Op deze laatste zondag voor het grote feest hebben wij zojuist twee verhalen gehoord waar een kind zich aandient. Twee verhalen uit een ver verleden, het een nog ouder dan het andere, maar allebei houden ze ons een spiegel voor. In welk portret herken jij je of hebben wij misschien iets van beiden?
Koning Achaz had te maken met een heel dreigende situatie. Zijn koninkrijk werd van diverse kanten belaagd en het was voor hem geen vraag hoe dat zou aflopen. Hij beefde als een riet in het woud als hij eraan dacht. Alles leek verloren, toekomst zag hij niet meer. En het woord van de profeet: ’ vertrouwt ge het niet, dan houdt gij het niet’, gaf precies aan hoe het er voor stond. Achaz geloofde er niet meer in. En als de profeet dan de geboorte van een zoon aankondigt met de naam Immanuël, God met ons, is dat voor hem geen teken dat er toekomst is. Hij gelooft niet meer in toekomst, want moeten kinderen dan? Is dat ook niet een geluid dat wij heden ten dage wel horen? “Nee, geen kinderen, want we leven in een verloren wereld. Daar kun je toch geen kind in plaatsen.” Begrijpelijke taal, maar waarom niet gezegd en gebeden “wij wagen het en zullen er alles voor doen dat er toekomst is voor de jeugd. Wij stellen onze hoop op God die leven geeft en wij nemen de verantwoordelijkheid die hij ons geeft.’ Zo zou het kunnen, maar Achaz heeft ondanks zijn vrome praat alle geloof en hoop verloren. Zeggen dat je God niet op de proef wilt stellen en niet het onmogelijke vragen, is dat niet je eigen beperktheid tot maat van alle leven maken? Nee, Achaz brengt ons niet bij het kerstkind en het profetenwoord is aan hem niet besteed. Een woord dat oproept tot vertrouwen en tot bekering om het niet in macht en getal te zoeken maar in waarheid en gerechtigheid.
In het evangelie is er ook sprake van een kind dat zich aandient. Wij hebben het zojuist gehoord. Maar wat we niet gehoord hebben is de passage die eraan voorafgaat. Dat kind staat in een lange reeks van geboortes, het maakt deel uit van een geschiedenis waar licht en duister met elkaar zijn verweven. U moet thuis die geslachtslijst nog maar eens nalezen aan het begin van het Matteüs’ evangelie. Die lijst gaat over de oorsprong van Jezus, die bij Matteüs teruggaat tot Abraham, de vader van alle gelovigen die huis en haard verliet op zoek naar het land van de belofte. Die reeks is een aaneensluiting van zonen die door vaders worden verwekt. Zo gaat dat, en zo schrijft God geschiedenis met ons. Maar dan gebeurt er iets bijzonders. En Jozef weet er aanvankelijk geen raad mee, het overvalt hem, en hij aarzelt met zijn reactie. Nu lijkt daar ook alle reden toe, want het verhaal vertelt ons dat het kind uit de adem van God voortkomt. Aan de oorsprong van dit bestaan staat niet de menselijke potentie, maar Gods lichtende overschaduwing. Hier wordt een kind geboren uit Gods verlangen. Dat gaat ons begrip te boven zoals het leven zelf ons te boven gaat. Wij mogen wel denken het leven in de hand te hebben, alles te kunnen maken, maar als het erop aankomt, wat is dan de mens? Wij zijn niet ons eigen maaksel, wij worden elke dag opnieuw geboren uit de adem van God.
Jozef wordt geconfronteerd met een kind dat in zijn dromen niet voorkwam, dat hem wordt aangereikt van alzo hoge en alzo ver. En wat doet deze Jozef? Zal hij zich gedragen als zijn verre naamgenoot uit het boek van de schepping, die zich over zijn broeders ontfermde, toen hun leven op het spel stond? Zal hij een dromer zijn van bevrijdende dromen of zal hij de deur van zijn hart sluiten?
Jozef die wij in het hele evangelie geen woord horen spreken broeders en zusters, hij wordt geroepen om het kind een naam te geven. En met die naam zal hij dit kind ook een gezicht geven, krijgt het een plek en plaats in die lange rij van geslachten. Want wie zíjn wij, als we niet worden opgenomen in een kring, in een familie? De Schrift, dat boek van ons geloof, ruimt vanaf het begin veel plaats in voor genealogieën, voor geslachtslijsten. Die vertellen op hun heel eigen wijze dat ons bestaan verweven is met dat van anderen en dat in dat verband een zegen en een belofte ligt opgesloten van Gods wege. Jozef wordt uitgenodigd dit kind een plaats te geven in de geslachtslijst van Abraham, waarin koning David zo’n prominente plaats heeft. Daarmee wordt deze boreling niet alleen onttrokken aan een naamloos bestaan, maar wordt hij ook deelgenoot van een belofte. Jezus zal hij heten, God redt, en in die naam ligt de hoop en de verwachting uitgesproken, dat dit kind Gods geschiedenis zal herschrijven, dat in hem het oude verhaal van God-met-ons zal herleven in een nieuwe en oorspronkelijke vorm.
Jozef wordt geroepen en uitgenodigd het leven te hoeden door zich niet af te wenden van het kind dat om een plaats vraagt in de keten der geslachten. Het wordt hem toevertrouwd als een belofte die zijn stoutste dromen te boven gaat.
Waartoe zijn wij op aarde? Zijn wij niet allen als Jozef geroepen om de deur van ons hart wijd te openen om het kind te verwelkomen, die onverwachte gast, die vreemdeling die vraagt om te worden opgenomen als kind van God, als God-met-ons, opdat de mensenliefde van God de oppervlakte van de aarde zou vervullen zoals het water de bodem van de zee bedekt. Geroepen worden wij om Gods mens geworden woord te dienen als geen ander.
Bidden wij dat wij onze roeping leren verstaan en er met het geloof en de toewijding van Jozef naar handelen in het leven van alledag. AMEN.
Broeder Abt Thijs Ketelaars
lezingen: Jes. 7,10-14; Rom. 1,1-7; Mt. 1,18-24
