer hout dat we op het eerste gezicht vermoeden.

Wie de Schrift een beetje kent en zijn ogen niet sluit voor het doen en laten in onze samenleving, die weet dat afgunst, competitie en concurrentie als een rode draad door onze menselijke geschiedenis loopt. Het lijkt wel of het niet anders kan. Adam en Eva zijn nog maar nauwelijks op het toneel verschenen of ze kijken al met een afgunstige blik naar een boom waarvan ze de vrucht niet mogen eten. En hun kinderen doen al niet anders. Kaïn is afgunstig op zijn broer Abel, want die lijkt iets te hebben wat hij niet heeft. En in plaats van hem de vriendschap te gunnen, slaat hij hem dood. En wie verder leest in het boek van ons geloof, ziet het patroon steeds weer terugkeren. Het houdt maar niet op en het gaat door tot in onze dagen.  Wie zijn ogen niet sluit ziet het overal als onkruid om zich heen de kop opsteken. Jaloezie, afgunst, zij blijken van alle tijden en het is alsof ze ons aankleven als de huid van de slang, en we lijken haar niet of maar moeilijk  te kunnen afwerpen.

Het evangelie van vandaag voegt zich in die lange rij van verhalen. Het is de geschiedenis ingegaan onder de titel ‘de parabel van de werkers van het elfde uur.’ Maar het is de vraag of hij niet veeleer de naam verdient van “de werkers van het eerste uur’, want met hen had de werkgever op het eind van de dag het nodige te stellen.

De laatkomers ontvangen hun loon en gaan zonder verder commentaar naar huis.  Vermoedelijk waren ze dol blij dat ze na minder dan een dag gewerkt te hebben het volledige dagloon kregen.

Maar dan de eersten die achter in de rij stonden bij de uitbetaling. Zij zagen wat de laatkomers kregen. Toen zij dan aan de beurt kwamen en hetzelfde kregen als de laatkomers, toen waren de rapen gaar. Kunt u het zich voorstellen?

Ze kregen niets te kort want ze waren overeengekomen voor een dagloon en de eigenaar had hen eerlijk uitbetaald. En toch, geklaag en discussie.

‘Die hebben maar één uur gewerkt en gij stelt ze gelijk met ons die de last van de dag en de brandende hitte hebben gedragen.’ Maar de landeigenaar reageert op hun beschuldigingen met een vraag:  ‘Mag ik met het mijne niet doen wat ik verkies of zijt gij kwaad omdat ik goed ben?’

‘Zijn jullie kwaad, omdat ik goed ben?’, de Griekse tekst leest letterlijk ‘Is jullie oog slecht, omdat ik goed ben?’ Met welke blik kijken jullie naar je collega’s, die gewerkt hebben? Niet met die van de landeigenaar. Om het met de woorden vaan de profeet Jesaja te zeggen: “ uw gedachten zij niet mijn gedachten, mijn wegen niet uw wegen.” Wij zijn dan wel geschapen naar Gods beeld en gelijkenis, maar wanneer wij die gaven niet cultiveren en ons gedrag laten bepalen, krijgen andere stemmen in ons leven hun kans, en krijgt de blik van Gods menslievendheid concurrenten van een slechte soort.

Naar het leven kijken met de blik van God is er niet een van afgunst, maar van leven geven en leven delen. Je verheugen dat allen aan de tafel van het leven een gelijkwaardige plek krijgen of ze nu laat of vroeg gekomen zijn. Allen zijn wij kinderen Gods en allen zijn wij geroepen om als  die grote mensenfamilie samen te leven. Is dat eenvoudig? Nee. Is dat onmogelijk? Nee, maar het vraagt gedurige bekering, want het leven is ons gegeven om het met elkaar te delen, elke dag weer, met wie vroeg of laat komt.

