Nieuws

Werkers van het eerste uur

Afgelopen week was het weer Prinsjesdag en hebben wij gehoord wat de plannen en wensen zijn van de regering. En inmiddels heeft ook de oppositie zich laten horen. Wat heeft het evangelie dat wij zojuist gehoord hebben ons in die context te vertellen? Of moeten wij het terzijde schuiven als een verhaal dat niet meer past in deze tijd? Maar laten we niet te vlug zijn met ons oordeel, wie weet snijdt het meer hout dat we op het eerste gezicht vermoeden.

Wie de Schrift een beetje kent en zijn ogen niet sluit voor het doen en laten in onze samenleving, die weet dat afgunst, competitie en concurrentie als een rode draad door onze menselijke geschiedenis loopt. Het lijkt wel of het niet anders kan. Adam en Eva zijn nog maar nauwelijks op het toneel verschenen of ze kijken al met een afgunstige blik naar een boom waarvan ze de vrucht niet mogen eten. En hun kinderen doen al niet anders. Kaïn is afgunstig op zijn broer Abel, want die lijkt iets te hebben wat hij niet heeft. En in plaats van hem de vriendschap te gunnen, slaat hij hem dood. En wie verder leest in het boek van ons geloof, ziet het patroon steeds weer terugkeren. Het houdt maar niet op en het gaat door tot in onze dagen.  Wie zijn ogen niet sluit ziet het overal als onkruid om zich heen de kop opsteken. Jaloezie, afgunst, zij blijken van alle tijden en het is alsof ze ons aankleven als de huid van de slang, en we lijken haar niet of maar moeilijk  te kunnen afwerpen.

Het evangelie van vandaag voegt zich in die lange rij van verhalen. Het is de geschiedenis ingegaan onder de titel ‘de parabel van de werkers van het elfde uur.’ Maar het is de vraag of hij niet veeleer de naam verdient van “de werkers van het eerste uur’, want met hen had de werkgever op het eind van de dag het nodige te stellen.

De laatkomers ontvangen hun loon en gaan zonder verder commentaar naar huis.  Vermoedelijk waren ze dol blij dat ze na minder dan een dag gewerkt te hebben het volledige dagloon kregen.

Maar dan de eersten die achter in de rij stonden bij de uitbetaling. Zij zagen wat de laatkomers kregen. Toen zij dan aan de beurt kwamen en hetzelfde kregen als de laatkomers, toen waren de rapen gaar. Kunt u het zich voorstellen?

Ze kregen niets te kort want ze waren overeengekomen voor een dagloon en de eigenaar had hen eerlijk uitbetaald. En toch, geklaag en discussie.

‘Die hebben maar één uur gewerkt en gij stelt ze gelijk met ons die de last van de dag en de brandende hitte hebben gedragen.’ Maar de landeigenaar reageert op hun beschuldigingen met een vraag:  ‘Mag ik met het mijne niet doen wat ik verkies of zijt gij kwaad omdat ik goed ben?’

‘Zijn jullie kwaad, omdat ik goed ben?’, de Griekse tekst leest letterlijk ‘Is jullie oog slecht, omdat ik goed ben?’ Met welke blik kijken jullie naar je collega’s, die gewerkt hebben? Niet met die van de landeigenaar. Om het met de woorden vaan de profeet Jesaja te zeggen: “ uw gedachten zij niet mijn gedachten, mijn wegen niet uw wegen.” Wij zijn dan wel geschapen naar Gods beeld en gelijkenis, maar wanneer wij die gaven niet cultiveren en ons gedrag laten bepalen, krijgen andere stemmen in ons leven hun kans, en krijgt de blik van Gods menslievendheid concurrenten van een slechte soort.

Naar het leven kijken met de blik van God is er niet een van afgunst, maar van leven geven en leven delen. Je verheugen dat allen aan de tafel van het leven een gelijkwaardige plek krijgen of ze nu laat of vroeg gekomen zijn. Allen zijn wij kinderen Gods en allen zijn wij geroepen om als  die grote mensenfamilie samen te leven. Is dat eenvoudig? Nee. Is dat onmogelijk? Nee, maar het vraagt gedurige bekering, want het leven is ons gegeven om het met elkaar te delen, elke dag weer, met wie vroeg of laat komt.

De landeigenaar over wie Jezus vandaag spreekt, is God, die zijn zon over goeden en kwaden doet opgaan. Hij kent geen onderscheid en zijn liefde gaat uit naar elk mensenkind. Een liefde die uniek is, want elk van de arbeiders heeft een eigen naam en gezicht, zijn eigen verhaal, maar het zijn allemaal zijn mensen, niemand uitgezonderd. Of ze nu zwart zijn of blank, hoogbegaafd of mindervalide, zij vormen voor God één mensenfamilie, één lichaam. En om met Paulus te spreken, de zwakke delen verdienen dezelfde zorg als de sterken, want alleen zo kan het lichaam gezond blijven.

Zijn jullie kwaad omdat ik goed ben? Niemand is goed dan God alleen. Ons denken en doen is aangevreten door de worm van het bederf en de dood.  De afgunst heeft de dood in de wereld gebracht, zegt het boek Wijsheid, maar daarvoor zij we niet geschapen en daartoe worden we niet geroepen. Wij missen het heldere oog.  Afgunst en wantrouwen maken de dienst uit in plaats van vertrouwen en samenwerken. Wij hebben de keus om te luisteren naar de  influistering van de slang of naar het stille spreken van de Geest, die leven geeft.

In een samenleving waar almaar etiketten worden geplakt, mensen worden weggezet, afgeschreven of niet toegelaten om aan de arbeid deel te nemen in de tuin van het leven, worden wij vandaag geroepen elkaar met andere ogen te bezien, met de blik van God die leven geeft en voor allen het volle loon in petto heeft.

Wij hoorden vandaag een verhaal dat maar al te herkenbaar is, maar hier worden wij op deze zondag weer aan de tafel genodigd door één die zo goed als God is geweest. Zijn leven reikt hij ons aan. Aan ieder zonder onderscheid, opdat wij iedere dag opnieuw uit zijn kracht zouden leven als nieuwe Adam en nieuwe Eva, en wij op de akker van het leven samenwerken voor een oogst die God en mens vreugde verschaft.

AMEN

 

Vader abt Thijs Ketelaars

tekst: Mt 20, 1-16

 

 

 

 

 

 

Daar is Hij in ons midden

Dierbaren,

In deze weken herneemt het leven langzamerhand zijn gewone loop. De vakantie loopt ten einde, scholen beginnen weer en voor velen keren de vertrouwde werkzaamheden en verplichtingen terug. Juist op zo’n moment reiken de Schriftlezingen van vandaag ons iets kostbaars aan. Zij spreken over onze verantwoordelijkheid voor elkaar, over de liefde die wij elkaar verschuldigd zijn en over Christus, die aanwezig wil zijn waar mensen in zijn naam samenkomen.

Velen hebben tijdens de vakantie een reis gemaakt. Misschien ging de reis met de auto naar Frankrijk, Spanje of Italië: genieten van de natuur, een andere omgeving, tijd voor elkaar en met elkaar. Dat klinkt heerlijk. Toch kan juist wanneer mensen langere tijd dicht bij elkaar zijn, plotseling irritatie ontstaan.

Iemand vertelde eens over zijn ouders. In meer dan veertig jaar had hij hen nooit op een echte ruzie kunnen betrappen. Behalve die ene keer, tijdens een vakantie in Zuid-Frankrijk. Zij kwamen bij een tweesprong zonder richtingaanwijzer. Hij wilde naar rechts, zij wilde naar links. Geen van beiden wilde toegeven en het meningsverschil liep ongekend hoog op.

Samen op reis, alle tijd voor elkaar, en toch ineens een conflict over de weg die gekozen moest worden. Misschien herkennen wij er iets van. Soms is er maar weinig nodig om tegenover elkaar te komen staan. Een verkeerd woord, een misverstand, een oude gevoeligheid of de overtuiging dat alleen wij weten welke richting de juiste is.

