Het is vandaag roepingenzondag, vanouds een dag om bijzonder te bidden voor roepingen tot het priesterschap en het religieuze leven. Dat geldt ook nog voor onze tijd, maar misschien doen wij toch tekort aan de intentie van deze dag als wij die beperken tot die nauwe kring. Ik moet daarbij denken aan een gesprek met een kerkelijk betrokken moeder niet zo lang geleden. Zij zei mij: ‘ Er wordt ons steeds maar op het hart gedrukt om te bidden voor roepingen, maar wanneer wordt er eens aandacht besteed aan het bidden voor gezinnen, want als er roepingen worden verwacht of verhoopt zullen zij toch daaruit moeten voortkomen.’ In die woorden hoorde ik niet allen de zorg van en voor christelijke gezinnen klinken, maar tegelijk klonk er de overtuiging in mee dat er meer roepingen zijn dan die van priester en religieus. En terecht, want iedereen, wij allen hebben een roeping te vervullen in de kerk, maar ook in de samenleving. Niemand is er alleen als bladvulling in het grote verhaal van het leven, ieder is op grond van zijn geboorte geroepen om met het geschenk van zijn leven méé te bouwen aan een gemeenschap en samenleving waar elk een waardige plek krijgt. Of om het met de woorden uit een van de eerste bladzijden van de Schrift te zeggen. Allemaal zijn wij als beeldenaren Gods geroepen elkaar te hoeden. En die roeping kent een grote verscheidenheid van vormen. De apostel Paulus heeft daar behartenswaardige woorden over gezegd in de eerste Korintebrief als hij het heeft over de verschillende gaven en taken in de gemeenschap, allen gedragen en gevoed door de éne Geest.[1]
Misschien doen wij er dan ook goed aan om als wij over roeping spreken te beginnen bij het begin, om te voorkomen dat we de ene roeping boven de andere plaatsen. Wij hebben allen een roeping, hoe verscheiden ze ook zijn. Maar ze worden door dezelfde Geest gewekt en ze hebben allemaal een plaats binnen het grote lichaam van de kerk en de dienst aan de wereld. En niets of niemand is daar belangrijker dan de ander. Paulus gebruikt in dat verband het beeld van het lichaam met zijn vele ledematen en organen. Een veelheid van functies, maar als de een of ander minder goed functioneert of ziek is, heeft dat zijn weerslag op het geheel. Ik geef u een simpel voorbeeld dat mij te binnenschiet. Het is al meer dan vijftig jaar geleden, maar het is mij altijd bijgebleven. Toen onze broeder Prosper overleed, ging een stille en trouwe broeder van ons heen die jarenlang sukkelde met een heel broze en afnemende gezondheid. Taken had hij nauwelijks meer, maar toen er een paar weken na zijn dood opmerkingen werden gemaakt over vuile handdoeken die niet werden vervangen, was Leiden in last. Wat bleek, het was een klusje dat de ziekelijke broeder jarenlang nog stil had gedaan, maar nu was er dus in het grote lichaam van de gemeenschap een wond. Die kleine dienst was niet opgemerkt, maar was wel van belang voor het welbevinden van de hele gemeenschap. Iedereen heeft zijn gave en plek in het grote geheel.
Roepingen, ze zijn er in soorten en allen hebben hun plek binnen de grote mensenfamilie en binnen de gemeenschap van het volk van God. En iedere roeping, hoe verscheiden ook, heeft een basis die voor allen gelijk is. Dat mag ons dus ook behoeden je boven de ander te plaatsen. De eerste bladzijden van de Schrift vertellen ons dat het leven ons gegeven is om samen zorg te dragen voor de schepping en al wat er leeft, groeit en bloeit. Niets of niemand wordt daarvan buitengesloten, maar samen is ons de zorg toevertrouwd voor die tuin waar elk zijn plaats heeft. Maar zoals u weet, gaat het aan het begin van het verhaal al mis en het sindsdien lijkt het moeilijk om weer in het rechte spoor te komen. Leven, het is een groots maar ook veeleisend avontuur. We zijn toegerust met tal van gaven, maar de kunst en de roeping is om ze op de juiste wijze te gebruiken.
Het evangelie van vandaag gebruikt daarvoor het beeld van de herder. Misschien hebben wij daar een te wollig beeld bij en is het door allerlei romantiek vertekend. Om daarvan te worden bevrijd kan het helpen nog eens stil te staan bij het evangelie dat wij zojuist hebben gehoord. Johannes haalt heel wat uitdrukkingen uit de kast om te zeggen wat een ware herder wel of niet doet. Een goede herder is iemand die niet steelt, die niet rooft, die niet slacht, die niet wegvlucht bij gevaar, die niet vernietigt. Dat is nogal een lijst, en wie zijn ogen en oren niet sluit voor de wereld om ons heen, kan er niet aan voorbij hier een beeld te zien van heel wat herders in onze geteisterde wereld van vandaag. Het kan allemaal en het is er allemaal, maar daartoe zijn wij niet geschapen en geroepen. De grote heersers niet en wijzelf ook niet, waar onze plaats ook is.
Maar vandaag toont het evangelie ook die ene herder, die als beeld van God, zijn roeping naar waarheid heeft vervuld. Zijn leven was er niet een van leven te koste van de ander, roven en stelen, maar een van leven ten dienste van de ander, ja, zijn leven geven voor de ander, opdat zij leven zouden bezitten en wel in overvloed. Beeld en gelijkenis van God, want niet voor de dood heeft hij ons geschapen, maar voor een leven dat weet te dienen en te loven. Een leven waar we samen de schouders onder zetten en niemand buitensluiten, maar ook een leven waar wij samen voor weten te danken. Want alles is genade.
Wij hebben allen een roeping en roepingen voor priesterschap en religieus leven kunnen maar gedijen als er een gemeenschap is die in al zijn veelkleurigheid en verscheidenheid een moederschoot is waar het hoeden en herderen wordt voorgeleefd en uitnodigt tot navolging. Laat ons daarvoor bidden, tot zegen van al Gods kinderen.
AMEN
Broeder abt Thijs
Lezingen: Handelingen 2:14a+36-41; 1 Petrus 2: 20b-25; Johannes 10: 1-10
[1] 1Kor. 6,4