De landeigenaar over wie Jezus vandaag spreekt, is God, die zijn zon over goeden en kwaden doet opgaan. Hij kent geen onderscheid en zijn liefde gaat uit naar elk mensenkind. Een liefde die uniek is, want elk van de arbeiders heeft een eigen naam en gezicht, zijn eigen verhaal, maar het zijn allemaal zijn mensen, niemand uitgezonderd. Of ze nu zwart zijn of blank, hoogbegaafd of mindervalide, zij vormen voor God één mensenfamilie, één lichaam. En om met Paulus te spreken, de zwakke delen verdienen dezelfde zorg als de sterken, want alleen zo kan het lichaam gezond blijven.

Zijn jullie kwaad omdat ik goed ben? Niemand is goed dan God alleen. Ons denken en doen is aangevreten door de worm van het bederf en de dood.  De afgunst heeft de dood in de wereld gebracht, zegt het boek Wijsheid, maar daarvoor zij we niet geschapen en daartoe worden we niet geroepen. Wij missen het heldere oog.  Afgunst en wantrouwen maken de dienst uit in plaats van vertrouwen en samenwerken. Wij hebben de keus om te luisteren naar de  influistering van de slang of naar het stille spreken van de Geest, die leven geeft.

In een samenleving waar almaar etiketten worden geplakt, mensen worden weggezet, afgeschreven of niet toegelaten om aan de arbeid deel te nemen in de tuin van het leven, worden wij vandaag geroepen elkaar met andere ogen te bezien, met de blik van God die leven geeft en voor allen het volle loon in petto heeft.

Wij hoorden vandaag een verhaal dat maar al te herkenbaar is, maar hier worden wij op deze zondag weer aan de tafel genodigd door één die zo goed als God is geweest. Zijn leven reikt hij ons aan. Aan ieder zonder onderscheid, opdat wij iedere dag opnieuw uit zijn kracht zouden leven als nieuwe Adam en nieuwe Eva, en wij op de akker van het leven samenwerken voor een oogst die God en mens vreugde verschaft.

AMEN

 

Vader abt Thijs Ketelaars

tekst: Mt 20, 1-16

 

 

 

 

 

 

Daar is Hij in ons midden

Dierbaren,

In deze weken herneemt het leven langzamerhand zijn gewone loop. De vakantie loopt ten einde, scholen beginnen weer en voor velen keren de vertrouwde werkzaamheden en verplichtingen terug. Juist op zo’n moment reiken de Schriftlezingen van vandaag ons iets kostbaars aan. Zij spreken over onze verantwoordelijkheid voor elkaar, over de liefde die wij elkaar verschuldigd zijn en over Christus, die aanwezig wil zijn waar mensen in zijn naam samenkomen.

Velen hebben tijdens de vakantie een reis gemaakt. Misschien ging de reis met de auto naar Frankrijk, Spanje of Italië: genieten van de natuur, een andere omgeving, tijd voor elkaar en met elkaar. Dat klinkt heerlijk. Toch kan juist wanneer mensen langere tijd dicht bij elkaar zijn, plotseling irritatie ontstaan.

Iemand vertelde eens over zijn ouders. In meer dan veertig jaar had hij hen nooit op een echte ruzie kunnen betrappen. Behalve die ene keer, tijdens een vakantie in Zuid-Frankrijk. Zij kwamen bij een tweesprong zonder richtingaanwijzer. Hij wilde naar rechts, zij wilde naar links. Geen van beiden wilde toegeven en het meningsverschil liep ongekend hoog op.

Samen op reis, alle tijd voor elkaar, en toch ineens een conflict over de weg die gekozen moest worden. Misschien herkennen wij er iets van. Soms is er maar weinig nodig om tegenover elkaar te komen staan. Een verkeerd woord, een misverstand, een oude gevoeligheid of de overtuiging dat alleen wij weten welke richting de juiste is.

Wij mensen hebben elkaar nodig. Wij zijn niet geschapen om alleen te leven. Wij horen bij elkaar. Maar dat wil nog niet zeggen dat het altijd vanzelf goed gaat. Waar mensen samenleven, kunnen zij elkaar ook teleurstellen en verwonden. Dat gebeurt in gezinnen, tussen vrienden, in een geloofsgemeenschap en ook binnen een kloostergemeenschap.

