In onze opgang naar Kerstmis schildert de profeet vandaag een heel paradijselijk verhaal. Misschien klinkt het voor deze of gene onder u wel al te paradijselijk, ja wereldvreemd. Tegen zo’ n reactie lijkt weinig in te brengen, want wie naar het leven om ons heen kijkt, dichtbij en veraf, ziet een heel andere wereld. Moeten wij dat paradijsverhaal dan maar naast ons neerleggen?
De apostel Paulus geeft ons op die vraag een antwoord. Wij hebben hem zojuist horen zeggen dat al die verhalen in de Schrift zijn opgetekend tot onze lering, opdat wij door de volharding en de vertroosting die wij putten uit de Schrift, in hoop zouden leven [Rom. 15,4]. Die schriftverhalen vertellen ons nu eens de harde realiteit van een leven te midden van onrecht en geweld, dan weer geven zij uitdrukking aan het geloof en de hoop dat wij mensen zijn geschapen voor een nieuwe, een gave wereld. Die is er nog niet, die is er niet meer, maar die paradijselijke verhalen spreken van een wereld waarvan God zelf gezegd heeft dat die goed en mooi was en zal zijn. Sommigen noemen dat naïef, maar anderen getuigen dat diep in ons binnenste dat verlangen en dat geloof is neergelegd als de rots waarop je kunt bouwen. Het is de vonk die ons gaande en staande houdt ook als alles om ons heen die nieuwe schepping tegenspreekt.
Dat visioen van Jesaja staat nog uit, en het is een variant op dat andere paradijsverhaal waarmee de Schrift begint. Daar wordt de droom verteld waarmee God aan de schepping begon en vandaag horen wij bij de profeet hoe het zal zijn als uit de stronk een twijg zal ontspruiten die werkelijk vrucht zal dragen van menselijke en goddelijke ontferming. Zeg niet dat het onmogelijk is, maar waag het tegen de stroom in te geloven in Gods eigen droom die ons in het hart is gelegd. Die paradijselijke mens waar Jesaja van spreekt, wij herkennen hem in het kind waarnaar wij uitzien. Laten wij er niet aan voorbijzien door alles wat zich op onze levensweg aandient als verlokkelijk maar ook als verschrikkelijk. Je zou er je ziel en zaligheid bij kunnen verliezen. Het kind dat wij verwachten en waarvan de profeet ons een beeld schetst in de paradijselijke tuin, het wordt door een heel andere geest bewogen. De Geest van de Heer zal op hem rusten en die Geest doet hem met andere ogen kijken en oordelen dan in onze wereld gebruikelijk is. Niet afwijzend, veroordelend, buitensluitend en wat al niet meer, maar met compassie en moed. Een wereld waarin de kleine mens zijn hand steekt in het nest van de slang. Jezus, die wij verwachten is de eersteling van die schepping. Met hem komt die nieuwe schepping op ons toe en vandaag worden wij door Johannes de Doper opgeroepen niet achter te blijven, maar ons te bekeren zodat het visioen niet uit ons zicht verdwijnt, maar mens wordt in ons eigen bestaan.
Dat gaat niet zonder slag of stoot, want tussen de wereld waarin wij leven en de wereld die het visioen ons toont, tussen die twee ligt een bijna onoverbrugbare kloof. Bijna, want er is geloof en moed voor nodig. Geloof dat de stronk niet zo dood is als hij lijkt en geloof dat je de bijl van Johannes kunt ontkomen als je zijn woord van bekering ter harte neemt. ‘Bekeert u, want het Rijk der hemelen is nabij’. Hij laat er in zijn prediking geen misverstand over bestaan. Daarmee sluit hij aan bij profeten voor hem en laat hij ook zijn eigen levensstijl binnenkomen in zijn getuigenis. Man van uitersten, maar is het zo vreemd als het leven zelf op het spel staat? Weten wij wel wat er met onze manier van leven op het spel staat?
Maar dan de man van wie hij de voorloper is. Hij die na hem komt, Jezus, begint met de oproep van Johannes over te nemen. Zin eerste optreden begint met dezelfde woorden als die van Johannes: “Bekeert u, want het Rijk van God is nabij”. En toch is er een groot verschil. Geen man met een vuur dat verteert en verwoest, maar een man met een vuur dat verwarmt en verlicht. Zat Johannes dan op het verkeerde spoor? Misschien moet er eerst schoon schip gemaakt worden voordat er werkelijk iets nieuws kan groeien. Bekeer je, zegt Jezus met Johannes, verlaat de doodlopende paden en de dwaalwegen, maar kies voor de weg van compassie. Loop niet weg of voorbij aan wie een beroep op je doen. Laat Gods mensenliefde in je aan het licht komen zoals in Christus zelf is geschied. Hij zette kleine mensen in het licht en gaf hun hoop en toekomst.
Bekeren, broeders en zusters, het is een keer maken, een nieuwe weg inslaan. De oude weg met al zijn struikelblokken en obstakels verlaten en de weg gaan die ons leidt naar die paradijselijke tuin. Een weg naar binnen en een weg naar buiten. De weg naar binnen vraagt om stilte en bezinning, halt maken in de drukte en verdwazing van de wereld om de stem te kunnen horen die leert onderscheiden. Obstakels als angst, afgunst, je eigen groot gelijk onder ogen zien en het spoor volgen naar een wereld, waar wolf en lam elkaar verstaan, waar vreemden geen vijanden blijken te zijn, maar evenzeer kinderen van God, anders en eender als wij. En dan met moed en vertrouwen de weg naar buiten. Stappen zetten om elkaar met nieuwe ogen te zien, ophouden almaar etiketten te plakken, maar tochtgenoten zien met eenzelfde verlangen naar leven, misschien met een andere cultuur of kleur, maar dat maakt deel uit van die grote diversiteit van de schepping. God is een God van mensen, kwetsbaar en raakbaar. Hij is God van al wat er leeft en zich op aarde toont. En Jezus is de levende gevende getuige dat alleen als wij die kwetsbaarheid van de ander en van onszelf durven omarmen de twijg zal uitgroeien tot een boom waar plaats is voor al die veelsoortige vogels die het leven rijk is.
Laten wij dan in onze opgang naar Kerstmis werk maken van de bekering opdat het aanschijn van de aarde mag worden vernieuwd en de Geest van de komende Heer ons allen mag bewonen en bezielen.
AMEN.
Abt Thijs Ketelaars
Lezingen: Jes. 11,1-10; Rom. 15,4-9; Mt. 3,1-12