Wij mensen hebben elkaar nodig. Wij zijn niet geschapen om alleen te leven. Wij horen bij elkaar. Maar dat wil nog niet zeggen dat het altijd vanzelf goed gaat. Waar mensen samenleven, kunnen zij elkaar ook teleurstellen en verwonden. Dat gebeurt in gezinnen, tussen vrienden, in een geloofsgemeenschap en ook binnen een kloostergemeenschap.

Jezus weet dat. Hij heeft geen romantisch beeld van de gemeenschap. Hij weet hoe kwetsbaar onze onderlinge verbondenheid is. Daarom geeft Hij vandaag heel concrete raad: “Wanneer uw broeder gezondigd heeft, wijs hem dan onder vier ogen terecht. Luistert hij naar u, dan hebt u uw broeder gewonnen.”

Let op die laatste woorden: “Dan hebt u uw broeder gewonnen.” Jezus zegt niet: dan hebt u het gelijk aan uw kant gekregen. Ook niet: dan hebt u de ander op zijn plaats gezet. Het gaat Hem erom dat wij onze broeder of zuster terugwinnen. Het doel is niet de overwinning, maar de verzoening; niet het eigen gelijk, maar het herstel van de verbondenheid.

Dat is een goede raad, maar geen gemakkelijke. Wanneer iemand ons gekwetst heeft, praten wij soms liever óver die persoon dan mét hem of haar. We blijven erover nadenken, vullen de bedoelingen van de ander in en vertellen ons verhaal aan mensen die er eigenlijk buiten staan. Ondertussen wordt de pijn groter en groeit de afstand.

Jezus nodigt ons uit een andere weg te gaan: zoek de ander op. Niet vanuit boosheid of superioriteit, maar vanuit het verlangen elkaar niet kwijt te raken. Spreek eerlijk uit wat er gebeurd is en wat het met je heeft gedaan. Probeer niet eerst een beschuldiging te formuleren, maar vertel wat je pijn heeft gedaan. En luister vervolgens ook naar het verhaal van de ander. Misschien heeft die de situatie heel anders beleefd.

Dat vraagt moed. Het vraagt ook nederigheid, want wij moeten rekening houden met de mogelijkheid dat niet alleen de ander, maar ook wijzelf iets verkeerd hebben gezien of gedaan. Een werkelijk gesprek begint wanneer wij niet alleen ons woord willen doen, maar ook bereid zijn het woord van de ander te ontvangen.

Lukt zo’n gesprek niet, dan zegt Jezus: “Neem een of twee anderen mee.” Niet om een meerderheid tegenover de ander te vormen, maar om hulp te zoeken. Soms hebben mensen een wijze en betrouwbare derde nodig: iemand die kan luisteren, die de spanning helpt verminderen en die ons eraan herinnert dat wij, ondanks alles, broeders en zusters blijven.

De profeet Ezechiël gebruikt vandaag het beeld van de wachter. Een wachter blijft wakker en kijkt uit over het land. Wanneer er gevaar dreigt, mag hij niet zwijgen. Ook wij worden geroepen om over elkaar te waken. Dat betekent niet dat wij elkaar voortdurend moeten beoordelen of corrigeren. Het betekent wel dat het lot van de ander ons niet onverschillig mag laten.

Werkelijk waakzaam zijn is met liefde naar de ander kijken. Het is niet zeggen: “Het is zijn eigen verantwoordelijkheid; hij zoekt het maar uit.” Het is durven spreken wanneer dat nodig is, maar ook weten wanneer wij moeten zwijgen en luisteren. Een liefdevol woord op het juiste moment kan iemand behoeden voor een verkeerde weg. Een hard woord op het verkeerde moment kan juist een deur sluiten.

Paulus vat het vandaag prachtig samen: “Weest niemand iets schuldig dan alleen elkaar lief te hebben.” De liefde is de enige schuld die wij nooit helemaal kunnen aflossen. Iedere dag opnieuw zijn wij elkaar aandacht, geduld, eerlijkheid en vergeving verschuldigd.

Dat betekent niet dat wij alles moeten goedpraten. Liefde kan ook duidelijk zijn en grenzen stellen. Maar zij schrijft de ander nooit af. Zij blijft in de ander een mens zien die door God geschapen en bemind is. Ook wanneer een gesprek mislukt, blijft de ander onze broeder of zuster. Ook wanneer de afstand niet onmiddellijk kan worden overbrugd, mogen wij voor die ander blijven bidden en de deur naar verzoening niet voorgoed sluiten.

Jezus zegt: “Waar twee of drie in mijn naam bijeen zijn, daar ben Ik in hun midden.” Dat is een belofte vol troost. Christus is niet alleen aanwezig wanneer alles goed gaat en wij volkomen eensgezind zijn. Hij komt juist binnen in onze kwetsbare gemeenschap, met onze verschillen, misverstanden en onvolkomenheden. Hij staat in ons midden om ons telkens opnieuw bijeen te brengen.

Straks worden wij rond dezelfde tafel verzameld. Wij ontvangen hetzelfde brood en drinken uit dezelfde beker. Wij komen niet naar voren omdat wij volmaakte mensen zijn, maar omdat wij leven van Gods barmhartigheid. Aan deze tafel leert Christus ons dat niemand alleen leeft en dat niemand alleen wordt gered.

Laten wij daarom onze verschillen, onze gekwetstheid en ook onze koppigheid bij Hem brengen. Laten wij Hem vragen ons een zachtmoedig en moedig hart te geven: zachtmoedig genoeg om de ander niet te veroordelen, en moedig genoeg om een eerlijk gesprek niet uit de weg te gaan.

Misschien komen ook wij soms bij een tweesprong. De een wil naar links en de ander naar rechts. Dan is de belangrijkste vraag niet altijd wie de juiste richting heeft gekozen. Belangrijker is dat wij elkaar onderweg niet verliezen.

Waarheen de weg ons ook voert, laten wij haar samen gaan, in geduld, in waarheid en in liefde. Want waar wij elkaar in de naam van Christus vasthouden, daar gaat Hijzelf met ons mee. Daar is Hij in ons midden.

AMEN

 

Br. Gerard Mathijsen

Vanuit ontvangen vergeving

Wanneer we hier samenkomen, zoeken we misschien een plek om even los te komen van de dagelijkse hectiek, de harde meningen en de polarisatie in de wereld. We nemen plaats, we zingen, we luisteren en hopen dat de stilte ook in ons wat rust brengt. Maar de Heilige Schrift, broeders en zusters, gunt ons vandaag geen comfortabele rust.

Petrus vraagt aan Jezus: ‘Heer, als mijn broeder tegen mij misdoet, hoe vaak moet ik hem dan vergeven? Tot zevenmaal toe?’ Let wel op wat Petrus hier vraagt: hij vraagt naar zijn bereidheid om te vergeven. Hij vraagt niet hoe vaak anderen hem moeten vergeven. Zevenmaal is voor hem al heel wat.

Maar Jezus breekt die rekensom onmiddellijk open: ‘Niet tot zevenmaal toe, maar tot zeventig maal zevenmaal.’ Niet 490 keer en dan houdt het op. Jezus wil dat Petrus ophoudt met tellen. Zodra we gaan tellen, maken we van vergeving een rekening. Jezus haalt die boekhouding onderuit. Want wat ons is aangedaan, kan zich in ons vastzetten en uitgroeien tot wrok.

De eerste lezing uit Jezus Sirach (Sir. 27,33–28,9) zegt vandaag: ‘Wrok en gramschap zijn iets afschuwelijks.’ Wrok houdt het verleden levend.

In de monastieke traditie heeft men daar scherp naar gekeken. Johannes Climacus, een monnik en oudvader van de Sinaï, noemt wrok een verborgen gif. Hij vergelijkt wrok ook met wormen die zich in vermolmd hout ontwikkelen. Zo kan wat ons is aangedaan, zich in ons vastzetten en ons van onze barmhartigheid beroven. En dan laat Jezus zien wat er gebeurt wanneer iemand zelf barmhartigheid ontvangt, maar die aan een ander weigert.

