Met de viering van Witte Donderdag beginnen wij vandaag het triduum sacrum, drie heilige dagen die ons binnenleiden in het hart van ons geloof. Drie dagen die ons van een bovenvertrek voeren naar een tuin met een leeg graf. Drie dagen die een eeuwigheid lijken te overbruggen van verraad, duisternis en dood naar een opgaande zon die alles in nieuw licht hult. Maar zover zijn wij nu nog niet, we hebben nog een hele innerlijke weg te gaan.
Drie rituelen passeren daarbij de revue in de lezingen van vandaag. Het slachten en eten van het lam, de laatste maaltijd van de Heer met zijn leerlingen en de voetwassing. Twee van de drie krijgen in de liturgie van vandaag een bijzonder plek. De voetwassing en de maaltijd met de Heer. Twee rituelen waarvan wij het ene dagelijks vieren en het andere maar eenmaal per jaar in de kerk voltrekken. Dat kan verwondering wekken. Is het één dan zoveel belangrijker dan het andere of hoe zit dat?
Het zijn beide rituelen die in het land en de cultuur waarin Jezus verkeerde tot de dagelijks gang van zaken behoorden. Kwam je als gast, dan hoorde de gastheer ervoor te zorgen dat hun de voeten werden gewassen. Die klus was werk voor slaven. De gastheer bleef op afstand. Maar vanavond gaat het er anders aan toe. Terwijl Jezus en zijn leerlingen samen zijn voor een maaltijd, begint hij zelf de rol van het voetenwassen op zich te nemen. Dat krijgt aanvankelijk geen commentaar, maar als Petrus aan de beurt komt is er groot verweer: ” geen denken aan, in der eeuwigheid niet”. Zo kennen wij Petrus: impulsief, maar recht uit het hart en goed bedoeld.
Voeten wassen, het kan onverschillig of met tegenzin gebeuren, maar het kan ook met aandacht en liefde, een intiem gebaar bij een alledaagse handeling. Vandaag is die alledaagsheid al vanaf het begin verdwenen. Dat komt door de woorden waarmee de evangelist het tafereel inluidt. Daarmee wordt de voetwassing in een veel breder perspectief geplaatst en krijgt het ritueel een uitzonderlijke diepte en kracht.
Gunnen wij ons vanavond de tijd om daar eens rustig bij stil te staan. In het evangelie van Johannes gaan de eerste twaalf hoofdstukken over het openbare leven van Jezus. In wat daarop volgt gaat het over zijn weg naar Pasen, de weg van dood en opstanding. We gaan op weg naar het feest van Pasen zo staat er heel uitdrukkelijk in de kop van hoofdstuk dertien. Ondanks alle duisternis en pijn is de blik gericht op het feest van bevrijding en redding.
De plechtige zinnen zorgen er voor dat de voetwassing die erop volgt een plaats krijgt in Jezus’ opgang naar de Vader. Wat Jezus gaat doen is niet zomaar een simpel gebaar, maar een weloverwogen teken van al wat komen gaat. In dat heel menselijke gebaar van voetenwassen zien wij Jezus als de mens in wie Gods liefde en kracht afdaalt en aanwezig is. “Zozeer heeft God de wereld liefgehad dat Hij zijn enig geboren zoon heeft gegeven”,[1] schreef Johannes eerder in het evangelie en hier horen wij nu hoe Jezus die de zijnen heeft liefgehad, een bewijs van zijn liefde geeft, tot het uiterste toe.’[2] Dat wil niet alleen zeggen tot het laatste moment, maar ook met heel zijn wezen.
De voetwassing is de uiterste grens van zijn menswording, een afdaling tot de laagste categorie op de menselijke ladder zodat niemand zou menen dat hij bij Jezus buiten de boot valt, zelfs zijn verrader niet. We horen ook dat hij zijn bovenkleed aflegt, en dat is meer dan van kloffie verwisselen. Het doet ons denken aan de scene waar Jozef[3] door zijn broeders zijn feestkleed wordt uitgetrokken. Zo legt Jezus hier vrij het goddelijke feestkleed af om met ons de weg te gaan van alle vlees en ons lot te delen tot in de dood, uiterste grens van onze sterfelijkheid. En zo begint hij de leerlingen de voeten te wassen, niet als iemand die boven hen staat, maar als gelijke van de verrader. Ook die wordt de voeten gewassen, maar of hij die daad innerlijk aanvaardt, is de vraag. Het voetenwassen door Jezus is geen vorm van zelfvernedering maar een uiterste daad van liefde. Het is een teken van zijn liefde die reinigt en vergeeft, die nieuw leven geeft, wat er ook gaat komen. Door hun zo de voeten te wassen wordt dit simpele dienstwerk tot een daad van grote intimiteit.
De leerlingen die het eerst aan de beurt komen geven geen commentaar. Maar als Jezus bij Petrus komt, wordt het anders. Die wil niet en hij laat het goed merken. Wat zegt dat? Ligt Petrus weer dwars of speelt er iets anders? Hij die Jezus zo liefhad en zo tegen hem opzag, voor hem was het onverdraaglijk dat Jezus zich tot zo iets verlaagde. Het is dezelfde reactie die klonk bij zijn uitroep ‘zoiets mag u niet overkomen’, toen Jezus over zijn aanstaande lijden sprak. Voor Petrus is de zelfontlediging, dat zich helemaal wegschenken, als het uitgieten van het water in het wasbekken, onverteerbaar. Voor hem is Jezus de heilige van God, die woorden van eeuwig leven heeft, maar een Jezus die de voeten wast en lijden en dood accepteert, die Jezus is voor hem onvoorstelbaar. Met zijn gedrag stelt Petrus ons de vraag, wie Jezus voor ons is.
De preek wordt te lang, maar het evangelie verdient nog stille tijd thuis. Tot slot, het ritueel van de voetwassing en dat van de maaltijd drukken een en hetzelfde uit. In beiden toont zich in vlees en bloed hoe Christus het sacrament is van Gods liefde. In beide geeft hij zich helemaal en in beiden komt hij ons lijfelijk nabij en neemt ons op in zijn levensgemeenschap. Wij allen zonder uitzondering, wie wij ook zijn en hoe ons leven ook is verlopen, wij worden door Jezus bemind. Die liefde moge ons aanzetten te doen wat hij ons vandaag heeft voorgedaan opdat alle mensenkinderen deel krijgen aan leven en vrede in zijn Naam.
AMEN.
Lezingen: Ex 12, 1-8+11-14; 1Kor 11, 23-26; Joh 13, 1-15
[1] Joh 3,16
[2] Joh 13,1
[3] Gen. 37,23
