Vanuit ontvangen vergeving

Wanneer we hier samenkomen, zoeken we misschien een plek om even los te komen van de dagelijkse hectiek, de harde meningen en de polarisatie in de wereld. We nemen plaats, we zingen, we luisteren en hopen dat de stilte ook in ons wat rust brengt. Maar de Heilige Schrift, broeders en zusters, gunt ons vandaag geen comfortabele rust.

Petrus vraagt aan Jezus: ‘Heer, als mijn broeder tegen mij misdoet, hoe vaak moet ik hem dan vergeven? Tot zevenmaal toe?’ Let wel op wat Petrus hier vraagt: hij vraagt naar zijn bereidheid om te vergeven. Hij vraagt niet hoe vaak anderen hem moeten vergeven. Zevenmaal is voor hem al heel wat.

Maar Jezus breekt die rekensom onmiddellijk open: ‘Niet tot zevenmaal toe, maar tot zeventig maal zevenmaal.’ Niet 490 keer en dan houdt het op. Jezus wil dat Petrus ophoudt met tellen. Zodra we gaan tellen, maken we van vergeving een rekening. Jezus haalt die boekhouding onderuit. Want wat ons is aangedaan, kan zich in ons vastzetten en uitgroeien tot wrok.

De eerste lezing uit Jezus Sirach (Sir. 27,33–28,9) zegt vandaag: ‘Wrok en gramschap zijn iets afschuwelijks.’ Wrok houdt het verleden levend.

In de monastieke traditie heeft men daar scherp naar gekeken. Johannes Climacus, een monnik en oudvader van de Sinaï, noemt wrok een verborgen gif. Hij vergelijkt wrok ook met wormen die zich in vermolmd hout ontwikkelen. Zo kan wat ons is aangedaan, zich in ons vastzetten en ons van onze barmhartigheid beroven. En dan laat Jezus zien wat er gebeurt wanneer iemand zelf barmhartigheid ontvangt, maar die aan een ander weigert.

Om te laten zien wat er werkelijk op het spel staat, deelt Jezus een vertelling (Mt. 18,23–35). Een dienaar staat voor zijn heer met een astronomische schuld. Hij vraagt: ‘Heb geduld met mij.’ En zijn heer krijgt medelijden met hem en scheldt hem in één gebaar de hele schuld kwijt.

Even later komt diezelfde man iemand tegen die hem honderd denariën schuldig is. Vergeleken met wat hem zojuist is kwijtgescholden, is het een peulschil. De ander vraagt hem bijna met dezelfde woorden: ‘Heb geduld met mij.’ Maar de man die zelf geduld heeft ontvangen, weigert dat aan een ander te geven. Hij grijpt zijn mededienaar bij de keel en eist betaling.

Hij heeft zelf vergeving ontvangen en die barmhartigheid aan den lijve ervaren. En toch handelt hij tegenover een ander niet vanuit die barmhartigheid. De vertelling eindigt hard. De barmhartigheid die hij zelf had ontvangen, had hij een ander niet gegund.

Vergeving begint niet alleen bij de vraag: hoeveel moet ik nog verdragen? Ze heeft ook te maken met wat wij zelf ontvangen. Een kind leert liefde niet alleen doordat het hoort dat het moet liefhebben. Het leert liefde doordat het zelf liefde ontvangt. Wie als kind weinig liefde heeft ontvangen, kan later moeite hebben om liefde te geven. Dat geldt ook voor vergeving. We kunnen zeggen: God vergeeft jou, dus vergeef jij ook. Maar dan kan vergeving een loodzware opdracht worden.

Veel dieper gaat het wanneer iemand zelf ervaart: ik word niet afgeschreven om mijn fouten. Ik mag opnieuw beginnen. Er is ruimte voor mij. Wie zelf vergeving ontvangt, kan leren om een ander niet blijvend te beoordelen op zijn fouten. Gods barmhartigheid kan door een ander mens tot ons komen: in geduld en vergeving.

En toch is liefde meer dan een antwoord op wat wij zelf ontvangen. Jezus bleef liefhebben, ook waar Hij werd afgewezen. Ook wanneer iemand in zijn leven weinig liefde of vergeving heeft ontvangen, kan hij bij Jezus leren wat liefde is. Hij doorbreekt de cirkel van het tekort.

Laten we daar eerlijk over zijn: vergeven is niet gemakkelijk. Er zijn dingen die diep kunnen kwetsen. Vergeven betekent niet dat we doen alsof het kwaad niet gebeurd is. Ook wij kunnen een ander tekortdoen, kwetsen, teleurstellen. Ook wij hebben vergeving nodig. Misschien is dat wat Jezus ons voorhoudt: dat wij niet alleen herinneren wat anderen ons verschuldigd zijn, maar ook beseffen hoeveel wij zelf aan Gods barmhartigheid verschuldigd zijn.

Want de apostel Paulus zegt vandaag: ‘Niemand van ons leeft voor zichzelf alleen, en niemand sterft voor zichzelf alleen. Of wij leven of sterven, wij zijn van de Heer.’ (Rom. 14,7-9)

Dat geldt ook voor degene die óns heeft gekwetst. Ook die ander behoort uiteindelijk aan de Heer toe. Ik hoef niet zelf het laatste oordeel over die ander te vellen. De ander valt niet samen met wat hij of zij mij heeft aangedaan. Er blijft een mens tegenover mij staan die, net als ik, aan God is toevertrouwd.

Juist in een abdij krijgt dit woord over vergeving een bijzondere klank. Het monastieke leven brengt mensen dicht bij elkaar. Dat vraagt geduld, verdraagzaamheid en de bereidheid om elkaar ruimte te geven. Maar het geldt natuurlijk niet alleen voor ons. Ook in onze gezinnen, in vriendschappen, op het werk en in onze gemeenschappen is het nodig elkaar te vergeven en niet te blijven leven vanuit wat er is misgegaan. Ook tussen volkeren die diep in strijd verwikkeld zijn, zal volgehouden arbeid nodig zijn om oude wonden te helen en elkaar weer de hand te reiken. Misschien betekent vergeven soms vooral: niet telkens het oude opnieuw vertellen. Niet blijven leven vanuit wat de ander ons nog verschuldigd is.

Vergeving is geen goedkoop, vroom gevoel. Er zijn momenten waarop we alleen maar kunnen bidden: ‘God, ik kan dit nog niet. Help mij.’ Dat gebed kan al een begin zijn. Want wij hoeven niet uit onszelf de barmhartigheid op te brengen waarmee God ons tegemoetkomt. Wij mogen eerst zelf bij Hem staan als mensen die leven van zijn geduld.

Dadelijk komen wij naar de tafel van de Heer. We komen niet met een lijst waarop staat wat wij allemaal goed hebben gedaan. We komen met lege handen. Misschien ligt daarin wat ons hier samenbrengt. Niet omdat alle onrust verdwenen is of alle conflicten zijn opgelost. Maar omdat we hier voor God mogen staan zonder verweer.

Wie beseft hoeveel vergeving hij zelf heeft mogen ontvangen, kan de ander niet meer uitsluitend bekijken vanuit wat die ander hem verschuldigd is. Moge Gods barmhartigheid ons bevrijden van de oude rekening en ons de ruimte schenken waarin er weer plaats komt voor de ander.

Amen.

Br. Paul

 

Nieuwsbrief

Schrijf u vrijblijvend in en blijf op de hoogte van de activiteiten van Abdij van Egmond.

We respecteren uw privacy. Sint-Adelbertabdij zal uw e-mailadres nooit delen met derden.
© 2026, Abdij van Egmond Algemene voorwaarden