Nieuws

“Ook ik kende Hem niet”

Vorige week sloten wij de kersttijd af met de doop van de Heer. Die mededeling zorgde voor een mail of ik mij niet had vergist. Was  niet 2 februari het einde van de kersttijd, het feest dat vroeger Maria Lichtmis heette en tegenwoordig Opdracht van de Heer wordt genoemd. Geen gekke vraag, want die opdracht van de Heer is natuurlijk eerder in de tijd dan de doop. Maar toch, officieel is de kersttijd afgesloten met de doop van de Heer. Maar toen Franciscus van Assisi eenmaal een levende kerststal had gemaakt 751 jaar geleden hebben de franciscanen de devotie van de kerststal wijd verbreid en  heel populair gemaakt waarbij ook nog eens extra aandacht aan Maria werd besteed.  En zo bleef op veel plaatsen en in veel gezinnen de kerststal staan tot 2 februari, het feest van de opdracht van Jezus in de tempel. En ook nu is daar niets op tegen. Integendeel, in onze beeldcultuur is dat een moderne manier om het oude verhaal bij de tijd te brengen.

Maar vandaag beginnen wij dus weer de groene tijd door het jaar. Maar ook deze zondag zorgt voor een verrassing. Niet alleen komt de doop die wij vorige week gevierd hebben nogmaals ter sprake, maar ook Johannes de Doper lijkt geen afscheid van ons te kunnen nemen of wij van hem. Hij heeft ons gedurende de advent naar Jezus geleid en ons naar hem verwezen, maar ook nu wij de gewone reeks van zondagen beginnen, meldt hij zich nog een keer. Voor wie houdt van iets nieuws is het misschien een tegenvaller, maar voor wie uitziet naar een betrouwbare gids, is hier aan het juiste adres.

Johannes de Doper pleit niet voor zijn eigen zaak, want die heeft hij niet. Het is ook geen man die zichzelf zo nodig in het licht wil plaatsen, integendeel hij is de wegbereider voor wie na hem komt. Dat is een tegendraads geluid in onze wereld waar zovelen erop uit zijn zichzelf te etaleren en groot te maken. Te midden van al die grote en kleine goden is Johannes een witte raaf, deemoedig en zelfvergeten. Het gaat niet om mij, zegt hij steeds weer, het gaat om het komen van God in jouw bestaan, zodat jij werkelijk en waarachtig zult leven.

Hij was de voorloper van Jezus, hij heeft de weg voor hem bereid. En Jezus heeft in hem naast een voorloper ook een voorbeeld gezien. Johannes heeft hem door woord en daad geholpen zijn eigen weg te vinden. En als wij dan heden ten dage het evangelie willen verkondigen, dan doen wij er goed aan Johannes als voorbeeld te nemen. En nu wij hem vandaag ontmoeten in het evangelie van de apostel Johannes wijs ik graag op twee korte uitspraken  van de voorloper die alleen in dit evangelie voorkomen. Ze zijn niet alleen de moeite waard om te overwegen, maar ook om na te volgen. De eerste uitspraak horen wij de voorloper vandaag zeggen en liefst tweemaal. “Ook ik kende Hem niet”. Dat is een woord om lang bij stil te staan, niet alleen omdat het tweemaal wordt gezegd, maar ook omdat het vraagt om van alle kanten te worden beklopt en beluisterd. De grote Augustinus was er zo door in verlegenheid gebracht dat hij zijn kerkgangers op 13 maart 413 naar huis stuurde met de mededeling “ik kom er niet uit, ga naar huis en denk zelf over deze woorden en kom overmorgen terug, misschien wil de Geest ons dan de tekst ontsluiten’. En op 21 maart dankt Augustinus de gelovigen dat ze ondanks het koude weer toch naar de kerk zijn gekomen. ‘Ook ik kende hem niet’, Dat geldt niet alleen voor Johannes de Doper, maar is ook ons deze ervaring niet onbekend? Johannes die met de geschiedenis van God met zijn volk vertrouwd was en uitzag naar de beloofde Messias, hij zag uit naar iemand van wie hij niet wist wat hij precies te verwachten had. Wat zou onze verkondiging winnen met zo’n houding van niet weten en verwachten, van wachten en luisteren. Johannes laat zich vandaag kennen in zijn kwetsbaarheid en hij wint er alleen mee, en wij worden er door getroost en bemoedigd op onze geloofsweg.

En dan de tweede uitspraak, het is tegelijk de laatste keer dat wij hem iets horen zeggen in het evangelie: ‘hij moet groter worden en ik kleiner’. Hoe zou de wereld eruit zien als al die grote ego’s en ook de kleine ego’s van eenzelfde houding blijk zouden geven? Hoeveel ruimte zou er dan niet ontstaan voor waarheid, recht en vrede? En wat zou zo’n houding niet bijdragen bij het samen de weg zoeken naar eenheid in onze eigen kerk, en aan de eenheid van de verschillende kerken?

Johannes, laten we vandaag die twee houdingen van hem meenemen: de nederigheid van het niet weten en de grootheid van het ruimte maken voor het levende woord van de Heer.

Vanuit die gezindheid reikt Johannes ons vandaag zijn getuigenis aan over Jezus. Hij doet dat met twee titels, de eerste is ‘lam Gods dat de zonden van de wereld wegneemt’. God komt als een lam. In Jezus toont hij zich, Hij komt niet met geweld, hij schreeuwt niet  en op straat verheft hij zijn stem niet. Hij komt als een lam, zachtmoedig. Hij komt ook als het lam dat geslacht wordt, dat in al zijn onschuld de last van anderen draagt en de dood op zich neemt. Wat ik, Johannes, nooit heb geweten, dat God zo weerloos en kwetsbaar tot ons komen zou, ik heb het gezien, toen ik de Geest op die ene zag rusten, daar in de diepte van het water. En nu wijs ik je op hem, naar hem, want in hem verschijnt Gods weerloze en verlossende liefde in heel zijn volheid. En dan voegt hij er in één adem de tweede titel aan toe om zijn getuigenis over Jezus af te sluiten: “Deze is de zoon van God”. Hij heeft als God geleefd, koste wat het kost. Niet hoog gezeten op een troon, niet met macht en geweld, maar als een die alles heeft gegeven, midden tussen ons, met ons en voor ons. Levend uit het licht, Licht uit Licht, opdat wij door zijn Geest herboren op onze beurt zouden leven als kinderen van het licht, elkaar tot zegen.

