Hemelvaart van onze Heer, daar zijn twee verhalen over, van Lucas en van Mattheüs[1], twee van elkaar verschillende verhalen, elk met de Blijde Boodschap vertolkt in een andere toonsoort. Zij gaan over het heengaan van Jezus, dat hij ten hemel werd opgenomen en het gaat over de zending van de leerlingen, die niet naar de hemel moeten staren, maar in het alledaagse leven aan de slag moeten gaan om daar Jezus te vinden en na te volgen.
De hemel waar en wat is dat? Voor de betekenis daarvan dienen wij de Schrift uit te spellen. ‘De hemel behoort aan de Heer, aan het mensdom schonk hij de aarde’ zegt de psalm.’[2] En het evangelie spreekt nu eens van het koninkrijk der hemelen en een andere keer over het koninkrijk van God. Als er dus sprake is van de hemel, dan gaat het over God zelf, misschien mag je zeggen over zijn binnenkamer zoals Mattheüs ook over de binnenkamer van de mens spreekt, waar je je kunt terugtrekken om te bidden. En wanneer we dan ook nog denken aan die andere mooie uitdrukking ‘God woont in ontoegankelijk licht[3], dan begint het ons mogelijk te dagen. Jezus is ten hemel opgenomen, hij is ingetreden in dat ontoegankelijke licht, Gods eigen binnenkamer, in zijn intimiteit opgenomen, licht van louter leven en liefde. .Hij die ons van Godswege was gegeven en met ons en onder ons de weg is gegaan, hij is nu na ons hier in dit aardse ten einde toe te hebben liefgehad, weer opgenomen in de schoot van de Vader.
Bij dat opgaan naar de Vader leggen de evangelisten verschillende accenten. Lukas spreekt in de Handelingen over veertig dagen na Pasen, terwijl hij op het eind van het evangelie na een aantal verschijningen al in de hemel wordt opgenomen. Misschien mogen wij daarin horen dat het de leerlingen een tijd heeft gekost voor het in hun binnenkamer is neergedaald dat Jezus na zijn smadelijke dood in de volheid van Gods liefde is teruggekeerd. Jezus is na zijn opstanding aan de leerlingen verschenen, hij heeft hen de ogen van het hart geopend bij het breken van het brood en bij het verklaren van de Schrift en zo is het voor hen stilaan morgen geworden. Maar niet zonder aarzeling en twijfel. Wij hoorden het zojuist in het evangelie van Mattheüs waar gezegd werd dat zij hem aanbaden en sommigen twijfelden. Waar twijfelden zij aan? Aan Jezus opgang naar de Vader of twijfelden zij aan hun eigen geloof of zij wel in staat waren de dienst te verrichten waartoe de Heer hen riep. Zij wisten hoe ze hem hadden verlaten en wat of wie garandeerde dat ze in de toekomst hun Heer niet opnieuw in de steek zouden laten als het erom spande?
De hemel, de intimiteit van God. Jezus had haar bij zijn doop op een heel bijzonere wijze ervaren. Hij had zich diep in zijn hart horen aanspreken als zoon van Gods welbehagen en de adem van de Geest was de ziel geworden van zijn bestaan. Vanuit die intimiteit had hij geleefd, hij had die steeds weer gezocht in het stille gebed om er uit te leven en met die liefde allen te beminnen en nabij te zijn die zijn pad kruisten. Niet alleen zijn leerlingen, maar alle kinderen van God, de randfiguren en uitgestotenen voorop. Hij had er zich over ontfermd en zijn binnenkamer was voor hen niet gesloten.
En zoals hijzelf thuis was in de binnenkamer van de Vader, zo had hij anderen uitgenodigd en de weg erheen gewezen. Hij had voor hen de deur geopend door ze te beminnen en op te richten, aan te moedigen en te troosten. Hij had zijn leerlingen en allen die er oren naar hadden, uitgenodigd zelf ook die stille plek, dat heilig domein te betreden, de binnenkamer van het hart om er Gods hartslag te horen kloppen.
Als je daar binnentreedt word je een ander mens, weet je je niet alleen bemind, maar ontdek je ook dat je eigen roeping er een is van beminnen met de hartslag van God, die niet wil dat een van de kleinen verloren gaat. In een wereld waar mensen onder de voet worden gelopen, elkaar het licht in de ogen niet gunnen, het leven ontzeggen, daar staat God een andere wereld voor ogen, een van geven en vergeven, van samen optrekken, van samen bouwen aan een huis waar niemand de tafel wordt ontzegd. Een grote binnenkamer van kennen en gekend worden. Jezus heeft er zijn leven voor gegeven tot de laatste ademtocht en de Vader heeft hem niet aan het graf overgelaten maar opgenomen, thuis gebracht.
Die thuiskomst, die hemel en intimiteit van God is ons voorland. Jezus is er als eerste binnengegaan in al zijn volheid. Ons wordt ze in het vooruitzicht gesteld, maar eer het zover is, hebben wij juist als hij onze roeping als mens te vervullen. Een roeping ons van Godswege door Jezus aangereikt en voorgeleefd. En wij worden met beide benen op de grond gezet. Niet staren naar de hemel, maar de hand aan de ploeg slaan. Niet omkeren de blik achterwaarts, maar naar voren om te zien wat er te doen staat. Om in het Galilea van het daagse leven te doen wat Jezus heeft gedaan. Omzien naar mensen, niemand langs de weg laten liggen, elk een naam en een gezicht geven, op de been helpen en hen dopen in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest. Niet al een lege rite, maar als een woord, een daad die mensen leven geeft als kinderen van de Vader, als broers en zusters van Jezus en als mensen door Gods adem bewoond om elkaar lief te hebben en bij te staan op de weg van het leven. Waar wij zo wagen te leven , ook in onze geteisterde wereld, gaat de hemel open en kan God aan het licht komen.
Voor U in deemoed, met U in geloof, in U in stilte.
AMEN
Vader abt Thijs Ketelaars
[1] Handelingen 1,1-11 en Matheus 28,16-20
[2] Ps. 115,16
[3] 1Tim. 6,16