Om te laten zien wat er werkelijk op het spel staat, deelt Jezus een vertelling (Mt. 18,23–35). Een dienaar staat voor zijn heer met een astronomische schuld. Hij vraagt: ‘Heb geduld met mij.’ En zijn heer krijgt medelijden met hem en scheldt hem in één gebaar de hele schuld kwijt.

Even later komt diezelfde man iemand tegen die hem honderd denariën schuldig is. Vergeleken met wat hem zojuist is kwijtgescholden, is het een peulschil. De ander vraagt hem bijna met dezelfde woorden: ‘Heb geduld met mij.’ Maar de man die zelf geduld heeft ontvangen, weigert dat aan een ander te geven. Hij grijpt zijn mededienaar bij de keel en eist betaling.

Hij heeft zelf vergeving ontvangen en die barmhartigheid aan den lijve ervaren. En toch handelt hij tegenover een ander niet vanuit die barmhartigheid. De vertelling eindigt hard. De barmhartigheid die hij zelf had ontvangen, had hij een ander niet gegund.

Vergeving begint niet alleen bij de vraag: hoeveel moet ik nog verdragen? Ze heeft ook te maken met wat wij zelf ontvangen. Een kind leert liefde niet alleen doordat het hoort dat het moet liefhebben. Het leert liefde doordat het zelf liefde ontvangt. Wie als kind weinig liefde heeft ontvangen, kan later moeite hebben om liefde te geven. Dat geldt ook voor vergeving. We kunnen zeggen: God vergeeft jou, dus vergeef jij ook. Maar dan kan vergeving een loodzware opdracht worden.

Veel dieper gaat het wanneer iemand zelf ervaart: ik word niet afgeschreven om mijn fouten. Ik mag opnieuw beginnen. Er is ruimte voor mij. Wie zelf vergeving ontvangt, kan leren om een ander niet blijvend te beoordelen op zijn fouten. Gods barmhartigheid kan door een ander mens tot ons komen: in geduld en vergeving.

En toch is liefde meer dan een antwoord op wat wij zelf ontvangen. Jezus bleef liefhebben, ook waar Hij werd afgewezen. Ook wanneer iemand in zijn leven weinig liefde of vergeving heeft ontvangen, kan hij bij Jezus leren wat liefde is. Hij doorbreekt de cirkel van het tekort.

Laten we daar eerlijk over zijn: vergeven is niet gemakkelijk. Er zijn dingen die diep kunnen kwetsen. Vergeven betekent niet dat we doen alsof het kwaad niet gebeurd is. Ook wij kunnen een ander tekortdoen, kwetsen, teleurstellen. Ook wij hebben vergeving nodig. Misschien is dat wat Jezus ons voorhoudt: dat wij niet alleen herinneren wat anderen ons verschuldigd zijn, maar ook beseffen hoeveel wij zelf aan Gods barmhartigheid verschuldigd zijn.

Want de apostel Paulus zegt vandaag: ‘Niemand van ons leeft voor zichzelf alleen, en niemand sterft voor zichzelf alleen. Of wij leven of sterven, wij zijn van de Heer.’ (Rom. 14,7-9)

Dat geldt ook voor degene die óns heeft gekwetst. Ook die ander behoort uiteindelijk aan de Heer toe. Ik hoef niet zelf het laatste oordeel over die ander te vellen. De ander valt niet samen met wat hij of zij mij heeft aangedaan. Er blijft een mens tegenover mij staan die, net als ik, aan God is toevertrouwd.

Juist in een abdij krijgt dit woord over vergeving een bijzondere klank. Het monastieke leven brengt mensen dicht bij elkaar. Dat vraagt geduld, verdraagzaamheid en de bereidheid om elkaar ruimte te geven. Maar het geldt natuurlijk niet alleen voor ons. Ook in onze gezinnen, in vriendschappen, op het werk en in onze gemeenschappen is het nodig elkaar te vergeven en niet te blijven leven vanuit wat er is misgegaan. Ook tussen volkeren die diep in strijd verwikkeld zijn, zal volgehouden arbeid nodig zijn om oude wonden te helen en elkaar weer de hand te reiken. Misschien betekent vergeven soms vooral: niet telkens het oude opnieuw vertellen. Niet blijven leven vanuit wat de ander ons nog verschuldigd is.

Vergeving is geen goedkoop, vroom gevoel. Er zijn momenten waarop we alleen maar kunnen bidden: ‘God, ik kan dit nog niet. Help mij.’ Dat gebed kan al een begin zijn. Want wij hoeven niet uit onszelf de barmhartigheid op te brengen waarmee God ons tegemoetkomt. Wij mogen eerst zelf bij Hem staan als mensen die leven van zijn geduld.

Dadelijk komen wij naar de tafel van de Heer. We komen niet met een lijst waarop staat wat wij allemaal goed hebben gedaan. We komen met lege handen. Misschien ligt daarin wat ons hier samenbrengt. Niet omdat alle onrust verdwenen is of alle conflicten zijn opgelost. Maar omdat we hier voor God mogen staan zonder verweer.

Wie beseft hoeveel vergeving hij zelf heeft mogen ontvangen, kan de ander niet meer uitsluitend bekijken vanuit wat die ander hem verschuldigd is. Moge Gods barmhartigheid ons bevrijden van de oude rekening en ons de ruimte schenken waarin er weer plaats komt voor de ander.

Amen.

Br. Paul

 

Achter Mij aan

Wie wil er nu niet graag een beetje haantje de voorste zijn?

Als eerste het antwoord weten, de beste willen zijn of door iedereen aardig gevonden worden. Het klinkt wat ondeugend, maar het is heel menselijk. Ik herinner me nog dat ik in het vierde leerjaar met mijn fiets bij de schoolpoort stond te wachten tot we naar huis mochten. Ik vertrok iets te vroeg. De meester hield me tegen en zei: ‘Haast en spoed zijn zelden goed.’ Ik dacht toen: ‘zelden? Misschien is het deze keer wél goed.’ Ik wilde gewoon graag vertrekken. Ik was mijn tijd vooruit. En misschien herkennen we dat wel: we willen vooruit, vaak ook in ons denken en in onze plannen.

Wanneer vragen ons overvallen of wanneer we oplossingen zoeken, zijn we soms zo snel dat we al een antwoord hebben voordat de vraag überhaupt helemaal gesteld is. We vullen de toekomst al in voordat zij gekomen is.

En precies daar komen we bij Petrus (Mt. 16, 21-27).

Jezus vertelt zijn leerlingen openlijk wat Hem in Jeruzalem te wachten staat: Hij zal lijden, gedood worden en op de derde dag verrijzen. Petrus wil daar niets van weten. Hij neemt Jezus apart en zegt: ‘Dat verhoede God, Heer! Dat zal U nooit overkomen.’ Petrus houdt van Jezus en wil Hem beschermen. Maar hij denkt ook al te weten hoe het verder moet. Een Messias hoort in zijn ogen niet te lijden. Petrus heeft zijn beeld al klaar en loopt Jezus in zijn denken vooruit. En dan klinkt dat harde woord van Jezus: ‘Ga weg, satan, achter Mij.’

Het woord satan betekent letterlijk ’tegenstander’. Jezus wijst daarmee niet Petrus als mens af, maar wel de verleiding die in zijn woorden meeklinkt: de weg van het lijden ontwijken, de werkelijkheid naar onze hand zetten en een gemakkelijkere weg kiezen. Met zijn woorden staat Petrus Jezus in de weg. Daarom zegt Jezus: ‘Achter Mij.’ Hij zet Petrus opnieuw op zijn plaats als leerling. Niet vóór Hem uit om de weg te wijzen, maar achter Hem om te volgen.

