Nieuws

Goede grond worden

De zaaier uit het evangelie doet ons de wenkbrauwen fronsen. Welke boer strooit nu kostbaar zaad op de harde weg? Wie gooit het nu op de rotsen, of tussen de distels? Dat is toch pure dwaasheid.

Onze eerste reflex is vaak om te zeggen: je  moet deze gelijkenis (Mt. 13, 1-23) geestelijk verstaan. De grond is ons hart. Het zaad is Gods Woord. En inderdaad, zo legt Jezus de gelijkenis zelf ook uit. We herkennen die harde weg, de rotsen en die doornen ook in ons eigen leven. Ons hart is niet altijd één; het raakt gemakkelijk verdeeld. Maar laten we de Schrift niet te snel losmaken van de materie. Zij vlucht nooit weg uit de werkelijkheid van aarde, lichaam en leven. Jezus spreekt niet toevallig over een zaaier.

Zaaien is een aards, tastbaar ambacht. Hij spreekt over concrete elementen: over aarde, regen, zaad en brood. De eerste lezing zegt het heel eenvoudig: zoals regen en sneeuw de aarde drenken en haar vruchtbaar maken, zo werkt ook Gods Woord (Jes. 55, 10-11). Gods eerste beweging is geen schaarste. Gods eerste beweging is overvloed. En toch lijden vandaag nog altijd miljoenen mensen honger. De aarde raakt uitgeput. Ligt dat aan de Zaaier? Of ligt het aan ons? De schepping brengt leven voort. Maar onze samenleving kent structuren waarin winst en bezit gemakkelijk zwaarder wegen dan vruchtbaarheid en delen, en waarin economische groei soms boven het leven zelf komt te staan. Juist hier wordt de Kerk ook in onze tijd dringend geroepen om profetisch te spreken. Haar sociale leer herinnert ons er al heel lang aan dat het uitbuiten van de armen en het uitputten van de aarde uit dezelfde wortel kunnen groeien.

Er bestaat zoiets als structurele zonde: onrecht dat zich vastzet in onze maatschappelijke structuren. De doornen waarover Jezus spreekt, zijn daarom niet alleen de zorgen van ons persoonlijk leven. Zij kunnen ook de structuren zijn die uit onze hebzucht groeien en het leven verstikken. Maar die structuren staan niet buiten ons. Wij maken er deel van uit en worden er ook door gevormd. Uiteindelijk groeien zij uit hetzelfde hart waarvan de psalm zegt: ‘Schep in mij een zuiver hart, o God’ (Ps. 51, 12). Daarom begint de vernieuwing ook in het hart van de mens.

Maar het evangelie onthult een nog diepere werkelijkheid. Jezus is gekomen om ons hart te helen en te herstellen wat door de zonde gebroken was. Maar de menswording reikt nog verder. Soms spreken we over de menswording alsof God pas ingreep toen alles mislukt was. Gods liefde voor de schepping is ouder dan onze zonde. Vanaf het begin heeft Hij haar lief. En in Jezus komt Hij haar niet vanop een afstand redden. Hij wordt zelf deel van onze wereld. Hij heeft ons lichamelijk bestaan aangenomen. Hij heeft de kwetsbaarheid van het leven gedeeld. De Zaaier bleef niet aan de rand van de akker staan. Hij werd zelf het Zaad dat in de aarde viel om vrucht te dragen. Dat verandert onze blik op de schepping. Zij is niet zomaar grondstof voor onze behoeften. Zij is de wereld die God heeft geschapen, liefheeft en in Christus heeft aangenomen.

Daarom kunnen wij de aarde niet uitbuiten zonder tegelijk iets te beschadigen van datgene waarmee God zich heeft verbonden. Daarom schrijft de apostel Paulus dat heel de schepping kreunt en in barensweeën verkeert (Rom. 8, 22). Dat is een indrukwekkend beeld. De aarde lijdt onder wat wij haar aandoen. Maar Paulus spreekt niet over een doodsstrijd. Hij spreekt over barensweeën. De pijn draagt een belofte in zich. De schepping is niet bestemd om vernietigd te worden. Zij is bestemd om voltooid te worden.

In de Paasliturgie dankt de Kerk God dat Hij ons wonderbaar heeft geschapen en nog wonderbaarlijker heeft verlost. Juist daarin wordt duidelijk hoezeer God zijn schepping liefheeft. Hij gooit haar niet weg. Hij vernieuwt haar. Hij voltooit in de verrijzenis van Christus wat Hij in de schepping begonnen is. Christus staat niet op als een geest die de aarde achter zich laat. Hij verrijst met zijn verheerlijkt lichaam. De verrijzenis schaft de schepping niet af, maar brengt haar tot haar bestemming. De oogst waarop de Zaaier vertrouwt, is groter dan wij kunnen vermoeden. Ook wij maken deel uit van die schepping die God wil voltooien. Wij zijn in haar geworteld. Opdat ook wij delen in die voltooiing, nodigt Jezus ons uit goede grond te worden.

Goede grond is een hart dat zich laat openen. Een hart dat niet verstikt wordt door hebzucht, bezit of angst. Een hart dat ruimte maakt voor Gods overvloed. Ook hier, binnen onze monastieke gemeenschap, herinnert het leven ons aan een waarheid die onze samenleving gemakkelijk vergeet: vruchtbaarheid laat zich niet afdwingen.

Het zaad heeft tijd nodig. Donkerte. Stilte. Geduld.

Zo groeit ook het geloof. Niet door steeds sneller te willen leven, maar door ruimte te geven aan Gods Geest. Dat vieren wij aan het altaar.

Brood en wijn, vruchten van de aarde én van menselijke arbeid, worden ons aangeboden. Door de kracht van de Heilige Geest worden zij het Lichaam en Bloed van Christus. De schepping wordt niet verlaten. Zij wordt opgenomen in Gods leven.

Mogen wij dan bidden dat ook ons hart goede grond wordt. Dat de doornen van hebzucht en angst worden weggenomen. Dat Gods Woord in ons vrucht draagt, zodat ook door ons de schepping mag uitgroeien naar haar voltooiing in Christus.

Amen

 

Broeder Paul

14e Zondag door het Jaar

“Ik zegen u Vader Heer van hemel en aarde…”

Wij zagen de afgelopen dagen hoe paus Leo de brute machthebbers van nu onverschrokken met wijze woorden terecht wees, en daarna op Lampedusa zijn medeleven toonde met de ontheemde vluchtelingen voor het geweld.

 

In het evangelie van deze zondag jubelt Jezus het uit en roept op om alles waarover wij tobben achter ons te laten en in zijn nabijheid te leven in het licht waar Hij zelf naartoe leefde, het licht van Pasen, al moet een mens daarvoor door het duister van de nacht.

 

In zijn uitroep geeft Jezus ons een zeldzame inkijk in zijn gebedsleven. Heel zijn leven is een gesprek met de Vader. Dikwijls trekt Hij zich terug om te bidden. Hij bidt in het verborgene en heeft ons geleerd Hem daarin na te volgen. Bij bijzondere momenten breekt de relatie met de hemel open en wordt zij zichtbaar en hoorbaar. Niet in ellenlange gebeden, vertrouwelijk samenzijn, zonder veel woorden, van hart tot hart.

Bij de aanvang van zijn openbare optreden daalde Jezus af in de Jordaan; daar kwam de Geest over Hem en klonk de stem van de Vader. Op de Tabor mochten drie van zijn apostelen Hem aanschouwen glanzend in ongeschapen licht, en het getuigenis van de Vader over Hem vernemen. Dat waren topmomenten, hoogtepunten. Het evangelie dat wij zojuist beluisterden maakt ons deelgenoot van een ander hoogtepunt, juist als Jezus vernomen heeft van het droeve lot van Johannes de Doper, en Hij de steden die Hij bezocht hun ongeloof verwijt. Ook al stond de wereld daarvoor niet open, Hij was Gods gave om aan de mensen Gods liefde en nabijheid te openbaren. In Hem wilde God de mensen tonen hoezeer Hij ons nabij wil zijn, dat Hij een God wil zijn van alle mensen.

