Eerst gedragen worden, dan de weg
Elke avond opnieuw valt de schemering, ook over onze abdij. Na het werk Gods, de dienst aan de Heer, beëindigen wij onze taken. Met alles wat lukte, en alles wat onvolkomen bleef. Op dat moment leggen wij de dag neer. Dat doen we in de completen, waar we zingen:
‘Met zijn wieken zal Hij u dekken, onder Zijn vleugels vindt gij een toevlucht’.
Wat we hier zingen in Psalm 91 sluit naadloos aan bij de eerste lezing van vandaag uit Exodus (Ex. 19, 2-6a). Want diezelfde vleugels waarover wij zingen, komen we tegen in de woestijn. Daar horen we hoe de Israëlieten aankomen aan de voet van de berg Sinaï. Zij zijn pas ontsnapt uit Egypte. Zij zijn moe, onzeker en kwetsbaar. En nog vóór God hun de Tien Geboden geeft – nog vóór de wet – kijkt Hij met hen terug op de weg die achter hen ligt.
Hij zegt: ‘Ik heb u op arendsvleugels gedragen en u bij Mij gebracht’.
Dat is een opmerkelijke volgorde. God begint niet met een opdracht. Hij begint met een herinnering aan wat Hij zelf heeft gedaan. In het Midden-Oosten denkt men bij die koning van het luchtruim spontaan aan een arend. Sommigen menen dat de Bijbelse schrijver eerder dacht aan een vale gier, een indrukwekkende vogel met een vleugelspanwijdte van bijna drie meter. Hoe dan ook: het beeld is dat van grote vleugels die beschermen, overschaduwen en beschutting geven. In het nest spreidt zo’n vogel zijn vleugels uit over zijn jongen. Hij biedt schaduw tegen de verzengende zon. Precies zo begint God met zijn volk. Hij vraagt niet eerst wat het kan presteren. Hij biedt eerst de koelte van zijn nabijheid.
Maar dat dragen is niet bedoeld om mensen passief te houden. Zoals een vogel zijn jongen leert vliegen, zo opent God ook voor ons de ruimte. De jonge vogel moet zelf het nest verlaten en zijn vleugels uitslaan. Geen ander kan dat in zijn plaats doen. En toch vliegt hij niet alleen. Hij leert vertrouwen op wat hij niet zelf maakt: de opstijgende warme lucht, de thermiek, die hem draagt en optilt hoger dan hij op eigen kracht zou kunnen. Zo ontstaat een spanning die ons hele leven tekent: Je moet zelf gaan, maar je leeft niet uit jezelf. Je wordt gedragen en zo ga je verder op weg.
Diezelfde beweging klinkt bij Paulus. Hij herinnert ons eraan dat Christus zijn leven voor ons heeft gegeven toen wij nog machteloos waren, toen wij nog ver van God leefden en onszelf niet konden redden (Rom.5, 6-11). Ook zo komt God de mens tegemoet: niet wanneer wij sterk zijn, niet wanneer alles op orde is. Juist wanneer wij het zelf niet kunnen dragen. En zo is het ook in het evangelie (Mt. 9,36-10,8). Wanneer Jezus naar de menigte kijkt, wordt Hij met ontferming bewogen. Hij ziet mensen als schapen zonder herder, mensen die de bescherming van die vleugels missen. Tot op vandaag zoeken velen beschutting in een wereld die niet tot rust komt. Jezus weet wat nodig is. Hij begint mensen om zich heen te verzamelen en roept de Twaalf.
Geen ideale groep. Geen uitgelezen elite. Matteüs noemt hen bij naam: vissers en een tollenaar, een zeloot en een twijfelaar. En Petrus, die vaak sneller spreekt dan hij begrijpt en nog moet leren luisteren. Het is een gezelschap van uitersten. De tollenaar die collaboreerde met de bezetter, en de zeloot die de bezetter te vuur en te zwaard bestreed. Twee werelden die elkaar normaal gesproken zouden mijden, worden hier door Jezus rond dezelfde tafel genodigd. Geen volmaakte heiligen. Ook vandaag niet. Maar geroepenen in wording. Jezus begint niet bij de zending. Hij begint bij de roeping. Eerst ontvangen zij zijn nabijheid, zijn woord en zijn vertrouwen. Pas daarna worden zij uitgezonden.
Eerst gedragen worden, dan de weg.
Jezus spreekt over een oogst die groot is. Maar de Twaalf kunnen pas gaan oogsten wanneer zij beseffen dat zij eerst zelf door Gods barmhartigheid zijn geoogst. Eerst ontvangen, dan doorgeven. Misschien is dat ook onze eigen roeping. Wie zelf gedragen werd – en zich laat dragen – kan ook anderen dragen, opdat zij hun weg vinden. Vaak niet door grote woorden of daden, maar eenvoudig door aanwezig te zijn, door moed te geven, door iemand niet alleen te laten op zijn weg.
En hier klinkt het woord dat alles draagt:
‘Om niet hebt gij ontvangen, om niet moet gij geven.’
Niet als een regel, maar als een werkelijkheid. Want zodra het Evangelie wordt losgemaakt van wat ontvangen is, verliest het zijn waarheid. Dan vervalt het in macht en eigenbelang, in materieel gewin of een rusteloze prestatietocht.
De Kerk leeft niet van haar eigen verdiensten of morele volmaaktheid. Zij leeft van genade. Ecclesiaal leven is ontvangen leven. Zo komt alles samen op deze zondag. Onder dezelfde vleugels schuilt de mens die rust zoekt. Onder dezelfde vleugels wordt Israël door de woestijn gedragen. Onder dezelfde vleugels wordt de machteloze mens gered. En vanuit diezelfde vleugels wordt de leerling gezonden. Niet gedragen door eigen verdienste, maar door de genade die hem voorafgaat. Want telkens blijft één waarheid overeind: de mens leeft niet uit eigen kracht. Daarom keren wij elke avond terug naar Psalm 91. Wanneer de dag stilvalt. Wanneer alles wat wij gedaan hebben tot rust komt. Dan blijft alleen over wat ons geschonken is.
‘Met zijn wieken zal Hij u dekken, onder Zijn vleugels vindt gij een toevlucht’.
Amen
Broeder Paul
[foto: Rianne Geelhoed]
