Goede grond worden
De zaaier uit het evangelie doet ons de wenkbrauwen fronsen. Welke boer strooit nu kostbaar zaad op de harde weg? Wie gooit het nu op de rotsen, of tussen de distels? Dat is toch pure dwaasheid.
Onze eerste reflex is vaak om te zeggen: je moet deze gelijkenis (Mt. 13, 1-23) geestelijk verstaan. De grond is ons hart. Het zaad is Gods Woord. En inderdaad, zo legt Jezus de gelijkenis zelf ook uit. We herkennen die harde weg, de rotsen en die doornen ook in ons eigen leven. Ons hart is niet altijd één; het raakt gemakkelijk verdeeld. Maar laten we de Schrift niet te snel losmaken van de materie. Zij vlucht nooit weg uit de werkelijkheid van aarde, lichaam en leven. Jezus spreekt niet toevallig over een zaaier.
Zaaien is een aards, tastbaar ambacht. Hij spreekt over concrete elementen: over aarde, regen, zaad en brood. De eerste lezing zegt het heel eenvoudig: zoals regen en sneeuw de aarde drenken en haar vruchtbaar maken, zo werkt ook Gods Woord (Jes. 55, 10-11). Gods eerste beweging is geen schaarste. Gods eerste beweging is overvloed. En toch lijden vandaag nog altijd miljoenen mensen honger. De aarde raakt uitgeput. Ligt dat aan de Zaaier? Of ligt het aan ons? De schepping brengt leven voort. Maar onze samenleving kent structuren waarin winst en bezit gemakkelijk zwaarder wegen dan vruchtbaarheid en delen, en waarin economische groei soms boven het leven zelf komt te staan. Juist hier wordt de Kerk ook in onze tijd dringend geroepen om profetisch te spreken. Haar sociale leer herinnert ons er al heel lang aan dat het uitbuiten van de armen en het uitputten van de aarde uit dezelfde wortel kunnen groeien.
Er bestaat zoiets als structurele zonde: onrecht dat zich vastzet in onze maatschappelijke structuren. De doornen waarover Jezus spreekt, zijn daarom niet alleen de zorgen van ons persoonlijk leven. Zij kunnen ook de structuren zijn die uit onze hebzucht groeien en het leven verstikken. Maar die structuren staan niet buiten ons. Wij maken er deel van uit en worden er ook door gevormd. Uiteindelijk groeien zij uit hetzelfde hart waarvan de psalm zegt: ‘Schep in mij een zuiver hart, o God’ (Ps. 51, 12). Daarom begint de vernieuwing ook in het hart van de mens.
Maar het evangelie onthult een nog diepere werkelijkheid. Jezus is gekomen om ons hart te helen en te herstellen wat door de zonde gebroken was. Maar de menswording reikt nog verder. Soms spreken we over de menswording alsof God pas ingreep toen alles mislukt was. Gods liefde voor de schepping is ouder dan onze zonde. Vanaf het begin heeft Hij haar lief. En in Jezus komt Hij haar niet vanop een afstand redden. Hij wordt zelf deel van onze wereld. Hij heeft ons lichamelijk bestaan aangenomen. Hij heeft de kwetsbaarheid van het leven gedeeld. De Zaaier bleef niet aan de rand van de akker staan. Hij werd zelf het Zaad dat in de aarde viel om vrucht te dragen. Dat verandert onze blik op de schepping. Zij is niet zomaar grondstof voor onze behoeften. Zij is de wereld die God heeft geschapen, liefheeft en in Christus heeft aangenomen.
Daarom kunnen wij de aarde niet uitbuiten zonder tegelijk iets te beschadigen van datgene waarmee God zich heeft verbonden. Daarom schrijft de apostel Paulus dat heel de schepping kreunt en in barensweeën verkeert (Rom. 8, 22). Dat is een indrukwekkend beeld. De aarde lijdt onder wat wij haar aandoen. Maar Paulus spreekt niet over een doodsstrijd. Hij spreekt over barensweeën. De pijn draagt een belofte in zich. De schepping is niet bestemd om vernietigd te worden. Zij is bestemd om voltooid te worden.
In de Paasliturgie dankt de Kerk God dat Hij ons wonderbaar heeft geschapen en nog wonderbaarlijker heeft verlost. Juist daarin wordt duidelijk hoezeer God zijn schepping liefheeft. Hij gooit haar niet weg. Hij vernieuwt haar. Hij voltooit in de verrijzenis van Christus wat Hij in de schepping begonnen is. Christus staat niet op als een geest die de aarde achter zich laat. Hij verrijst met zijn verheerlijkt lichaam. De verrijzenis schaft de schepping niet af, maar brengt haar tot haar bestemming. De oogst waarop de Zaaier vertrouwt, is groter dan wij kunnen vermoeden. Ook wij maken deel uit van die schepping die God wil voltooien. Wij zijn in haar geworteld. Opdat ook wij delen in die voltooiing, nodigt Jezus ons uit goede grond te worden.
Goede grond is een hart dat zich laat openen. Een hart dat niet verstikt wordt door hebzucht, bezit of angst. Een hart dat ruimte maakt voor Gods overvloed. Ook hier, binnen onze monastieke gemeenschap, herinnert het leven ons aan een waarheid die onze samenleving gemakkelijk vergeet: vruchtbaarheid laat zich niet afdwingen.
Het zaad heeft tijd nodig. Donkerte. Stilte. Geduld.
Zo groeit ook het geloof. Niet door steeds sneller te willen leven, maar door ruimte te geven aan Gods Geest. Dat vieren wij aan het altaar.
Brood en wijn, vruchten van de aarde én van menselijke arbeid, worden ons aangeboden. Door de kracht van de Heilige Geest worden zij het Lichaam en Bloed van Christus. De schepping wordt niet verlaten. Zij wordt opgenomen in Gods leven.
Mogen wij dan bidden dat ook ons hart goede grond wordt. Dat de doornen van hebzucht en angst worden weggenomen. Dat Gods Woord in ons vrucht draagt, zodat ook door ons de schepping mag uitgroeien naar haar voltooiing in Christus.
Amen
Broeder Paul