Jezus toont ons de nabijheid en liefde van God. Het geloof opent onze ogen voor dit mysterie: dat God ons nabij is in deze nederige mens. Dat wij rust vinden in kinderlijk vertrouwen.

Jezus heeft ons leren bidden: in de Bergrede schenkt Hij de woorden van het Onze Vader. In de hof van Olijven bidt Hij voor zichzelf, maar zo leert Hij ons ook hoe wij in moeilijke omstandigheden behoren te bidden: “Vader, als het mogelijk is, laat deze beker dan aan mij voorbijgaan. Maar laat het niet gebeuren zoals Ik het wil, maar zoals u het wilt.” En tenslotte bidt hij stervend op het kruis: “Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?” Alles lijkt er dan op te wijzen dat de Vader van Hem geweken is; Jezus toont ons dat zelfs in de uiterste beproeving Hij, de gezondene van God, onze lotgenoot is, ons in diepste nood grenzeloos nabij.

Niemand weet waarom. Waarom er lijden moet zijn is een mysterie. Maar Jezus geeft ons een hoopvolle doorkijk en moedigt aan te vertrouwen.

In de evangeliewoorden van vandaag, dierbaren klinkt geen drama, enkel jubel. De Heer verheugt zich in de vruchtbaarheid van zijn zending, Hij voorziet de oogst. “Ik zegen u Vader Heer van hemel en aarde…”

 

Wij proeven iets van zijn zielenleven, zijn innerlijke bewogenheid. Midden in zijn openbare bediening in Galilea – ja, nadat Hij het ontnuchterend ongeloof van zijn tijdgenoten aan de kaak heeft gesteld, die sceptisch stonden tegenover de asceet Johannes de Doper, en al even sceptisch tegenover die Jezus die zich inliet met zondaars, in een situatie waar mensen zijn optreden bekritiseren en afkeuren – wendt Jezus zich jubelend tot zijn hemelse Vader. Het is veelzeggend dat, binnen de loop van het verhaal zoals dat door Matteüs wordt verteld, dit serene en glinsterende gebed oprijst in een hoofdstuk vol twijfel over Jezus en afwijzing van Hem door zijn mede-Galileeërs, en gevolgd door een hoofdstuk vol conflicten, met daarin een verwijzing naar de Lijdende Knecht van de profeet Jesaja en de eerste vermelding van een samenzwering om hem te vernietigen. Alle onbegrip en tegenstand zal uiteindelijk wegsmelten door de goddelijke energie.

 

Zijn gebed loopt uit op een uitnodiging: “Komt tot mij, allen die ploeteren en overbelast zijt en ik zal u rust geven”.  Hij beschrijft zichzelf als een Meester en Leraar die “zachtmoedig en nederig van hart is en je zult rust vinden voor je zielen”. Zoals de profetie van Jesaja zegt: “Hij zal een gekneusd riet niet breken noch een smeulende lont doven”.  Hij wil ons nabij zijn als onze Redder, onze Heiland, ons geluk, onze Zaligmaker.

Tussen het gebed tot de Vader en de uitnodiging om Hem te volgen staat de openbaring van de goddelijke voorzienigheid. “Niemand kent de Zoon behalve de Vader en niemand kent de Vader behalve de Zoon”. Maar daarbij blijft het niet: die uitspraak van exclusiviteit wordt a.h.w. opengebroken waar Hij toevoegt – “en degenen aan wie de Zoon verkiest hem te openbaren.”

 

Met deze woorden sluit Jezus niemand uit, Hij is niet gekomen voor een kleine schare uitverkorenen, nee: “Komt allen tot Mij”, voor ieder mens wil Hij de heiland zijn. Wat een heerlijke uitnodiging om Hem binnen te laten in ons leven. Het leven is incompleet, onvolledig, zonder richting, doel of inhoud, zonder Hem. Paulus zegt het aan de christenen van Rome: Uw bestaan wordt niet beheerst door de zelfgenoegzaamheid, letterlijk: jullie zitten niet in het vlees, maar leven door de Geest, omdat de Geest van God in u woont.” Als we ons daarvan bewust zijn, dat wij kinderen zijn van God, gekend en bemind door de Eeuwige, dan zullen de wederwaardigheden van dit aardse leven ons niet verontrusten. Vragen wij dat dit geloof ons mag bezielen. Het zal ons sterken en ook onze onderlinge verbondenheid ten goede komen. Geen leven is zonder beproeving, maar ook is geen leven zonder de troost van de belofte en de uitnodiging van de Heer.

Br. Gerard Mathijsen

 

Sint Adelbert

Op 25 augustus 2019 werd voor de laatste maal de eucharistie gevierd in de parochiekerk van ons dorp. Met de sloop van de kerk in 2024 verdween niet alleen een gebouw dat in het hart van de gemeenschap stond, maar ging ook de naam van Adelbert, de patroon van de parochie verloren. Of zeg ik nu teveel? Misschien, want een aantal parochianen hebben er voor geijverd dat het glas en loodraam van Adelbert dat een plek in de kerk, niet verloren zou gaan. Vanmiddag wordt het officieel onthuld op een van de gevels van het appartementencomplex dat de plaats heeft ingenomen van de kerk.

Waarom dit verhaal? Omdat uit heel dit gebeuren blijkt dat tijden veranderen. Soms zijn wij daar blij mee, soms betreuren wij het. Maar een ding is zeker, wij kunnen er niet aan voorbij, ook als abdijgemeenschap, want wij leven in die wereld.

Adelbert, zijn kerk staat er niet meer, maar hij krijgt nu een plek op de buitenkant van het wooncomplex. Ik moet daarbij denken aan een woord van paus Franciscus  enige jaren geleden en aan een uitspraak van paus Leo vorige week in Madrid. Franciscus sprak over de kerk als veldhospitaal en Leo sprak tijdens de Sacramentsprocessie dat de Heer  tijdens die ommegang de kerk verliet, maar dat ook wij geroepen zijn om naar buiten te gaan en daar het evangelie handen en voeten te geven.

De kerk is uit ons dorpsbeeld verdwenen, maar dat wil niet zeggen dat Adelbert uit het dorp verdwenen is. Hij staat op de gevel, hij staat buiten, zoals hij ooit buiten op het strand stond en contact zocht te maken met de mensen die naar hem toekwamen. Hoe dat precies in zijn werk ging weten wij niet, maar uit het verdere verloop van zijn leven valt wel iets af te leiden over die eerste kennismaking. Hij is niet de zee ingeworpen en ook niet onthoofd, integendeel er was een ontmoeting die resulteerde in een levenslange  vriendschap en band.

Vandaag staat hij op de gevel, wat doet hij daar? Is het niet een stille uitnodiging om met vriend en vreemde in gesprek te gaan om een dorpsgemeenschap op te bouwen waar iedereen welkom is, gezien wordt en meegedragen? Waar niemand verloren loopt of stil en eenzaam verpietert. Was dat ook niet de boodschap van Adelbert toen hij daar zo’n 1300 jaar geleden op de kust stond, dat wij mensen niet geschapen zijn om elkaar naar het leven te staan of te negeren maar om elkaar als kinderen van de grote mensenfamilie te omarmen en leven te delen in Gods naam.

Dat verhaal is zo oud als de mens getuige de eerste bladzijden uit de Schrift, maar het is ook sinds mensenheugenis een verhaal dat op weerstand stuit en bloed doet vloeien. Want delen en vertrouwen is  iets wat je moet wagen en willen, en de tegenstemmen zijn niet van de lucht. Maar toch, onze Adelbert verdient dat wij het spoor van de waarheid volgen ook als zich obstakels of verleidingen aandienen.