Het opvallende is dat Jezus diezelfde woorden onmiddellijk daarna tot alle leerlingen spreekt: ‘Wie achter Mij wil komen…’ Wat eerst scherp tot Petrus wordt gezegd, wordt zo een uitnodiging aan iedereen. Achter Jezus gaan is de basishouding van iedere christen.

Dat is het sleutelwoord van dit Evangelie.

Niet: denk niet na.

Niet: neem geen initiatief.

Maar: loop Mij niet voorbij.

Jezus gaat voor. Er is een wezenlijk verschil tussen volgen en vooruitlopen. Petrus wil Jezus een andere weg opsturen omdat hij denkt te weten hoe het hoort. Jezus vraagt hem echter om leerling te blijven. Daarom zegt Hij ook: ‘Wie achter Mij wil komen, moet zichzelf verloochenen, zijn kruis opnemen en Mij volgen.’

Het kruis is geen doel op zich; het is geen uitnodiging om het lijden bewust op te zoeken. Het is wel de consequentie van de weg van de liefde waarop Christus ons voorgaat. Wie Hem volgt, kan tegenstand ontmoeten, moet soms eigen plannen loslaten, of een weg gaan die moeilijker is dan we zelf hadden gekozen. Jezus maakt duidelijk dat de weg van de liefde niet altijd gemakkelijk is. Ook vandaag niet.

In de eerste lezing (Jer. 20, 7-9) horen we over de profeet Jeremia. Eeuwen vóór Petrus kent ook hij de worsteling met een roeping die loodzwaar weegt. Jeremia is moe. Hij wil niet langer verkondigen wat God hem opdraagt en zou het liefst zwijgen. Maar dat lukt hem niet. Gods woord brandt in hem als een vuur; hij kan het niet voor zich houden. Jeremia wil achteruit, Petrus loopt vooruit. De een kan nauwelijks nog verder, de ander denkt al te weten hoe het moet. Beiden worstelen met de weg die voor hen ligt.

En misschien herkennen wij ons soms wel in allebei. Soms willen we de toekomst al helemaal vastleggen en denken we te weten wat God eigenlijk zou moeten doen. Op andere momenten zijn we juist moe, hebben we geen antwoorden meer en weten we niet hoe we verder moeten. Juist dan klinkt opnieuw dat woord van Jezus: ‘Ga maar achter Mij, Ik zal je voorgaan.’ Jezus gaat de weg die voor Hem ligt, maar Hij vergeet de mensen onderweg niet. Hij ziet juist wie moe is, gekwetst of achteropgeraakt. Wie Jezus volgt, kijkt niet alleen naar het einddoel, maar leert onderweg vooral van wat Hij doet.

Wie ziet Hij? Wie komt Hij nabij? Wie laat Hij niet vallen?

Ook vandaag zijn er mensen die moe zijn, gekwetst of langs de kant geraakt. Wie Jezus volgt, leert juist daar kijken en niet zomaar doorlopen. Volgen is leerling zijn: je gaandeweg laten vormen door Degene die voor je uitgaat. Daarom sluit wat Paulus in de tweede lezing (Rom. 12, 1-2) hier zo prachtig bij aan: ‘Laat u vernieuwen in uw denken, zodat gij kunt onderscheiden wat God wil.’

Paulus vraagt niet dat we ophouden met nadenken. Ons denken mag juist vernieuwd worden. Het gaat erom dat we niet meteen reageren vanuit onze eerste impuls of angst, maar de ruimte nemen om te onderscheiden: van waaruit denk ik nu? Waar richt ik mij op? De houding van een leerling is: niet alles vooraf al willen bepalen, maar je telkens opnieuw laten vormen door wat God op dit moment vraagt. Misschien had mijn meester uit het vierde leerjaar dus toch gelijk: ‘Haast en spoed zijn zelden goed.’ En dat geldt zeker voor de weg van de Meester, Christus.

Wij hoeven Hem niet vóór te zijn en we hoeven ook niet zelf de weg uit te vinden. Hij gaat ons voor, en dat geeft rust. Hij blijft ons nabij, juist wanneer de weg zwaar wordt of doodloopt. Wie met Hem meegaat, leert kijken zoals Hij kijkt, nabij zijn zoals Hij nabij is, en doen wat Hij doet. Dat is de imitatio Christi: leren leven zoals Christus leeft en handelen zoals Hij handelt.

Non-stop vóór Hem uitlopen hoeft niet, moedeloos achterblijven evenmin. We mogen eenvoudig met Hem meegaan.

Amen

 

Br. Paul

Waarop bouwen wij?

Als we vandaag om ons heen kijken naar onze wereld, naar de politiek en ook naar het hele landschap van de Kerk, kan ons soms een gevoel van malaise overvallen. We leven in een tijd van onzekerheid en crises. Waar zijn de sterke leiders, de mensen die richting weten te geven? Misschien verlangen we daar meer naar dan we beseffen: iemand die duidelijkheid brengt en de problemen voor ons oplost. Ook in de Kerk verlangen we soms naar zo iemand. Maar de lezingen van vandaag stellen ons een andere vraag. Niet alleen: hoe sterk is een leider? Maar vooral: waarop bouwt hij zijn leiderschap?

De eerste lezing (Jes. 22, 19-23) brengt ons midden in een politieke crisis in Jeruzalem. Sebna bekleedt een hoge vertrouwenspositie aan het hof van koning Hizkia. Hij heeft de sleutel van het huis van David en draagt een grote verantwoordelijkheid. Maar ergens is er iets misgegaan. Terwijl hij geroepen is om het volk te dienen, is hij vooral met zichzelf bezig. Hij laat voor zichzelf een indrukwekkend graf uithakken. Terwijl hij verantwoordelijkheid draagt voor anderen, bouwt hij aan een monument voor zichzelf. Zijn leiderschap is naar binnen gekeerd geraakt. Niet langer staat het huis dat hem is toevertrouwd centraal, maar zijn eigen naam. God neemt hem de sleutel af.

In zijn plaats komt Eljakim. Ook hij krijgt de sleutel. Maar over hem zegt de Heer iets opvallends: hij zal een vader zijn voor de inwoners van Jeruzalem. Dat is een ander soort leiderschap. De sleutel is geen bezit, maar verantwoordelijkheid. Wie de sleutel ontvangt, krijgt de zorg voor het huis en voor degenen die erin wonen. Misschien is dat wel een goede vraag voor iedere vorm van leiderschap: Bouw ik aan mezelf, of bouw ik mee aan iets dat groter is dan ikzelf? Dat geldt voor politiek en maatschappij, voor de Kerk en voor ieder van ons. Een mens kan bekwaam zijn en toch verkeerd bouwen.

En dan komen we bij Petrus (Mt. 16, 13-20). Ook hij krijgt iets toevertrouwd. Maar waarop bouwt hij zelf? Jezus vraagt aan zijn leerlingen: ‘Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben?’ Nu wordt het persoonlijk. Petrus antwoordt: ‘Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God.’ En precies daarna spreekt Jezus: ‘Gij zijt Petrus, en op deze steenrots zal Ik mijn Kerk bouwen.’

Als wij vandaag Simon Petrus aan een modern assessment zouden onderwerpen, zouden we nogal wat zwakke punten ontdekken. Hij was moedig, maar impulsief. Hij kon Jezus vol overtuiging belijden en Hem toch ook totaal verkeerd begrijpen. Later zou hij Hem zelfs driemaal verloochenen. En toch zegt Jezus: ‘Op deze steenrots zal Ik mijn Kerk bouwen.’ Petrus wordt niet de rots omdat hij van zichzelf zo sterk is. Zijn fundament ligt buiten hemzelf. Vanuit zijn belijdenis van Christus ontvangt hij zijn opdracht. En dan krijgt Petrus de sleutels. Jezus zegt niet: ‘De Kerk is nu van jou.’ Hij zegt: ‘Ik zal mijn Kerk bouwen.’ De sleutel blijft van de Heer. Petrus ontvangt haar om te dienen.