AMEN.

br. abt Thijs Ketelaars

 

Lezingen: Jesaja 49:3.5-6; 1 Korinthe 1:1-3; Joh 1: 29-34

 

Doop van de Heer

Met Kerstmis herdachten we de geboorte van Jezus, een week later vierden we de Heilige Familie, daarna de Openbaring van de Heer. Vandaag gedenken we Jezus’ doopsel. Vier bijzondere feestdagen na elkaar. Met de geboorte van Jezus herdenken we dat God als Mens onder de mensen is komen wonen, en dat Hij ons als Mens zijn enige gebod heeft voorgeleefd: ‘Bemin God bovenal, en uw naaste gelijk uzelf.’ Het feest van de Heilige Familie richt onze aandacht op families en gezinnen. Echte vragen: hoe bouw je in deze tijd een gezin op in al zijn variaties, in al zijn relaties, in goede en kwade dagen. De H. Familie was een buitengewoon gezin: zijn er andere samenlevingsverbanden die misschien niet direct passen in ons boekje, maar waarin O.L.Heer zijn plaats vindt, waar Hij thuis is? Een monastieke communiteit bijvoorbeeld. Gisteren mochten wij vieren dat onze br. Paul professie deed. Wij zijn gewoon te zeggen: in een klooster hebben de broeders (of de zusters) elkaar niet gekozen. Maar ouders hebben hun kinderen ook niet gekozen, en kinderen niet hun ouders. Wij zijn aan elkaar gegeven, aan elkaar toevertrouwd, tot gemeenschap geroepen. Eenzame mensen kunnen ons duidelijk maken hoe een grote gave dat is. Natuurlijk een opgave ook. Maar de heer is aanwezig waar mensen elkaar dragen. De viering van Epiphanie, het feest van Driekoningen maakt overduidelijk dat God er is voor alle mensen, voor alle volkeren, voor alle culturen. Bij dat feest kunnen we ons de vraag stellen of wij zijn zoals die Wijzen? Zoeken ook wij naar God, trekken ook wij erop uit om Hem te vinden? Hebben wij een open geest, een ruim hart, om zijn aanwezigheid te ontdekken waar wij die het minst verwachten? En in de viering van vandaag wordt ons een gelijkaardige vraag gesteld, namelijk: gedragen wij ons altijd als geliefde kinderen van onze Schepper? Zoals Jezus ons dat heeft voorgeleefd? Wij zijn in Hem gedoopt. Dank zij zijn grote menslievendheid mogen wij in ons leven, in de diepte van onze ziel, zijn heilige Geest aanwezig weten. Zijn wij gastvrij naar binnen? Hebben wij aandacht voor onze innerlijke gast, Gods Geest, of de engel die ons leidt?

Vandaag vieren we dat Jezus zich laat dopen, en dat is heel merkwaardig. Hij hoefde dat voor zich zelf niet te doen. Hij is immers de Zoon van God, Hij is zonder zonden, Hij had geen nood aan een doopsel, behoefde geen reiniging. Je zou kunnen zeggen: het hoorde niet bij Hem. Zo dacht ook Johannes erover, maar dan zegt Jezus: ‘Laat het nu maar gebeuren, want het is goed dat we Gods gerechtigheid vervullen.’ Dat zijn de allereerste woorden van Jezus die ons zijn overgeleverd.  Woorden van overgave aan het goddelijk plan, aan Gods Vaderlijke voorzienigheid. Woorden van gehoorzaamheid, en van solidariteit. “Laat het zo zijn” «αφες αρτι» Hoe vertaal je dat: laat maar toe, laat maar los, scheld maar kwijt. “want zo behoren wij de hele gerechtigheid te vervullen”. Jezus spreekt in het meervoud. Dat lijkt geen pluralis majestatis, maar samen met de Doper laat Hij het doopsel over zich heenkomen, aanvaardt Hij zijn lot, om de gerechtigheid te vervullen. Wat een mooie levenshouding:geloof in Gods Voorzienigheid, Hij leidt ons leven, door alle duisternis heen. En hoezeer Hij die gerechtigheid vervult, blijkt na zijn doop: een stem uit de hemel bekrachtigt: ‘Dit is mijn geliefde Zoon, in Hem vind ik vreugde.’

Misschien zijn we ons daar niet van bewust, maar deze woorden zegt God tegen elke mens, want allen zijn we zijn kinderen, en vreugde vindt Hij in al zijn schepselen. Aan ons allen vraagt Hij dat we zouden leven naar zijn beeld en gelijkenis. En misschien vragen we ons daarbij af wat en hoe dat is: leven naar Gods beeld en gelijkenis.  Maar we kennen het antwoord op die vraag: dat is leven zoals Jezus, zoals God zelf, ons heeft voorgeleefd. We kennen zijn woorden en zijn daden, en ze worden in de eerste lezing ook heel mooi beschreven. Daarin horen we dat Hij zijn gerechtigheid laat stralen over de volkeren. Hij maakt daar geen lawaai bij, zijn stem verheft Hij niet, want Hij is nederig. Wie in nood is, wijst Hij niet af, maar onvermoeid en zonder ophouden komt Hij op voor hen.

Jezus laat zich dopen om te openbaren dat God de mensen weer aanneemt als zijn kinderen. De zonde van de eerste mensen had de band tussen God en de mensen verbroken. Niet langer was de mens drager van de heilige Geest. Die was van hem geweken en de mensheid dwaalde voortaan in duisternis. Ging eigen wegen, maar die leidden alleen maar bergaf. Als wij de weg van overgave gaan dan neemt de Vader ons leven in zijn hand, en leidt Hij het ten goede, al lijkt alles nog zo zeer spaak te lopen.

Jezus is zijn missie begonnen met die daad van complete overgave: “zo past het ons, alles wat is vastgesteld te volbrengen.” Kunnen wij Hem daarin navolgen? We zijn immers maar mensen. Durven wij die sprong in het duister aan? Maar wij zijn gedoopt in Jezus’ dood, om te leven, in een onvoorstelbare toekomst, die in dit leven al begint. Petrus kwam tot dat inzicht: “Nu besef ik pas goed dat er bij God geen aanzien van persoon bestaat, maar dat uit welk volk ook, ieder die Hem vreest en die het goede doet Hem welgevallig is.

Wij zijn gedoopt, maar hoe zit het met al die niet gedoopte mensen, toch de grote meerderheid van de mensheid van alle tijden. Zijn alleen de gedoopten gered? Wat heeft men niet getobd over het lot van de ongedoopte kinderen? Geliefden, ik geloof vast dat God van ieder mens houdt, en dat ieder mens een goede kans heeft op eeuwig geluk. Het doopsel bevestigt die band, maakt hem wederzijds. Als een dopeling zich presenteert dan vraagt de priester: “wat verlangt u?” En het antwoord is “het doopsel”. De kandidaat vraagt erom. Wij vragen om Gods vriendschap. Voor God is het geen vraag. Wij zijn het maaksel van zijn handen. Hij houdt van ieder mens. Dat heeft Jezus ons getoond. Daarom wilde Hij zelf worden gedoopt, om te tonen dat Hij kopje onder wilde gaan in ons mensenleven.

Vol liefde, vol vrede, vol gerechtigheid, vol nederigheid, zo is de mens Jezus, dat heeft Hij ons voorgeleefd. Daarvan wil de Kerk een beeld zijn. Dat beeld is niet af. Het is onze opdracht het vorm te geven.Paus Leo gaat ons daarin voor. Hij moet al die kardinalen op een lijn zien te krijgen. Rekening houden met mensen die gehecht zijn aan de traditie, en mensen die ijveren voor de vooruitgang. Wat hebben wij het dan een stuk gemakkelijker. Zusters en broeders, laten wij proberen te leven: allen als kinderen van dezelfde Vader, als mensen die leven zoals Hijzelf ons heeft voorgeleefd. In het vaste vertrouwen dat ieders leven in God geborgen is.  Moge de Heer onze God ook vreugde vinden in ons. Amen.