Adelbert staat op de gevel zoals ooit op het strand. Hij staat voor een nieuwe uitdaging in een nieuwe tijd en wij met hem. Hoe nu het oude verhaal te vertellen en mensen te winnen voor de boodschap van het evangelie?

Als abdij hebben wij een eigen plek. Wij hebben Adelbert niet alleen als patroon, maar wij hebben ook nog een  mooie kerk, waar zijn gebeente rust. Hij staat bij ons dus niet buiten in weer en wind zoals op de gevel van het appartementencomplex. Welke boodschap ligt daarin verscholen?

Wij hoeven, dunkt mij, niet de straat op om het evangelie te verkondigen, maar wij dienen het een plek te geven in ons eigen leven. In het spoor van Adelbert die op de akker zijn vaste stek had, hier in dit huis de woorden van het evangelie en de naam van Jezus  ons hart laten bewonen. Ons laten vormen in de school van het evangelie zodat ons hart zich verruimt en met ons hart ook onze deur openstaat voor allen die aankloppen en op zoek zijn naar een plek en een gemeenschap waar zij op adem kunnen komen en woorden van leven horen voor hun eigen levensweg.

Adelbert staat op de gevel,  wij worden niet geroepen buiten te gaan staan maar de deur van ons huis en hart open te zetten voor de vele zoekenden. Dat vergt waakzaamheid naar binnen en buiten toe. Onderscheiding, geboren uit een stil en aandachtig luisteren naar de woorden van de Schrift, naar de taal van je eigen hart en naar de taal van wie aanklopt.

Waakzaamheid om de eigen roeping als dorpsbewoner te onderkennen en trouw te blijven, niet meegaan in de waan van de dag, hoe luid die zich ook laat horen, ruimte geven aan de innerlijke en uiterlijke stilte om het fluisteren van God te horen die als geen ander niet met geweld maar met zachtheid en mededogen leven geeft en wekt.

Waakzaamheid om met Adelbert die op de gevel staat niet aan mensen voorbij te zien, maar ze binnen te wenken en oog en oor te hebben voor hun vragen en verlangens, ze ook een plek te geven in ons hart en ons gebed, ze mee te nemen in de lofzang en de roep om vrede, een land van belofte, toekomst van Godswege.

Adelbert, zijn gebeente rust in ons midden. En in de vita staat van hem geschreven dat hij anderen leerde wat hij eerst zelf in praktijk had gebracht. Zo is deze feestdag voor ons primair een oproep om samen hier te bouwen aan een gemeenschap die spreekt door zelf de weg te gaan van het evangelie in de kleine en grote dingen van alledag, in spreken en zwijgen, bidden en werken. God ter eer en onze wereld tot zegen.

AMEN

 

Abt Thijs Ketelaars

12e zondag door het jaar

Het is vandaag  21 juni, de dag van de zomerzonnewende. De langste dag van het jaar en volgens de geleerden was dat vanmorgen om 9.25 uur. Dat ligt dus alweer enige minuten achter ons.

Zonnewende, begin van de zomer, maar hoe die zal uitpakken moeten wij nog afwachten. Zal er veel of weinig bewolking zijn, wordt het warm en droog of krijgen wij een natte zomer. Bij alle kennis van het weer blijft er ook tegenwoordig nog veel onzeker. Afwachten dus.

Naast het weerbericht van het KNMI is er ook nog een ander weerbericht, maar dat verschijnt gewoonlijk niet op het journaal.  En dat terwijl het niet minder invloed heeft op ons welbevinden. Hoe staat het met onze innerlijke zon? Door wie of wat wordt de constellatie daarvan bepaald? Daar heeft de zon aan de hemel ongetwijfeld ook invloed op, maar zij is niet de belangrijkste component. Daar zijn andere klimaatfactoren bij in het spel. Is er een veilig klimaat waar iedereen zonder angst en agressie kan leven. Wordt er samengewerkt en zoeken wij verbinding in klein en groot verband? En hoe staat het met plekken en tijden om te danken, ontvangen, geven en vergeven? Vragen waarop de langste dag geen antwoord heeft.

Misschien kunnen wij daarvoor wel terecht bij de lezingen van deze liturgieviering. Er zit wel de nodige bewolking in die verhalen, maar dat hoeft geen beletsel te zijn om goed te kijken en te luisteren naar wat er aan het licht komt.

In de eerste lezing kwam Jeremia aan het woord, een van de grote profeten. Die titel was geen erfelijk bezit. Profeet werd je wanneer God zelf je de profetenmantel omwierp met een woord of gebaar dat je zelf niet had bedacht of verwacht. Maar van geboorte kwam Jeremia uit een priesterlijk geslacht en dat was in Israël wel erfelijk. Dan behoorde je tot de gevestigde orde. Die cyclus lag zo’n beetje vast als die van de zon die voor zomer en wintertijd zorgt, maar een profetenbestaan kent een heel ander verloop. Daar kun je de klok niet op gelijk zetten. Dat bestaan wordt getekend door bezieling van Godswege, maar ook door het wisselende klimaat van de tijd, de situatie van land en volk, en het grote wereldgebeuren. Een profeet kijkt met Gods ogen naar het leven  zou je kunnen zeggen. Een waakzame blik, een weg wijzend woord, een oproep tot bekering. Onder dat gesternte stond het leven van Jeremia.

Hoe het er in zijn dagen voorstond klinkt door in zijn roepingsverhaal waar de woorden klinken: “ik stel u heden aan om uit te rukken en af te breken, om te verdelgen en te verwoesten, om te bouwen en te planten.”[1] Vooraleer er gebouwd en geplant kan worden is er sprake van afbreken en puin ruimen. Dat kritisch geluid kon niet rekenen op een warm onthaal. Jeremia kreeg het zwaar te verduren en zijn Jobstijdingen leverden hem de bijnaam op van “ontzetting overal”. Er was sprake van tegenweer en tegenwind, maar Jeremia hield stand en slikte zijn commentaar op de afgoden van zijn tijd en de onzalige machtspolitiek niet in. En in die strijd bleef Jeremia op de Heer vertrouwen, hoe eenzaam hij zich soms ook voelde. Zijn innerlijk klimaat was er een van vertrouwen, hij legt zij leven in Gods hand en laat het aan God over om het oordeel te voltrekken.  Dat is de rots waarop hij bouwt, ook bij zwaar weer. Maar waar de menselijkheid en de eer van God in het geding zijn, kan hij niet zwijgen.  Die toewijding en trouw van Jeremia zouden ook ons aan het denken mogen zetten. Wat is onze roeping, war staan wij voor en op wie en wat bouwen en vertrouwen wij?

Het evangelie van vandaag sluit vrijwel naadloos aan op het verhaal van de profeet.  Een woord aan al die mannen en vrouwen die Jezus zijn gevolgd en die in zijn voetspoor leven voor Gods Koninkrijk, een gemeenschap waar iedereen wordt gezien en geacht, geroepen om te leven op de adem van God. Allemaal kinderen van God.

Maar ook Jezus en zijn leerlingen krijgen te maken met tegenkrachten, van buiten af en van binnen uit. De waarheid is zo weerloos als een mensenkind.  En wat doe je dan?  Kies je voor je eigen hachje of blijf je trouw aan de Heer die niet wil dat iemand verloren gaat en tot op het kruis trouw blijft aan de Vader die zijn zon over goeden en slechten laat opgaan?

Driemaal horen wij Jezus vandaag zeggen “wees niet bevreesd”. Allereerst ter bemoediging om niet met de waarheid te marchanderen als het erop aan komt. Hijzelf is er het levende teken van tot de dood toe. Leven geven, leven behoeden in Gods naam, hij heeft het gedaan en hij roept ons op hem te volgen op die weg.

