‘Christus is verrezen uit de dood.’ We zeggen en zingen het deze nacht en wij blijven het heel de Paastijd doen in allerlei toonaarden. Met die krachtige zin lijkt alles gezegd, maar wat is de betekenis ervan voor ons? Worden wij er zo door geraakt dat wij ons laten kennen als opgestane mensen, en niet alleen voor ons zelf, maar ook als opstandige mensen tegenover alles wat dood is of de dood verspreidt? Worden wij er als gelovigen door opgewekt en op weg gezet?
Wij hebben vannacht een hele reis door de Schrift gemaakt, dat boek van ons geloof. Dat is geen zoetsappig relaas, maar een verhaal waar je soms van zou willen weglopen vanwege alle geweld en onmetelijk verdriet, maar het is tegelijk een boek met pagina’s waar licht en liefde voor het leven- hoop en verlangen wekken tot op de dag van vandaag.
Al die verhalen komen misschien samen in twee beelden, dat van het vuur en dat van het water. Het zijn oerelementen die ons menselijk bestaan vanaf den beginne mee vorm hebben gegeven en bepaald. Ten goede en ten kwade. Want vuur verwarmt, maar het kan ook vernietigen. En water reinigt en lest de dorst, maar je kunt er ook in verdrinken. Beelden van dood en leven. Ze kwamen deze nacht in beide gestalten voor, want het leven is niet anders. Maar toch, wie goed heeft geluisterd, heeft in dat grote verhaal mogen bespeuren dat de dood niet het laatste woord heeft. Aan het vuur hebben wij het licht ontstoken van de Paaskaars, beeld van het eerste woord dat God gesproken heeft: ‘ Er zij licht’. Vanaf den beginne is God bezig licht te verspreiden in een wereld die al te vaak aan duister ten onder dreigt te gaan. Door de zee van verdriet, lijden en bruut geweld heeft God zelf een weg gebaand naar de vrijheid en het leven in zijn Licht. Die hoop en dat geloof brengt ons hier vannacht samen.
En wanneer iemand dan vraagt ‘hoe zal dat geschieden’, hoeven wij maar te verwijzen naar de jonge vrouw die dezelfde vraag stelde en daarmee de eerste woorden sprak van een beslissend hoofdstuk van Gods optrekken met de mens. Want sinds God het verhaal met de mens begonnen is, geeft hij het niet op en schrijft hij langs kromme lijnen voort om het licht en het leven te laten overwinnen.
In dat grote verhaal van God met de mens en de mens met God loopt een rode draad van geweld en afgunst, van de ander het leven niet gunnen en de ander het leven ontnemen, maar er is ook de dunne draad van liefde, geduld en vergeving, van leven geven en behoeden. En Toen Maria de vraag stelde ‘hoe zal dat geschieden’ begon de weverspoel te draaien. Aan die dunne draad werd de navelstreng gehecht van hem die de naam kreeg: Emmanuel, God met ons, en ook Jezus: de Heer redt. Wanneer die het verhaal van God binnentreedt, begint er een nieuwe pagina, een nieuw begin dat heel het oude verhaal herschrijft, niet om het uit te wissen maar om Gods liefde voor de mens op een onovertroffen wijze handen en voeten te geven, gedreven door de adem van de Geest. Hij schrijft geschiedenis, niet met geweld en machtsvertoon, maar met meeleven en meelijden met allen die nood hebben aan redding en bevrijding. Hij deed en doet mensen opstaan, want zijn liefde is ontwapenend en weerloos. Hij is de belichaming van de liefde van God zelf. De dood heeft daar geen vat op. En zo is hij gegaan tot het uiterste, aan alle eigenbelang voorbij, zelveloos, en alles gevend. Om ons te bevrijden van de dood heeft hij niet geaarzeld de dood zelf op zich te nemen. Niet om ons de dood te besparen maar om ons er doorheen te leiden, de liefde van de Vader tegemoet. Hij is ons voorgegaan, hij neemt ons mee, en bekleed met zijn Geest worden wij geroepen en genodigd als opgestane mensen te leven. Christus is opgestaan, en wij met hem, om als vrije mensen te leven. Mensen begenadigd om elkaar, om heel de schepping te beminnen met de liefde van Christus, bevrijd van alle streven naar macht en aanzien, bevrijd van afgunst en naijver. Opgenomen in het lichaam van Christus is het onze beurt om handen en voeten te geven aan de liefde van Christus die heelt en heiligt opdat God in alles verheerlijkt wordt.
Zo dadelijk wordt Christiaan gedoopt. Hij wordt zoals wij Paulus hoorden zeggen met Christus in de dood begraven. De dood in al zijn vormen die Christus uit liefde heeft aanvaard om ons in de dood niet alleen te laten maar om ons door die dodelijke stroom heen te leiden naar de vrijheid van de kinderen Gods. Maar als wij met Christus één geworden zijn door het beeld van zijn dood, dan moeten wij hem ook volgen in zijn opstanding, zegt Paulus. De vrijheid van de kinderen Gods die ons als vrucht van Christus’ liefde gegeven wordt, verplicht. Dan kunnen wij niet op de oude voet voortgaan, maar dienen wij als opgestane mensen te leven, de dood voorbij. Geroepen zijn wij om ons, bekleed met de Geest van de opgestane Heer, met hart en ziel en alle kracht in te zetten voor leven en vrede, opdat het aanschijn van de aarde mag worden vernieuwd en God in alles en allen wordt geëerd. Christus is verrezen, de Heer is waarlijk opgestaan.
Alleluja!!!
Lezingen: Romeinen. 6,3-111; Matheus 28,1-10
