Levi of Matteus?

Het interessante van het roepingsverhaal van de evangelist Matteus is dat het ons door alle drie de synoptische evangelisten wordt verteld, maar dat alleen Matheus zelf daarbij zijn eigen naam noemt. Marcus en Lucas lijken de goede naam van hun collega te willen beschermen. Dit alleen is misschien al een les om mee te nemen in deze tijd, waarin wij zo gemakkelijk wijzen naar anderen.

Op deze zondag vertelt de apostel-evangelist Matteus zelf over zijn roeping om Jezus te volgen en de maaltijd die hij bij die gelegenheid in zijn huis aanbood aan Jezus, zijn discipelen en zijn medetollenaars, om vervolgens afscheid van hen te nemen. De evangelisten Marcus en Lucas geven ook een verslag van deze roeping, maar gebruiken niet de naam van Matteus, maar spreken over een tollenaar genaamd Levi. En nergens in hun evangeliën vermelden ze dat de apostel Matteus en de tollenaar Levi dezelfde persoon zou zijn. Het was wellicht uit consideratie voor hun medeapostel dat ze niet wilden vermelden dat Matteus tollenaar was geweest voordat hij Jezus volgde. Want niets was zo compromitterend voor een Jood als tollenaar te zijn geweest. We weten wat tollenaars waren: incasseerders van belastingen en heffingen die werden opgelegd aan de landen die door de Romeinen bezet waren. Deze tollenaars waren meestal mannen die rijk genoeg waren om de belastingen en heffingen die aan de vijand verschuldigd waren, te verpachten. Vervolgens inden ze hun vergoedingen bij de belastingbetalers, met een toeslag naar eigen keuze. Matteus/Levi had blijkbaar de douanerechten verpacht in een van de belangrijkste handelsposten van het land, Kafarnaüm, een grensstad tussen Galilea en Transjordanië. Hij was ongetwijfeld een belangrijk, rijk, ontwikkeld en machtig figuur. Maar voor het volk was hij, ondanks zijn kwaliteiten, een collaborateur, een vijand van het volk, een verstotene, een buitenstaander, een onrein persoon, uitgesloten van de synagoge. Het is daarom begrijpelijk dat Marcus en Lucas niet expliciet vermelden dat de tollenaar Levi en de apostel Matteus dezelfde persoon zijn. Maar in het eerste evangelie aarzelt deze zelf niet om te specificeren dat de naam van de betreffende tollenaar Matteus was, en in de lijst van apostelen wordt hij vermeld als Matteus, de tollenaar. Marcus en Lucas voegen de kwalificatie  niet toe. Uit broederlijke collegialiteit zeggen Marcus en Lucas nooit dat de apostel Matteus een tollenaar was geweest. Maar uit nederigheid en dankbaarheid laat Matteus geen gelegenheid onbenut om te benadrukken dat hij tollenaar was voordat hij door pure goddelijke genade door Christus werd geroepen.

 

Het komt vaker voor in het Nieuwe Testament dat één en dezelfde persoon twee verschillende namen draagt. In deze gevallen gaat het bijna altijd om een ​​Semitische naam en een Griekse of Latijnse naam: Saulus wordt ook Paulus genoemd, en we kennen Johannes, ook wel Marcus genoemd, en Jozef, ook wel Justus genoemd. Jezus geeft Simon de naam Kefas, en het is zeer waarschijnlijk dat Jezus de tollenaar Levi de naam Matteus gaf, wat ‘geschenk van God’ betekent. Jezus aanvaardt de tollenaar Levi onder zijn discipelen als een geschenk van God, een geschenk van goddelijke genade.

Het was immers geen geringe zaak om een ​​tollenaar in zijn groep op te nemen en aan tafel te gaan, samen met deze man, om deel te nemen aan de maaltijd die deze, nu volgeling van Jezus van Nazareth, zijn collega’s als afscheidsgeschenk aanbood. Voor heel Kafapnaüm was dit het schandaal van de dag. Maar Jezus verdedigt zich: “Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars.” En hij nodigt zijn tegenstanders, en ons, uit om te leren wat dit woord van Jahweh betekent in de profetie van Hosea: “Ik verlang naar barmhartigheid, niet naar offeranden.” Barmhartigheid is belangrijker dan alle bloedige offers, belangrijker dan alle uiterlijke aanbidding. Voor de Farizeeën waren uiterlijke gebruiken, zoals het vermijden van omgang met zondaars, zo belangrijk dat ze vonden dat Jezus niet met zulke mensen aan tafel kon. Maar Jezus heeft zich steeds weer gastvrij opgesteld tegenover rouwmoedige mensen die zich bewust waren dat ze nog een weg te gaan hadden op het pad van de deugd, dat het hun nog ontbrak aan veel andere deugden. Hij nodigt allen uit aan zijn eucharistische tafel om zo betere mensen te worden. Laten we daarom niet aarzelen om Hem te naderen, ook al weten we ons berouwvolle en zwakke zondaars. Dat is misschien de beste gesteltenis. We kunnen toch niet te communie gaan als de farizeeër die zegt, Heer, ik dank U dat ik niet ben als die en die. Ik vast en ik geef aalmoezen. Nee, we zeggen: Heer ik ben niet waardig, maar spreek slechts één woord. Hij zal ook ons graag zijn ​​barmhartigheid betonen, maar wel vragen dat wij op onze beurt barmhartig zijn voor elkaar: “Zalig zijn de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid ontvangen” (Matteus 5:7). De profeet Hosea zegt het in naam van de Allerhoogste: “Vroomheid wens Ik, geen offergaven, en liefde voor God, meer dan brandoffers”. Doet het er dan allemaal niet toe, en moeten de mensen maar zondigen? Natuurlijk niet, maar: bekeer u, en geloof in de blijde boodschap. Dat is het evangelie.

 

AMEN

Br. Gerard Mathijsen

Matteus 9:9-13

Volgend artikel Bekijk het overzicht
Gastenverblijf
Een plaats van gebed en ontmoeting, van rust en stilte, waar iedereen zich thuis mag voelen en op adem mag komen.
Meer informatie