Met die sleutels krijgt hij ook de opdracht om te binden en te ontbinden: vast te houden wat wezenlijk is en los te maken wat mensen van Christus afhoudt. Dat vraagt van de Kerk dat zij, geworteld in de apostolische traditie, telkens opnieuw zoekt hoe zij het evangelie trouw kan beleven in haar eigen tijd.

Wat ons wordt toevertrouwd om te dienen, kunnen we ongemerkt naar onszelf toe trekken. Dan wordt verantwoordelijkheid bezit, gezag, macht en uiteindelijk de eigen positie belangrijker dan de mensen voor wie het gezag bedoeld was.

Christelijk gezag doet juist het tegenovergestelde: het maakt mensen niet kleiner, maar helpt hen om zelf hun weg met God te gaan. Daarin ligt ook een houding van dienstbaarheid: wie of wat ons wordt toevertrouwd, is niet voor onszelf, maar om er goed mee om te gaan. Dat zien we heel mooi bij Benedictus.

In de Regel van Benedictus krijgt de keldermeester de opdracht om alle goederen van het klooster te behandelen alsof het de heilige vaten van het altaar zijn. Het is het prachtige beeld van de keldermeester: beheren zonder te bezitten. Hij waakt over wat hem is toevertrouwd, zonder het te claimen als eigendom.

En dat kunnen we breder verstaan. Wie leiding geeft in de Kerk of in de samenleving, ontvangt een gemeenschap. Zoals ouders een gezin aan hun zorg toevertrouwd krijgen. En ieder van ons ontvangt mensen, relaties, mogelijkheden en tijd.

De vraag is telkens: wat doe ik met wat mij is toevertrouwd?

Maak ik er een monument voor mezelf van, of probeer ik er zorg voor te dragen? Maar daarbij stuiten we ook op onze eigen grenzen. Wij beheren, onderscheiden en dienen, maar uiteindelijk kunnen wij het geheel niet dragen. Daar brengt Paulus ons bij een geheim dat groter is dan menselijke kracht (Rom. 11, 33-36): ‘O diepte van rijkdom, van wijsheid en van kennis van God!’

Wij zullen nooit alles begrijpen. Geen mens kan dragen wat alleen God kan dragen. Misschien is dat ook een bevrijdende gedachte. Wij hoeven niet zelf het fundament te zijn. Wij kunnen wel vragen waarop wij bouwen.

Op onze eigen naam?

Op ons eigen gelijk?

Op macht, aanzien of bezit?

Of op Christus?

Als Christus voor ons werkelijk de Zoon van de levende God is, dan hoeven wij zelf geen fundament te zijn. Dan hoeven wij geen monument voor onszelf te bouwen. Dan mogen wij ontvangen wat ons wordt toevertrouwd, en het weer dienen.

De sleutel is niet van ons.

Het huis is niet van ons.

De mensen zijn niet van ons.

Juist daarom mogen wij er met zorg voor instaan.

Amen.

br. Paul

Uitvaart br. Frans Berkelmans

Het is vandaag precies veertien dagen geleden dat de communiteit zich rond broeder Frans schaarde in de sacramentskapel waar hij de ziekenzalving ontving. Hij had er zelf om gevraagd, want hij besefte dat het einde van zijn lange leven nabij was en hij had er vrede mee, al wilde hij wel nog een boek lezen dat op zijn tafel lag. Tijdens die eenvoudige viering zongen wij het Kleine Danklied van Ad den Besten dat hem heel dierbaar was. Toen hij vijf dagen later zijn 96e verjaardag vierde, hebben wij dat danklied  opnieuw gezongen in de verjaardagsrecreratie. Hij toonde zich verrast en dankbaar voor dat simpele cadeau, poogde daarna nog een paar woorden te zeggen wat ternauwernood lukte, liet de taart staan waar hij zo’n liefhebber van was , dronk het bierglas maar half leeg  en ging naar boven. Voor hem was het leven voltooid. En drie dagen later is hij hogerop gegaan naar het grote feestmaal.

 

Gij hebt o God, dit broze bestaan gewild,

hebt boven ’t nameloze mij uitgetild.

 

Laat mij dan dankbaar leven de volle tijd,

geborgen in de bevende zekerheid, 

 

dat ik niet uit dit smal en onvast bestand

van mijn bestaan zal vallen dan in uw hand.[1]

 

Zo kwam een einde aan een lang leven dat in een van de condoleance berichten heel gepast werd getekend met de woorden “ l’amour des lettres et le désir de Dieu”, zoals de titel luidt van een beroemd boek van de benedictijner monnik Dom Jean Leclerc.  Liefde voor het woord en het verlangen naar God, inderdaad die twee samen. En om dat samen van die twee is hij monnik geworden en naar Egmond gekomen. Dat verlangen naar God, dat onuitputtelijk mysterie had zich al laten voelen in zijn vroegste jeugd  en de liefde voor het woord was bij hem gewekt toen hij na de HBS nog een lerarenopleiding volgde. Toen kwam hij met de grote literatuur in aanraking en die bracht hem via starets Zosima uit de gebroeders Karamazov in contact met het monniksleven. En met die bagage klopte hij 1957 aan de kloosterpoort in Egmond aan. En nu bijna zeventig jaar later kunnen wij zeggen dat die bagage almaar groter is geworden door zijn volgehouden lezing en studie van het woord. Maar hij is niet karig geweest om anderen deel te geven aan de vruchten van zijn lectio getuige de boeken en artikelen die hij heeft geschreven en de leesgroepen die hij heeft begeleid. In onze hedendaagse samenleving waar mensen met één knop alles opzoeken op internet of met AI hele referaten schrijven, getuigt het lezen van broeder Frans van een heel andere cultuur waar met geduld en concentratie in alle stilte wordt geluisterd naar een tekst die zijn geheimen niet zomaar in een oogopslag prijsgeeft. Lezen was voor hem dan ook geen entertainment maar een volgehouden zoeken en peilen naar de waarheid en de zin van ons bestaan. Wie dat geduld en die toewijding weet op te brengen zal  een glimp mogen opvangen van het woord dat vlees geworden is en ons mee wil nemen naar onvermoede vergezichten.

Liefde voor het woord, en in dat woord presenteerde zich ook het verlangen naar God, waarvan in het boek van ons geloof geschreven staat dat Hij het eerste en het laatste woord heeft. En vanuit die overtuiging heeft broeder Frans zich met hart en ziel, met al zijn talenten en krachten ingezet voor de vernieuwing van de liturgie, toen na het Tweede Vaticaans concilie gewerkt moest worden aan een Nederlandstalige liturgie in de kloosters. In het werkverband dat daarvoor in het leven werd geroepen en dat de Nederlandse en Vlaamse monastieke familie over grenzen heen tot een unieke samenwerking heeft gebracht, was broeder Frans een man met visie, een volhouder en ook wel een doordouwer. Degenen die met hem hebben samengewerkt weten het, maar ze weten ook hoeveel arbeid hij in de verschillende werkgroepen heeft verricht. Het monument waaruit wij nu putten voor onze dagelijkse liturgie zou zonder hem niet tot stand zijn gekomen. Dat het gelukt is zegt iets over zijn aard, maar ook over zijn gedrevenheid. Hij legde de lat altijd heel hoog , alles moest perfect en hij had een heel uitgesproken mening en oordeel. De gave van diplomatie en overleg waren bij hem niet in dezelfde mate ontwikkeld als zijn zoektocht naar de waarheid. Dat maakte het samenleven en samenwerken met hem tot een weg met struikelblokken. Hij heeft daar zelf onder geleden en wij met hem. Elk mensenleven kent zo zijn innerlijk geheim, waar de buitenstaander geen of nauwelijks toegang toe heeft. En niet zelden is je weg ook voor jezelf een pad met zwerfstenen die je niet had gewenst. Dat is bij tijden een beproeving, maar volgens onze monastieke vaders, te beginnen bij abt Antonius, kan niemand zonder beproevingen gered worden.