Homilie tijdelijke professie br. Paul

Morgen sluiten wij de kersttijd af met de doop van de Heer. Dus broeder Paul, je kleine professie vieren wij nog juist binnen die liturgische tijd. En daarmee word je uitgenodigd om de nieuwe stap, het nieuwe begin dat je vandaag maakt te verbinden met het nieuwe begin dat wij in deze kersttijd vieren. Beter kun je niet doen, want is monnik worden niet mens worden in het voetspoor van Jezus door een luisterend en lezend leven? Luisterend leven in gebed zoals Jezus ons heeft voorgedaan, luisterend leven in de kleine en grote dingen van alledag en bovenal ook luisterend leven met en temidden van de broeders en de mensen om je heen. Om zo te groeien naar de maat van Christus en met een verruimd hart God en mensen te beminnen, een mens van vrede te worden.

 

Dat is een leerproces van een heel leven zoals het dat ook voor Jezus is geweest. Een weg waarop zegening een aanvechting, vertrouwen en twijfel niet ontbreken. We zien het in Jezus eigen leven. Het is ook een weg waarop anderen ons bijstaan en helpen. Misschien ook bij tijden voor obstakels zorgen en voor irritatie, maar ook die zijn er om door te groeien. Zegt onze oudvader Antonius niet dat zonder beproeving niemand gered kan worden?

 

Het kerstverhaal zoals wij dat de afgelopen weken in verschillende evangelies hebben gehoord laat ons zien hoezeer Gods avontuur, zijn menswording geen gespreid bedje is. Dat is geen weeffoutje, maar een bewuste keuze, want hij wil met ons de weg gaan, ook waar het parcours door het duister en de woestijn loopt.

 

Gods menswording, het is een weg te midden van ons mensen en met ons mensen, een leerschool ook voor Jezus, luisterend, lerend, biddend en zoekend naar zijn weg en roeping. Anderen hebben er erbij geholpen, Maria en Jozef, dorpsgenoten en geloofsgenoten. Hij heeft geluisterd in de synagoge en op straat, maar hij heeft bovenal geluisterd in het stil gesprek met de Vader. En in zijn jonge jaren was er Johannes die hem wegwijs heeft gemaakt en in wie hij veel herkende. Door hem heeft hij zich laten dopen, want hij wilde niet boven ons staan maar onder ons en met ons gaan.

 

Dat ligt met kerst allemaal nog in het verschiet, maar de goede verstaander hoort in die verhalen al veel meeklinken van wat later te gebeuren staat. En vandaag, op de valreep van de kersttijd, reikt ons de liturgie twee teksten aan die al vooruitlopen. De eerste Johannesbrief spreekt klare taal over de broederliefde. Een tekst die vandaag heel toepasselijk is. Want als er iets in het monastieke leven moeilijk is, dan is het samenleven met broeders. Wij hebben elkaar niet gekozen, maar we zijn wel aan elkaar gegeven door de Heer die ons hier samenbrengt. Het is niet zo moeilijk om met vuur te preken over de broederliefde, maar ze elke dag in praktijk brengen is heel iets anders. En toch is dat de toetssteen. Abba Antonius zei het al in de woestijn: ‘ Van de naaste hangen leven en dood af. Want winnen we de broeder, dan winnen we God, maar verleiden wij de broeder tot zonde, dan zondigen we tegen Christus.’[1] Die spreuk is heel ontnuchterend. Hij zegt ons dat het 1700 jaar geleden in de woestijn al niet altijd gemakkelijk was om als broeders met elkaar samen te leven, maar hij vermaant ons ook met beide benen op de grond te staan en niet hoogverheven over de liefde tot God te spreken en het alledaagse huiswerk te laten liggen. Broederlijk samenleven is een gave en een opdracht en de vrede waar vader Benedictus het over heeft moet in ons samenleven handen en voeten krijgen. Zo kunnen wij als broeders aan de wereld een bescheiden teken geven dat leven in vrede mogelijk is als Christus het hart is van ons doen en laten. De apostel Johannes die als de grote theoloog te boek staat, hij schrijft ook over het elkaar de voeten wassen en dienstbaar zijn in het alledaagse.

 

En dan is er nog het evangelie van vandaag. Jezus eerste optreden in het publiek. Wij hebben er maar de helft van gehoord en zo lijkt het allemaal rozengeur en maneschijn. Maar het tegendeel is waar. Zij preek valt aanvankelijk in goede aarde, maar dan komt er in tweede instantie commentaar: ‘wat verbeeldt hij zich wel, is hij niet de zoon van Jozef? Wat kan een mens, wat kan Jezus doen, als je zo de maat genomen wordt en er geen openheid is? Ook dat is een spiegel voor ons, zowel in de broederschap als in de samenleving. Hoe benaderen wij elkaar, hoe kijken wij naar elkaar? Doe wij er alles aan om de ander tot zijn of haar recht te laten komen of kapitelen en kleineren wij elkaar al te vaak?

 

Maar laten wij niet afsluiten vooraleer nog een blik te werpen op Jezus’ optreden in de synagoge. Hij presenteert zich met een Schriftcitaat waarin hij zich herkent. Dat getuigt van onderscheiding en van nederigheid. Hij is er niet op uit de show te stelen, maar hij wil juist laten zien dat hij niet zichzelf promoot, maar zoekt te doen waartoe God hem roept. Hij onderkent dat het Gods Geest is die hem beweegt en bewoont en dan citeert hij de profeet en daarbij horen wij als eerste ‘om aan armen het evangelie te brengen’. Al wat daarop volgt is niet een verhaal van wat allemaal niet mag en verboden is, maar wat mensen vrijmaakt, de ogen opent en toekomst schenkt.’ Dat geeft te denken. Herkennen wij dat evangelie, is ons spreken en handelen gericht op mensen bevrijden, leven schenken, licht in de ogen, hoop en toekomst?

 

Onze broeder Paul gaat dadelijk zijn professie afleggen. Moge hij zich herkennen in het kind in de kribbe, dat mens werd  om met ons de weg te gaan. Moge hij op het monastieke pad verder optrekken met Christus en zo leren de broeders van harte te beminnen van de morgen tot de avond. Moge hij in bidden en werken het bevrijdend evangelie van Jezus vertolken en wij met hem, dat onze gemeenschap een plek van hoop mag zijn, een huis van vrede, een huis van gebed voor heel Gods grote mensenfamilie. AMEN.

