Uitzicht houden op God

Dierbaren

Op zondag Gaudete, in het vreugdevol vooruitzien naar de komst van de Heer, staat de figuur van Johannes de Doper centraal. Zijn imposante optreden aan de Jordaan, dat de mensen fascineert, hen wellicht schrik inboezemt, maar nog meer fascineert en hoop geeft. Johannes verwijst naar de komende. Hij maakt zijn roeping helemaal waar, hij is een roepende, een stem, een levende heenwijzing.

Johannes verwijst naar Jezus. Maar dat niet alleen. Hij drukt ook uit wat er leeft in ons. Hij heeft woorden voor onze hoop, maar ook voor onze vragen, onze twijfel, voor wat er leeft diep in ons, daar geeft hij geeft stem aan: zijt Gij de komende of hebben wij een ander te verwachten?

Toen Jezus werd geboren in een kribbe te Bethlehem was dat een heel ander begin dan het Joodse volk voor ogen had met betrekking tot de komst van hun Messias. En de advent is niet enkel de tijd waarin wij ons voorbereiden op de viering van dat mysterie. Wij kijken ook vooruit naar zijn uiteindelijke wederkomst, gehuld in de nevels van het onbekende. Hij is degene naar wie wij uitzien, die wij verwachten, maar niet zonder twijfel en onzekerheid. Zal Hij werkelijk bereid zijn te komen, zal Hij straks de grote vervulling van onze dromen te zijn? Ons genezen van onze blindheid, onze verlamming, ons gevangen zitten in ons zelf?

Johannes zal als kind zijn ouders dikwijls hebben horen spreken over  Maria, het nichtje van zijn moeder Elisabeth, dat  haar op zo wonderlijke wijze had bijgestaan toen zij op gevorderde leeftijd nog beviel van een kind, een jonge vrouw die blijkbaar door God bovenmate gezegend was en dat geheim met zich droeg. Wat een bijzondere familie. Zij leefden in de geest meer in de bovennatuur dan op deze materiële aarde, maar toch zo verbonden met het lot van ons aardse stervelingen.

Van kindsbeen af had Johannes veel over Jezus gehoord, en verwachtte hij van Hem de grote ommekeer in de geschiedenis, een radicaal andere positie van het Joodse volk te midden van de andere volkeren, en daar bovenuit.

En wij verwachten van de kerk, de gemeenschap die Hij gesticht heeft, vrij zal zijn van menselijke tekorten en onvolmaaktheden, helemaal gericht op het hemelse. At zij ons in al haar verschijningsvormen al een voorsmaak geeft van het hemels paradijs. Als wij in haar, in haar leden, en zeker in haar geestelijke bedienaren onvolmaaktheid en zelfs zondigheid opmerken, twijfelen wij. Is dit Gods instrument dat ons zal redden?

In de dagen, waarover het Evangelie vandaag vertelt, zat Johannes in de gevangenis. Maar hij kon nog contact onderhouden met zijn leerlingen. Die hadden hem verteld over  Jezus, die zo bijzonder was, maar toch ook weer zo andere dan men verwachtte. Heel wat mensen zagen in hem de Messias. Uit de opdracht, waarmee Johannes zijn leerlingen naar Jezus stuurt, blijkt wel dat hij in grote onzekerheid verkeerde. Zelf had Johannes uitgesproken ideeën over de komende Messias. Hij beschouwde zich als diens voorloper “Hij die na mij komt is sterker dan ik “, waren zijn woorden.

Zijn opvattingen over de aard van de Messias had Johannes vooral ontleend aan uitspraken van de profeet Jesaja. De Messias zou met kracht komen, volgens Jesaja. Kracht, dat was in de visie van Johannes hèt karakteristiek van de Komende. Met krachtige hand zou de Messias hardhandig vonnis vellen over al wat niet deugde. Als een verslindend vuur zou hij al wat verkeerd was verdelgen. Alleen radicale bekering van zonden zou de mens kunnen behoeden voor het vreeswekkend ingrijpen Gods. Vandaar zijn oproep: “Bekeert u want het rijk der hemelen is nabij.” Bekeren of weggevaagd worden, het een of het ander. Geen compromis. Dat was de klare boodschap van de Doper.