En dan komen wij toch nog aan bij de lezingen van deze liturgie.  Ze zijn niet specifiek gekozen voor deze afscheidsviering, maar wij laten ons verrassen door de teksten die de liturgie van deze woensdag ons  aanreikt. In de eerste lezing spreekt God bij monde van de profeet Ezechiel een hard oordeel uit over de herders van Gods volk. Dat is krasse taal en je zou bijna zeggen, broeder Frans had het niet van een vreemde. Hij kon heel vierkant zijn over opvattingen en misvattingen in de kerk, maar als wij hier in een spiegel kijken, dan mogen wij ook zeggen, hij heeft zichzelf niet gespaard in de dienst aan Gods volk. In zijn pastorale zorg, want die had hij ook, en in al zijn werkzaamheden heeft hij zich ingezet met al zijn gaven.

En wanneer wij dan nog een blik werpen op het evangelie met de werkers van het eerste en het laatste uur, dan hoort hij niet bij de klagers die van mening waren dat ze te weinig gekregen hadden. Zelf heeft hij altijd gezegd dat hij een gezegend man was met al wat hij heeft mogen doen en hij heeft ook altijd gepleit dat anderen in kerk en samenleving, in klooster en communiteit als gelijken werden behandeld. Klerikalisme, en alles wat daar naar riekt was hem een doorn in het oog. Misschien had hij stilletjes toch wel gehoopt op een eredoctoraat, maar dat zij hem vergeven.

Wij nemen afscheid van een uitzonderlijke man die als monnik onze communiteit vele decennia lang mee heeft opgebouwd met zijn gaven en gebreken. Een die in de monastieke regio herdacht zal blijven als een lastige man die ons een groot geschenk heeft nagelaten. Een monnik bovenal die geleden heeft onder zijn tekortschieten en die als laatste tekst graag een couplet uit het gedicht ‘Het laatste oordeel’ van Muus Jacobse geciteerd zou zien. Gods eerste woord bij de schepping is, zoals u weet, ‘er zij licht’’. Broeder Frans en wij hopen en bidden dat voor hem en voor ons de dichter het bij het juiste eind heeft als hij schrijft:  “Zal niet het laatste als het eerste zijn? God zal het donker wegdoen van het licht tot een gerecht gericht voor al wat leeft.[2]

AMEN.

Vader Abt Thijs Ketelaars

Lezingen (van de dag): Ez. 34,1-11; Mt. 20,11-16a

 

[1] A. den Besten: Klein danklied

[2] Vgl. Muus Jacobse: Het laatste oordeel

Het zwijgen van Jezus

Vandaag hoorden wij het evangelie over zijn ontmoeting met de syro-phoenische vrouw, die Hij heel anders behandelt dan wij zouden verwachten. Doorgaans gaat Hij gewillig in op vragen van mensen, als zij uiting geven aan hun oprecht geloof. En meestal, of altijd, toont Hij zich vriendelijk tegenover vrouwen. Maar deze zo beproefde vrouw weert Hij bars af.  “Hij gaf haar in het geheel geen antwoord.”  Van de apostelen hoeft de vrouw ook geen hulp te verwachten. Die zeggen ijskoud: stuur ze weg!

Jezus hult zich in zwijgen De vier evangelisten leveren ons woorden van Hem over, maar daarmee is Hij altijd zuinig geweest.

Het zijn woorden van gezag en barmhartigheid, van troost en deernis. Als je die zou verzamelen zou je een klein, maar kostbaar boekje in handen hebben.

Maar het zwijgen van Jezus! Dat is een mysterie. Daarin communiceert Hij nachtenlang en ieder mogelijk moment met zijn  hemelse Vader. Een van de apostolische Vaders, de h. bisschop en martelaar Ignatius van Antiochië. Ignatius was rond het jaar 60, dus heel vroeg, de derde bisschop van Antiochië, en genoot groot gezag. In het jaar 110 werd hij ter dood veroordeeld en bracht men hem naar Rome waar hij voor de wilde dieren werd geworpen. Op zijn tocht naar Rome, heeft hij prachtige brieven geschreven aan de christen van de gemeenten waarmee hij in contact stond. Daarin toont hij zich een theoloog en een mysticus. En hij doet diepe uitspraken over Jezus’ missie. In zijn brief aan de Efesiërs schrijft hij:

“De maagdelijkheid van Maria en het voortbrengen van Jezusbleef aan de heerser van de wereld verborgen. Dit geldt ook voor de dood van de heer: drie uitgeschreeuwde geheimenissen die in de stilte van God werden volbracht.”” En in zijn brief aan de Efesiërs schrift hij over de profeten dat God zich aan hen openbaarde door Jezus, zijn zoon, Het Woord dat uit het zwijgen uitging”. En nog één laatste citaat:

“Het is beter te zwijgen en iets te betekenen, dan te spreken en niets te zijn. Er was één leraar die sprak en het geschiedde, maar ook wat Hij zwijgend heeft gedaan was waardig aan de Vader. Die het woord van jezus werkelijk bezit kan om volmaakt te zijn ook naar zijn stil-zijn luisteren. Zo handelt hij door zijn spreken en wordt hij gekend door zijn zwijgen.

Kortom: het zwijgen van Jezus, is geen barse afwijzing, en dat toont Hij in heel zijn verder gedrag.

Volgens de bijbeldeskundigen is dit een scharniermoment in de missie van Jezus. En dat wordt prachtig gesymboliseerd in de twee wonderbare spijzigingen die deze episode omkransen.

In het voorgaande hoofdstuk (maar die hoofdstukindeling is pas veel later aangebracht) lezen we over de wonderbare spijziging als de mensen – na de onthoofding van Johannes de Doper – Jezus achterna zijn gekomen in de eenzaamheid. Er is geen voedsel, maar vijf broden en twee vissen blijken genoeg voor vijfduizend mannen, vrouwen en kinderen niet meegerekend. En de leerlingen haalden twaalf volle korven op, voor de twaalf stammen van Israël.

Met een na de genezing van de dochter van de dochter van de heidense vrouw is er weer een wonderbare spijziging.  Dan blijken zeven broden voorhanden, en wat visjes. Vierduizend mannen kunnen zich eraan te goed doen, vrouwen en kinderen niet meegerekend. En ze houden zeven volle manden over, symbool dat niet enkel de twaalf stammen van Israël gevoed worden, maar heel het heidendom. Zeven is immers het getal van de volmaaktheid.

Dierbare, dikwijls ervaren wij het zwijgen van de hemel als een beproeving. Maar wij mogen verzekerd zijn van het gesprek tussen Vader en Zoon, wij mogen verzekerd zijn van de liefde van de Geest.

Wij zien in het leven van Jezus vreselijke dingen gebeuren, maar wij vertrouwen dat Hij ze te boven is gekomen. Nee, wij begrijpen niet waarom het gaat zoals het gaat, maar wij mogen hopen dat God ons allen insluit in zijn ontferming, dat Hij ons eens samenbrengt in zijn huis van gebed, en dat wij kunnen bijdragen aan Gods heilswerk, door vrijmoedig, onophoudelijk, en  ook gezamenlijk te bidden, want Hij zoekt onze medewerking, en misschien zou het allemaal wat vlugger gaan, als wij die bereidwillig zouden geven.

