Vruchtbare aarde

Van bij onze geboorte, wanneer we onze ogen openen in deze wereld, ontdekken we gaandeweg dat we aan de aarde gebonden zijn. Er is een zwaartekracht die aan ons trekt. We zijn gemaakt van stof – kwetsbaar, tastbaar en eindig – en verbonden met alles wat ons omringt.

Die gebondenheid wordt het sterkst voelbaar wanneer er een afscheid nadert, zoals vandaag in het evangelie, waar Jezus met zijn leerlingen is, vlak voor zijn heengaan. Dan herkennen we iets van wat wij zelf kennen bij verlies: het verlangen om vast te houden wat voorbijgaat. Aan een ring, een foto, of een plek waar we samen geleefd en liefgehad hebben. Omdat liefde zich hecht aan het tastbare. Wij geloven vaak met onze handen.

Ook Jezus’ leerlingen zijn zo met Hem vertrouwd geraakt. De klank van zijn stem, zijn nabijheid, het samen eten met Hem. Voor hen voelt dit afscheid als het wegvallen van warmte. Als verweesd zijn, een gemis aan gedragenheid en zorg.

Om dit te verstaan, keren we terug naar Witte Donderdag. Daar was het goddelijke nog tastbaar aanwezig: in het brood dat gebroken werd, in de wijn die gedeeld werd, in de voeten die gewassen werden. Jezus gaf zichzelf in tastbare gebaren. Alsof Hij zei: houd dit vast, zodat de verbinding tussen hemel en aarde niet breekt.

Maar daar gebeurt iets. Het perspectief verschuift. Om tot een volwassen geloof te komen, dient de blik van de leerlingen te kantelen. Hij onttrekt zich aan hun ogen. Niet om te verdwijnen, maar om een diepere aanwezigheid mogelijk te maken. Hij verdwijnt niet uit hun leven. Hij komt juist dichterbij: van buiten naar binnen. Wat buiten was, wordt binnenin levend, van de straat naar het hart.

Je zou kunnen zeggen: zo werkt de Geest. Hij is de levende adem die van binnenuit bezielt en ons binnenleidt in de waarheid van wat Jezus in de kracht van zijn Vader gezegd en gedaan heeft.

En precies daar krijgt dit mysterie zijn gestalte in het concrete leven van de gemeenschap. De Geest van Jezus heeft een lichaam nodig: zijn gemeenschap, zijn Kerk. Tot zijn leerlingen zegt Hij: ‘Als gij Mij liefhebt, zult gij mijn geboden onderhouden.’

Hoe moeten we dat verstaan? Niet als regels die van buitenaf worden opgelegd. Liefde laat zich niet bevelen, en nog minder dragen als een last.

Ons instemmend antwoord op Jezus’ liefde kunnen we verstaan als de aders waardoor zijn leven in ons kan stromen. Zoals het bloed doorheen het lichaam stroomt en elk deel doortrekt om het te laten leven, zo wil ook de Geest van Jezus Christus, als gave van zijn liefde aan het kruis, in ons doorstromen.

En zoals het bloed zich een weg baant doorheen het lichaam, waar het ook moet komen, zo laat zijn liefde zich niet opsluiten binnen welke grens ook.

En Gods Geest doorbreekt wat gesloten is. Dat horen we in de eerste lezing uit de Handelingen. Filippus brengt het evangelie in Samaria, waar mensen uit het zuiden op de Samaritanen neerkeken, omwille van een geloof dat als onzuiver werd beschouwd door vreemde invloeden (Hand. 8, 5-8.14-17)

De Geest doorbreekt wat in quarantaine werd gezet. Reeds in de jonge Kerk – doorheen de handoplegging – en tot op vandaag in de levende kracht van de apostolische Kerk, wanneer de Geest ruimte krijgt om ook onze eigen Samaria’s te doorkruisen: mensen en plaatsen die we liever op afstand houden.

Dan groeit een levende gemeenschap. Gedragen door de adem van de Geest. Als een stroom die verdergaat. Die stroom vindt haar weg in mensen. Dáár wordt zichtbaar wat vruchtbare aarde is: niet ergens ver weg, maar midden in het stoffelijke bestaan van mensen, waar leven doorbreekt in zorg voor elkaar, met een bijzondere voorkeur voor de zwaksten.

Zo wordt een gemeenschap die in Christus geënt is de grond waarin Gods liefde tot bloei komt. En die vruchtbaarheid vraagt in ons bestaan steeds weer om tekenen waarin het nieuwe leven in Christus wordt verwelkomd, gevierd en ontvangen. In de liturgie van de Kerk wordt dat sacramenteel verdicht: in brood en wijn, water, licht, vuur, olie en gebaren die nabij brengen en verder wijzen.

Daarin wordt iets zichtbaar van een aanwezigheid die zich niet opsluit in wat wij kunnen vasthouden.

Wat wij ontvangen in dat stille wijdingsgebeuren is niet iets voorbijgaands. Het is een aanwezigheid die ons blijft dragen, doorheen de tekenen.

Wanneer Jezus zegt: ‘Ik laat jullie niet als wezen achter’, dan betekent dat dat de verbinding niet breekt. Zij wordt anders, maar verdwijnt niet. Wat we verliezen in zichtbare nabijheid, wordt gedragen aanwezigheid, opgenomen in de liefde tussen de Zoon en de Vader.

Ons bestaan wordt niet losgemaakt van de aarde, maar dieper ermee verbonden. De Geest die ons bezielt is dezelfde kracht die de steen van het graf heeft weggerold.

Zo wordt ons leven Paasgrond, waar het aardse niet verdwijnt, maar tot vervulling komt in de verrijzenis. Het keert terug naar de aarde en gaat niet verloren in de Levende.

Amen

 

Br. Paul Cools

Lezing: Joh. 14, 15-21

Nieuwsbrief

Schrijf u vrijblijvend in en blijf op de hoogte van de activiteiten van Abdij van Egmond.

We respecteren uw privacy. Sint-Adelbertabdij zal uw e-mailadres nooit delen met derden.
© 2026, Abdij van Egmond Algemene voorwaarden