 

Preek gehouden t.g.v. de tijdelijke professie van br. Paul;  1Joh.4,19-5,4; Luc. 4,14-22a

[1] Stemmen uit de stilte II, 17,2

komt allen tesamen

Alweer is er een jaar voorbij en zijn wij hier samengekomen om te gedenken, te zingen en te bidden dat Jezus geboren is in de kerstnacht.  Bent u in dit heilig jaar gekomen als pelgrim van de hoop of is het juist om in deze nacht hoop te vinden bij dat kind in de kribbe? Want wie dit jaar zijn ogen een beetje de kost heeft gegeven ziet zoveel verdeeldheid, versplintering, zoveel conflicten, lijden en dood in de eigen kleine omgeving, in onze samenleving en op wereldniveau in oorlogen met onbevattelijk leed. Op tal van plaatsen worden mensen niet meer als mens gezien , maar als obstakel. Mensen worden afgewezen, uitgewezen, nagewezen of afgeschreven.. En ook de aarde, de levende schepping moet vechten tegen de ondergang . Waar is dan die God die mens is geworden tot redding van de wereld? Hoe kan een kwetsbaar kerstkind nu vrede brengen, een licht dat niet meer dooft, liefde die iedere dood overwint?

En toch.. ‘Komt allen tesamen’ is de eerste regel van een kerstlied dat al een lange traditie kent over landsgrenzen en talen heen. Wij komen samen rond een oud verhaal. Is dat dan niet wonderlijk?

Het verhaal van Jezus geboorte roept ons, en wij hopen er door te worden aangeraakt, bemoedigd, ja herboren te worden niet als mensen met de moed der wanhoop maar als mensen van nieuwe hoop.

Is ons eigen verhaal al niet zo idyllisch, het kerstverhaal is dat zeker ook niet. Het haalt ons al direct uit de droom. Het begint met te vertellen van keizer Augustus die de dienst uitmaakte over een groot deel van de bekende wereld. Gewone mensen hadden er niets of niet veel in te brengen. Zij werden als nummers behandeld en moesten zich laten registreren. Niks nieuws onder de zon dus. Dat gold ook voor Jozef en Maria. Dat zij hoogzwanger was, kwam niet voor vrijstelling in aanmerking. En dan ook nog onderweg een onderkomen vinden…. Wie biedt onderdak, hulp, gastvrijheid?

Nee, het kerstverhaal begint niet in kerststemming. Maar laat u niet ontmoedigen, vrees niet, want midden in dat duister  breekt het licht door. Midden in de nacht wordt er een kind geboren, een kind geboren uit Gods eigen verlangen. In dit mensenkind maakt God met ons geschiedenis als geen ander.  Hier wordt een kind geboren om mens te worden en dat is een teken van hoop. Maar tegelijk is er de onuitgesproken vraag, die bij elke geboorte klinkt: wat zal er worden van dit kind?

Kunnen wij wel open staan voor dit kind, open staan voor deze boodschap van vrede en liefde, is ons hart van binnen hiervoor wel voldoende ruim, zuiver en toegankelijk? Wie het stil laat worden in zijn hart en de woorden overweegt die over dit kind door de engelen zijn gesproken, wie met de ogen van een verruimd hart kan kijken, krijgt te zien hoezeer God om ons geeft, om u, om jou, om mij. Laat dat eens binnenkomen als u met de herders stil naar dat kind in de kribbe kijkt. Weerloos en tegelijk ontwapenend. Maar niet in een roze wolk, maar in een stal, liggend in een kribbe. Dat is geen zoet kerstplaatje, maar een teken. Dit kind in de voederbak zal zich geven als voedsel voor de wereld.

God is naar ons op zoek en vandaag horen wij het verhaal dat hij daartoe ons bestaan op zich heeft genomen en mens is geworden zoals wij. Niet een supermens, hoog verheven boven ons maar een eenvoudig kwetsbaar mensenkind, een van ons, God met ons. Ja, mens zoals wij, maar zo, dat zijn liefde geen ondergrens en geen bovengrens kent. Liefde tot in het lijden en de dood. Liefde die niets en niemand buitensluit.

Als wij dat alles stil overwegen, waartoe nodigt dat kind nog zonder woorden ons dan uit?

Horen wij niet de roep om met de kwetsbaarheid van dat kind te beminnen, het licht van dat kind alle ruimte te geven in ons, zodat er gerechtigheid, waarheid en liefde kan gebeuren in de kleinere en grote wereld?

God zoekt mensen samen te brengen rond dit kind, waarin zijn mensenliefde handen en voeten krijgt en een hart dat aan geen mens of schepsel voorbij ziet.

Dit kind, door machtigen niet opgemerkt, is van Godswege een belofte van leven en vrede.

Heden is u een redder geboren, Christus de Heer. Het zal met ons de weg gaan,  niet van verdeel en heers,  niet van uitsluiting en verdelging maar een van samen optrekken, van delen van lief en leed, tot in de dood, ons leven dragend, verdragend, meedragend, opdat niets ons zou scheiden van de liefde van Christus, geen duisternis of dood.

Komt allen tesamen. Vandaag wordt een kind geboren en in een kribbe neergelegd. Eer aan God in den hoge, die zo naar ons omziet en vrede op aarde voor wie samenkomen rond dit kind en het met hun gaven en eigen leven eren.

God die zich zo klein heeft gemaakt, mens onder de mensen,

Laat dan geen  kinderen in  goot of  stal achter, sluiten wij de deuren van ons hart niet, opdat vrede het deel wordt van al Gods kinderen op aarde en wij samen dag in dag uit naar waarheid kunnen instemmen met het lied van de engelen in den hoge.

Het licht, de vrede van Christus moge deze nacht opnieuw  in ons hart geboren worden tot zegen voor ieder en alles wat leeft.

AMEN

 

Broeder Abt Thijs Ketelaars

Lezingen: Jes. 9,1-3.5-6; Titus 2,11-14; Lc. 2,1-14

Homilie bij een jubileum!

Hoe zal dit geschieden?”, vraagt Maria aan de engel, de boodschapper van Godswege.

Zij zegt na de roeping van de engel uiteindelijk wat een wijdeling zegt bij zijn wijding, lange tijd nadat hij zich geroepen begon te voelen, wanneer hij voor de bisschop staat: “Hier ben ik.”

 

Zo ben jij, broeder Gerard, vandaag precies vijftig jaar geleden voor bisschop Ernst getreden. Dankbaar gedenken wij vandaag jouw antwoord nadat jouw naam geroepen werd, in de abdijkerk in Oosterhout. “Hier ben ik.”

 

Dankbaar vieren wij de 50 jaar priesterlijke dienstbaarheid die jij vandaag volmaakt. En wel op de dag waarop wij het ‘fiat’ van Maria weer horen. “Zie de dienares van de Heer, mij geschiede naar uw woord”

Zonder mensen die zoals zij ‘ja’ zeggen is er voor God geen plaats in deze wereld.

 

Dan zou het de wereld van Achaz worden, zo’n grenzeloos geestloze wereld van een man die zelf wel zijn plan zal trekken. De wereld is overbevolkt met zulke mensen, meestal mannen. Overigens moeten we daarvoor in de kerk ook oppassen. De geestelijkheid kan zich zo gedragen, wij weten het. De kerk als bedrijf, als vastgoedbedrijf, als service-instituut, ja als verdienmodel; een kerk die zichzelf wel zal redden met een uitgekiende communicatiestrategie, een missionaire kerk die precies weet hoe het zit, wat je moet geloven, maar die niet weet te luisteren naar wat er al aan heilige Geest leeft bij de mensen en daarop voortbouwt.