Jezus weet dat. Hij heeft geen romantisch beeld van de gemeenschap. Hij weet hoe kwetsbaar onze onderlinge verbondenheid is. Daarom geeft Hij vandaag heel concrete raad: “Wanneer uw broeder gezondigd heeft, wijs hem dan onder vier ogen terecht. Luistert hij naar u, dan hebt u uw broeder gewonnen.”

Let op die laatste woorden: “Dan hebt u uw broeder gewonnen.” Jezus zegt niet: dan hebt u het gelijk aan uw kant gekregen. Ook niet: dan hebt u de ander op zijn plaats gezet. Het gaat Hem erom dat wij onze broeder of zuster terugwinnen. Het doel is niet de overwinning, maar de verzoening; niet het eigen gelijk, maar het herstel van de verbondenheid.

Dat is een goede raad, maar geen gemakkelijke. Wanneer iemand ons gekwetst heeft, praten wij soms liever óver die persoon dan mét hem of haar. We blijven erover nadenken, vullen de bedoelingen van de ander in en vertellen ons verhaal aan mensen die er eigenlijk buiten staan. Ondertussen wordt de pijn groter en groeit de afstand.

Jezus nodigt ons uit een andere weg te gaan: zoek de ander op. Niet vanuit boosheid of superioriteit, maar vanuit het verlangen elkaar niet kwijt te raken. Spreek eerlijk uit wat er gebeurd is en wat het met je heeft gedaan. Probeer niet eerst een beschuldiging te formuleren, maar vertel wat je pijn heeft gedaan. En luister vervolgens ook naar het verhaal van de ander. Misschien heeft die de situatie heel anders beleefd.

Dat vraagt moed. Het vraagt ook nederigheid, want wij moeten rekening houden met de mogelijkheid dat niet alleen de ander, maar ook wijzelf iets verkeerd hebben gezien of gedaan. Een werkelijk gesprek begint wanneer wij niet alleen ons woord willen doen, maar ook bereid zijn het woord van de ander te ontvangen.

Lukt zo’n gesprek niet, dan zegt Jezus: “Neem een of twee anderen mee.” Niet om een meerderheid tegenover de ander te vormen, maar om hulp te zoeken. Soms hebben mensen een wijze en betrouwbare derde nodig: iemand die kan luisteren, die de spanning helpt verminderen en die ons eraan herinnert dat wij, ondanks alles, broeders en zusters blijven.

De profeet Ezechiël gebruikt vandaag het beeld van de wachter. Een wachter blijft wakker en kijkt uit over het land. Wanneer er gevaar dreigt, mag hij niet zwijgen. Ook wij worden geroepen om over elkaar te waken. Dat betekent niet dat wij elkaar voortdurend moeten beoordelen of corrigeren. Het betekent wel dat het lot van de ander ons niet onverschillig mag laten.

Werkelijk waakzaam zijn is met liefde naar de ander kijken. Het is niet zeggen: “Het is zijn eigen verantwoordelijkheid; hij zoekt het maar uit.” Het is durven spreken wanneer dat nodig is, maar ook weten wanneer wij moeten zwijgen en luisteren. Een liefdevol woord op het juiste moment kan iemand behoeden voor een verkeerde weg. Een hard woord op het verkeerde moment kan juist een deur sluiten.

Paulus vat het vandaag prachtig samen: “Weest niemand iets schuldig dan alleen elkaar lief te hebben.” De liefde is de enige schuld die wij nooit helemaal kunnen aflossen. Iedere dag opnieuw zijn wij elkaar aandacht, geduld, eerlijkheid en vergeving verschuldigd.

Dat betekent niet dat wij alles moeten goedpraten. Liefde kan ook duidelijk zijn en grenzen stellen. Maar zij schrijft de ander nooit af. Zij blijft in de ander een mens zien die door God geschapen en bemind is. Ook wanneer een gesprek mislukt, blijft de ander onze broeder of zuster. Ook wanneer de afstand niet onmiddellijk kan worden overbrugd, mogen wij voor die ander blijven bidden en de deur naar verzoening niet voorgoed sluiten.

