Wij vieren vandaag in de abdij Sacramentsdag. In de parochies in Nederland wordt het aanstaande zondag gevierd. Die doordeweekse zondag smaakt anders dan een verschuiving naar de zondag en houdt de link met Witte Donderdag bovendien ook beter vast.
Witte Donderdag en Sacramentsdag, het zijn twee feesten over hetzelfde geheim. Elk met zijn eigen kleur, omdat de context verschilt. Op witte donderdag staat het gebeuren in het kader van het Triduüm Sacrum en daarmee krijgt de laatste maaltijd van de Heer een heel eigen en uitgesproken accent. Vandaag op Sacramentsdag krijgen wij de gelegenheid nog eens stil te staan bij dat geheim in het grote verhaal van Jezus’ leven.
De evangelielezing van deze dag is genomen uit hoofdstuk 6 van het evangelie van Johannes. Dat hoofdstuk begint met de spijziging van de vijfduizend en iets verderop volgt dan Jezus toespraak over het levende brood. Wij hebben het zojuist gehoord. Ik zou vandaag bij twee zinnen uit dat verhaal willen stilstaan. De ene zin is een vraag van de Joden en de andere zin die er aan voorafgaat, komt uit de mond van Jezus.
Laat ons beginnen met Jezus. “Het brood dat ik zal geven, is mijn vlees ten bate van het leven van de wereld.” Die zin krijgt kleur en diepte tegen de achtergrond van de korte passage die wij in de eerste lezing hebben gehoord. Daar was sprake van de dramatische weg van Gods volk door de woestijn. Een tocht die ze nooit hadden kunnen volhouden als er niet het manna was geweest. Waarom dat manna? “Hij wilde u daardoor laten beseffen, dat de mens niet leeft van voedsel alleen, maar van alles wat uit de mond van de Heer komt,”[1] zo hoorden wij. Velen hebben in onze samenleving voedsel te over, en toch zijn ze niet gezond en gelukkig. Daar is meer voor nodig, daar is iets anders voor nodig. Consumeren is heel iets anders dan communiceren. Je hebt een woord nodig dat de ziel voedt, dat zin en richting geeft, dat relatie sticht en toekomst biedt. Brood uit de hemel, het levende woord. Ze hadden die tocht door de woestijn naar het beloofde land nooit volgehouden zonder dat woord, die belofte, dat verbond. Zo ging dat toen, zo gaat het nu. Waar de geestelijke spijs ontbreekt, daar schiet de materiële spijs te kort. Al maar meer brengt nog geen hemel op aarde.
En zo komen wij bij Jezus’ woorden. “Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald….. Het brood dat ik zal geven , is mijn vlees ten bate van het leven der wereld.” In een wereld waarin meer en meer gedacht wordt dat wij het leven zelf kunnen maken en dat onze kennis en kunde tot aan de hemel reikt met AI, klinkt hier een heel andere toon. Hier gaat het niet over iets wat wij kunnen maken, maar over iets wat ons wordt gegeven. Aan de tafel van de Heer zijn wij ontvangers en is Jezus de gever. Ons menselijk leven begint met ontvangen. Wij ontvangen het leven van onze ouders voor wij zelf een actieve rol krijgen. En wanneer wij aanschuiven aan de tafel van de Heer is hij het die ons leven geeft van Godswege. Eucharistie vieren is iets anders dan een feestje bouwen. Wij krijgen brood uit de hemel aangereikt, Gods mens geworden woord, dat met ons communiceert, da ons betrekt in zijn leven.
‘Het brood dat ik zal geven, is mijn vlees ten bate van het leven der wereld.’ En in het verdere verloop hoorden wij verscheiden malen spreken over ‘mijn vlees en bloed eten’. Die heel aardse uitdrukking geeft te verstaan dat Jezus ons menselijk bestaan heeft aangenomen en op zich heeft genomen in al zijn kwetsbaarheid. Hij heeft het omarmd en aanvaard en hij geeft het ten bate van het leven van de wereld. Zijn bestaan is dus geen egotripperij, in de trant van ikke, ikke, nee, hij geeft zijn leven – hij geeft het, ook in het uur dat het wordt genomen- het is zijn glorie het vrij te geven, en wel voor het leven van de wereld. De eucharistie is er dus niet alleen voor het heil van mijn ziel, voor een privé vroomheid. Nee, Jezus geeft zich voor het leven van de wereld. Niet voor een kleine groep, nee, voor heel de wereld. Wanneer wij dus samenkomen voor de eucharistie kunnen wij de wereld niet buiten laten staan, integendeel, die wereld wordt aan tafel genodigd, om haar gaat het. God wil dat alle mensen gered worden.
Maar laat ons nog een ogenblik stilstaan bij de vraag van de Joden. “Hoe kan hij ons zijn vlees te eten geven?’ Die woorden wekten weerstand, en meer dan dat. In Joodse oren klonk dat als een gruwel. Zijn vlees en bloed eten, dat was en is ondenkbaar. Er werd om getwist. Die krasse taal vraagt om onderscheiding, toen en nu. Die woorden zeggen niet alleen hoever Jezus is gegaan in zijn zelfgave, tot op zijn blote lijf, tot de dood toe, heeft hij zich gegeven, maar tegelijk zijn ook wijzelf in het geding. Waar Paulus in zijn brieven de beeldtaal gebruikt van de oude mens afleggen en Christus aantrekken, zo is de taal van Johannes nog krachtiger. Wij moeten de Christus eten, heel dat aardse bestaan zoals hij het heeft geleefd dienen wij te eten, tot ons te nemen zodat het vlees en bloed van ons wordt. Zijn leven moet ons eigen worden en dat gebeurt wanneer wij aan de tafel van de Heer aanzitten en ons door die gave laten omvormen en opnemen in zijn lichaam. Wij in hem en hij in ons, opdat wij in hem en door hem en met hem een levende gave worden aan de Vader en in één Geest dienstbaar worden aan het leven van de wereld, een huis waar ieder aan de tafel van het leven een plek krijgt in Jezus’ Naam.
AMEN.
Abt Thijs
[1] Deut. 8,3