‘Wees niet bevreesd’, klinkt het voor een tweede maal. Dat is een teken dat het leven niet alleen rozengeur en maneschijn is, maar momenten kent waarop het erom spant. Vreest dan niet tot het uiterste te gaan, maar vrees dat je ziel en zaligheid verliest door valse compromissen te sluiten. En dan klinkt uit Jezus’ mond dat aandoenlijke en tere beeld van de mus die niet op de grond zal vallen buiten de wil van de Vader. Durf je daar in te geloven en waag je het dan er naar te leven?

En nog een derde laatste keer: “Wees niet bevreesd”, wees niet bang om Jezus te belijden als de mens geworden liefde van de Vader, die geen kwaad met kwaad vergeldt en die wil dat niemand verloren gaat.

Jezus is zelf de weg gegaan en hij gaat hem met ons. Als de zon hoog aan de hemel staat, maar ook In het duister van de nacht. Hij heeft  zijn innerlijk kompas laten ijken in het stil gesprek met de Vader.

Hij bemoedigt ons: wees niet bang, maar vertrouw en hoedt het leven dat je wordt toevertrouwd in Gods Naam. Hij laat zijn zon opgaan over alles wat leeft.

AMEN.

Abt. Thijs Ketelaars

Lezingen: Jeremia 20,10-13 / Romeinen 5,12-15 /  Mattheus 10:26-33

[1] Jer. 1,10

foto: Rianne Geelhoed

Eerst gedragen worden, dan de weg

Elke avond opnieuw valt de schemering, ook over onze abdij. Na het werk Gods, de dienst aan de Heer, beëindigen wij onze taken. Met alles wat lukte, en alles wat onvolkomen bleef. Op dat moment leggen wij de dag neer. Dat doen we in de completen, waar we zingen:
‘Met zijn wieken zal Hij u dekken, onder Zijn vleugels vindt gij een toevlucht’.

Wat we hier zingen in Psalm 91 sluit naadloos aan bij de eerste lezing van vandaag uit Exodus (Ex. 19, 2-6a). Want diezelfde vleugels waarover wij zingen, komen we tegen in de woestijn. Daar horen we hoe de Israëlieten aankomen aan de voet van de berg Sinaï. Zij zijn pas ontsnapt uit Egypte. Zij zijn moe, onzeker en kwetsbaar. En nog vóór God hun de Tien Geboden geeft – nog vóór de wet – kijkt Hij met hen terug op de weg die achter hen ligt.

Hij zegt: ‘Ik heb u op arendsvleugels gedragen en u bij Mij gebracht’.

Dat is een opmerkelijke volgorde. God begint niet met een opdracht. Hij begint met een herinnering aan wat Hij zelf heeft gedaan. In het Midden-Oosten denkt men bij die koning van het luchtruim spontaan aan een arend. Sommigen menen dat de Bijbelse schrijver eerder dacht aan een vale gier, een indrukwekkende vogel met een vleugelspanwijdte van bijna drie meter. Hoe dan ook: het beeld is dat van grote vleugels die beschermen, overschaduwen en beschutting geven. In het nest spreidt zo’n vogel zijn vleugels uit over zijn jongen. Hij biedt schaduw tegen de verzengende zon. Precies zo begint God met zijn volk. Hij vraagt niet eerst wat het kan presteren. Hij biedt eerst de koelte van zijn nabijheid.

Maar dat dragen is niet bedoeld om mensen passief te houden. Zoals een vogel zijn jongen leert vliegen, zo opent God ook voor ons de ruimte. De jonge vogel moet zelf het nest verlaten en zijn vleugels uitslaan. Geen ander kan dat in zijn plaats doen. En toch vliegt hij niet alleen. Hij leert vertrouwen op wat hij niet zelf maakt: de opstijgende warme lucht, de thermiek, die hem draagt en optilt hoger dan hij op eigen kracht zou kunnen. Zo ontstaat een spanning die ons hele leven tekent: Je moet zelf gaan, maar je leeft niet uit jezelf. Je wordt gedragen en zo ga je verder op weg.

Diezelfde beweging klinkt bij Paulus. Hij herinnert ons eraan dat Christus zijn leven voor ons heeft gegeven toen wij nog machteloos waren, toen wij nog ver van God leefden en onszelf niet konden redden (Rom.5, 6-11). Ook zo komt God de mens tegemoet: niet wanneer wij sterk zijn, niet wanneer alles op orde is. Juist wanneer wij het zelf niet kunnen dragen. En zo is het ook in het evangelie (Mt. 9,36-10,8). Wanneer Jezus naar de menigte kijkt, wordt Hij met ontferming bewogen. Hij ziet mensen als schapen zonder herder, mensen die de bescherming van die vleugels missen. Tot op vandaag zoeken velen beschutting in een wereld die niet tot rust komt. Jezus weet wat nodig is. Hij begint mensen om zich heen te verzamelen en roept de Twaalf.

Geen ideale groep. Geen uitgelezen elite. Matteüs noemt hen bij naam: vissers en een tollenaar, een zeloot en een twijfelaar. En Petrus, die vaak sneller spreekt dan hij begrijpt en nog moet leren luisteren. Het is een gezelschap van uitersten. De tollenaar die collaboreerde met de bezetter, en de zeloot die de bezetter te vuur en te zwaard bestreed. Twee werelden die elkaar normaal gesproken zouden mijden, worden hier door Jezus rond dezelfde tafel genodigd. Geen volmaakte heiligen. Ook vandaag niet. Maar geroepenen in wording. Jezus begint niet bij de zending. Hij begint bij de roeping. Eerst ontvangen zij zijn nabijheid, zijn woord en zijn vertrouwen. Pas daarna worden zij uitgezonden.

 Eerst gedragen worden, dan de weg.

Jezus spreekt over een oogst die groot is. Maar de Twaalf kunnen pas gaan oogsten wanneer zij beseffen dat zij eerst zelf door Gods barmhartigheid zijn geoogst. Eerst ontvangen, dan doorgeven. Misschien is dat ook onze eigen roeping. Wie zelf gedragen werd – en zich laat dragen – kan ook anderen dragen, opdat zij hun weg vinden. Vaak niet door grote woorden of daden, maar eenvoudig door aanwezig te zijn, door moed te geven, door iemand niet alleen te laten op zijn weg.

En hier klinkt het woord dat alles draagt:
‘Om niet hebt gij ontvangen, om niet moet gij geven.’

Niet als een regel, maar als een werkelijkheid. Want zodra het Evangelie wordt losgemaakt van wat ontvangen is, verliest het zijn waarheid. Dan vervalt het in macht en eigenbelang, in materieel gewin of een rusteloze prestatietocht.

De Kerk leeft niet van haar eigen verdiensten of morele volmaaktheid. Zij leeft van genade. Ecclesiaal leven is ontvangen leven. Zo komt alles samen op deze zondag. Onder dezelfde vleugels schuilt de mens die rust zoekt. Onder dezelfde vleugels wordt Israël door de woestijn gedragen. Onder dezelfde vleugels wordt de machteloze mens gered. En vanuit diezelfde vleugels wordt de leerling gezonden. Niet gedragen door eigen verdienste, maar door de genade die hem voorafgaat. Want telkens blijft één waarheid overeind: de mens leeft niet uit eigen kracht. Daarom keren wij elke avond terug naar Psalm 91. Wanneer de dag stilvalt. Wanneer alles wat wij gedaan hebben tot rust komt. Dan blijft alleen over wat ons geschonken is.

‘Met zijn wieken zal Hij u dekken, onder Zijn vleugels vindt gij een toevlucht’.

 

Amen

 

Broeder Paul

[foto: Rianne Geelhoed]

Levi of Matteus?

Het interessante van het roepingsverhaal van de evangelist Matteus is dat het ons door alle drie de synoptische evangelisten wordt verteld, maar dat alleen Matheus zelf daarbij zijn eigen naam noemt. Marcus en Lucas lijken de goede naam van hun collega te willen beschermen. Dit alleen is misschien al een les om mee te nemen in deze tijd, waarin wij zo gemakkelijk wijzen naar anderen.