Jezus zegt: “Waar twee of drie in mijn naam bijeen zijn, daar ben Ik in hun midden.” Dat is een belofte vol troost. Christus is niet alleen aanwezig wanneer alles goed gaat en wij volkomen eensgezind zijn. Hij komt juist binnen in onze kwetsbare gemeenschap, met onze verschillen, misverstanden en onvolkomenheden. Hij staat in ons midden om ons telkens opnieuw bijeen te brengen.

Straks worden wij rond dezelfde tafel verzameld. Wij ontvangen hetzelfde brood en drinken uit dezelfde beker. Wij komen niet naar voren omdat wij volmaakte mensen zijn, maar omdat wij leven van Gods barmhartigheid. Aan deze tafel leert Christus ons dat niemand alleen leeft en dat niemand alleen wordt gered.

Laten wij daarom onze verschillen, onze gekwetstheid en ook onze koppigheid bij Hem brengen. Laten wij Hem vragen ons een zachtmoedig en moedig hart te geven: zachtmoedig genoeg om de ander niet te veroordelen, en moedig genoeg om een eerlijk gesprek niet uit de weg te gaan.

Misschien komen ook wij soms bij een tweesprong. De een wil naar links en de ander naar rechts. Dan is de belangrijkste vraag niet altijd wie de juiste richting heeft gekozen. Belangrijker is dat wij elkaar onderweg niet verliezen.

Waarheen de weg ons ook voert, laten wij haar samen gaan, in geduld, in waarheid en in liefde. Want waar wij elkaar in de naam van Christus vasthouden, daar gaat Hijzelf met ons mee. Daar is Hij in ons midden.

AMEN

 

Br. Gerard Mathijsen

Vanuit ontvangen vergeving

Wanneer we hier samenkomen, zoeken we misschien een plek om even los te komen van de dagelijkse hectiek, de harde meningen en de polarisatie in de wereld. We nemen plaats, we zingen, we luisteren en hopen dat de stilte ook in ons wat rust brengt. Maar de Heilige Schrift, broeders en zusters, gunt ons vandaag geen comfortabele rust.

Petrus vraagt aan Jezus: ‘Heer, als mijn broeder tegen mij misdoet, hoe vaak moet ik hem dan vergeven? Tot zevenmaal toe?’ Let wel op wat Petrus hier vraagt: hij vraagt naar zijn bereidheid om te vergeven. Hij vraagt niet hoe vaak anderen hem moeten vergeven. Zevenmaal is voor hem al heel wat.

Maar Jezus breekt die rekensom onmiddellijk open: ‘Niet tot zevenmaal toe, maar tot zeventig maal zevenmaal.’ Niet 490 keer en dan houdt het op. Jezus wil dat Petrus ophoudt met tellen. Zodra we gaan tellen, maken we van vergeving een rekening. Jezus haalt die boekhouding onderuit. Want wat ons is aangedaan, kan zich in ons vastzetten en uitgroeien tot wrok.

De eerste lezing uit Jezus Sirach (Sir. 27,33–28,9) zegt vandaag: ‘Wrok en gramschap zijn iets afschuwelijks.’ Wrok houdt het verleden levend.

In de monastieke traditie heeft men daar scherp naar gekeken. Johannes Climacus, een monnik en oudvader van de Sinaï, noemt wrok een verborgen gif. Hij vergelijkt wrok ook met wormen die zich in vermolmd hout ontwikkelen. Zo kan wat ons is aangedaan, zich in ons vastzetten en ons van onze barmhartigheid beroven. En dan laat Jezus zien wat er gebeurt wanneer iemand zelf barmhartigheid ontvangt, maar die aan een ander weigert.

Om te laten zien wat er werkelijk op het spel staat, deelt Jezus een vertelling (Mt. 18,23–35). Een dienaar staat voor zijn heer met een astronomische schuld. Hij vraagt: ‘Heb geduld met mij.’ En zijn heer krijgt medelijden met hem en scheldt hem in één gebaar de hele schuld kwijt.

