Preek 30 juli 2023

Adhj17 2020 1Kon.3,,5.7-12; Rom.8,28-30; Mt. 13,44-52
De Schriftverhalen van deze zondag lijken heel geschikte lectuur voor de vakantietijd. Even rust in het hectische leven, een moment om op adem te komen. Misschien ook een ogenblik om stil te staan bij de vraag; hoe gaat het, wat wil ik met mijn leven? Waar droom ik van?
In de eerste lezing hoorden wij hoe de jonge koning Salomo droomde en hem de vraag werd voorgelegd ‘welke wens heb je voor je leven?’ Hebben wij nog wensen of zijn we door het leven van alledag zo gemangeld dat we het wensen of verlangen hebben opgegeven. Onhaalbaar, het leven is wat het is en daar is geen keren aan. Maar wat als wij de deur niet helemaal dichtslaan en met Salomo de kans die ons geboden wordt niet laten liggen?
Is de vakantie niet een mooie gelegenheid om uit de tredmolen van het alledaagse te treden en te luisteren naar het stille verlangen van de ziel. Wie weet wat we horen. Dromen zijn niet bij voorbaat bedrog, misschien brengen ze ons op het spoor van wat diep in ons begraven ligt, wat vraagt om opgedolven te worden en aan het licht gebracht. Wie weet wat voor leven er tevoorschijn komt.
Nu vraagt dat wel enige onderscheiding om te voorkomen dat we ons op het verkeerde been laten zetten of de verkeerde weg kiezen. Salomo, hoe jong hij ook was, kwam dan ook niet direct voor de dag met zijn eigen wensen, maar hij liet zich in eerste instantie bevragen. Niet aan de oppervlakte blijven, maar luisteren naar de stille stem die diep in je met de vraag komt: ‘wat wilt ge dat ik u geef?’ Wat zou er gebeuren als wij die vraag laten binnenkomen en ze de ruimte en de tijd geven om in ons binnenste te resoneren? ‘Wat wilt ge dat ik u geef?’ Wat zou er gebeuren als wij persoonlijk, maar ook collectief in onze kerk en samenleving zouden stilstaan bij die vraag?
Het antwoord van Salomo getuigt van zelfkennis, hoe jong hij ook is. Hij is er zich van bewust dat hij niet alleen op de wereld is en dat hij een bijzondere verantwoordelijkheid heeft. Nu zijn wij niet allemaal koning zoals hij, maar wij zijn wel allemaal koningskinderen, ieder op zijn eigen wijze. Ieder en allen kinderen van God, uniek en bemind als geen ander.
‘Wat wilt ge dat ik u geef?’ Van het antwoord hangt veel af, niet alleen voor onszelf maar ook voor het grote geheel waarvan we deel uitmaken. Die twee hangen met elkaar samen. Maar het lijkt erop dat we dat in onze samenleving veelal vergeten zijn. Op alle niveaus en in tal van verbanden wordt er alleen aan onszelf gedacht en blijft de ander, blijven de anderen en hun welzijn buiten onze wensen en vragen. Maar daarmee creëren wij geen samenleving die de trekken krijgt van Gods droom. Het synodaal proces probeert ons ervan bewust te maken dat volwaardig kerk zijn vraagt om een samen zoeken en luisteren. En die opdracht geldt ook evenzeer voor de samenleving als we de schat in de akker en de parel op het spoor komen.
‘Wat wilt ge dat ik u geef?’ Hoe zou het leven eruit zien als we het antwoord van Salomo ter harte nemen? Hij besefte dat je wens je maar gelukkig kan maken als je je plek zoekt in het grote geheel van de mensenfamilie. Nee, er wordt je niet een eigen leven ontzegd, maar we zijn niet alleen op de wereld en jouw en mijn plek is er een die ingebed is in dat grote geheel.
‘Wat wilt ge dat ik u geef?’ Salomo bad om de gave van onderscheiding, om onderscheid te kunnen maken tussen goed en kwaad. Wat bouwt op en wat breekt af? In het kleine verband, maar ook in het grotere en het heel grote verband. Salomo kiest in dat nachtelijk uur niet voor eigen gewin en ook niet voor het vullen van de zakken van een kleine kring of clan. Hij kiest als een waar koningskind, als een beeldenaar Gods, voor een gave die hem toerust om zijn taak met wijsheid te vervullen.
Wij allen zijn koningskinderen, niet minder dan koning Salomo, en elk heeft de gave van het leven ontvangen als een uniek cadeau. En de gever van dat geschenk droomt ervan dat het zijn juiste plek krijgt, dat die schat niet in de grond wordt begraven, maar als een licht op de kandelaar zal stralen, als een parel zijn glans mag tonen.
Maar hoe zal dat geschieden? Vraagt dat niet allereerst om geloof in de droom, dat het leven een zoektocht is naar een schat die de moeite waard is om er alles voor te geven. De schat en de parel, zij zijn er. Wij hoeven ze niet uit te vinden, maar wij dienen ze te vinden. Je moet er voor graven, je moet er naar speuren, niet aan de oppervlakte leven, en er alles in investeren. Wie op twee paarden wedt, loopt het risico de verborgen schat nooit te vinden en de glans van de parel niet op te merken. Speur er naar met al je vermogens en neem geen genoegen met wat de ziel geen ware vreugde geeft en ons samenleven niet de glans geeft die God met ons voorheeft.
‘Wat wilt ge dat ik u geef?’ Wie de wijsheid in pacht meent te hebben, zal geen behoefte voelen om te vragen om een opmerkzame geest. Maar hebben wij er niet alle nood aan in onze turbulente wereld? Want zonder die geest zal die turbulente wereld, zal ons eigen klein bestaan zijn ware bestemming niet vinden.
Wat wilt ge dat ik u geef? Met die vraag treedt God zelf onze droom binnen en klopt hij aan de deur van ons hart. Laat hem binnen en maak tijd en ruimte voor het bezoek. Ga het gesprek aan zoals Jezus, die nederige koning, die verre zoon van Salomo, ons heeft voorgedaan. In stil en aandachtig luisteren en in nachtelijk gebed heeft hij als geen ander licht en duister, goed en kwaad leren onderscheiden om de ware schat op te delven en de parel van het leven in Gods licht. AMEN.

Abt Thijs Ketelaars

Nieuwsbrief

Schrijf u vrijblijvend in en blijf op de hoogte van de activiteiten van Abdij van Egmond.

We respecteren uw privacy. Sint-adelbertabdij zal uw e-mailadres nooit delen met derden.
© 2024, Abdij van Egmond Algemene voorwaarden