Het antwoord, dat de leerlingen  mee terug brachten van Jezus, moet onthutsend geweest zijn voor Johannes. Geen onverbiddelijk oordeel maar barmhartigheid. En  Jezus beriep zich daarbij op uitspraken van diezelfde profeet Jesaja. Die had namelijk over de weldaden van de messiaanse tijd gesproken. Daarvan hoorden we iets in de eerste lezing: “Dan worden de ogen van de blinden ontsloten en de oren van de doven geopend. Dan danst de kreupele als een hert en juicht de tong van de stomme”. Jezus presenteert zich niet als de Sterke, die de fiolen van Gods toorn gaat uitstor­ten over het zondige mensdom, maar als de manifestatie van Gods barmhartige liefde voor wie arm is en te lijden heeft.

Hoe Johannes zijn beproeving in feite verwerkt heeft, het staat niet met even zoveel woorden in het  evan­gelie verhaal. Maar de woorden van Jezus tot de omstanders spreken een duidelijke taal: “Onder wie uit de vrouwen geboren zijn, is niemand opgestaan, die groter is dan Johannes de Doper.” Jezus wist, hoe Johannes deze geloofscrisis zou doorstaan.  Johannes, die als profeet opriep tot verandering en tot loslaten, wist zelf los te laten. Hij is niet verbitterd blijven steken in zijn eigen denkbeelden, in wat hij dacht zeker te weten. Hij wist  van zich af te wijzen en zo de fakkel door te geven en kon daardoor een unieke schakelfiguur worden tussen de oude en de nieuwe heilsbedeling, een scharnier tussen het Oude en het Nieuwe Testament. God zal komen, daarvan was Johannes diep overtuigd en ook wij geloven dat. Maar God zal telkens nieuw komen en anders dan wij gedacht hadden.  Daarom zullen ook wij  telkens weer oude, verouderde ideeën en beelden moeten loslaten, zonder verbitterd te worden en te verstarren in onwrikbare overtuigingen.  Zou dat niet de les zijn van deze zondag Gaudete, de wijsheid die wij van de stoere voorloper kunnen leren dat wij van de ene kant onwrikbaar moeten vasthouden aan Christus onze Voorganger, maar dat wij ons dienen te hoeden voor hardhoofdigheid, dat wij soepel en meegaand moeten zijn, volgzaam. Dat wij niet moeten bouwen op de geloofsgemeenschap als een machtig instituut waar niemand omheen kan, ook niet als  een bastion van ongenaakbare heiligheid zonder menselijke onvolkomenheid, maar als een arme en dienende kerk luisterend naar het evangelie en gevoelig voor de noden van onze tijd, bereid om zich te bekeren, om te groeien in heiligheid. Wel, onze tijd heeft vele noden, maar de voornaamste lijkt mij dat wij mensen uitzicht houden op God, die ons niet vergeet, die naar ons toekomt op onverwachte wijze, die onder ons aanwezig wil zijn, die wij mogen zoeken in stil gebed, in groot vertrouwen, in innige hoop. Hij doet doven horen, en geeft blinden het gezicht terug. Hij is aanwezig in de mensen om ons heen, heel gewone mensen zoals ook de mensen rond Jezus indertijd waren.  Hij wil ons alles geven wat wij nodig hebben voor ons eeuwig geluk. Hij vraagt ons enkel om ons geloof. Mogen wij de vingerwijzing van de Doper volgen en dankbaar zijn voor de komst van Jezus in ons leven, in onze wereld.

 

Nieuwsbrief

Schrijf u vrijblijvend in en blijf op de hoogte van de activiteiten van Abdij van Egmond.

We respecteren uw privacy. Sint-Adelbertabdij zal uw e-mailadres nooit delen met derden.
© 2026, Abdij van Egmond Algemene voorwaarden