Even later komt diezelfde man iemand tegen die hem honderd denariën schuldig is. Vergeleken met wat hem zojuist is kwijtgescholden, is het een peulschil. De ander vraagt hem bijna met dezelfde woorden: ‘Heb geduld met mij.’ Maar de man die zelf geduld heeft ontvangen, weigert dat aan een ander te geven. Hij grijpt zijn mededienaar bij de keel en eist betaling.

Hij heeft zelf vergeving ontvangen en die barmhartigheid aan den lijve ervaren. En toch handelt hij tegenover een ander niet vanuit die barmhartigheid. De vertelling eindigt hard. De barmhartigheid die hij zelf had ontvangen, had hij een ander niet gegund.

Vergeving begint niet alleen bij de vraag: hoeveel moet ik nog verdragen? Ze heeft ook te maken met wat wij zelf ontvangen. Een kind leert liefde niet alleen doordat het hoort dat het moet liefhebben. Het leert liefde doordat het zelf liefde ontvangt. Wie als kind weinig liefde heeft ontvangen, kan later moeite hebben om liefde te geven. Dat geldt ook voor vergeving. We kunnen zeggen: God vergeeft jou, dus vergeef jij ook. Maar dan kan vergeving een loodzware opdracht worden.

Veel dieper gaat het wanneer iemand zelf ervaart: ik word niet afgeschreven om mijn fouten. Ik mag opnieuw beginnen. Er is ruimte voor mij. Wie zelf vergeving ontvangt, kan leren om een ander niet blijvend te beoordelen op zijn fouten. Gods barmhartigheid kan door een ander mens tot ons komen: in geduld en vergeving.

En toch is liefde meer dan een antwoord op wat wij zelf ontvangen. Jezus bleef liefhebben, ook waar Hij werd afgewezen. Ook wanneer iemand in zijn leven weinig liefde of vergeving heeft ontvangen, kan hij bij Jezus leren wat liefde is. Hij doorbreekt de cirkel van het tekort.

Laten we daar eerlijk over zijn: vergeven is niet gemakkelijk. Er zijn dingen die diep kunnen kwetsen. Vergeven betekent niet dat we doen alsof het kwaad niet gebeurd is. Ook wij kunnen een ander tekortdoen, kwetsen, teleurstellen. Ook wij hebben vergeving nodig. Misschien is dat wat Jezus ons voorhoudt: dat wij niet alleen herinneren wat anderen ons verschuldigd zijn, maar ook beseffen hoeveel wij zelf aan Gods barmhartigheid verschuldigd zijn.

Want de apostel Paulus zegt vandaag: ‘Niemand van ons leeft voor zichzelf alleen, en niemand sterft voor zichzelf alleen. Of wij leven of sterven, wij zijn van de Heer.’ (Rom. 14,7-9)

Dat geldt ook voor degene die óns heeft gekwetst. Ook die ander behoort uiteindelijk aan de Heer toe. Ik hoef niet zelf het laatste oordeel over die ander te vellen. De ander valt niet samen met wat hij of zij mij heeft aangedaan. Er blijft een mens tegenover mij staan die, net als ik, aan God is toevertrouwd.

Juist in een abdij krijgt dit woord over vergeving een bijzondere klank. Het monastieke leven brengt mensen dicht bij elkaar. Dat vraagt geduld, verdraagzaamheid en de bereidheid om elkaar ruimte te geven. Maar het geldt natuurlijk niet alleen voor ons. Ook in onze gezinnen, in vriendschappen, op het werk en in onze gemeenschappen is het nodig elkaar te vergeven en niet te blijven leven vanuit wat er is misgegaan. Ook tussen volkeren die diep in strijd verwikkeld zijn, zal volgehouden arbeid nodig zijn om oude wonden te helen en elkaar weer de hand te reiken. Misschien betekent vergeven soms vooral: niet telkens het oude opnieuw vertellen. Niet blijven leven vanuit wat de ander ons nog verschuldigd is.

Vergeving is geen goedkoop, vroom gevoel. Er zijn momenten waarop we alleen maar kunnen bidden: ‘God, ik kan dit nog niet. Help mij.’ Dat gebed kan al een begin zijn. Want wij hoeven niet uit onszelf de barmhartigheid op te brengen waarmee God ons tegemoetkomt. Wij mogen eerst zelf bij Hem staan als mensen die leven van zijn geduld.

