Het Ja en Nee in ons
Dierbaren,
‘Laat uw ja ja zijn, en uw nee nee’, zegt Jezus in de Bergrede. Dat klinkt helder. Maar vandaag vertelt Hij over twee zonen bij wie woorden en daden niet samenvallen. De een zegt ja en blijft thuis. De ander zegt nee en gaat toch. Wie van de twee doet de wil van zijn vader?
Het antwoord weten we meteen. En toch is de vraag minder eenvoudig zodra we deze op onszelf betrekken. Want in ons leven zijn beide zonen herkenbaar.
Er zijn momenten waarop wij ja zeggen. Ja, ik zal tijd voor je maken. Ja, ik zal luisteren. Ja, ik zal helpen. Misschien menen we het op dat moment ook oprecht. Maar de dag raakt vol, iets anders vraagt onze aandacht, en het blijft bij goede bedoelingen.
Er zijn ook momenten waarop wij nee zeggen. Omdat het ons niet uitkomt, omdat we moe zijn, of omdat we bang zijn voor wat er van ons gevraagd wordt. En later denken we: misschien moet ik toch gaan. Misschien heeft die ander mij werkelijk nodig.
Jezus vertelt zijn gelijkenis aan de hogepriesters en de oudsten van het volk. Zij kennen Gods Wet en hebben een verantwoordelijke plaats in het geloofsleven. Juist daarom is Jezus vraag indringend.
Zij hebben Johannes de Doper gehoord, die mensen opriep tot bekering. Zij hebben ook gezien dat tollenaars en prostituees naar hem luisterden en hun leven wilden veranderen. Toch bleven zij zelf op afstand.
Jezus zegt hun iets dat hard moet zijn aangekomen: ‘De tollenaars en de prostituees gaan eerder dan jullie het Rijk Gods binnen.’ Daarmee zegt Hij niet dat hun verleden er niet toe doet. Hij zegt dat hun verleden niet hun toekomst hoeft te bepalen. De tollenaars en prostituees, zij hebben geluisterd en zijn in beweging gekomen. De hogepriesters en oudsten die meenden al op de goede plaats te staan, liepen het gevaar stil te blijven staan.
Daarover spreekt ook de profeet Ezechiël. Het volk vraagt zich af of Gods wegen wel rechtvaardig zijn. Ezechiël antwoordt dat een mens niet voor altijd wordt vastgelegd op wat hij vroeger heeft gedaan. Wie een verkeerde weg verlaat en recht en gerechtigheid doet, zal leven. Er is een nieuwe weg mogelijk, voor u, voor mij, elke dag opnieuw.
Dat is een troostrijk woord. Misschien dragen wij iets met ons mee waar we spijt van hebben: een hard oordeel over iemand, een vriendschap die we hebben verwaarloosd, een belofte die we niet zijn nagekomen.
Soms denken we dat het inmiddels te laat is om nog iets goed te maken. Ezechiël en Jezus houden ons vandaag voor: begin met de stap die je nu kunt zetten. Zoek die ander op. Spreek een eerlijk woord. Vraag vergeving, of bied hulp aan. Het hoeft niet in één keer volmaakt te zijn. Maar zet die stap.
De eerste zoon uit de gelijkenis in het evangelie doet niet wat de vader van hem vraagt. De vader vraagt: ga vandaag werken in de wijngaard. Hij antwoord dan: ‘Goed vader’, maar doet het niet.
Aan de tweede zoon vraagt de vader hetzelfde. ‘Nee, ik wil niet’. Later krijgt hij spijt en gaat toch naar de wijngaard. Jezus vertelt niet wat hem precies van gedachten doet veranderen. Misschien herinnert hij zich zijn vader.
Misschien beseft hij dat het werk gedaan moet worden. We weten alleen dát hij gaat. Zijn eerste antwoord blijkt niet zijn laatste woord te zijn.
De wijngaard van de Vader ligt ook voor ons niet ver weg. Wij betreden haar waar we zorg dragen voor elkaar: in het gezin, in onze gemeenschap, op het werk, bij een zieke buur of een eenzame gast. Soms vraagt dat iets groots. Vaker begint het klein: iemand laten uitspreken, een taak op ons nemen die niemand graag doet, terugkomen op iets wat we hebben gezegd. Zo krijgt ons “ja” handen en voeten.
Daarbij kunnen we ons afvragen waarom de eerste zoon thuisblijft. Ook dat vertelt Jezus niet. Misschien wilde hij zijn vader graag tevredenstellen en zei hij daarom onmiddellijk: ja. Maar een vriendelijk antwoord alleen is nog geen gehoorzaamheid. Die vraagt dat we ons werkelijk laten raken door wat de ander van ons vraagt.
Paulus wijst ons in de tweede lezing de weg. ‘Geef niet alleen om uw eigen belangen, maar ook om die van anderen’, schrijft hij aan de Filippenzen. Daarna spreekt hij over Christus.
Hij klampte zich niet vast aan zijn hoge plaats, maar maakte zich klein en werd gehoorzaam, tot de dood aan het kruis. In Hem zien we hoe ver Gods liefde gaat. Christus blijft niet op afstand van ons leven. Hij komt ons nabij en geeft zichzelf.
Als wij proberen te luisteren, te dienen en opnieuw te beginnen, hoeven we dat dus niet alleen op eigen kracht te doen. Christus gaat ons voor. Hij kent onze zwakheid en nodigt ons toch uit Hem te volgen. Zijn liefde kan ons helpen om een aarzelend ‘nee’ te veranderen in een oprecht ‘ja’.
Misschien is dat vandaag de vraag voor ieder van ons: waar wacht de Vader op mij? Niet op een indrukwekkend antwoord, maar op een stap. Misschien weten we al lang welke stap dat is. Misschien moeten we er nog even stil voor worden om haar te ontdekken.
Straks komen wij samen aan de tafel van de Heer. Wij brengen mee wat goed ging, en ook wat onaf is gebleven. Wij danken Hem voor zijn trouw en vragen om de moed opnieuw te beginnen.
God houdt ons niet vast aan ons eerste antwoord. Hij vraagt of wij vandaag zijn wijngaard binnengaan: met aandacht voor wie ons nodig heeft, met de bereidheid ons te laten veranderen, in het spoor van Christus, die zichzelf voor ons heeft gegeven.
Moge deze viering van de Eucharistie, sacrament van éénheid en liefde ons sterken en bemoedigen, om van hier op tocht te gaan en daar te doen wat wij hier belijden: God liefhebben, elkaar nabij zijn, en elkaar in liefde te dienen. Tot eer van Zijn Naam.
Amen
Abt Gerard
Lezingen: Ezechiël 18,25-28 · Filippenzen 2,1-11 · Mt. 21,28-32
