Het is vandaag precies veertien dagen geleden dat de communiteit zich rond broeder Frans schaarde in de sacramentskapel waar hij de ziekenzalving ontving. Hij had er zelf om gevraagd, want hij besefte dat het einde van zijn lange leven nabij was en hij had er vrede mee, al wilde hij wel nog een boek lezen dat op zijn tafel lag. Tijdens die eenvoudige viering zongen wij het Kleine Danklied van Ad den Besten dat hem heel dierbaar was. Toen hij vijf dagen later zijn 96e verjaardag vierde, hebben wij dat danklied opnieuw gezongen in de verjaardagsrecreratie. Hij toonde zich verrast en dankbaar voor dat simpele cadeau, poogde daarna nog een paar woorden te zeggen wat ternauwernood lukte, liet de taart staan waar hij zo’n liefhebber van was , dronk het bierglas maar half leeg en ging naar boven. Voor hem was het leven voltooid. En drie dagen later is hij hogerop gegaan naar het grote feestmaal.
Gij hebt o God, dit broze bestaan gewild,
hebt boven ’t nameloze mij uitgetild.
Laat mij dan dankbaar leven de volle tijd,
geborgen in de bevende zekerheid,
dat ik niet uit dit smal en onvast bestand
van mijn bestaan zal vallen dan in uw hand.[1]
Zo kwam een einde aan een lang leven dat in een van de condoleance berichten heel gepast werd getekend met de woorden “ l’amour des lettres et le désir de Dieu”, zoals de titel luidt van een beroemd boek van de benedictijner monnik Dom Jean Leclerc. Liefde voor het woord en het verlangen naar God, inderdaad die twee samen. En om dat samen van die twee is hij monnik geworden en naar Egmond gekomen. Dat verlangen naar God, dat onuitputtelijk mysterie had zich al laten voelen in zijn vroegste jeugd en de liefde voor het woord was bij hem gewekt toen hij na de HBS nog een lerarenopleiding volgde. Toen kwam hij met de grote literatuur in aanraking en die bracht hem via starets Zosima uit de gebroeders Karamazov in contact met het monniksleven. En met die bagage klopte hij 1957 aan de kloosterpoort in Egmond aan. En nu bijna zeventig jaar later kunnen wij zeggen dat die bagage almaar groter is geworden door zijn volgehouden lezing en studie van het woord. Maar hij is niet karig geweest om anderen deel te geven aan de vruchten van zijn lectio getuige de boeken en artikelen die hij heeft geschreven en de leesgroepen die hij heeft begeleid. In onze hedendaagse samenleving waar mensen met één knop alles opzoeken op internet of met AI hele referaten schrijven, getuigt het lezen van broeder Frans van een heel andere cultuur waar met geduld en concentratie in alle stilte wordt geluisterd naar een tekst die zijn geheimen niet zomaar in een oogopslag prijsgeeft. Lezen was voor hem dan ook geen entertainment maar een volgehouden zoeken en peilen naar de waarheid en de zin van ons bestaan. Wie dat geduld en die toewijding weet op te brengen zal een glimp mogen opvangen van het woord dat vlees geworden is en ons mee wil nemen naar onvermoede vergezichten.
Liefde voor het woord, en in dat woord presenteerde zich ook het verlangen naar God, waarvan in het boek van ons geloof geschreven staat dat Hij het eerste en het laatste woord heeft. En vanuit die overtuiging heeft broeder Frans zich met hart en ziel, met al zijn talenten en krachten ingezet voor de vernieuwing van de liturgie, toen na het Tweede Vaticaans concilie gewerkt moest worden aan een Nederlandstalige liturgie in de kloosters. In het werkverband dat daarvoor in het leven werd geroepen en dat de Nederlandse en Vlaamse monastieke familie over grenzen heen tot een unieke samenwerking heeft gebracht, was broeder Frans een man met visie, een volhouder en ook wel een doordouwer. Degenen die met hem hebben samengewerkt weten het, maar ze weten ook hoeveel arbeid hij in de verschillende werkgroepen heeft verricht. Het monument waaruit wij nu putten voor onze dagelijkse liturgie zou zonder hem niet tot stand zijn gekomen. Dat het gelukt is zegt iets over zijn aard, maar ook over zijn gedrevenheid. Hij legde de lat altijd heel hoog , alles moest perfect en hij had een heel uitgesproken mening en oordeel. De gave van diplomatie en overleg waren bij hem niet in dezelfde mate ontwikkeld als zijn zoektocht naar de waarheid. Dat maakte het samenleven en samenwerken met hem tot een weg met struikelblokken. Hij heeft daar zelf onder geleden en wij met hem. Elk mensenleven kent zo zijn innerlijk geheim, waar de buitenstaander geen of nauwelijks toegang toe heeft. En niet zelden is je weg ook voor jezelf een pad met zwerfstenen die je niet had gewenst. Dat is bij tijden een beproeving, maar volgens onze monastieke vaders, te beginnen bij abt Antonius, kan niemand zonder beproevingen gered worden.
En dan komen wij toch nog aan bij de lezingen van deze liturgie. Ze zijn niet specifiek gekozen voor deze afscheidsviering, maar wij laten ons verrassen door de teksten die de liturgie van deze woensdag ons aanreikt. In de eerste lezing spreekt God bij monde van de profeet Ezechiel een hard oordeel uit over de herders van Gods volk. Dat is krasse taal en je zou bijna zeggen, broeder Frans had het niet van een vreemde. Hij kon heel vierkant zijn over opvattingen en misvattingen in de kerk, maar als wij hier in een spiegel kijken, dan mogen wij ook zeggen, hij heeft zichzelf niet gespaard in de dienst aan Gods volk. In zijn pastorale zorg, want die had hij ook, en in al zijn werkzaamheden heeft hij zich ingezet met al zijn gaven.
En wanneer wij dan nog een blik werpen op het evangelie met de werkers van het eerste en het laatste uur, dan hoort hij niet bij de klagers die van mening waren dat ze te weinig gekregen hadden. Zelf heeft hij altijd gezegd dat hij een gezegend man was met al wat hij heeft mogen doen en hij heeft ook altijd gepleit dat anderen in kerk en samenleving, in klooster en communiteit als gelijken werden behandeld. Klerikalisme, en alles wat daar naar riekt was hem een doorn in het oog. Misschien had hij stilletjes toch wel gehoopt op een eredoctoraat, maar dat zij hem vergeven.
Wij nemen afscheid van een uitzonderlijke man die als monnik onze communiteit vele decennia lang mee heeft opgebouwd met zijn gaven en gebreken. Een die in de monastieke regio herdacht zal blijven als een lastige man die ons een groot geschenk heeft nagelaten. Een monnik bovenal die geleden heeft onder zijn tekortschieten en die als laatste tekst graag een couplet uit het gedicht ‘Het laatste oordeel’ van Muus Jacobse geciteerd zou zien. Gods eerste woord bij de schepping is, zoals u weet, ‘er zij licht’’. Broeder Frans en wij hopen en bidden dat voor hem en voor ons de dichter het bij het juiste eind heeft als hij schrijft: “Zal niet het laatste als het eerste zijn? God zal het donker wegdoen van het licht tot een gerecht gericht voor al wat leeft.[2]
AMEN.
Vader Abt Thijs Ketelaars
Lezingen (van de dag): Ez. 34,1-11; Mt. 20,11-16a
[1] A. den Besten: Klein danklied
[2] Vgl. Muus Jacobse: Het laatste oordeel