AMEN

Broeder Gerard Mathijsen

br. Frans Berkelmans overleden

+

IN VREDE

OP 13 AUGUSTUS 2026 OVERLEED VOL OVERGAVE

IN DE ABDIJ ONZE MEDEBROEDER

BROEDER FRANS BERKELMANS

HIJ WERD OP 10 AUGUSTUS 1930 GEBOREN TE WASPIK EN TRAD IN OP 13 NOVEMBER 1957 IN DE SINT-ADELBERTABDIJ. OP 10 AUGUSTUS 1960 DEED HIJ ZIJN GELOFTEN EN OP 24 AUGUSTUS 1966 WERD HIJ PRIESTER GEWIJD.VAN KINDSBEEN AF WAS HIJ GEFASCINEERD AANGAANDE GOD EN HET MENSENBESTAAN. HIJ ZOCHT EEN LEVEN WAARIN HIJ GEDURIG BEZIG KON ZIJN MET DIT ONUITPUTTELIJK MYSTERIE. VATICANUM II WAS EEN GROOT GESCHENK IN ZIJN LEVEN EN SINDSDIEN IS HIJ DE ONTWIKKELINGEN IN THEOLOGIE EN FILOSOFIE BLIJVEN VOLGEN. DECENNIALANG HEEFT HIJ ALS HOOFDREDACTEUR VAN BENEDICTIJNS TIJDSCHRIFT DE LEZERS VOORZIEN VAN VOEDSEL VOOR GEEST EN HART. BINNEN DE NEDERLANDSTALIGE MONASTIEKE WERELD HEEFT HIJ EEN GROTE BIJDRAGE GELEVERD AAN HET TOT STAND KOMEN VAN HET ABDIJBOEK EN DE UITGAVE VAN HET PSALTERIUM VAN IDA GERHARDT EN MARIE VAN DER ZEYDE. ZIJN LIEFDE VOOR DE POËZIE BLIJKT UIT ZIJN BOEKEN OVER HET DICHTWERK VAN IDA GERHARDT EN WILLEM JAN OTTEN. TOT OP HOGE LEEFTIJD IS HIJ CANTOR GEBLEVEN IN HET KOOROFFICIE EN HIJ WAS EEN VROEGE VOGEL DIE ALS EERSTE ’S MORGENS  IN HET KOOR TE VINDEN WAS. HIJ HAD NIET ALLEEN EEN IJZERSTERKE GEZONDHEID MAAR OOK EEN STERK KARAKTER DAT HET SAMENLEVEN VOOR HEM EN VOOR ZIJN MEDEBROEDERS NIET ALTIJD EVEN GEMAKKELIJK MAAKTE. HIJ WAS TOT HET EINDE TOE HELDER VAN GEEST. DE LAATSTE MAAND VAN ZIJN LEVEN HAALDE DE KANKER ZIJN STEVIGE STAP IN. HIJ GAF ZICH GEWONNEN EN IS DANKBAAR EN VOL OVERGAVE DRIE DAGEN NA ZIJN 96E VERJAARDAG OVERLEDEN EN HET GROTE MYSTERIE BINNENGETREDEN WAARNAAR HIJ EEN LEVEN LANG HEEFT GEZOCHT.

 

Het lichaam van broeder Frans is opgebaard in de Mariakapel van de abdijkerk. De avondwake in de abdijkerk is op dinsdag 18 augustus om 20.00 uur. De uitvaart vindt plaats op woensdag 19 augustus om 11.00 uur en wordt gevolgd door de begrafenis op ons kloosterkerkhof. De viering is te volgen via streaming, zie daarvoor de link op onze website www.abdijvanegmond.nl

 

Over de wereldzee

Misschien vond u het verhaal van de broodvermenigvuldiging dat wij vorige week zondag hoorden beter passen bij de vakantietijd dan het relaas over de storm op het meer dat zojuist is voorgelezen. Maar stormen trekken net als bosbranden zich niets aan van vakantie zoals wij afgelopen weken maar al te zeer hebben ervaren. En soms komt de storm in het leven juist opzetten als in de vakantie alle drukte van je afvalt. Dan blijkt ineens hoeveel chaos er in je leven zit of dat je relatie in zwaar weer terecht is gekomen.  En dan is het zaaks een gids op de woelige zee te vinden. Laten wij dus samen nog eens stilstaan bij het evangelie, wie weet krijgen wij, die allemaal in de boot zitten, toch een woord van leven te horen.

Het verhaal begint trouwens helemaal niet dramatisch, integendeel, het begint net als het verhaal van de wonderbare spijziging met Jezus die zich terugtrekt om in stilte te gaan bidden. Maar eerst heeft hij dan de leerlingen de opdracht gegeven alvast met de boot naar de overkant te varen, terwijl hij de mensen naar huis zal sturen. Waarom gaat hij zo te werk? Wilden de leerlingen misschien gaan pronken met de maaltijd, waarbij ze in feite meer zouden zorgen voor tegenweer en ongeloof? Jezus zelf zocht juist de stilte op, omdat hij wist dat het niet zijn werk was, maar dat van de Vader, op wie hij al zijn vertrouwen stelde.

Vorige week ging het verhaal, zo heeft broeder Paul zo mooi uitgelegd, om vertrouwen en vandaag zal het daar ook om gaan. Maar de situatie waarin de leerlingen daartoe uitgenodigd worden verschilt.

Ze zitten in de boot, beeld van de kerk, die als een ark van Noé over de wereldzee gaat. De Heer zelf is niet aan boord, maar hij heeft hen in de boot samengebracht en  de bestemming aangegeven. De vaart gaat naar het land van overzee, een tocht die de Heer zelf heeft volbracht want hij is het doodswater overgestoken.

Wij zitten in die boot en hebben elkaar om naar de overkant te roeien. Dat vergt dus samenwerking anders zal het niet lukken en leiden wij misschien schipbreuk in een wereld in zwaar weer. Golven van geweld en alles wat er in dat spoor meekomt. En is het geen oorlog dan zijn er andere golven die mensen overspoelen. Teveel om op te noemen, maar in al hun verscheidenheid even destructief, in het klein en in het groot. Huiselijk geweld, ziekte, discriminerend gedrag in maatschappij en politiek, falende rechtspraak, om nog maar te zwijgen van het klimaat dat voor aardverschuivingen zorgt. Wij zitten dus in de boot op deze wereldzee.

En de zee gaat almaar hoger, en de stuurman is niet aan boord, zal de boot het wel houden? De stuurman is vertrokken, de berg op, opgenomen in het stil gesprek met Hem die hij zijn leven lang zijn Vader noemde. Jezus heeft bij zijn leven het woelige water getrotseerd. Alle dagen is hij in touw geweest om mensen op de woelige zee nabij te zijn, de hand te reiken, ze op te vissen als ze in het water lagen of ze te voeden met brood in de woestijn. Mensen op het droge brengen, ze aan boord nemen om te voorkomen dat iemand het leven zou verliezen. Hij heeft dat een leven lang gedaan, hij heeft er zijn leven aan gewaagd om zo goed als God te zijn. Want die wil niet dat iemand verloren gaat, hoe hoog de golven ook gaan. En toen de wateren zich om hemzelf sloten,  bleef hij vertrouwen en geloven dat zijn Vader hem er doorheen zou loodsen, hem door het water heen aan de overzij zou brengen in nieuw land. Land aan de overzij.

We zitten in de boot en het is zwaar weer, dat is zeker. Maar in dat zware weer en over de woeste golven komt er een op ons toe. Eén die de golven heeft getrotseerd en die het gewaagd heeft  over het water te lopen. Daar waar geen weg is en wij denken te verdrinken heeft hij het gewaagd in het vertrouwen dat Hij wiens naam is “Ik zal er zijn” met ons gaat. Waar angst ons een spook doet zien, komt de Heer op ons toe. Midden in de storm klinkt er een ijle stem. “Vreest niet, ik ben het”, zegt hij tot de bootslui. En op dat woord is er een die het waagt, al weet hij het niet zeker. Hij waagt het, hij heeft vertrouwen, maar er is ook sprake van aarzeling: “als gij het zijt”, dus misschien toch niet. Maar hij waagt het en we mogen veel commentaar hebben op Petrus, altijd haantje de voorste, een branie op zijn tijd, maar hij is de enige die zich op glad ijs, op het water begeeft, de anderen blijven veilig in de boot. Nou ja, veilig. Maar over water wandelen, waar geen weg is om te gaan, daarvoor moet je een groot geloof hebben, vertrouwen dat de Heer je bij de hand houdt, ook in het duister. Als Petrus dan denkt aan de huizenhoge golven en de Heer uit het oog verliest, dreigt hij te verdrinken. “Heer, red mij”, horen wij hem roepen. Dat is een gebed, maar ook een geloofsbelijdenis, hoe kort ook. En hij redt het, niet op eigen kracht, maar omdat hij bij de hand genomen wordt. Hij, God met ons, gaat met ons door water en woestijn, maar je moet erop vertrouwen, je moet op Hem vertrouwen. Niet op macht en getal, niet regels en oude gebruiken, maar op de Geest van hem die de wateren heeft getrotseerd en voor ons een spoor trekt midden door de zee. Wagen wij het met hem en vergeten wij niet al die mensen bij de hand te nemen die juist als wij uitzien naar nieuw land, naar vaste grond onder de voeten, land van overzij.