Op deze zondag vertelt de apostel-evangelist Matteus zelf over zijn roeping om Jezus te volgen en de maaltijd die hij bij die gelegenheid in zijn huis aanbood aan Jezus, zijn discipelen en zijn medetollenaars, om vervolgens afscheid van hen te nemen. De evangelisten Marcus en Lucas geven ook een verslag van deze roeping, maar gebruiken niet de naam van Matteus, maar spreken over een tollenaar genaamd Levi. En nergens in hun evangeliën vermelden ze dat de apostel Matteus en de tollenaar Levi dezelfde persoon zou zijn. Het was wellicht uit consideratie voor hun medeapostel dat ze niet wilden vermelden dat Matteus tollenaar was geweest voordat hij Jezus volgde. Want niets was zo compromitterend voor een Jood als tollenaar te zijn geweest. We weten wat tollenaars waren: incasseerders van belastingen en heffingen die werden opgelegd aan de landen die door de Romeinen bezet waren. Deze tollenaars waren meestal mannen die rijk genoeg waren om de belastingen en heffingen die aan de vijand verschuldigd waren, te verpachten. Vervolgens inden ze hun vergoedingen bij de belastingbetalers, met een toeslag naar eigen keuze. Matteus/Levi had blijkbaar de douanerechten verpacht in een van de belangrijkste handelsposten van het land, Kafarnaüm, een grensstad tussen Galilea en Transjordanië. Hij was ongetwijfeld een belangrijk, rijk, ontwikkeld en machtig figuur. Maar voor het volk was hij, ondanks zijn kwaliteiten, een collaborateur, een vijand van het volk, een verstotene, een buitenstaander, een onrein persoon, uitgesloten van de synagoge. Het is daarom begrijpelijk dat Marcus en Lucas niet expliciet vermelden dat de tollenaar Levi en de apostel Matteus dezelfde persoon zijn. Maar in het eerste evangelie aarzelt deze zelf niet om te specificeren dat de naam van de betreffende tollenaar Matteus was, en in de lijst van apostelen wordt hij vermeld als Matteus, de tollenaar. Marcus en Lucas voegen de kwalificatie  niet toe. Uit broederlijke collegialiteit zeggen Marcus en Lucas nooit dat de apostel Matteus een tollenaar was geweest. Maar uit nederigheid en dankbaarheid laat Matteus geen gelegenheid onbenut om te benadrukken dat hij tollenaar was voordat hij door pure goddelijke genade door Christus werd geroepen.

 

Het komt vaker voor in het Nieuwe Testament dat één en dezelfde persoon twee verschillende namen draagt. In deze gevallen gaat het bijna altijd om een ​​Semitische naam en een Griekse of Latijnse naam: Saulus wordt ook Paulus genoemd, en we kennen Johannes, ook wel Marcus genoemd, en Jozef, ook wel Justus genoemd. Jezus geeft Simon de naam Kefas, en het is zeer waarschijnlijk dat Jezus de tollenaar Levi de naam Matteus gaf, wat ‘geschenk van God’ betekent. Jezus aanvaardt de tollenaar Levi onder zijn discipelen als een geschenk van God, een geschenk van goddelijke genade.

Het was immers geen geringe zaak om een ​​tollenaar in zijn groep op te nemen en aan tafel te gaan, samen met deze man, om deel te nemen aan de maaltijd die deze, nu volgeling van Jezus van Nazareth, zijn collega’s als afscheidsgeschenk aanbood. Voor heel Kafapnaüm was dit het schandaal van de dag. Maar Jezus verdedigt zich: “Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars.” En hij nodigt zijn tegenstanders, en ons, uit om te leren wat dit woord van Jahweh betekent in de profetie van Hosea: “Ik verlang naar barmhartigheid, niet naar offeranden.” Barmhartigheid is belangrijker dan alle bloedige offers, belangrijker dan alle uiterlijke aanbidding. Voor de Farizeeën waren uiterlijke gebruiken, zoals het vermijden van omgang met zondaars, zo belangrijk dat ze vonden dat Jezus niet met zulke mensen aan tafel kon. Maar Jezus heeft zich steeds weer gastvrij opgesteld tegenover rouwmoedige mensen die zich bewust waren dat ze nog een weg te gaan hadden op het pad van de deugd, dat het hun nog ontbrak aan veel andere deugden. Hij nodigt allen uit aan zijn eucharistische tafel om zo betere mensen te worden. Laten we daarom niet aarzelen om Hem te naderen, ook al weten we ons berouwvolle en zwakke zondaars. Dat is misschien de beste gesteltenis. We kunnen toch niet te communie gaan als de farizeeër die zegt, Heer, ik dank U dat ik niet ben als die en die. Ik vast en ik geef aalmoezen. Nee, we zeggen: Heer ik ben niet waardig, maar spreek slechts één woord. Hij zal ook ons graag zijn ​​barmhartigheid betonen, maar wel vragen dat wij op onze beurt barmhartig zijn voor elkaar: “Zalig zijn de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid ontvangen” (Matteus 5:7). De profeet Hosea zegt het in naam van de Allerhoogste: “Vroomheid wens Ik, geen offergaven, en liefde voor God, meer dan brandoffers”. Doet het er dan allemaal niet toe, en moeten de mensen maar zondigen? Natuurlijk niet, maar: bekeer u, en geloof in de blijde boodschap. Dat is het evangelie.

 

AMEN

Br. Gerard Mathijsen

Matteus 9:9-13

Pinksteren

In aanloop naar dit Pinksterfeest hebben wij negen dagen lang gebeden om de gave van de Geest. Wij deden dat aan de hand van die eeuwenoude sequens “Veni Sancte Spiritus’, Kom Schepper Geest”.  En  als afsluiting van de noveen hebben wij het zojuist nog eenmaal gezongen.

De melodie en de tekst liepen afgelopen week met mij mee en zetten mij aan het denken. In dat gebed bidden wij om de ene Geest die zich manifesteert in een veelheid van werken en vruchten. Dat is wonderlijk en vormt een scherp contrast met veel van het doen en laten, het spreken ook, in onze hedendaagse samenleving, die enerzijds het leven met regelgeving aan banden legt en anderzijds al te vaak kansen en mogelijkheden buitensluit uit angst voor het vreemde,  het onbekende, het andere dan het onze.

Hoe anders het handelen en werken van God. Het begint al bij de aanvang van de schepping. Daar zien wij een schepping ontstaan met een ongelooflijke hoeveelheid levensvormen, kleuren en geuren. Het is alsof God van geen ophouden weet en er plezier in heeft om er almaar weer een variant aan toe te voegen. Een veelheid en verscheidenheid, niet te tellen. En het meest wonderlijke van al is dat die veelheid samenkomt in een veelkleurige eenheid die zijn weerga niet kent in ons menselijk doen en laten. Ons internet met al zijn verbindingen valt er bij in het niet en is helemaal niet creatief, het staat stijf van algoritmes.

Met dat in het achterhoofd krijgen de lezingen van deze viering  een bijzondere kleur en betekenis. In de Handelingen van de apostelen hoorden wij hoe door de uitstorting van de Geest  op het Pinsterfeest alle bewoners, vreemdelingen en pelgrims in Jerusalem over God hoorden spreken in hun eigen taal. Wij zouden het vermoedelijk anders hebben aangepakt. Geen veelheid van talen maar allemaal één taal, dat was veel gemakkelijker. Maar dan zijn wij bij God aan het verkeerde adres. Hij heeft bij de bouw van de toren van Babel al gezien waar die uniformiteit toe leidt. Dat loopt uit op een machtstreven dat zich heer en meester acht van heel de schepping.  Geen diversiteit maar een monocultuur waar geen plaats is voor andersheid.