Dadelijk komen wij naar de tafel van de Heer. We komen niet met een lijst waarop staat wat wij allemaal goed hebben gedaan. We komen met lege handen. Misschien ligt daarin wat ons hier samenbrengt. Niet omdat alle onrust verdwenen is of alle conflicten zijn opgelost. Maar omdat we hier voor God mogen staan zonder verweer.

Wie beseft hoeveel vergeving hij zelf heeft mogen ontvangen, kan de ander niet meer uitsluitend bekijken vanuit wat die ander hem verschuldigd is. Moge Gods barmhartigheid ons bevrijden van de oude rekening en ons de ruimte schenken waarin er weer plaats komt voor de ander.

Amen.

Br. Paul

 

Achter Mij aan

Wie wil er nu niet graag een beetje haantje de voorste zijn?

Als eerste het antwoord weten, de beste willen zijn of door iedereen aardig gevonden worden. Het klinkt wat ondeugend, maar het is heel menselijk. Ik herinner me nog dat ik in het vierde leerjaar met mijn fiets bij de schoolpoort stond te wachten tot we naar huis mochten. Ik vertrok iets te vroeg. De meester hield me tegen en zei: ‘Haast en spoed zijn zelden goed.’ Ik dacht toen: ‘zelden? Misschien is het deze keer wél goed.’ Ik wilde gewoon graag vertrekken. Ik was mijn tijd vooruit. En misschien herkennen we dat wel: we willen vooruit, vaak ook in ons denken en in onze plannen.

Wanneer vragen ons overvallen of wanneer we oplossingen zoeken, zijn we soms zo snel dat we al een antwoord hebben voordat de vraag überhaupt helemaal gesteld is. We vullen de toekomst al in voordat zij gekomen is.

En precies daar komen we bij Petrus (Mt. 16, 21-27).

Jezus vertelt zijn leerlingen openlijk wat Hem in Jeruzalem te wachten staat: Hij zal lijden, gedood worden en op de derde dag verrijzen. Petrus wil daar niets van weten. Hij neemt Jezus apart en zegt: ‘Dat verhoede God, Heer! Dat zal U nooit overkomen.’ Petrus houdt van Jezus en wil Hem beschermen. Maar hij denkt ook al te weten hoe het verder moet. Een Messias hoort in zijn ogen niet te lijden. Petrus heeft zijn beeld al klaar en loopt Jezus in zijn denken vooruit. En dan klinkt dat harde woord van Jezus: ‘Ga weg, satan, achter Mij.’

Het woord satan betekent letterlijk ’tegenstander’. Jezus wijst daarmee niet Petrus als mens af, maar wel de verleiding die in zijn woorden meeklinkt: de weg van het lijden ontwijken, de werkelijkheid naar onze hand zetten en een gemakkelijkere weg kiezen. Met zijn woorden staat Petrus Jezus in de weg. Daarom zegt Jezus: ‘Achter Mij.’ Hij zet Petrus opnieuw op zijn plaats als leerling. Niet vóór Hem uit om de weg te wijzen, maar achter Hem om te volgen.

Het opvallende is dat Jezus diezelfde woorden onmiddellijk daarna tot alle leerlingen spreekt: ‘Wie achter Mij wil komen…’ Wat eerst scherp tot Petrus wordt gezegd, wordt zo een uitnodiging aan iedereen. Achter Jezus gaan is de basishouding van iedere christen.

Dat is het sleutelwoord van dit Evangelie.

Niet: denk niet na.

Niet: neem geen initiatief.

Maar: loop Mij niet voorbij.

Jezus gaat voor. Er is een wezenlijk verschil tussen volgen en vooruitlopen. Petrus wil Jezus een andere weg opsturen omdat hij denkt te weten hoe het hoort. Jezus vraagt hem echter om leerling te blijven. Daarom zegt Hij ook: ‘Wie achter Mij wil komen, moet zichzelf verloochenen, zijn kruis opnemen en Mij volgen.’

