De lezingen van deze eerste zondag in de veertigdagentijd draaien er niet omheen, of je kunt ook zeggen: ze draaien om één thema: de zonde – natuurlijk geen leuk thema: het zou je zondag bederven- maar gelukkig: het gaat over de overwinning op de zonde.
We horen over de val van de eerste mens en de overwinning van de nieuwe Adam: heel het drama van onze menselijke geschiedenis in één oogopslag.
In het Evangelie zien we hoe Jezus, de Zoon van God, als een gewoon mens wordt bekoord. Maar in tegenstelling tot de oude Adam en de hele mensheid, Hij weerstaat de bekoring. En dankzij Hem verliest het kwaad zijn ijzeren greep op de mens, worden wij herboren, bevrijd van de zonde die ons allen met de dood treft, herboren ten leven.
Die eerste lezing uit het boek Genesis is geen verhaal dat verslag wil doen van een feitelijk gebeuren zoals wij verwachten van een journalistieke reportage. Die moet je trouwens nu echt heel kritisch lezen, want veel berichtgeving is tegenwoordig erg creatief met de werkelijkheid en onbetrouwbaar. Fake nieuws. De bijbel is niet fake, maar is ook geen reportage, zij heeft niet ten doel om exacte feiten te rapporteren, maar wil wel een diepere waarheid openbaren. Het scheppingsverhaal leert over de band van de mens met God, en met zijn aardse omgeving. Adam is geformeerd uit aarde, aangesteld om de schepping te beheren. Door zijn ongehoorzaamheid is er chaos in zijn leven gekomen, en loopt het uit op de dood. Hij maakte misbruik van de kostbare gave die de Schepper hem had toevertrouwd en eigende zich toe wat hem verboden was.
Elke zonde is een rebellie tegen Gods wil. Paulus stelt dit zeer duidelijk aan het begin van de tweede lezing: “Door Adam is de zonde in de wereld gekomen, en door de zonde is de dood gekomen; en de dood heeft zich over alle mensen verspreid, omdat allen gezondigd hebben. Adam dat is: wij allen; hij is degene die begon; wij allen volgen zijn voorbeeld. Wij hebben een aartje naar ons vaartje.
Zoals gezegd: op deze eerste zondag van de Veertigdagenperiode keert dit ene thema, het thema van zonde en verleiding tot zonde, terug in alle drie de lezingen. In het Evangelie zien we hoe de Zoon van God mens geworden, moet afrekenen met de influisteringen van de boze, en dat tot ons grote geluk ook doet.
In tegenstelling tot de oude Adam en tot ons allemaal, weet Hij diens verleidingen te pareren. Het is de kerkelijke overtuiging dat dankzij Hem zal ook zijn moeder Maria op uitzonderlijke wijze bewaard is gebleven voor iedere smet van het kwaad. Aan haar bereidheid, haar groot geloof en haar trouw, hebben wij onze verlosser te danken. Wel wordt onze medewerking gevraagd. De Schepper respecteert onze vrije wil. Wij dienen ons te verzetten tegen het kwaad.
Dat er nog steeds kwaad is in onze wereld, ziekten en alles wat tot de dood leidt, wordt gezien als gevolg van de zonde, gevolg van onze zondige staat waarin alle mensen zich bevinden.
Maar als wij de last dragen van de erfenis van Adams ongehoorzaamheid: wij zijn ook erfgenamen van Christus. Zijn gehoorzaamheid geeft ons nieuwe kansen, verheft ons tot leven in vrijheid. Eerst tot het geestelijke leven, dan tot de opstanding van ons hele sterfelijke wezen, tot de opstanding zelfs van onze lichamen, die nog tijdelijk sterfelijk zijn, maar die op een dag ook tot eeuwig leven zullen opstaan.