Pinksteren is van een heel andere Geest vervuld en wil ons toerusten voor een heel andere omgang met het leven. Het waaien van de Geest is uit op herschepping en dat is iets anders dan platte uitsluiting en regulering, dat is oog hebben voor de ongelooflijke rijkdom en veelvormigheid waarmee het leven op aarde gezegend is. Pinksteren is een bovenzaal waarvan ramen en deuren worden opengegooid om met open oren, met verwonderde blik en een hart dat bevrijd is van angst het leven te verwelkomen dat zich in zijn veelvormigheid van talen en culturen aan ons presenteert. Is dat eenvoudig? Nee zeker niet, maar wij missen onze roeping als mens als wij dat avontuur niet aangaan. Schepping en herschepping vindt niet plaats bij starheid en gesloten deuren, maar bij het waagstuk om een weg te gaan met anderen, om met de Geest van de opgestane Heer nieuwe wegen te gaan waar de ene Heer van het leven wordt gediend en geëerd in een symfonisch geheel. Maar daartoe hebben wij wel de Geest nodig, want anders zien wij alleen spoken op de weg in plaats van tochtgenoten.

Die Geest hebben wij in onze geglobaliseerde wereld harder nodig dan ooit. Want als het hart zich niet opent, maar de deur gesloten houdt, hoe kan er dan een leven gevende ontmoeting plaatsvinden? Leven uit en door de Geest, de leerlingen hadden er aanvankelijk schrik van. Ze sloten zich na de verschrikkelijke dood van Jezus op, achter gesloten deuren. Want wat voor goeds hadden zij van de wereld te verwachten? Maar diezelfde Jezus die tijdens zijn leven de deuren voor niemand dichtgooide,  maar alles en iedereen tegemoet trad met de bevrijdende liefde van de Vader, hij schenkt de beloofde Geest, zijn Geest, die het verkilde hart verwarmt, die wat verstard is weer zacht en flexibel maakt, licht schenkt en levenskracht.

Geest die schept en herschept. Wij hebben die levensadem nodig. Zonder haar zal het niet gaan en blijven wij rondraaien in de kring van de oude Adam en Eva, jaloers en afgunstig om te delen en te danken. De Nieuwe Adam, de Opgestane Heer, aan wie alle afgunst vreemd was en die evenbeeld was van Gods Bramhartigheid, vergevend tot zeventig maal zevenmaal, hij wil ons zijn Adem schenken, dat ons spreken en zwijgen, ons doen en laten de taal van de liefde spreekt en wij samen de aarde bewonen als nieuwe mensen, één in verscheidenheid, veelstemmig en veelkleurig. Zeg niet dat het onmogelijk is, maar laat de vrede van Christus wonen in ons hart en ons maken tot boden en getuigen van een leven dat mensen tegemoet treedt met de liefde van Christus. Laat ons elk zijn plaats geven en gunnen in het grote menselijk lichaam, ieder met zijn gaven en talenten en laat ons zo God in een veelheid van tongen, talen en culturen verheerlijken .

Zo dadelijk zullen Hennie Visser en Maria Molenaar  met het toedienen van het vormsel  de Geest ontvangen en daarmee ten volle hun plaats innemen in het lichaam van Christus. Hennie heeft een leven achter de rug als kapiteinsvrouw op de wereldzee en is nu al een aantal jaren werkzaam in de boekhandel van de abdijwinkel. Met de vraag om het vormsel te mogen ontvangen komt zij na een lange reis aan in de haven der wensen zoals de psalm zegt. De levensreis van Maria  telt nog  niet de jaren van Hennie, maar ook zij weet dat het leven groter is dan ons dorp en onze regio. Een Nederlandse vader en een Roemeense moeder die vorig jaar gestorven is, haar gezondheid die niet zonder zorg is en haar moed om met Christus de weg te gaan schenken ons de vreugde haar in ons midden het vormsel toe te dienen. Bidden wij voor hen en voor ons hier bijeen dat wij samen en ieder afzonderlijk door de Geest bewogen mensen van hoop en vrede mogen zijn.

AMEN

 

broeder abt Thijs

Lezingen: Hand. 2,1-11; 1 Kor. 12, 3b-7.12-13; Joh. 20,19-31

7e zondag na Pasen

De dagen tussen Hemelvaart en Pinksteren zijn bijzonder gewijd aan gebed. Wij bidden samen om de komst van de Geest. En waar wij dat samen doen, komt Hij, Gods Geest. Is Hij aanwezig. Wij hoorden in de Handelingen van de apostelen dat alle leerlingen eensgezind samen waren, volhardend in gebed, samen met Maria, de moeder van Jezus, en met zijn broeders.

Tijdens zijn aardse leven waren het nog twee partijen, beide op Hem betrokken, allebei vol liefde en verwachting naar Hem toe. Maar zij begrepen elkaar niet. Zij waren gescheiden. Tijdens het leven van de Heer was er nog een onderlinge spanning. De familieleden van Jezus hadden het moeilijk met zijn optreden. Zijn leerlingen stonden Hem meer nabij dan zijn verwanten, die bezorgd voor Hem waren, maar Hem niet begrepen. Toen de familie van Hem naar Hem zocht antwoordde Hij: Mijn moeder en mijn zusters en broeders zijn zij die naar Mij luisteren. Na Pasen is de lucht geklaard. Er is eenheid. In deze dagen van beleven van zijn afwezigheid, groeien zij naar elkaar, komen zij tot eenheid, een nieuwe verbondenheid, niet meer op basis van eigen verwachtingen, maar in bereidheid de wil van God te aanvaarden, God zijn plannen laten volbrengen zoals Hij die in zijn Voorzienigheid wil, tot onze zaligheid. Zo bidden wij nu samen, naar het voorbeeld van Jezus’ leerlingen met zijn Moeder Maria. Negen da­gen van verstilling en verwach­ting, een tijd van gebed, van biddend en vertrouwvol saamhorig­heid beleven. Wij zien de geboorte van de Kerk. Samen zijn zij in gebed. Zij ontvangen de gave Gods waarvoor Jezus gebeden heeft in zijn laatste uren. De Geest, die van de Vader uit­gaat, is krachtens zijn wezen niets anders dan beweging naar de Vader toe.

Het wezen van God blijft ontoegankelijk. Wat ons is geopenbaard, en dat is een groot mysterie, is dat God ontvankelijk wil zijn voor ons gebed, als wij ons tot Hem richten in de Geest van Jezus, dus ook samen met elkaar.

In het Evangelie, hoorden we het begin van Je­zus’ Ho­gepriester­lijk gebed. Daarin bidt de Heer voor zijn leerlingen en voor allen, die door hun woord tot geloof zullen komen. Dit gebed veronderstelt dat de leerlingen zich moeite geven om de Naam van Jezus te verkondigen, en het evangelie te verbrei­den. Alle eeuwen door hebben mensen zich inderdaad van die opdracht gekwe­ten, en op velerlei wijze daaraan gestalte aan gegeven. Predi­king en evange­lisatie, onderwijs, maat­schappe­lijke- en ziekenzorg zijn er uit voortge­vloeid, steeds inspelend op actuele noden en de kwalen van tijd, cultuur en samenleving.

Een ding is daarbij altijd constant: de toeleg op gebed.

Daarmee wordt het voornaamste werk van Jezus voortgezet, waaruit al zijn andere handelen voortvloeide: het zoeken van verbinding. De Evangelies verhalen van Jezus’ optreden, van zijn parabels, zijn tekenen en wonderen, zij spreken ook van zijn gebed. Bij voorkeur verborgen in de nacht. Vervuld van de goddelijke Geest, zocht Jezus het gesprek met zijn hemelse Vader in de stilte van de nacht, in de vroege morgen, en de dag door in het verborgene van zijn hart, maar met een intensiteit die telkens weer naar buiten sloeg.

Dat gebed is door de apostelen en leerlingen, samen met Maria, de Moeder van Jezus, en de vrouwen, ook voortgezet. Zo biddend mochten zij de Geest ontvangen, die hen toerustte met de kracht tot getuigenis.

