Als we vandaag om ons heen kijken naar onze wereld, naar de politiek en ook naar het hele landschap van de Kerk, kan ons soms een gevoel van malaise overvallen. We leven in een tijd van onzekerheid en crises. Waar zijn de sterke leiders, de mensen die richting weten te geven? Misschien verlangen we daar meer naar dan we beseffen: iemand die duidelijkheid brengt en de problemen voor ons oplost. Ook in de Kerk verlangen we soms naar zo iemand. Maar de lezingen van vandaag stellen ons een andere vraag. Niet alleen: hoe sterk is een leider? Maar vooral: waarop bouwt hij zijn leiderschap?
De eerste lezing (Jes. 22, 19-23) brengt ons midden in een politieke crisis in Jeruzalem. Sebna bekleedt een hoge vertrouwenspositie aan het hof van koning Hizkia. Hij heeft de sleutel van het huis van David en draagt een grote verantwoordelijkheid. Maar ergens is er iets misgegaan. Terwijl hij geroepen is om het volk te dienen, is hij vooral met zichzelf bezig. Hij laat voor zichzelf een indrukwekkend graf uithakken. Terwijl hij verantwoordelijkheid draagt voor anderen, bouwt hij aan een monument voor zichzelf. Zijn leiderschap is naar binnen gekeerd geraakt. Niet langer staat het huis dat hem is toevertrouwd centraal, maar zijn eigen naam. God neemt hem de sleutel af.
In zijn plaats komt Eljakim. Ook hij krijgt de sleutel. Maar over hem zegt de Heer iets opvallends: hij zal een vader zijn voor de inwoners van Jeruzalem. Dat is een ander soort leiderschap. De sleutel is geen bezit, maar verantwoordelijkheid. Wie de sleutel ontvangt, krijgt de zorg voor het huis en voor degenen die erin wonen. Misschien is dat wel een goede vraag voor iedere vorm van leiderschap: Bouw ik aan mezelf, of bouw ik mee aan iets dat groter is dan ikzelf? Dat geldt voor politiek en maatschappij, voor de Kerk en voor ieder van ons. Een mens kan bekwaam zijn en toch verkeerd bouwen.
En dan komen we bij Petrus (Mt. 16, 13-20). Ook hij krijgt iets toevertrouwd. Maar waarop bouwt hij zelf? Jezus vraagt aan zijn leerlingen: ‘Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben?’ Nu wordt het persoonlijk. Petrus antwoordt: ‘Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God.’ En precies daarna spreekt Jezus: ‘Gij zijt Petrus, en op deze steenrots zal Ik mijn Kerk bouwen.’
Als wij vandaag Simon Petrus aan een modern assessment zouden onderwerpen, zouden we nogal wat zwakke punten ontdekken. Hij was moedig, maar impulsief. Hij kon Jezus vol overtuiging belijden en Hem toch ook totaal verkeerd begrijpen. Later zou hij Hem zelfs driemaal verloochenen. En toch zegt Jezus: ‘Op deze steenrots zal Ik mijn Kerk bouwen.’ Petrus wordt niet de rots omdat hij van zichzelf zo sterk is. Zijn fundament ligt buiten hemzelf. Vanuit zijn belijdenis van Christus ontvangt hij zijn opdracht. En dan krijgt Petrus de sleutels. Jezus zegt niet: ‘De Kerk is nu van jou.’ Hij zegt: ‘Ik zal mijn Kerk bouwen.’ De sleutel blijft van de Heer. Petrus ontvangt haar om te dienen.
Met die sleutels krijgt hij ook de opdracht om te binden en te ontbinden: vast te houden wat wezenlijk is en los te maken wat mensen van Christus afhoudt. Dat vraagt van de Kerk dat zij, geworteld in de apostolische traditie, telkens opnieuw zoekt hoe zij het evangelie trouw kan beleven in haar eigen tijd.
Wat ons wordt toevertrouwd om te dienen, kunnen we ongemerkt naar onszelf toe trekken. Dan wordt verantwoordelijkheid bezit, gezag, macht en uiteindelijk de eigen positie belangrijker dan de mensen voor wie het gezag bedoeld was.
Christelijk gezag doet juist het tegenovergestelde: het maakt mensen niet kleiner, maar helpt hen om zelf hun weg met God te gaan. Daarin ligt ook een houding van dienstbaarheid: wie of wat ons wordt toevertrouwd, is niet voor onszelf, maar om er goed mee om te gaan. Dat zien we heel mooi bij Benedictus.
In de Regel van Benedictus krijgt de keldermeester de opdracht om alle goederen van het klooster te behandelen alsof het de heilige vaten van het altaar zijn. Het is het prachtige beeld van de keldermeester: beheren zonder te bezitten. Hij waakt over wat hem is toevertrouwd, zonder het te claimen als eigendom.
En dat kunnen we breder verstaan. Wie leiding geeft in de Kerk of in de samenleving, ontvangt een gemeenschap. Zoals ouders een gezin aan hun zorg toevertrouwd krijgen. En ieder van ons ontvangt mensen, relaties, mogelijkheden en tijd.
De vraag is telkens: wat doe ik met wat mij is toevertrouwd?
Maak ik er een monument voor mezelf van, of probeer ik er zorg voor te dragen? Maar daarbij stuiten we ook op onze eigen grenzen. Wij beheren, onderscheiden en dienen, maar uiteindelijk kunnen wij het geheel niet dragen. Daar brengt Paulus ons bij een geheim dat groter is dan menselijke kracht (Rom. 11, 33-36): ‘O diepte van rijkdom, van wijsheid en van kennis van God!’
Wij zullen nooit alles begrijpen. Geen mens kan dragen wat alleen God kan dragen. Misschien is dat ook een bevrijdende gedachte. Wij hoeven niet zelf het fundament te zijn. Wij kunnen wel vragen waarop wij bouwen.
Op onze eigen naam?
Op ons eigen gelijk?
Op macht, aanzien of bezit?
Of op Christus?
Als Christus voor ons werkelijk de Zoon van de levende God is, dan hoeven wij zelf geen fundament te zijn. Dan hoeven wij geen monument voor onszelf te bouwen. Dan mogen wij ontvangen wat ons wordt toevertrouwd, en het weer dienen.
De sleutel is niet van ons.
Het huis is niet van ons.
De mensen zijn niet van ons.
Juist daarom mogen wij er met zorg voor instaan.
Amen.
br. Paul
