De proloog van het evangelie volgens Johannes werd vroeger dagelijks gelezen als laatste evangelie in iedere Eucharistieviering. Dit gebruik ontstond in de Middeleeuwen en werd door Rome pas afgeschaft in 1965. Uiteraard werd het in het Latijn gelezen, en ieder misdienaartje kende het uit het hoofd, zoals heel wat andere liturgische teksten en liederen. Wij lezen deze diepzinnige tekst in de dagmis op Kerstmis, op oudjaarsdag en dus ook vandaag. En er is een rijke overvloed aan beschouwingen, bijbelse studies, mystieke overwegingen waarmee de gelovige zich kan voeden. Doorgaans wordt het Vierde evangelie beschouwd als het laatste dat op schrift werd gesteld, ruim na de teksten van de drie zgn. synoptische evangelies van Marcus, Mattheus en Lucas, het geldt als het bij uitstek theologische, en deze proloog is daarvan weer de meest rijke en diepzinnige.
En nu is er sinds kort een nieuw geluid. Een professor van Cambridge, en nog wel een Nederlander Prof. Geurt Henk van Kooten, komt met een hele reeks argumenten dat het Johannesevangelie niet de laatste, maar de oudste tekst zou zijn. Dat dient natuurlijk door de specialisten grondig onderzocht te worden. U zult dat van mij niet verlangen en niet verwachten. Wat de uitkomst ook zal zijn, deze zal ons geloof niet aantasten, maar slechts verdiepen. Maar in deze viering sta ik liever met u stil bij de tweede lezing van vandaag uit de brief van Paulus aan de kerk van Efeze.
We hoorden twee korte passages uit de brief van de heilige Paulus aan de Efeziërs: eerst de eerste strofe van de lange reeks ‘zegeningen’ waarmee Paulus de brief opent, en vervolgens het begin van het hoofdgedeelte van de brief.
Vrome Joden kenden en hadden grote waardering voor dankliederen, in de vorm van zegeningen of lofzangen om God te prijzen. Paulus putte gemakkelijk inspiratie uit dit soort hymnen, die ook bekend waren uit de rabbijnse gebeden van die tijd, en die hij in zijn brieven gebruikte. Maar terwijl de Joden God dankten voor de gave van de Wet, zegent, prijst en dankt Paulus God voor alles wat wij van Hem hebben ontvangen door Zijn Zoon Jezus: “Geprezen zij God, de Vader van onze Heer Christus, die ons in de hemelen in Christus heeft gezegend met elke geestelijke zegen. ”
Vervolgens somt Paulus een hele reeks geestelijke zegeningen op waarmee God ons heeft begenadigd en vervuld. Het liturgisch lectionarium van deze zondag bevat slechts het begin: God heeft ons uitverkoren, ons verkozen, bestemd om heilig en onberispelijk te zijn in Zijn ogen. Daartoe heeft Hij ons aangenomen als Zijn kinderen en ons de genade gegeven om Zijn zonen te worden door Jezus Christus. Verkiezing en aanneming zijn de twee voornaamste zegeningen waarmee God ons heeft begenadigd in Zijn Zoon Jezus. De Vader wilde het in zijn goedheid zo, tot lof van zijn eigen glorie “opdat het wonder van de vrije gave die Hij ons in zijn geliefde Zoon heeft gegeven, bezongen zou worden.”
De tweede lezing van deze zondag spreekt alleen over deze twee voornaamste zegeningen van de Vader jegens ons: Hij heeft ons uitverkoren om heilig en onberispelijk te zijn; Hij heeft ons aangenomen als zijn kinderen. Paulus noemt nog drie andere zegeningen, drie andere genaden, die wij in Jezus vrijelijk hebben ontvangen: Hij heeft ons gered door zijn bloed; Hij heeft ons het heilsplan geopenbaard, dat God van alle eeuwigheid heeft bedacht; Hij heeft ons geroepen, “ons”, eerst de Joden, en daarna “jullie”, de lezers van de brief, de heidenen.
Vervolgens, in het tweede deel van de tweede lezing van deze zondag, richt Paulus zich directer tot zijn lezers: “Ik heb gehoord van uw geloof in de Heer Jezus en van uw liefde voor alle heiligen.” Toen Paulus deze brief schreef, zat hij gevangen in Rome. In de gevangenis hoorde hij over het geloof dat jullie in Christus Jezus hebben, zegt hij, en over de liefde die jullie voor elkaar hebben. Dat is wat een christen maakt: geloven in Jezus de Messias en elkaar liefhebben. En dit christelijk geloof en deze onderlinge liefde konden niet verborgen blijven in de heidense wereld van de provincie Asia, waarvan Efeze de hoofdstad was. Het was zichtbaar en er werd over gesproken. Ze werden christenen genoemd vanwege hun geloof in Christus Jezus. Bovenal kenmerkte en onderscheidde hun liefde voor elkaar hen.
En Paulus dankt God in de gevangenis: “Moge de God van onze Heer Jezus Christus,” bidt hij, “de Vader in zijn heerlijkheid, jullie de geest van wijsheid geven om Hem te ontdekken,” om de Heer Jezus steeds meer te ontdekken in jullie geloof, “en Hem werkelijk te kennen.” Hij bidt tot de Vader, de God van de Heer Jezus, de God die de Heer Jezus aan hen heeft geopenbaard, aan hen, gisteren nog heidenen, die deze ene God nog niet kenden, want zij aanbaden eerst een menigte goden. Wat het geloof in de Heer Jezus ook openbaart, is dat deze ene God Vader is, “Vader der heerlijkheid”, zegt Paulus, dat wil zeggen, “aan wie de heerlijkheid toekomt”. En deelname aan deze heerlijkheid is voor ons in de hemel weggelegd en is het object van hoop. Want, zo bidt Paulus verder: Moge deze Vader der heerlijkheid “uw harten openen voor het licht van zijn roeping, opdat u inzicht krijgt in de hoop waartoe Hij u geroepen heeft: de hoop deel te hebben aan de onschatbare heerlijkheid die wij hopen te erven en te delen met alle heiligen.” Zo worden in een paar betekenisvolle regels liefde, geloof en hoop genoemd, maar ook de Vader, de Heer Jezus en de Heilige Geest. Want Paulus bidt tot de Vader dat Hij ons een geest van wijsheid en inzicht mag geven, dat wil zeggen, de eerste gaven van de Heilige Geest. Deze gaven moeten “de ogen van uw hart” verlichten. De Bijbel plaatst kennis in het hart, wat suggereert dat ware kennis niet intellectueel of koud is, maar emotioneel, want zij huist in het menselijk hart. Daarom wordt er ook gezegd dat de Geest, met Zijn gaven van wijsheid en inzicht, in onze harten woont. Dierbaren, mogen wij hierin voedsel vinden voor onze ziel, voor ons leven van iedere dag, voor onze verbondenheid met elkaar en ons vertrouwen op God voor dit leven en voor wat wij de eeuwigheid noemen.
AMEN
Br. Gerard Mathijsen