 

Paus Franciscus waarschuwde ons daar tot vervelens toe voor: dat de kerk, dat de bisschop, dat de priester werelds zou worden, leven, regeren volgens de maatstaven van de wereld, met bisschoppen, abten en pastoors van enorme gebieden als een soort religieuze ceo’s.

 

Maria staat voor een andere wereld, net als de jonge vrouw ten tijde van de profeet Jesaja, van wie wij de identiteit niet kennen. De kerkelijke traditie ziet in haar een voorafschaduwing van de jonge vrouw van Nazareth.

Maria was heel kwetsbaar. “Hoe zal dit geschieden, ik beken geen man?” Wat zal de wereld daarvan zeggen. Een jonge vrouw, zwanger, die ja zegt tegen een toekomst die zij niet kent,  waarvan zij niets in de hand heeft, behalve haar vaste geloof, haar krachtige engagement: ‘mij geschiede naar uw woord, neem mij zoals ik hier nu ben, sla uw leven als een mantel van licht om mij heen…hier ben ik.’

 

Vijftig jaar geleden, broeder Gerard, werd je gewijd in de Sint Paulusabdij te Oosterhout, op deze 20ste december, ‘in ultimis feriis,’ één van de laatste dagen voor Kerstmis, dagen waarin – als ik het goed heb – in het Bredase bisdom de wijdingen plaatsvonden.

In de enkele jaren kloosterleven die ik hier mocht beleven (waarop ik dankbaar terugzie) heb ik jou in Egmond zien komen, onder het abbatiaat van broeder André, voor jou en voor mij een belangrijk geestelijk leidsman, die althans op mijn gelovig leven, mijn staan als christen in de wereld en in de kerk een krachtig stempel heeft gedrukt. Van deze geleerde, spirituele abt werd jij de opvolger.

 

Tientallen jaren was je vader abt en bracht je in praktijk, als christen, als monnik en als priester wat je schrijft over het in 1935 herstichte Egmond (meer dan  drieëneenhalve eeuw na de verwoesting in 1578) in het Benedictijns Tijdschrift dat deze week verscheen: het nieuwe klooster werd geen duizelingwekkend bouwwerk, geen centrum van gebed, cultuur en wetenschap, maar (citaat): “een kleine pretentieloze gemeenschap van broeders die, gesteund door een grote groep vrijwilligers, de abdij bewonen als een centrum van gebed en benedictijnse gastvrijheid, een plaats van stilte en schoonheid, waar gezocht wordt om God te dienen in eenvoud en verbondenheid.”

 

Dit signalement van de abdij heb jij vooral ontworpen en in praktijk gebracht. Zo heb ik het althans ervaren in de afgelopen tientallen jaren. Geen in zich gekeerde vesting, maar een bescheiden, betekenisvolle  aanwezigheid, waar bezoekers en gasten de eenvoud van evangelisch leven kunnen ontdekken. Er zijn de stilte, de schoonheid, de gastvrijheid. De abdij is een open huis geworden met aandacht ook voor de ontmoeting met christenen van andere belijdenissen. In een tijd waarin velen de eigen identiteit sterk benadrukken was en bleef Egmond een huis van ontmoeting en oecumenische gevoeligheid.

 

Monnik en priester.

In de benedictijnse traditie is de combinatie heel vertrouwd. Het priesterambt is een dienst aan de kerkgemeenschap. De ambtspriesters hebben de roeping de gemeenschappelijke priesterschap die het volk Gods is, te herinneren aan- en voor te gaan in zijn priesterlijke opdracht.

Het priesterambt is ook een dienst aan de kloostergemeenschap. De priester-monnik gaat voor in de eucharistie en desgevraagd in andere sacramenten en met name ook in de dienst van de verzoening. Menigeen vindt hier een rustige, gastvrije ontvangst om zich uit te spreken in de biecht.

 

Nog een citaat:

“Een pries­ter is een man Gods,
ge­roe­pen om verbin­ding te leggen
tussen mensen en God
en tussen mensen onderling,
want de liefde tot God
en de liefde tot de naaste
is de kern van christen-zijn
en dus ook de kern van het pries­ter­schap.”

Deze woorden zijn  een citaat uit een preek van onze bisschop, uitgesproken vorige zondag in de kathedraal bij gelegenheid van het gouden priesterjubileüm van een andere Limburgse priester met een royale footprint in Weert.

 

“Geroepen om verbinding te leggen tussen mensen en God en tussen mensen onderling.” Dit signalement is royaal van toepassing op de priester-jubilaris van vandaag.

Wij danken God voor jouw fiat, vijftig jaar geleden. Wij bidden om nog veel meer gezegende priester-monniksjaren voor jou, broeder Gerard; dat het geloofsvertrouwen van Maria jouw kracht, voorbeeld en vreugde mag blijven. Amen.

Preek ter gelegenheid van het 50 jaar priesterschap van broeder Gerard Mathijsen, zaterdag 20 december 2025, door Nico v/d Peet

Uitzicht houden op God

Dierbaren

Op zondag Gaudete, in het vreugdevol vooruitzien naar de komst van de Heer, staat de figuur van Johannes de Doper centraal. Zijn imposante optreden aan de Jordaan, dat de mensen fascineert, hen wellicht schrik inboezemt, maar nog meer fascineert en hoop geeft. Johannes verwijst naar de komende. Hij maakt zijn roeping helemaal waar, hij is een roepende, een stem, een levende heenwijzing.

Johannes verwijst naar Jezus. Maar dat niet alleen. Hij drukt ook uit wat er leeft in ons. Hij heeft woorden voor onze hoop, maar ook voor onze vragen, onze twijfel, voor wat er leeft diep in ons, daar geeft hij geeft stem aan: zijt Gij de komende of hebben wij een ander te verwachten?

Toen Jezus werd geboren in een kribbe te Bethlehem was dat een heel ander begin dan het Joodse volk voor ogen had met betrekking tot de komst van hun Messias. En de advent is niet enkel de tijd waarin wij ons voorbereiden op de viering van dat mysterie. Wij kijken ook vooruit naar zijn uiteindelijke wederkomst, gehuld in de nevels van het onbekende. Hij is degene naar wie wij uitzien, die wij verwachten, maar niet zonder twijfel en onzekerheid. Zal Hij werkelijk bereid zijn te komen, zal Hij straks de grote vervulling van onze dromen te zijn? Ons genezen van onze blindheid, onze verlamming, ons gevangen zitten in ons zelf?

Johannes zal als kind zijn ouders dikwijls hebben horen spreken over  Maria, het nichtje van zijn moeder Elisabeth, dat  haar op zo wonderlijke wijze had bijgestaan toen zij op gevorderde leeftijd nog beviel van een kind, een jonge vrouw die blijkbaar door God bovenmate gezegend was en dat geheim met zich droeg. Wat een bijzondere familie. Zij leefden in de geest meer in de bovennatuur dan op deze materiële aarde, maar toch zo verbonden met het lot van ons aardse stervelingen.

Van kindsbeen af had Johannes veel over Jezus gehoord, en verwachtte hij van Hem de grote ommekeer in de geschiedenis, een radicaal andere positie van het Joodse volk te midden van de andere volkeren, en daar bovenuit.

