Over de wereldzee

Misschien vond u het verhaal van de broodvermenigvuldiging dat wij vorige week zondag hoorden beter passen bij de vakantietijd dan het relaas over de storm op het meer dat zojuist is voorgelezen. Maar stormen trekken net als bosbranden zich niets aan van vakantie zoals wij afgelopen weken maar al te zeer hebben ervaren. En soms komt de storm in het leven juist opzetten als in de vakantie alle drukte van je afvalt. Dan blijkt ineens hoeveel chaos er in je leven zit of dat je relatie in zwaar weer terecht is gekomen.  En dan is het zaaks een gids op de woelige zee te vinden. Laten wij dus samen nog eens stilstaan bij het evangelie, wie weet krijgen wij, die allemaal in de boot zitten, toch een woord van leven te horen.

Het verhaal begint trouwens helemaal niet dramatisch, integendeel, het begint net als het verhaal van de wonderbare spijziging met Jezus die zich terugtrekt om in stilte te gaan bidden. Maar eerst heeft hij dan de leerlingen de opdracht gegeven alvast met de boot naar de overkant te varen, terwijl hij de mensen naar huis zal sturen. Waarom gaat hij zo te werk? Wilden de leerlingen misschien gaan pronken met de maaltijd, waarbij ze in feite meer zouden zorgen voor tegenweer en ongeloof? Jezus zelf zocht juist de stilte op, omdat hij wist dat het niet zijn werk was, maar dat van de Vader, op wie hij al zijn vertrouwen stelde.

Vorige week ging het verhaal, zo heeft broeder Paul zo mooi uitgelegd, om vertrouwen en vandaag zal het daar ook om gaan. Maar de situatie waarin de leerlingen daartoe uitgenodigd worden verschilt.

Ze zitten in de boot, beeld van de kerk, die als een ark van Noé over de wereldzee gaat. De Heer zelf is niet aan boord, maar hij heeft hen in de boot samengebracht en  de bestemming aangegeven. De vaart gaat naar het land van overzee, een tocht die de Heer zelf heeft volbracht want hij is het doodswater overgestoken.

Wij zitten in die boot en hebben elkaar om naar de overkant te roeien. Dat vergt dus samenwerking anders zal het niet lukken en leiden wij misschien schipbreuk in een wereld in zwaar weer. Golven van geweld en alles wat er in dat spoor meekomt. En is het geen oorlog dan zijn er andere golven die mensen overspoelen. Teveel om op te noemen, maar in al hun verscheidenheid even destructief, in het klein en in het groot. Huiselijk geweld, ziekte, discriminerend gedrag in maatschappij en politiek, falende rechtspraak, om nog maar te zwijgen van het klimaat dat voor aardverschuivingen zorgt. Wij zitten dus in de boot op deze wereldzee.

En de zee gaat almaar hoger, en de stuurman is niet aan boord, zal de boot het wel houden? De stuurman is vertrokken, de berg op, opgenomen in het stil gesprek met Hem die hij zijn leven lang zijn Vader noemde. Jezus heeft bij zijn leven het woelige water getrotseerd. Alle dagen is hij in touw geweest om mensen op de woelige zee nabij te zijn, de hand te reiken, ze op te vissen als ze in het water lagen of ze te voeden met brood in de woestijn. Mensen op het droge brengen, ze aan boord nemen om te voorkomen dat iemand het leven zou verliezen. Hij heeft dat een leven lang gedaan, hij heeft er zijn leven aan gewaagd om zo goed als God te zijn. Want die wil niet dat iemand verloren gaat, hoe hoog de golven ook gaan. En toen de wateren zich om hemzelf sloten,  bleef hij vertrouwen en geloven dat zijn Vader hem er doorheen zou loodsen, hem door het water heen aan de overzij zou brengen in nieuw land. Land aan de overzij.

We zitten in de boot en het is zwaar weer, dat is zeker. Maar in dat zware weer en over de woeste golven komt er een op ons toe. Eén die de golven heeft getrotseerd en die het gewaagd heeft  over het water te lopen. Daar waar geen weg is en wij denken te verdrinken heeft hij het gewaagd in het vertrouwen dat Hij wiens naam is “Ik zal er zijn” met ons gaat. Waar angst ons een spook doet zien, komt de Heer op ons toe. Midden in de storm klinkt er een ijle stem. “Vreest niet, ik ben het”, zegt hij tot de bootslui. En op dat woord is er een die het waagt, al weet hij het niet zeker. Hij waagt het, hij heeft vertrouwen, maar er is ook sprake van aarzeling: “als gij het zijt”, dus misschien toch niet. Maar hij waagt het en we mogen veel commentaar hebben op Petrus, altijd haantje de voorste, een branie op zijn tijd, maar hij is de enige die zich op glad ijs, op het water begeeft, de anderen blijven veilig in de boot. Nou ja, veilig. Maar over water wandelen, waar geen weg is om te gaan, daarvoor moet je een groot geloof hebben, vertrouwen dat de Heer je bij de hand houdt, ook in het duister. Als Petrus dan denkt aan de huizenhoge golven en de Heer uit het oog verliest, dreigt hij te verdrinken. “Heer, red mij”, horen wij hem roepen. Dat is een gebed, maar ook een geloofsbelijdenis, hoe kort ook. En hij redt het, niet op eigen kracht, maar omdat hij bij de hand genomen wordt. Hij, God met ons, gaat met ons door water en woestijn, maar je moet erop vertrouwen, je moet op Hem vertrouwen. Niet op macht en getal, niet regels en oude gebruiken, maar op de Geest van hem die de wateren heeft getrotseerd en voor ons een spoor trekt midden door de zee. Wagen wij het met hem en vergeten wij niet al die mensen bij de hand te nemen die juist als wij uitzien naar nieuw land, naar vaste grond onder de voeten, land van overzij.

Wij zitten samen in de boot, laten wij dan ook oog en oor hebben voor wie niet weten hoe nu verder. Die geen land aan de einder vermoeden, die geen toekomst zien en vrezen kopje onder te gaan. Laten wij het samen wagen in het vertrouwen dat Jezus met ons gaat, dat hij op ons toekomt van de overzij, waar alle leed geleden is en licht alle duister verdrijft. Een nieuwe Morgen en Nieuw Land. Amen.

 

Vader Abt Thijs Ketelaars

 

Lezingen:  1 Koningen 19: 9a + 11-13a; Romeinen 9: 1-5; Matheus 14: 22-33

 

Nieuwsbrief

Schrijf u vrijblijvend in en blijf op de hoogte van de activiteiten van Abdij van Egmond.

We respecteren uw privacy. Sint-Adelbertabdij zal uw e-mailadres nooit delen met derden.
© 2026, Abdij van Egmond Algemene voorwaarden