Wij zitten samen in de boot, laten wij dan ook oog en oor hebben voor wie niet weten hoe nu verder. Die geen land aan de einder vermoeden, die geen toekomst zien en vrezen kopje onder te gaan. Laten wij het samen wagen in het vertrouwen dat Jezus met ons gaat, dat hij op ons toekomt van de overzij, waar alle leed geleden is en licht alle duister verdrijft. Een nieuwe Morgen en Nieuw Land. Amen.

 

Vader Abt Thijs Ketelaars

 

Lezingen:  1 Koningen 19: 9a + 11-13a; Romeinen 9: 1-5; Matheus 14: 22-33

 

Breng ze mij hier

Bij een rondleiding in onze abdij wordt wel eens gevraagd: ‘Met hoeveel monniken zijn jullie  hier nog?’ Een medebroeder antwoordt dan soms met een glimlach: ‘Met hoeveel zijn we al?’

Het is geen woordspelletje. Het raakt aan een verschil in kijken. Want dezelfde werkelijkheid kan vanuit verschillende houdingen worden bekeken. De ene blik begint bij wat ontbreekt, de andere bij wat gegeven is.

Misschien raakt dit aan iets fundamenteels van ons mens-zijn. Wij zijn mensen die niet alles in handen hebben. Wij zijn eindige, kwetsbare mensen. Wij dragen grenzen mee en kennen een verlangen naar volheid dat wij zelf niet kunnen maken. Daarom spreken filosofen over een menselijk zijnstekort: wij vallen nooit helemaal samen met wie wij zouden willen zijn.

Dat tekort voelen wij op vele plaatsen. Wij zien de zorgen van onze wereld: oorlog en geweld, de kwetsbaarheid van de schepping, vragen rond de toekomst van de Kerk. Maar ook dichter bij huis kennen wij het: een lichaam dat minder kan, een verlies dat blijft wegen, een gevoel van machteloosheid of spijt om wat anders had kunnen zijn.

Daarom is onze menselijke reflex zo begrijpelijk: wij kijken naar wat ontbreekt. Wij maken een inventaris van het gemis. Maar daar zit ook een gevaar. Want wij nemen niet alleen waar wat er is; wij trekken vaak onmiddellijk een conclusie uit wat wij zien. En precies daar begint het evangelie van vandaag.

In het evangelie (Mt. 14, 13-21) kijken de leerlingen, wanneer de avond valt op de eenzame plaats, naar de situatie. Hun waarneming is eigenlijk heel nuchter. Het is laat geworden. De plaats is verlaten. Er zijn veel mensen. Er is weinig voedsel. Er zijn maar vijf broden en twee vissen. Hun analyse klopt.

Maar dan komt hun conclusie:  ‘Stuur de mensen weg.’

Misschien herkennen wij dat. Er is te weinig, dus kunnen wij niets doen. Het probleem is te groot, dus heeft mijn kleine bijdrage geen zin. De situatie is te ingewikkeld, dus kunnen wij beter afhaken.

Maar Jezus gaat niet mee in dat ‘dus’. En dat is belangrijk: Jezus corrigeert niet eerst hun waarneming. Hij ziet hetzelfde als zij. Hij ziet de menigte. Hij ziet de nood. Hij ziet de beperkte middelen. Hij doet niet alsof er meer is dan er is. Maar Hij weigert dat het tekort de laatste conclusie wordt. Hij zegt niet: ‘Wat missen jullie nog? Laten we eerst eens bekijken hoe groot het probleem is.’ Hij zegt: ‘Breng ze Mij hier.’

Met die woorden verplaatst Jezus het centrum van de situatie. Niet langer staat het tekort in het midden, maar de ontmoeting met Hem en het vertrouwen dat Hij vraagt. Hij vraagt niet dat de leerlingen eerst alles op orde brengen. Hij vraagt niet dat zij eerst genoeg hebben. Hij vraagt dat zij brengen wat er is. Dat is een heel andere beweging.

Dat is ook de beweging die wij horen bij Jesaja (Jes. 55, 1-3). De mens denkt gemakkelijk volgens een menselijke logica: eerst iets hebben, eerst iets kunnen betalen, eerst iets kunnen aanbieden. Maar Jesaja verkondigt: ‘U die geen geld hebt, kom, koop en eet.’

Bij God begint alles niet bij onze mogelijkheid om iets te verwerven. Gods gave gaat vooraf aan onze prestatie. Wij komen niet tot God omdat wij genoeg hebben. Wij komen omdat Hij ons uitnodigt.

Ook de apostel Paulus spreekt in de tweede lezing vanuit diezelfde werkelijkheid (Rom. 8, 35.37-39). Hij maakt geen mooie voorstelling van het leven. Hij noemt verdrukking, angst, vervolging, honger, gevaar. Het is als het ware de volledige inventaris van de menselijke kwetsbaarheid. Maar de apostel Paulus trekt niet de conclusie: ‘Dus zijn wij verlaten.’

Zijn conclusie is: ‘Niets kan ons scheiden van de liefde van Christus.’

Hij ontkent de moeilijkheden niet. Maar hij weigert dat zij het laatste woord hebben.

Voor ons allemaal – monniken en pelgrims samen – komen deze lezingen dadelijk heel concreet samen op de drempel van het altaar. Dat altaar is het ‘hier’ waar Jezus over spreekt.

Want ook wij brengen dadelijk iets mee. Wij brengen brood en wijn. Maar wij brengen ook ons eigen leven mee: onze dankbaarheid, onze zorgen, onze vragen, onze beperkte mogelijkheden. Wij brengen niet een volmaakte werkelijkheid. Zoals de leerlingen geen overvloed aan brood hadden, zo komen ook wij niet met alles geregeld.

Jezus vraagt van ons vandaag geen volmaaktheid. Hij zegt simpelweg:

‘Dat weinige dat je vandaag kunt aanbieden – die oprechte zorg voor je naaste en de zorg voor de schepping, die breekbare goede wil, je gebed voor de vrede, ja, zelfs je diepe machteloosheid over de wereld en de zorgen om de Kerk – houd het niet voor jezelf. Breng het Mij hier.’

De eucharistie is geen menselijke poging om met weinig veel te maken. En zij is ook geen wonder dat losstaat van wat mensen aanbieden. De beweging van de eucharistie is dezelfde als die van het evangelie: wij brengen, Christus neemt aan. Hij dankt. Hij breekt. Hij deelt. Wat in onze handen klein en ontoereikend lijkt, wordt opgenomen in de oneindige gave van Christus.

Daarom blijft dat eenvoudige woord van Jezus vandaag klinken: ‘Breng ze Mij hier.’

Niet omdat wij de kwetsbaarheden van ons leven, de Kerk en de wereld zelf kunnen oplossen. Maar omdat wij mogen vertrouwen dat geen enkel tekort het laatste woord heeft wanneer het in de handen van Christus wordt gelegd.

Amen

 

Broeder Paul

Lezingen: Jes. 55, 1-3 , Rom. 8, 35. 37-39, Mt. 14, 13-21

Nieuwsbrief

Schrijf u vrijblijvend in en blijf op de hoogte van de activiteiten van Abdij van Egmond.

We respecteren uw privacy. Sint-Adelbertabdij zal uw e-mailadres nooit delen met derden.
© 2026, Abdij van Egmond Algemene voorwaarden