In deze tijd van wereldwijde politieke spanning worden ook wij herinnerd aan onze afhankelijkheid van de hemel, aan de noodzaak van gebed, en aan de kostbare gave dat wij kunnen bidden, dat wij mogen weten gehoord te worden. Ja, naar ons gebed wordt als het ware uitgekeken. God wil de wereld redden, maar Hij duwt het ons niet door de strot, wij zullen het Hem dienen te vragen.  God zoekt medewerkers, daartoe zijn wij geschapen. De bloemen bloeien, de vogels fluiten, de vissen zwemmen, de mensen zingen Gods lof, eren Hem om zijn schepping en bidden om ons aller behoud. De kerkvaders leren dat de Schepper de mens een plaats gaf zelfs boven de engelen. Dat zou de reden zijn geweest van de val van Lucifer en zijn volgelingen, die niet wilden accepteren dat die zwakke aardse wezens een hogere roeping hadden dan de zuivere geesten. Maar in plaats van trouw te zijn in dienst van de Allerhoogste toonde de mens zich niet dienstbaar en dankbaar, maar wantrouwend en zelfzuchtig, en zo verbeurde hij zijn geluk. Het is natuurlijk voornamelijk beeldspraak maar bevat een diepe waarheid.

De geestelijke dimensie van ons leven is helaas buiten ons blikveld geraakt. De mensheid is zo onder de indruk van haar eigen technisch kunnen, dat de geestelijke dimensie van zijn leven naar het rijk der fabelen wordt verwezen. Wij zien tot welke onvoorstelbare resultaten menselijk vernuft leidt, maar we zien ook met schrik dat die slimme mens zijn hand dreigt te overspelen. Hij doet dingen zonder te beseffen waartoe zij leiden. Hij voorziet de gevolgen niet. Die uitdaging moeten wij niet ontvluchten, en niet ontkennen. Wij mogen onze hand niet overspelen en voorbijzien aan het feit dat zelfs de knapste koppen slechts een heel klein deel van de werkelijkheid doorgronden, en dat de natuur tal van geheimen heeft waar wij geen weet van hebben. Op zoveel terreinen heeft de mens ervaren dat wat vooruitgang leek, grote risico’s meebracht, rampzalige gevolgen had. Er zijn nog ontelbaar veel geheimen van de aardse werkelijkheid te ontraadselen. In een huisgezin kan een kind grote ravage aanrichten in de keuken of in de garage of elders in huis, door op een knopje te drukken, een motor te starten, ergens contact te maken met desastreuze gevolgen. Hopelijk is dan moeder in de buurt of iemand die groter onheil weet te voorkomen. Maar wie houdt die grote kinderen tegen die toegang hebben tot apparaten die de wereld kunnen ontwrichten? Op weg naar Pinksteren roept onze moeder de H. Kerk ons op tot eendrachtig gebed, tot nederig besef van onze grenzen, in dankbaarheid voor de mogelijkheden die ons gegeven zijn om vooruitgang te bewerken, maar ook om bescheidenheid, respect voor al wat leeft en voor onze God die ons het leven geeft.

In het gebed, in het eucharistisch offer, nemen wij onze roeping serieus om heel de schepping op te dragen aan de Drieëne God en zo het geschapene en de Schepper in hun onderlinge relatie te respecteren en te waarderen.

Laat ons God danken en smeken om zijn erbarmen.

 

AMEN

 

Br. Gerard Mathijsen

https://www.abdijvanegmond.nl/wp-content/uploads/altaar-niets.jpg

Hemelvaart (homilie)

Hemelvaart van onze Heer, daar zijn twee verhalen over, van Lucas en van Mattheüs[1], twee van elkaar verschillende verhalen, elk met de Blijde Boodschap vertolkt in een andere toonsoort. Zij gaan over het heengaan van Jezus, dat hij ten hemel werd opgenomen en het gaat over de zending van de leerlingen, die niet naar de hemel moeten staren, maar in het alledaagse leven aan de slag moeten gaan om daar Jezus te vinden en na te volgen.

 

De hemel waar en wat is dat?  Voor de betekenis daarvan dienen wij de Schrift uit te spellen. ‘De hemel behoort aan de Heer, aan het mensdom schonk hij de aarde’ zegt de psalm.’[2] En het evangelie spreekt nu eens van het koninkrijk der hemelen en een andere keer over het koninkrijk van God.  Als er  dus sprake is van de hemel, dan gaat het over God zelf, misschien mag je zeggen over zijn binnenkamer zoals Mattheüs ook over de binnenkamer van de mens spreekt, waar je je kunt terugtrekken om te bidden.  En wanneer we dan ook nog denken aan die andere mooie uitdrukking ‘God woont in ontoegankelijk licht[3], dan begint het ons mogelijk te dagen. Jezus is ten hemel opgenomen, hij is ingetreden in dat ontoegankelijke licht, Gods  eigen binnenkamer, in zijn intimiteit opgenomen, licht van louter leven en liefde. .Hij die ons van Godswege was gegeven en met ons en onder ons de weg is gegaan, hij is nu na ons hier in dit aardse ten einde toe te hebben liefgehad, weer opgenomen in de schoot van de Vader.

 

Bij dat opgaan naar de Vader  leggen de evangelisten verschillende accenten. Lukas spreekt in de Handelingen over veertig dagen na Pasen, terwijl hij op het eind van het evangelie na een aantal verschijningen al in de hemel wordt opgenomen. Misschien mogen wij daarin horen dat het de leerlingen een tijd heeft gekost voor het in hun binnenkamer is neergedaald dat Jezus na zijn smadelijke dood in de volheid van Gods liefde is teruggekeerd. Jezus is na zijn opstanding aan de leerlingen verschenen, hij heeft hen de ogen van het hart geopend bij het breken van het brood en bij het verklaren van de Schrift en zo is het voor hen stilaan morgen geworden. Maar niet zonder aarzeling en twijfel. Wij hoorden  het zojuist in het evangelie van Mattheüs waar gezegd werd dat zij hem aanbaden en sommigen twijfelden. Waar twijfelden zij aan? Aan Jezus opgang naar de Vader of twijfelden zij aan hun eigen geloof of zij wel in staat waren de dienst te verrichten waartoe de Heer hen riep. Zij wisten hoe ze hem hadden verlaten en wat of wie garandeerde dat ze in de toekomst hun Heer niet opnieuw in de steek zouden laten als het erom spande?

 

De hemel, de intimiteit van God. Jezus had haar bij zijn doop op een heel bijzonere wijze ervaren. Hij had  zich diep in zijn hart horen aanspreken als zoon van Gods welbehagen en de adem van de Geest was de ziel geworden van zijn bestaan. Vanuit die intimiteit had hij geleefd, hij had die steeds weer gezocht in het stille gebed om  er uit te leven en met die liefde allen te beminnen en nabij te zijn die zijn pad kruisten. Niet alleen zijn leerlingen, maar alle kinderen van God, de randfiguren en uitgestotenen voorop. Hij had er zich over ontfermd en zijn binnenkamer was voor hen niet gesloten.

En zoals hijzelf thuis was in de binnenkamer van de Vader, zo had hij anderen uitgenodigd en de weg erheen gewezen. Hij had voor hen de deur geopend door ze te beminnen en op te richten, aan te moedigen en te troosten. Hij had zijn leerlingen en allen die er oren naar hadden, uitgenodigd zelf ook die stille plek, dat heilig domein te betreden, de binnenkamer van het hart  om er Gods hartslag te horen kloppen.

