Breng ze mij hier

Bij een rondleiding in onze abdij wordt wel eens gevraagd: ‘Met hoeveel monniken zijn jullie  hier nog?’ Een medebroeder antwoordt dan soms met een glimlach: ‘Met hoeveel zijn we al?’

Het is geen woordspelletje. Het raakt aan een verschil in kijken. Want dezelfde werkelijkheid kan vanuit verschillende houdingen worden bekeken. De ene blik begint bij wat ontbreekt, de andere bij wat gegeven is.

Misschien raakt dit aan iets fundamenteels van ons mens-zijn. Wij zijn mensen die niet alles in handen hebben. Wij zijn eindige, kwetsbare mensen. Wij dragen grenzen mee en kennen een verlangen naar volheid dat wij zelf niet kunnen maken. Daarom spreken filosofen over een menselijk zijnstekort: wij vallen nooit helemaal samen met wie wij zouden willen zijn.

Dat tekort voelen wij op vele plaatsen. Wij zien de zorgen van onze wereld: oorlog en geweld, de kwetsbaarheid van de schepping, vragen rond de toekomst van de Kerk. Maar ook dichter bij huis kennen wij het: een lichaam dat minder kan, een verlies dat blijft wegen, een gevoel van machteloosheid of spijt om wat anders had kunnen zijn.

Daarom is onze menselijke reflex zo begrijpelijk: wij kijken naar wat ontbreekt. Wij maken een inventaris van het gemis. Maar daar zit ook een gevaar. Want wij nemen niet alleen waar wat er is; wij trekken vaak onmiddellijk een conclusie uit wat wij zien. En precies daar begint het evangelie van vandaag.

In het evangelie (Mt. 14, 13-21) kijken de leerlingen, wanneer de avond valt op de eenzame plaats, naar de situatie. Hun waarneming is eigenlijk heel nuchter. Het is laat geworden. De plaats is verlaten. Er zijn veel mensen. Er is weinig voedsel. Er zijn maar vijf broden en twee vissen. Hun analyse klopt.

Maar dan komt hun conclusie:  ‘Stuur de mensen weg.’

Misschien herkennen wij dat. Er is te weinig, dus kunnen wij niets doen. Het probleem is te groot, dus heeft mijn kleine bijdrage geen zin. De situatie is te ingewikkeld, dus kunnen wij beter afhaken.

Maar Jezus gaat niet mee in dat ‘dus’. En dat is belangrijk: Jezus corrigeert niet eerst hun waarneming. Hij ziet hetzelfde als zij. Hij ziet de menigte. Hij ziet de nood. Hij ziet de beperkte middelen. Hij doet niet alsof er meer is dan er is. Maar Hij weigert dat het tekort de laatste conclusie wordt. Hij zegt niet: ‘Wat missen jullie nog? Laten we eerst eens bekijken hoe groot het probleem is.’ Hij zegt: ‘Breng ze Mij hier.’

Met die woorden verplaatst Jezus het centrum van de situatie. Niet langer staat het tekort in het midden, maar de ontmoeting met Hem en het vertrouwen dat Hij vraagt. Hij vraagt niet dat de leerlingen eerst alles op orde brengen. Hij vraagt niet dat zij eerst genoeg hebben. Hij vraagt dat zij brengen wat er is. Dat is een heel andere beweging.

Dat is ook de beweging die wij horen bij Jesaja (Jes. 55, 1-3). De mens denkt gemakkelijk volgens een menselijke logica: eerst iets hebben, eerst iets kunnen betalen, eerst iets kunnen aanbieden. Maar Jesaja verkondigt: ‘U die geen geld hebt, kom, koop en eet.’

Bij God begint alles niet bij onze mogelijkheid om iets te verwerven. Gods gave gaat vooraf aan onze prestatie. Wij komen niet tot God omdat wij genoeg hebben. Wij komen omdat Hij ons uitnodigt.

Ook de apostel Paulus spreekt in de tweede lezing vanuit diezelfde werkelijkheid (Rom. 8, 35.37-39). Hij maakt geen mooie voorstelling van het leven. Hij noemt verdrukking, angst, vervolging, honger, gevaar. Het is als het ware de volledige inventaris van de menselijke kwetsbaarheid. Maar de apostel Paulus trekt niet de conclusie: ‘Dus zijn wij verlaten.’

Zijn conclusie is: ‘Niets kan ons scheiden van de liefde van Christus.’

Hij ontkent de moeilijkheden niet. Maar hij weigert dat zij het laatste woord hebben.

Voor ons allemaal – monniken en pelgrims samen – komen deze lezingen dadelijk heel concreet samen op de drempel van het altaar. Dat altaar is het ‘hier’ waar Jezus over spreekt.

Want ook wij brengen dadelijk iets mee. Wij brengen brood en wijn. Maar wij brengen ook ons eigen leven mee: onze dankbaarheid, onze zorgen, onze vragen, onze beperkte mogelijkheden. Wij brengen niet een volmaakte werkelijkheid. Zoals de leerlingen geen overvloed aan brood hadden, zo komen ook wij niet met alles geregeld.

Jezus vraagt van ons vandaag geen volmaaktheid. Hij zegt simpelweg:

‘Dat weinige dat je vandaag kunt aanbieden – die oprechte zorg voor je naaste en de zorg voor de schepping, die breekbare goede wil, je gebed voor de vrede, ja, zelfs je diepe machteloosheid over de wereld en de zorgen om de Kerk – houd het niet voor jezelf. Breng het Mij hier.’

De eucharistie is geen menselijke poging om met weinig veel te maken. En zij is ook geen wonder dat losstaat van wat mensen aanbieden. De beweging van de eucharistie is dezelfde als die van het evangelie: wij brengen, Christus neemt aan. Hij dankt. Hij breekt. Hij deelt. Wat in onze handen klein en ontoereikend lijkt, wordt opgenomen in de oneindige gave van Christus.

Daarom blijft dat eenvoudige woord van Jezus vandaag klinken: ‘Breng ze Mij hier.’

Niet omdat wij de kwetsbaarheden van ons leven, de Kerk en de wereld zelf kunnen oplossen. Maar omdat wij mogen vertrouwen dat geen enkel tekort het laatste woord heeft wanneer het in de handen van Christus wordt gelegd.

Amen

 

Broeder Paul

Lezingen: Jes. 55, 1-3 , Rom. 8, 35. 37-39, Mt. 14, 13-21

Nieuwsbrief

Schrijf u vrijblijvend in en blijf op de hoogte van de activiteiten van Abdij van Egmond.

We respecteren uw privacy. Sint-Adelbertabdij zal uw e-mailadres nooit delen met derden.
© 2026, Abdij van Egmond Algemene voorwaarden