Want op een dag zal er geen dood meer zijn, geen sterfelijkheid meer, geen kwaad. De gehoorzaamheid en genade van Christus overtreffen verre alle gevolgen van Adams ongehoorzaamheid en zonde. Waar de zonde overvloedig was, daar was de genade des te overvloediger. Het Exultet van de Paaswake weerspiegelt het triomflied van de heilige Paulus: “O onschatbaar bewijs van uw liefde: om de slaaf vrij te kopen hebt Gij de Zoon prijsgegeven. Was Adams zonde niet noodzakelijk, om door de dood van Christus te kunnen worden gedelgd? Gelukkige schuld waaraan wij zulk een Verlosser hebben te danken.”
Dierbaren, zo gaan wij als pelgrims van hoop deze 40-dagentijd in, samen op weg naar de vreugde van een leven in verbondenheid met de Schepper.
Dankbaar voor het licht van het geloof, voor ons mogen toebehoren aan de gemeenschap van de gelovigen, het lichaam van de Kerk.
De kerkgemeenschap ervaart in onze dagen een periode van uitzuivering en vernieuwing. Ook al als gevolg van het wereldwijde misbruikschandaal zien wij hoe veel mensen het instituut verlaten. Zij hebben hun vertrouwen in de ambtsdragers en dikwijls zelfs in God verloren. En daarnaast is er een enorme, zo goed als geruisloze kerkverlating van mensen die kerklid waren door maatschappelijke gewoonte en familietraditie, maar zonder persoonlijke overtuiging en diepgang.
Je kunt er mismoedig om worden, maar het is vruchtbaarder dat wij zo tot besef komen hoe kostbaar een levend geloof is, en hoe het vraagt om gevoed te worden door een trouw en volgehouden gebedsleven in verbondenheid met elkaar. Geloven is niet iets dat je in je eentje doet. Geloven doe je in verbondenheid, met God en met elkaar.
De geruisloze geloofsafval maakt een proces zichtbaar dat al heel lang gaande was, van kwijnende geloofspraktijk, van onverschilligheid, scepsis, twijfel, kritiek op alles en iedereen, verlies van perspectief. Een groot deel van de geloofsgemeenschap is zo vervreemd van de kerk, neemt geen deel aan haar vieringen, is alleen naamchristen, katholiek uit gewoonte.
Maar Christus Kerk zet haar missie voort en vernieuwt zich. Haar dagelijks gebed houdt de bloedsomloop in stand, haar kloppend hart blijft getuigen van Gods liefde, en haar pijn en lijden blijven niet zonder vrucht.
Terwijl – jammer genoeg – het aantal kinderdopen afneemt, ook door het dalen van het aantal geboortes, is er een groeiend aantal volwassenen, mensen die bewust toetreden tot de kerk. In België verwacht men dat honderden volwassenen dit jaar zullen toetreden tot de kerk. In Frankrijk, de oudste dochter van de kerk, maar ook het land waarvan men zei dat God er met vakantie is, werden vorig jaar met Pasen 10.000 volwassenen gedoopt. Ook in ons bisdom is er een verheugende groei in het aantal toetredingen van volwassenen. Wij zijn blij dat ook hier, in onze abdij een jongeman zich heeft aangemeld om het heilig doopsel in de Paasnacht te ontvangen. De voorbereiding zal zeker ook een woestijnervaring kennen, maar hopelijk is er ook de steun van de gemeenschap. De evangelie perikoop eindigt met te vertellen dat na de bekoring de duivel Jezus met rust liet en er engelen kwamen om Hem te dienen. Ook wij worden omringd, zowel door engelen die ons onzichtbaar omringen, als door de broeders, de oblaten en de gelovigen die een gebedsgemeenschap vormen waarin het geloof wordt gesterkt en gevoed.
Zo mogen wij deze 40dagentijd ingaan, biddend en elkaar bemoedigend, om het licht van Christus in onze wereld te laten schijnen en zijn vuur te doen oplaaien zodat het energie kan geven aan heel onze samenleving tot eer van God en tot heil van ons allen.
Van harte een gezegende 40dagentijd,
Br. Gerard Mathijsen
Lezingen: Genesis 2, 7-9; 3, 1-7, Romeinen. 5, 12-19, Matheus 4: 1-11