 

Als je daar binnentreedt word je een ander mens, weet je je niet alleen bemind, maar ontdek je ook dat je eigen roeping er een is van beminnen met de hartslag van God, die niet wil dat een van de kleinen verloren gaat.  In een wereld waar mensen onder de voet worden gelopen, elkaar het licht in de ogen niet gunnen, het leven ontzeggen, daar staat God een andere wereld voor ogen, een van geven en vergeven, van samen optrekken, van samen bouwen aan een huis waar niemand de tafel wordt ontzegd. Een grote binnenkamer van kennen en gekend worden. Jezus heeft er zijn leven voor gegeven tot de laatste ademtocht en de Vader heeft hem niet aan het graf overgelaten maar opgenomen, thuis gebracht.

 

Die thuiskomst, die hemel en intimiteit van God is ons voorland. Jezus is er als eerste binnengegaan in al zijn volheid. Ons wordt ze in het vooruitzicht gesteld, maar eer het zover is, hebben wij juist als hij onze roeping als mens te vervullen. Een roeping ons van Godswege door Jezus aangereikt en voorgeleefd. En wij worden met beide benen op de grond gezet. Niet staren naar de hemel, maar de hand aan de ploeg slaan. Niet omkeren de blik achterwaarts, maar naar voren om te zien wat er te doen staat. Om in het Galilea van het daagse leven te doen wat Jezus heeft gedaan. Omzien naar mensen, niemand langs de weg laten liggen, elk een naam en een gezicht geven, op de been helpen en hen dopen in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest. Niet al een lege rite, maar als een woord, een daad die mensen leven geeft als kinderen van de Vader, als broers en zusters van Jezus en als mensen door Gods adem bewoond om elkaar lief te hebben en bij te staan op de weg van het leven. Waar wij zo wagen te leven , ook in onze geteisterde wereld, gaat de hemel open en kan God aan het licht komen.

 

Voor U in deemoed, met U in geloof, in U in stilte.

 

AMEN

 

Vader abt Thijs Ketelaars

[1] Handelingen 1,1-11 en  Matheus 28,16-20

[2] Ps. 115,16

[3] 1Tim. 6,16

vruchtbare aarde

Van bij onze geboorte, wanneer we onze ogen openen in deze wereld, ontdekken we gaandeweg dat we aan de aarde gebonden zijn. Er is een zwaartekracht die aan ons trekt. We zijn gemaakt van stof – kwetsbaar, tastbaar en eindig – en verbonden met alles wat ons omringt.

Die gebondenheid wordt het sterkst voelbaar wanneer er een afscheid nadert, zoals vandaag in het evangelie, waar Jezus met zijn leerlingen is, vlak voor zijn heengaan. Dan herkennen we iets van wat wij zelf kennen bij verlies: het verlangen om vast te houden wat voorbijgaat. Aan een ring, een foto, of een plek waar we samen geleefd en liefgehad hebben. Omdat liefde zich hecht aan het tastbare. Wij geloven vaak met onze handen.

Ook Jezus’ leerlingen zijn zo met Hem vertrouwd geraakt. De klank van zijn stem, zijn nabijheid, het samen eten met Hem. Voor hen voelt dit afscheid als het wegvallen van warmte. Als verweesd zijn, een gemis aan gedragenheid en zorg.

Om dit te verstaan, keren we terug naar Witte Donderdag. Daar was het goddelijke nog tastbaar aanwezig: in het brood dat gebroken werd, in de wijn die gedeeld werd, in de voeten die gewassen werden. Jezus gaf zichzelf in tastbare gebaren. Alsof Hij zei: houd dit vast, zodat de verbinding tussen hemel en aarde niet breekt.

Maar daar gebeurt iets. Het perspectief verschuift. Om tot een volwassen geloof te komen, dient de blik van de leerlingen te kantelen. Hij onttrekt zich aan hun ogen. Niet om te verdwijnen, maar om een diepere aanwezigheid mogelijk te maken. Hij verdwijnt niet uit hun leven. Hij komt juist dichterbij: van buiten naar binnen. Wat buiten was, wordt binnenin levend, van de straat naar het hart.

Je zou kunnen zeggen: zo werkt de Geest. Hij is de levende adem die van binnenuit bezielt en ons binnenleidt in de waarheid van wat Jezus in de kracht van zijn Vader gezegd en gedaan heeft.

En precies daar krijgt dit mysterie zijn gestalte in het concrete leven van de gemeenschap. De Geest van Jezus heeft een lichaam nodig: zijn gemeenschap, zijn Kerk. Tot zijn leerlingen zegt Hij: ‘Als gij Mij liefhebt, zult gij mijn geboden onderhouden.’

Hoe moeten we dat verstaan? Niet als regels die van buitenaf worden opgelegd. Liefde laat zich niet bevelen, en nog minder dragen als een last.

Ons instemmend antwoord op Jezus’ liefde kunnen we verstaan als de aders waardoor zijn leven in ons kan stromen. Zoals het bloed doorheen het lichaam stroomt en elk deel doortrekt om het te laten leven, zo wil ook de Geest van Jezus Christus, als gave van zijn liefde aan het kruis, in ons doorstromen.

En zoals het bloed zich een weg baant doorheen het lichaam, waar het ook moet komen, zo laat zijn liefde zich niet opsluiten binnen welke grens ook.

En Gods Geest doorbreekt wat gesloten is. Dat horen we in de eerste lezing uit de Handelingen. Filippus brengt het evangelie in Samaria, waar mensen uit het zuiden op de Samaritanen neerkeken, omwille van een geloof dat als onzuiver werd beschouwd door vreemde invloeden (Hand. 8, 5-8.14-17)

De Geest doorbreekt wat in quarantaine werd gezet. Reeds in de jonge Kerk – doorheen de handoplegging – en tot op vandaag in de levende kracht van de apostolische Kerk, wanneer de Geest ruimte krijgt om ook onze eigen Samaria’s te doorkruisen: mensen en plaatsen die we liever op afstand houden.

Dan groeit een levende gemeenschap. Gedragen door de adem van de Geest. Als een stroom die verdergaat. Die stroom vindt haar weg in mensen. Dáár wordt zichtbaar wat vruchtbare aarde is: niet ergens ver weg, maar midden in het stoffelijke bestaan van mensen, waar leven doorbreekt in zorg voor elkaar, met een bijzondere voorkeur voor de zwaksten.

Zo wordt een gemeenschap die in Christus geënt is de grond waarin Gods liefde tot bloei komt. En die vruchtbaarheid vraagt in ons bestaan steeds weer om tekenen waarin het nieuwe leven in Christus wordt verwelkomd, gevierd en ontvangen. In de liturgie van de Kerk wordt dat sacramenteel verdicht: in brood en wijn, water, licht, vuur, olie en gebaren die nabij brengen en verder wijzen.

Daarin wordt iets zichtbaar van een aanwezigheid die zich niet opsluit in wat wij kunnen vasthouden.

Wat wij ontvangen in dat stille wijdingsgebeuren is niet iets voorbijgaands. Het is een aanwezigheid die ons blijft dragen, doorheen de tekenen.

Wanneer Jezus zegt: ‘Ik laat jullie niet als wezen achter’, dan betekent dat dat de verbinding niet breekt. Zij wordt anders, maar verdwijnt niet. Wat we verliezen in zichtbare nabijheid, wordt gedragen aanwezigheid, opgenomen in de liefde tussen de Zoon en de Vader.

Ons bestaan wordt niet losgemaakt van de aarde, maar dieper ermee verbonden. De Geest die ons bezielt is dezelfde kracht die de steen van het graf heeft weggerold.

Zo wordt ons leven Paasgrond, waar het aardse niet verdwijnt, maar tot vervulling komt in de verrijzenis. Het keert terug naar de aarde en gaat niet verloren in de Levende.

Amen

 

Br. Paul Cools

Lezing: Joh. 14, 15-21

Nieuwsbrief

Schrijf u vrijblijvend in en blijf op de hoogte van de activiteiten van Abdij van Egmond.

We respecteren uw privacy. Sint-Adelbertabdij zal uw e-mailadres nooit delen met derden.
© 2026, Abdij van Egmond Algemene voorwaarden