En wij verwachten van de kerk, de gemeenschap die Hij gesticht heeft, vrij zal zijn van menselijke tekorten en onvolmaaktheden, helemaal gericht op het hemelse. At zij ons in al haar verschijningsvormen al een voorsmaak geeft van het hemels paradijs. Als wij in haar, in haar leden, en zeker in haar geestelijke bedienaren onvolmaaktheid en zelfs zondigheid opmerken, twijfelen wij. Is dit Gods instrument dat ons zal redden?

In de dagen, waarover het Evangelie vandaag vertelt, zat Johannes in de gevangenis. Maar hij kon nog contact onderhouden met zijn leerlingen. Die hadden hem verteld over  Jezus, die zo bijzonder was, maar toch ook weer zo andere dan men verwachtte. Heel wat mensen zagen in hem de Messias. Uit de opdracht, waarmee Johannes zijn leerlingen naar Jezus stuurt, blijkt wel dat hij in grote onzekerheid verkeerde. Zelf had Johannes uitgesproken ideeën over de komende Messias. Hij beschouwde zich als diens voorloper “Hij die na mij komt is sterker dan ik “, waren zijn woorden.

Zijn opvattingen over de aard van de Messias had Johannes vooral ontleend aan uitspraken van de profeet Jesaja. De Messias zou met kracht komen, volgens Jesaja. Kracht, dat was in de visie van Johannes hèt karakteristiek van de Komende. Met krachtige hand zou de Messias hardhandig vonnis vellen over al wat niet deugde. Als een verslindend vuur zou hij al wat verkeerd was verdelgen. Alleen radicale bekering van zonden zou de mens kunnen behoeden voor het vreeswekkend ingrijpen Gods. Vandaar zijn oproep: “Bekeert u want het rijk der hemelen is nabij.” Bekeren of weggevaagd worden, het een of het ander. Geen compromis. Dat was de klare boodschap van de Doper.

Het antwoord, dat de leerlingen  mee terug brachten van Jezus, moet onthutsend geweest zijn voor Johannes. Geen onverbiddelijk oordeel maar barmhartigheid. En  Jezus beriep zich daarbij op uitspraken van diezelfde profeet Jesaja. Die had namelijk over de weldaden van de messiaanse tijd gesproken. Daarvan hoorden we iets in de eerste lezing: “Dan worden de ogen van de blinden ontsloten en de oren van de doven geopend. Dan danst de kreupele als een hert en juicht de tong van de stomme”. Jezus presenteert zich niet als de Sterke, die de fiolen van Gods toorn gaat uitstor­ten over het zondige mensdom, maar als de manifestatie van Gods barmhartige liefde voor wie arm is en te lijden heeft.

Hoe Johannes zijn beproeving in feite verwerkt heeft, het staat niet met even zoveel woorden in het  evan­gelie verhaal. Maar de woorden van Jezus tot de omstanders spreken een duidelijke taal: “Onder wie uit de vrouwen geboren zijn, is niemand opgestaan, die groter is dan Johannes de Doper.” Jezus wist, hoe Johannes deze geloofscrisis zou doorstaan.  Johannes, die als profeet opriep tot verandering en tot loslaten, wist zelf los te laten. Hij is niet verbitterd blijven steken in zijn eigen denkbeelden, in wat hij dacht zeker te weten. Hij wist  van zich af te wijzen en zo de fakkel door te geven en kon daardoor een unieke schakelfiguur worden tussen de oude en de nieuwe heilsbedeling, een scharnier tussen het Oude en het Nieuwe Testament. God zal komen, daarvan was Johannes diep overtuigd en ook wij geloven dat. Maar God zal telkens nieuw komen en anders dan wij gedacht hadden.  Daarom zullen ook wij  telkens weer oude, verouderde ideeën en beelden moeten loslaten, zonder verbitterd te worden en te verstarren in onwrikbare overtuigingen.  Zou dat niet de les zijn van deze zondag Gaudete, de wijsheid die wij van de stoere voorloper kunnen leren dat wij van de ene kant onwrikbaar moeten vasthouden aan Christus onze Voorganger, maar dat wij ons dienen te hoeden voor hardhoofdigheid, dat wij soepel en meegaand moeten zijn, volgzaam. Dat wij niet moeten bouwen op de geloofsgemeenschap als een machtig instituut waar niemand omheen kan, ook niet als  een bastion van ongenaakbare heiligheid zonder menselijke onvolkomenheid, maar als een arme en dienende kerk luisterend naar het evangelie en gevoelig voor de noden van onze tijd, bereid om zich te bekeren, om te groeien in heiligheid.

Wel, onze tijd heeft vele noden, maar de voornaamste lijkt mij dat wij mensen uitzicht houden op God, die ons niet vergeet, die naar ons toekomt op onverwachte wijze, die onder ons aanwezig wil zijn, die wij mogen zoeken in stil gebed, in groot vertrouwen, in innige hoop. Hij doet doven horen, en geeft blinden het gezicht terug. Hij is aanwezig in de mensen om ons heen, heel gewone mensen zoals ook de mensen rond Jezus indertijd waren.  Hij wil ons alles geven wat wij nodig hebben voor ons eeuwig geluk. Hij vraagt ons enkel om ons geloof. Mogen wij de vingerwijzing van de Doper volgen en dankbaar zijn voor de komst van Jezus in ons leven, in onze wereld.

Br. Gerard Mathijsen

 

Beeld: twee studies van Johannes de Doper, Rembrandt

Paradijselijk en vurig

In onze opgang naar Kerstmis schildert de profeet vandaag een heel paradijselijk verhaal. Misschien klinkt het voor deze of gene onder u wel al te paradijselijk, ja wereldvreemd. Tegen zo’ n reactie lijkt weinig in te brengen, want wie naar het leven om ons heen kijkt, dichtbij en veraf, ziet een heel andere wereld. Moeten wij dat paradijsverhaal dan maar naast ons neerleggen?

De apostel Paulus geeft ons op die vraag een antwoord. Wij hebben hem zojuist horen zeggen dat al die verhalen in de Schrift zijn opgetekend tot onze lering, opdat wij door de volharding en de vertroosting die wij putten uit de Schrift, in hoop zouden leven [Rom. 15,4]. Die schriftverhalen vertellen ons nu eens de harde realiteit van een leven te midden van onrecht en geweld, dan weer geven zij uitdrukking aan het geloof en de hoop dat wij mensen zijn geschapen voor een nieuwe, een gave wereld. Die is er nog niet, die is er niet meer, maar die paradijselijke verhalen spreken van een wereld waarvan God zelf gezegd heeft dat die goed en mooi was en zal zijn. Sommigen noemen dat naïef, maar anderen getuigen dat diep in ons binnenste dat verlangen en dat geloof is neergelegd als de rots waarop je kunt bouwen. Het is de vonk die ons gaande en staande houdt ook als alles om ons heen die nieuwe schepping tegenspreekt.

