Het luisterende, open gelaat
Stel je een forensisch tekenaar voor. Iemand die een gelaat schetst op basis van fragmenten: flarden van een verhaal, een aarzelende beschrijving, een vaag detail. Uit wat hij hoort, probeert hij een gezicht te laten ontstaan: een robotfoto bij een misdaad. Maar het kan evengoed een vage herinnering zijn, een mooie ontmoeting die indruk maakte en nog nazindert.
Dat beeld brengt mij bij Abraham. Hij luistert. Enkel een toesprekende stem: ‘Trek weg.’ Hij verlaat Haran, zijn familie, zijn zekerheid, alles wat vertrouwd is. Alles voor een roep die hij niet kan vastpakken.
Zou Abraham ooit geprobeerd hebben zich een beeld te vormen van wie hem riep? Terwijl hij slaapt, trekken tekenen van het leven voorbij: aasgieren cirkelen, een walm van vuur beweegt tussen de stukken van het offer. En toch – in een flits – ervaart hij iets: geen scherp omlijnd gezicht, maar een openheid, een ruimte verscholen in het geheim.
Ook vandaag kennen wij zulke flitsmomenten: in een zonsopgang, in een muziekstuk dat je tot in het hart raakt, bij een geboorte of bij een vredig sterven. Herkent u dat? Er moet ‘iets’ zijn, zeggen de mensen. Maar Abraham is geen ietsist. Hij blijft niet steken in een vaag vermoeden. Hij laat zich aanspreken, hij engageert zich. Zijn gelaat wordt open voor de Ander die hem opent. En hij gaat op weg, ook met een onvolledig beeld.
Het stralende gelaat
Net als Abraham gaan drie leerlingen met Jezus op weg: Petrus, Jakobus en diens broer Johannes. Waarom juist deze drie? Misschien openbaart God zich naar draagkracht. Mogelijk staan zij op een keerpunt. Wacht hen een bijzondere opdracht? Of misschien is het eenvoudig: alleen wie meegaat, kan zien.
Op de berg verandert het perspectief. Jezus’ gezicht straalt als de zon. Dat gelaat, de berg, het meest heldere kleed, de wolk: archetypische beelden die een poort openen naar het innerlijke leven van de drie. Even valt alles in de plooi. Wet en profeten, Mozes en Elia, traditie en vernieuwing: altijd weerbarstig, maar nu ordent het zich vanzelf. Meer dan een tip van de sluier wordt opgelicht. Nu wordt helder wie Jezus is.
Misschien verandert Jezus niet, maar hun zien wel. Wat trekt hun aandacht? Jezus laat zich overspoelen in radicale ontvankelijkheid – een gelatenheid, geen passiviteit zoals wij die kennen; een innerlijke wilsdaad, een volledige overgave aan God. In die gave straalt ook zijn menselijk gezicht.
Angst en ontzag overvalt de leerlingen. Wat zo helder is, is tegelijk verborgen. De stem klinkt: ‘Dit is mijn geliefde Zoon.’ En juist dan raakt Jezus hen aan. Het licht verblindt niet; het buigt zich naar hun broosheid. Petrus had nog willen spreken, tenten bouwen, maar nu wordt het stil. Ze dalen de berg af, iets ontvangen, nog zoekend, nog zwijgend. Wat zij gezien hebben, moet in hen rijpen.
Misschien rijpt er ook iets in ons innerlijk. We hebben allen over Jezus gehoord – in gezin, op school, in de kerk – maar het kan gebeuren dat de diepte van Jezus nog niet is opengegaan. Of dat door woorden, verhalen en overwegingen het licht van zijn aanschijn ook over ons opgaat. Voelt u dat in uw hart? Ook wij kunnen stil worden, geraakt door een aanwezigheid die zich niet laat vangen.
Het getekende gelaat
Het evangelie van vandaag eindigt hier, maar de weg van de leerlingen gaat door. De glorie van Tabor zal straks plaatsmaken voor een andere dimensie: het stralende gelaat dat zij op de berg zagen, verschijnt opnieuw, nu in een getekend gelaat. Jezus tussen twee boosdoeners. Verduistering valt over de zon; de stem van God lijkt afwezig.
De leerlingen zien het getekende gelaat van Jezus. Het overrompelt hen, in heel hun lijf. Zou die lichtopenbaring op de berg onvoorwaardelijke liefde zijn, tot de zelfgave toe? Niet te geloven, niet te vatten. Wie dit gelaat aanschouwt, kan niet langer onverschillig blijven. Petrus slaat op de vlucht, Johannes blijft bij het kruis, en Jakobus doorloopt op eigen wijze zijn innerlijk proces.
Het weerspiegelend gelaat
De afdaling van de berg is toch weer de weg terug. Die onstuitbare liefde op Jezus’ getekende gelaat zal hen voorgoed tekenen. Petrus zal bitter wenen, maar toch de Kerk mogen leiden. Johannes wordt evangelist. Jakobus getuigt in Jeruzalem.
De gekruisigde en Opgestane Jezus zal in de drie het beeld van zijn Schepper herkennen. Hun gelaat weerspiegelt zijn beeld en gelijkenis. Omwille van die onwankelbare liefde zal Petrus sterven onder de keizer, Jakobus – volgens de Handelingen – onder koning Herodes, en Johannes zal later verbannen worden.
En dat, omdat Jezus hen heeft aangekeken en zo immens heeft liefgehad, voor altijd, voorbij alle grenzen.
In deze vastentijd zijn ook wij uitgenodigd om de weg van de leerlingen te gaan. Dat kan door de pelgrimeren naar Santiago de Compostella, of Rome of Efese, maar hoe ook laat ieders tocht eentje zijn, geraakt door het Licht, door een onuitputtelijke en onbreekbare liefde, om zo het spoor van de drie leerlingen verder te volgen – imperfect, maar authentiek, uitnodigend en vol mededogen.
Amen
Br. Paul Cools
Lezingen: Genesis 12, 1-4a, 2 Timotheus 1, 8b-10, Matheus 17, 1-9
