14e Zondag door het Jaar
“Ik zegen u Vader Heer van hemel en aarde…”
Wij zagen de afgelopen dagen hoe paus Leo de brute machthebbers van nu onverschrokken met wijze woorden terecht wees, en daarna op Lampedusa zijn medeleven toonde met de ontheemde vluchtelingen voor het geweld.
In het evangelie van deze zondag jubelt Jezus het uit en roept op om alles waarover wij tobben achter ons te laten en in zijn nabijheid te leven in het licht waar Hij zelf naartoe leefde, het licht van Pasen, al moet een mens daarvoor door het duister van de nacht.
In zijn uitroep geeft Jezus ons een zeldzame inkijk in zijn gebedsleven. Heel zijn leven is een gesprek met de Vader. Dikwijls trekt Hij zich terug om te bidden. Hij bidt in het verborgene en heeft ons geleerd Hem daarin na te volgen. Bij bijzondere momenten breekt de relatie met de hemel open en wordt zij zichtbaar en hoorbaar. Niet in ellenlange gebeden, vertrouwelijk samenzijn, zonder veel woorden, van hart tot hart.
Bij de aanvang van zijn openbare optreden daalde Jezus af in de Jordaan; daar kwam de Geest over Hem en klonk de stem van de Vader. Op de Tabor mochten drie van zijn apostelen Hem aanschouwen glanzend in ongeschapen licht, en het getuigenis van de Vader over Hem vernemen. Dat waren topmomenten, hoogtepunten. Het evangelie dat wij zojuist beluisterden maakt ons deelgenoot van een ander hoogtepunt, juist als Jezus vernomen heeft van het droeve lot van Johannes de Doper, en Hij de steden die Hij bezocht hun ongeloof verwijt. Ook al stond de wereld daarvoor niet open, Hij was Gods gave om aan de mensen Gods liefde en nabijheid te openbaren. In Hem wilde God de mensen tonen hoezeer Hij ons nabij wil zijn, dat Hij een God wil zijn van alle mensen.
Jezus toont ons de nabijheid en liefde van God. Het geloof opent onze ogen voor dit mysterie: dat God ons nabij is in deze nederige mens. Dat wij rust vinden in kinderlijk vertrouwen.
Jezus heeft ons leren bidden: in de Bergrede schenkt Hij de woorden van het Onze Vader. In de hof van Olijven bidt Hij voor zichzelf, maar zo leert Hij ons ook hoe wij in moeilijke omstandigheden behoren te bidden: “Vader, als het mogelijk is, laat deze beker dan aan mij voorbijgaan. Maar laat het niet gebeuren zoals Ik het wil, maar zoals u het wilt.” En tenslotte bidt hij stervend op het kruis: “Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?” Alles lijkt er dan op te wijzen dat de Vader van Hem geweken is; Jezus toont ons dat zelfs in de uiterste beproeving Hij, de gezondene van God, onze lotgenoot is, ons in diepste nood grenzeloos nabij.
Niemand weet waarom. Waarom er lijden moet zijn is een mysterie. Maar Jezus geeft ons een hoopvolle doorkijk en moedigt aan te vertrouwen.
In de evangeliewoorden van vandaag, dierbaren klinkt geen drama, enkel jubel. De Heer verheugt zich in de vruchtbaarheid van zijn zending, Hij voorziet de oogst. “Ik zegen u Vader Heer van hemel en aarde…”
Wij proeven iets van zijn zielenleven, zijn innerlijke bewogenheid. Midden in zijn openbare bediening in Galilea – ja, nadat Hij het ontnuchterend ongeloof van zijn tijdgenoten aan de kaak heeft gesteld, die sceptisch stonden tegenover de asceet Johannes de Doper, en al even sceptisch tegenover die Jezus die zich inliet met zondaars, in een situatie waar mensen zijn optreden bekritiseren en afkeuren – wendt Jezus zich jubelend tot zijn hemelse Vader. Het is veelzeggend dat, binnen de loop van het verhaal zoals dat door Matteüs wordt verteld, dit serene en glinsterende gebed oprijst in een hoofdstuk vol twijfel over Jezus en afwijzing van Hem door zijn mede-Galileeërs, en gevolgd door een hoofdstuk vol conflicten, met daarin een verwijzing naar de Lijdende Knecht van de profeet Jesaja en de eerste vermelding van een samenzwering om hem te vernietigen. Alle onbegrip en tegenstand zal uiteindelijk wegsmelten door de goddelijke energie.
Zijn gebed loopt uit op een uitnodiging: “Komt tot mij, allen die ploeteren en overbelast zijt en ik zal u rust geven”. Hij beschrijft zichzelf als een Meester en Leraar die “zachtmoedig en nederig van hart is en je zult rust vinden voor je zielen”. Zoals de profetie van Jesaja zegt: “Hij zal een gekneusd riet niet breken noch een smeulende lont doven”. Hij wil ons nabij zijn als onze Redder, onze Heiland, ons geluk, onze Zaligmaker.
Tussen het gebed tot de Vader en de uitnodiging om Hem te volgen staat de openbaring van de goddelijke voorzienigheid. “Niemand kent de Zoon behalve de Vader en niemand kent de Vader behalve de Zoon”. Maar daarbij blijft het niet: die uitspraak van exclusiviteit wordt a.h.w. opengebroken waar Hij toevoegt – “en degenen aan wie de Zoon verkiest hem te openbaren.”
Met deze woorden sluit Jezus niemand uit, Hij is niet gekomen voor een kleine schare uitverkorenen, nee: “Komt allen tot Mij”, voor ieder mens wil Hij de heiland zijn. Wat een heerlijke uitnodiging om Hem binnen te laten in ons leven. Het leven is incompleet, onvolledig, zonder richting, doel of inhoud, zonder Hem. Paulus zegt het aan de christenen van Rome: Uw bestaan wordt niet beheerst door de zelfgenoegzaamheid, letterlijk: jullie zitten niet in het vlees, maar leven door de Geest, omdat de Geest van God in u woont.” Als we ons daarvan bewust zijn, dat wij kinderen zijn van God, gekend en bemind door de Eeuwige, dan zullen de wederwaardigheden van dit aardse leven ons niet verontrusten. Vragen wij dat dit geloof ons mag bezielen. Het zal ons sterken en ook onze onderlinge verbondenheid ten goede komen. Geen leven is zonder beproeving, maar ook is geen leven zonder de troost van de belofte en de uitnodiging van de Heer.
Br. Gerard Mathijsen