Dat visioen van Jesaja staat nog uit, en het is een variant op dat andere paradijsverhaal waarmee de Schrift begint. Daar wordt de droom verteld waarmee God aan de schepping begon en vandaag horen wij bij de profeet hoe het zal zijn als uit de stronk een twijg zal ontspruiten die werkelijk vrucht zal dragen van menselijke en goddelijke ontferming. Zeg niet dat het onmogelijk is, maar waag het tegen de stroom in te geloven in Gods eigen droom die ons in het hart is gelegd. Die paradijselijke mens waar Jesaja van spreekt, wij herkennen hem in het kind waarnaar wij uitzien. Laten wij er niet aan voorbijzien door alles wat zich op onze levensweg aandient als verlokkelijk maar ook als verschrikkelijk. Je zou er je ziel en zaligheid bij kunnen verliezen. Het kind dat wij verwachten en waarvan de profeet ons een beeld schetst in de paradijselijke tuin, het wordt door een heel andere geest bewogen. De Geest van de Heer zal op hem rusten en die Geest doet hem met andere ogen kijken en oordelen dan in onze wereld gebruikelijk is. Niet afwijzend, veroordelend, buitensluitend en wat al niet meer, maar met compassie en moed. Een wereld waarin de kleine mens zijn hand steekt in het nest van de slang. Jezus, die wij verwachten is de eersteling van die schepping. Met hem komt die nieuwe schepping op ons toe en vandaag worden wij door Johannes de Doper opgeroepen niet achter te blijven, maar ons te bekeren zodat het visioen niet uit ons zicht verdwijnt, maar mens wordt in ons eigen bestaan.

Dat gaat niet zonder slag of stoot, want tussen de wereld waarin wij leven en de wereld die het visioen ons toont, tussen die twee ligt een bijna onoverbrugbare kloof. Bijna, want er is geloof en moed voor nodig. Geloof dat de stronk niet zo dood is als hij lijkt en geloof dat je de bijl van Johannes kunt ontkomen als je zijn woord van bekering ter harte neemt. ‘Bekeert u, want het Rijk der hemelen is nabij’. Hij laat er in zijn prediking geen misverstand over bestaan. Daarmee sluit hij aan bij profeten voor hem en laat hij ook zijn eigen levensstijl binnenkomen in zijn getuigenis. Man van uitersten, maar is het zo vreemd als het leven zelf op het spel staat? Weten wij wel wat er met onze manier van leven op het spel staat?

Maar dan de man van wie hij de voorloper is. Hij die na hem komt, Jezus, begint met de oproep van Johannes over te nemen. Zin eerste optreden begint met dezelfde woorden als die van Johannes: “Bekeert u, want het Rijk van God is nabij”. En toch is er een groot verschil. Geen man met een vuur dat verteert en verwoest, maar een man met een vuur dat verwarmt en verlicht. Zat Johannes dan op het verkeerde spoor? Misschien moet er eerst schoon schip gemaakt worden voordat er werkelijk iets nieuws kan groeien. Bekeer je, zegt Jezus met Johannes, verlaat de doodlopende paden en de dwaalwegen, maar kies voor de weg van compassie. Loop niet weg of voorbij aan wie een beroep op je doen. Laat Gods mensenliefde in je aan het licht komen zoals in Christus zelf is geschied. Hij zette kleine mensen in het licht en gaf hun hoop en toekomst.

Bekeren, broeders en zusters, het is een keer maken, een nieuwe weg inslaan. De oude weg met al zijn struikelblokken en obstakels verlaten en de weg gaan die ons leidt naar die paradijselijke tuin. Een weg naar binnen en een weg naar buiten. De weg naar binnen vraagt om stilte en bezinning, halt maken in de drukte en verdwazing van de wereld om de stem te kunnen horen die leert onderscheiden. Obstakels als angst, afgunst, je eigen groot gelijk onder ogen zien en het spoor volgen naar een wereld, waar wolf en lam elkaar verstaan, waar vreemden geen vijanden blijken te zijn, maar evenzeer kinderen van God, anders en eender als wij. En dan met moed en vertrouwen de weg naar buiten. Stappen zetten om elkaar met nieuwe ogen te zien, ophouden almaar etiketten te plakken, maar tochtgenoten zien met eenzelfde verlangen naar leven, misschien met een andere cultuur of kleur, maar dat maakt deel uit van die grote diversiteit van de schepping. God is een God van mensen, kwetsbaar en raakbaar. Hij is God van al wat er leeft en zich op aarde toont. En Jezus is de levende gevende getuige dat alleen als wij die kwetsbaarheid van de ander en van onszelf durven omarmen de twijg zal uitgroeien tot een boom waar plaats is voor al die veelsoortige vogels die het leven rijk is.

Laten wij dan in onze opgang naar Kerstmis werk maken van de bekering opdat het aanschijn van de aarde mag worden vernieuwd en de Geest van de komende Heer ons allen mag bewonen en bezielen.

AMEN.

Abt Thijs Ketelaars

Lezingen: Jes. 11,1-10; Rom. 15,4-9; Mt. 3,1-12

Kerst in de abdij

U bent met en rond Kerstmis van harte welkom om de abdij te bezoeken. Dat kan uiteraard op onze gezellige kerstmarkt in de abdijwinkel, maar ook kunt u de stilte opzoeken in onze abdijkerk. U kunt daar de mooie kerststal bewonderen en een kaarsje aansteken bij de kribbe. Ook bent u van harte welkom deel te nemen aan onze diensten. Met Kerst is de dagorde een klein beetje gewijzigd:

Op 24 december is er een dagmis om 9.30 uur en een  vooravonddienst om 17.00 uur. De dagsluiting van 20:00 uur komt te vervallen. Om 22:15 uur begint de Kerstnachtwake en deze duurt tot na middernacht. Aansluitend bent u welkom om samen met de communiteit koffie of thee te drinken met kerstbrood in de Abdijrefter. liturgie Kerstwake

Op Eerste Kerstdag 25 december komt de lezingendienst van 6:00 uur te vervallen en begint de morgendienst om 8:00 uur. De Eucharistieviering begint om 10:00 uur.

Op Tweede Kerstdag 26 december komt de lezingendienst van 6:00 uur te vervallen en is de morgendienst gewoon om 7.30 uur. De Eucharistieviering is om 9.30 uur.

Uiteraard worden ook alle belangrijke diensten live gestreamd via ons YouTube kanaal.

Een nieuw begin!

Een nieuw begin! Vandaag: de eerste zondag van de advent.

