De uitnodiging en het antwoord
Wanneer Jezus een gelijkenis vertelt aan de oudsten en de hogepriesters (Mt. 22,1-14), mogen we goed luisteren. Zijn woorden zijn scherp. Hij roept deze religieuze leiders op tot omkeer. Zij kennen de Schrift en de beloften van God. Maar Jezus houdt hun voor: je kunt onderlegd zijn en toch weigeren je door de Heer te laten raken. Toch kan deze gelijkenis ook bij ons weerstand oproepen. Het verhaal botst met het godsbeeld dat we zo graag koesteren.
We hoorden de profeet Jesaja spreken over een God die alle tranen van de gezichten zal afwissen. Hij bereidt een feestmaal voor alle volken. Hij zal de dood voor altijd vernietigen (Jes. 25,6-10a). Dat is het beeld van God waarin we rust vinden.
En dan vertelt Jezus deze gelijkenis. Een koning organiseert een bruiloftsfeest voor zijn zoon. De genodigden weigeren te komen. Sommigen slaan zijn dienaren zelfs dood. Daarop laat de koning hun stad in brand steken. Dat is een harde reactie, die ons niet onberoerd laat. Als we op het nieuws de beelden zien van steden die in brand staan, krijgt dit verhaal een huiveringwekkende actualiteit. We kunnen ons afvragen hoe dit te rijmen valt met de God die volgens Jesaja alle tranen van de gezichten zal afwissen.
En dan is er nog die man die wel komt, maar geen bruiloftskleed draagt. Hij wordt buiten in de duisternis geworpen, waar geween is en tandengeknars. Laten we die scherpe kanten niet gladstrijken. Wat voor God zien we hier aan het werk?
Een eerste stap om deze knoop te ontwarren, vinden we in de woede van de koning. Een God die onverschillig staat tegenover het kwaad, zou ook onverschillig staan tegenover de slachtoffers ervan. Als mensen worden vermoord en het recht wordt vertrapt, kan God daar niet onbewogen bij blijven. De Bijbel spreekt over Gods toorn. Niet als de driftbui van een tiran, maar als de ernst van Gods liefde, die zich tegen het kwaad keert.
Maar dan neemt het verhaal een verrassende wending. Het feest gaat door. De dienaars moeten de straat op en iedereen bijeenbrengen: slechten én goeden.
Dat is ongehoord. Er wordt geen selectie gemaakt. Niemand kan bij de ingang zeggen: ‘Ik heb recht op een plaats omdat ik zo braaf ben.’ En niemand hoeft te wanhopen: ‘Voor mij is er geen plaats, want ik heb te veel fouten gemaakt.’ De uitnodiging komt vóór onze verdienste. God nodigt ons uit, niet omdat we het verdiend hebben, maar uit genade.
Maar hoe zit het dan met die man zonder bruiloftskleed? Ook hij is uitgenodigd en toch wordt hij buiten in de duisternis geworpen. We lezen dat gemakkelijk als een straf: hij draagt niet het juiste kleed en wordt daarom weggestuurd. Maar misschien mogen we bij die scène wat langer stilstaan.
In de grondtekst staat: ‘Werp hem buiten, in de duisternis.’ En dan volgt: ‘Dáár zal geween zijn en tandengeknars.’ Dat woord ‘dáár’ brengt ons bij de plaats waar de man terechtkomt: buiten, in de duisternis. Daar kan hij blijven mokken en jammeren. Hij blijft buiten het feest en buiten de vreugde die de koning met zijn gasten wil delen. Maar in het Rijk van God is geen plaats voor dat mokken en jammeren. Daar worden mensen samengebracht, daar worden tranen afgewist en wonden geheeld.
Het gaat bij het bruiloftskleed niet om onze outfit of om uiterlijke religieuze prestaties. De kerkvader Augustinus zag in het bruiloftskleed een beeld van de liefde. Het gaat erom of wij de liefde die God ons schenkt, in ons leven werkzaam laten worden, ook in onze omgang met de naaste.
Hier ligt de directe uitdaging voor de oudsten en de hogepriesters. Zij menen vanuit hun kennis te kunnen bepalen wie bij God hoort en wie niet. Maar God keert hun logica om en nodigt iedereen uit, slechten én goeden. Het dragen van het bruiloftskleed – het openstaan voor Gods liefde – maakt duidelijk of we werkelijk bereid zijn het feest binnen te gaan. Wie anderen bij voorbaat uitsluit, sluit zich in feite af voor die liefde.
Dat betekent niet dat we daarin altijd feilloos slagen. We schieten allemaal weleens tekort en we falen soms in het toelaten om bemind te worden. Maar die menselijke onmacht is gelukkig iets heel anders dan een bewuste weigering. Het gaat erom of we de innerlijke bereidheid hebben om ons door die liefde te laten leiden, in plaats van ons er koppig voor af te sluiten.
Die bereidheid hoeft niet gepaard te gaan met grote spirituele gevoelens. Ons hart kan droog aanvoelen, zonder dat we daarom Gods liefde afwijzen. Zijn we bereid ons door de Heer te laten verrassen? Zeker wanneer zijn goedheid groter blijkt dan we hadden verwacht?
De apostel Paulus laat in zijn brief zien wat dat vertrouwen betekent. In wisselende omstandigheden heeft hij geleerd te leven vanuit zijn verbondenheid met Christus.
‘Ik vermag alles in Hem die mij kracht geeft’ (Fil. 4,12-14.19-20).
Niet omdat alles hem gemakkelijk afgaat, maar omdat hij zich aan Christus’ liefde vasthoudt.
En vandaag staat de tafel ook voor ons klaar. Wij zitten hier niet omdat we ons leven perfect op orde hebben. Ieder van ons is welkom. Niemand hoeft te zeggen: ik ben niet goed genoeg. Niemand kan zeggen: ik heb hier recht op. De uitnodiging gaat aan ons vooraf. We mogen komen en ons toevertrouwen aan de liefde die ons roept. Moge ons antwoord zijn dat we Gods genade aannemen en binnengaan.
Amen
Broeder Paul Cools