Het kruis is geen doel op zich; het is geen uitnodiging om het lijden bewust op te zoeken. Het is wel de consequentie van de weg van de liefde waarop Christus ons voorgaat. Wie Hem volgt, kan tegenstand ontmoeten, moet soms eigen plannen loslaten, of een weg gaan die moeilijker is dan we zelf hadden gekozen. Jezus maakt duidelijk dat de weg van de liefde niet altijd gemakkelijk is. Ook vandaag niet.

In de eerste lezing (Jer. 20, 7-9) horen we over de profeet Jeremia. Eeuwen vóór Petrus kent ook hij de worsteling met een roeping die loodzwaar weegt. Jeremia is moe. Hij wil niet langer verkondigen wat God hem opdraagt en zou het liefst zwijgen. Maar dat lukt hem niet. Gods woord brandt in hem als een vuur; hij kan het niet voor zich houden. Jeremia wil achteruit, Petrus loopt vooruit. De een kan nauwelijks nog verder, de ander denkt al te weten hoe het moet. Beiden worstelen met de weg die voor hen ligt.

En misschien herkennen wij ons soms wel in allebei. Soms willen we de toekomst al helemaal vastleggen en denken we te weten wat God eigenlijk zou moeten doen. Op andere momenten zijn we juist moe, hebben we geen antwoorden meer en weten we niet hoe we verder moeten. Juist dan klinkt opnieuw dat woord van Jezus: ‘Ga maar achter Mij, Ik zal je voorgaan.’ Jezus gaat de weg die voor Hem ligt, maar Hij vergeet de mensen onderweg niet. Hij ziet juist wie moe is, gekwetst of achteropgeraakt. Wie Jezus volgt, kijkt niet alleen naar het einddoel, maar leert onderweg vooral van wat Hij doet.

Wie ziet Hij? Wie komt Hij nabij? Wie laat Hij niet vallen?

Ook vandaag zijn er mensen die moe zijn, gekwetst of langs de kant geraakt. Wie Jezus volgt, leert juist daar kijken en niet zomaar doorlopen. Volgen is leerling zijn: je gaandeweg laten vormen door Degene die voor je uitgaat. Daarom sluit wat Paulus in de tweede lezing (Rom. 12, 1-2) hier zo prachtig bij aan: ‘Laat u vernieuwen in uw denken, zodat gij kunt onderscheiden wat God wil.’

Paulus vraagt niet dat we ophouden met nadenken. Ons denken mag juist vernieuwd worden. Het gaat erom dat we niet meteen reageren vanuit onze eerste impuls of angst, maar de ruimte nemen om te onderscheiden: van waaruit denk ik nu? Waar richt ik mij op? De houding van een leerling is: niet alles vooraf al willen bepalen, maar je telkens opnieuw laten vormen door wat God op dit moment vraagt. Misschien had mijn meester uit het vierde leerjaar dus toch gelijk: ‘Haast en spoed zijn zelden goed.’ En dat geldt zeker voor de weg van de Meester, Christus.

Wij hoeven Hem niet vóór te zijn en we hoeven ook niet zelf de weg uit te vinden. Hij gaat ons voor, en dat geeft rust. Hij blijft ons nabij, juist wanneer de weg zwaar wordt of doodloopt. Wie met Hem meegaat, leert kijken zoals Hij kijkt, nabij zijn zoals Hij nabij is, en doen wat Hij doet. Dat is de imitatio Christi: leren leven zoals Christus leeft en handelen zoals Hij handelt.

Non-stop vóór Hem uitlopen hoeft niet, moedeloos achterblijven evenmin. We mogen eenvoudig met Hem meegaan.

Amen

 

Br. Paul

Nieuwsbrief

Schrijf u vrijblijvend in en blijf op de hoogte van de activiteiten van Abdij van Egmond.

We respecteren uw privacy. Sint-Adelbertabdij zal uw e-mailadres nooit delen met derden.
© 2026, Abdij van Egmond Algemene voorwaarden