Moeten we er tegenop zien, bang voor wat de toekomst brengt? Maakt dat ons bezorgd, sceptisch? Wat is het heerlijk als je er verwachtingsvol naar mag kijken, vol hoop, met blij vertrouwen. Spannend, zo’n nieuw begin. De liturgie maakt er telkens weer een bijzondere tijd van het jaar van; het mag er in onze mensenwereld nog zo beroerd aan toegaan, de Eeuwige doet ons hoopvol uitzien naar zijn toekomst, die het aanschijn van de aarde zal vernieuwen.  “De nacht loopt ten einde, ons heil komt dichterbij.” Paulus zit het wel zitten, al heeft hij  toch best reden zich zorgen te maken. Paulus is een gedreven mens, een man met een missie.  Hij gelooft in Gods toekomst, hij gelooft dat die aanstaande is, en dat hem is toevertrouwd daarvan de heraut te zijn, mensen het goede nieuws aan te zeggen en op te roepen een nieuwe gemeenschap te vormen, open te staan voor de komst van het Godsrijk. Heeft de apostel zich vergist, of is er door zijn bezielde  prediking in die eerste eeuw van onze jaartelling inderdaad iets heel nieuws in de samenleving gekomen: het christelijk geloof, de gemeenschap van christenen die een wereldwijde eenheid gingen vormen, zusters en broeders, ongeacht hun maatschappelijke status, vrijen en slaven, Joden en heidenen van alle volkeren en rassen, talen en kleuren?

Het was niet voor het eerst dat de Schepper met de mensheid iets nieuws ging beginnen. In de dagen van Noach had de Eeuwige ook al eens ingegrepen. Toen was de aarde bedolven onder de wateren, en alleen Noach en zijn gezin waren aan de dood ontsnapt. Maar Noach was er niet in geslaagd zijn missie op zijn nageslacht over te dragen. Verwarring, verdeeldheid, godvergetenheid kregen de overhand boven godsvertrouwen en voorbereiding op een toekomst die ons voorstellingsvermogen te boven gaat. Op deze eerste zondag van de advent horen wij de oproep van Jezus: en vandaag luidt die boodschap: ‘Wees waakzaam’ Dat is de raad van Jezus na zijn verhaal over de tijd vóór de zondvloed. De mensen waren toen zozeer met zichzelf bezig dat ze geen oog hadden voor de werkelijkheid om hen heen, voor waar het eigenlijk om gaat, voor wat echt van belang is. Zij gingen op in het binnenwerelds gebeuren, in het hier en nu.

‘Wees waakzaam, want gij weet niet op welke dag uw Heer komt’, zegt Jezus. Voortdurend hebben wij de keuze: tussen licht en donker. Licht: het licht van liefde en vrede, van aandacht voor  elkaar, van eerbied voor de natuur, van positief denken, van streven naar gerechtigheid en zoveel andere dingen die Gods schepping tot een aards paradijs maken, of  valt onze keuze ten faveure van het donker, duiken wij in de donkere wereld van egoïsme en kortzichtig eigenbelang, oorlog en terrorisme, vernietiging van onze aarde, waanzinnige rijkdom van weinigen, en afgrijselijke armoede van honderden miljoenen andere mensen.

Laten we ons erop bezinnen of we zijn zoals Noach? Hij bouwde een ark omdat hij luisterde naar God. Doen wij dat ook: luisteren naar God, of zijn we zoals Noachs tijdgenoten die er zelfs niet aan denken naar God te luisteren, want ze zijn te druk bezig met zichzelf. Jammer genoeg is dat heel herkenbaar vandaag,  in de grote politiek, maar eigenlijk niet minder in onze kleine wereld. In de grote politiek, waar de mensen die het voor het zeggen hebben bezig zijn zich tegenover elkaar tot de tanden te bewapenen. Het moet weer! Alle defensie die werd afgebouwd, de militairen die werden omgevormd van vechters tot een soort van maatschappelijke helpers en opbouwers, de strategie is weer 180 graden gewijzigd. En hoe is het in ons kleine leven? Zijn wij ook niet druk, zo druk dat we er niet bij stilstaan, dat het niet bij ons opkomt om te verlangen naar de komst van de Mensenzoon? Die werkelijkheid is zó ver weg, zo onvoorstelbaar. En toch is dat de grote, de uiteindelijke werkelijkheid voor ons allemaal. En in het licht van die toekomst krijgt ons leven vandaag, in deze tijd zijn zin, begrijpen wij onze opdracht. We mogen leven in het licht van de advent, van Gods komst naar ons toe. Hij komt, Hij is gekomen om ons bij te brengen hoe we zijn schepping kunnen uitbouwen tot een aards paradijs. De komst van de Mensenzoon: dat is dus Kerstmis, maar die viering moet dan meer zijn dan een feest van lekker eten en drinken, veel cadeaus, lichtjes in straten, op pleinen, in tuinen. Dat is de feestverpakking, dat alles mager best zijn, maar het is enkel buitenkant, en als het geen inhoud heeft is het leeg. De prachtige advent moet meer zijn dan een tijd waarin we ons afvragen hoe het feestmenu er zal uitzien, welke geschenken we zullen kopen en krijgen, en in welke winkels we het meest voordelig de inkopen kunnen doen?

Zusters en broeders, in de eerste lezing schrijft de profeet Jesaja hoe de  wereld er zal uitzien als alle volkeren luisteren naar de woorden van de Heer. ‘Zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegijzers, hun speren tot sikkels. Geen volk zal nog het zwaard trekken tegen een ander, en niemand zal nog leren oorlog voeren’. Hoe heerlijk zou zo’n wereld zijn: een wereld van zorg voor elkaar, van vrede en gerechtigheid.  Ik wens ons toe dat deze advent voor ons meer mag zijn dan een mee stromen met de commercie en een meegaan in het vijanddenken en de bewapening. In de advent worden wij opgeroepen om naar Gods uitnodiging te luisteren, om samen gestalte te geven aan die wereld die komen moet, en die komen zal. Om ons te bekommeren om onze medemensen in nood, en solidariteit te tonen, en de gezindheid te laten groeien waarin de mensenliefde zichtbaar wordt en gestalte krijgt. Natuurlijk denken we dat wij het verschil niet zullen maken in de wereld, en dat het al heel mooi is als we aan de kerkelijke viering aandacht geven, maar iedere grote verandering heeft een heel kleine aanvang, iedere storm begint met enkele druppels, als we niet in het kleine geloven zal onze inzet nooit tot iets leiden, maar als we bereid zijn op kleine schaal naar mogelijkheid in te spelen op Gods genade kunnen we bergen verzetten, en kan de Heer door ons grote dingen tot stand brengen. Want “de Heer komt op het uur waarop gij het niet verwacht.”

 

broeder Gerard 50 jaar priester

UITNODIGING. Op zaterdag 20 december 2025 gedenkt broeder Gerard Mathijsen, emeritus-abt dat hij 50 jaar geleden in de St. Paulusabdij te Oosterhout de priesterwijding ontving uit handen van Mgr. Huub Ernst, bisschop van Breda. Van harte nodigen wij u uit dit met ons te vieren in dankbaarheid voor Gods trouw in zijn leven en werk.

10.00 uur plechtige Eucharistieviering in de abdijkerk,

aansluitend receptie in de Egbertzaal in Benedictushof.

Wij hopen van harte u op deze bijzondere dag te mogen begroeten.

Met een hartelijke groet,

Abt en monniken van de Sint-Adelbertabdij,

Egmond-Binnen.

 

Nieuwsbrief

Schrijf u vrijblijvend in en blijf op de hoogte van de activiteiten van Abdij van Egmond.

We respecteren uw privacy. Sint-Adelbertabdij zal uw e-mailadres nooit delen met derden.
© 2026, Abdij van Egmond Algemene voorwaarden