Een vakantiepreek
Stel dat u op deze zomerse vakantiedag de lezingen voor de liturgie had mogen kiezen, was u dan uitgekomen bij de teksten die wij zojuist hebben gehoord? Ik heb het stille vermoeden dat u voor andere verhalen zou hebben gekozen. Maar laat ons niet te vlug terzijde schuiven wat ons wordt aangereikt. Haastige spoed is zelden goed, en wie weet, laten we dan een kans voorbijgaan die wij aanvankelijk niet hebben gezien. De tekst van het boek Prediker en die uit het evangelie zijn misschien heel confronterend, maar ze bieden daarmee ook stof tot overdenking. Vakantie is een tijd om op rust te komen, maar ook een gelegenheid om eens stil te staan bij het gaan en staan van ons leven. Hoe loopt het? Is dit wat we willen? Hoe ga ik door? Op dezelfde voet, of is er reden om het levensproject te herzien? Of anders gezegd: Kunnen we misschien iets leren van de verhalen die wij zojuist hebben gehoord?
In een wereld waar een groeiende groep mensen denkt dat wij met techniek alles zelf kunnen bepalen en maken, drukken de lezingen ons met de neus op de feiten. Het leven is eindig en het is een illusie dat wij alles in handen hebben. Ai zal de wereld niet redden en geld en goed oppotten evenmin. Wij kunnen er de dood niet mee ontlopen en het is zeer de vraag of ze ons korte bestaan de vreugde en voldoening kunnen schenken die sommigen ervan verwachten. De Schrift nodigt ons vandaag uit eens met een kritische blik naar ons eigen bestaan te kijken.
Wij horen hoe er iemand bij Jezus komt en hem vraagt voor hem te bemiddelen in een erfeniskwestie. Maar Jezus stuurt het gesprek een ander kant op. Hij gaat niet in op zijn deel in de erfenis, maar hij richt zijn aandacht op onze houding tegenover geld en goed. Hij maakt daarvoor gebruik van een verhaal, waarin een rijke man bij zichzelf overlegt wat hij doen zal. Zo’n innerlijke dialoog is een methode die Lucas wel vaker gebruikt om mensen tot een beslissing te laten komen. Denk maar aan de verloren zoon, die ook bij zichzelf overlegt, of de onrechtvaardige rentmeester. Ze zoeken in een stil gesprek met zichzelf hoe nu verder. Ook ons is dat innerlijk gesprek niet vreemd.
Maar in tegenstelling tot de verloren zoon komt het bij de rijke man niet tot een ommekeer in zijn bestaan, Die innerlijke dialoog komt bij hem niet verder dan( in het Grieks) een liefst zevenmaal herhaalde ik “Ik ga, ik breek af, ik zal, ik doe, ik heb enzovoort. En in zijn doen en laten lijkt het alsof het leven enkel en alleen van hemzelf afhangt. Hij is dan ook druk in de weer en tegelijk komt er in zijn verhaal niemand anders voor. Maar met dat al komt hij bedrogen uit. Want als er één ding is dat we niet in de hand hebben dan is het wel het leven zelf. Natuurlijk moeten wij de handen niet in de schoot leggen, maar al die drukte en oververhitte inspanning waar leidt het toe?
Nu bestaat het risico dat we bij dit evangelie met de vinger gaan wijzen of denken: “dat gaat niet over mij, ik behoor niet tot die klasse, die almaar vergaart. Ik moet het doen met een bescheiden loon. Nee, dit verhaal gaat over een andere groep mensen.”
Inderdaad, misschien hebben wij niet zulke grote schuren als de man uit het evangelie, maar je hoeft niet veel te hebben om toch bezeten te zijn door hebzucht en jaloezie. Waar vergapen wij ons aan, en wat zouden we allemaal niet willen hebben? En zijn wij wel in staat om te delen? Of willen we houden wat wij hebben en is de vraag of een ander met ons aan de tafel van het leven mag aanzitten niet toegelaten? Terwijl een heel deel van de wereld nauwelijks of niets heeft, hoor ik in onze vaderlandse politiek nog steeds stemmen die inzetten opgroei voor ons eigen landje en het “ik” met zijn vermeende rechten is niet van de lucht. Is onze, is mijn innerlijke houding wel wezenlijk verschillend van die van de rijke man. Wie of wat bepaalt onze kijk en onze omgang met het leven? Hebben wij inderdaad de oude mens, waarover Paulus in de lezing sprak, afgelegd, of is de hebzucht de stille afgod die ons leven bepaalt?
“Er is op aarde genoeg voor wat ieder mens nodig heeft, en er is niet genoeg voor de hebzucht van ook maar één mens”, zo las ik onlangs. Ja, “er is op aarde genoeg voor wat ieder mens nodig heeft, en er is niet genoeg voor de hebzucht van ook maar één mens”. Die zin is eigenlijk een kort maar krachtig commentaar op het evangelie van vandaag.
Wat daar nog aan toe te voegen? Misschien dit: de hebzucht, het nooit genoeg hebben en dus het niet kunnen delen en ontvangen, dat beperkt zich beslist niet tot geld en goed. Laat ik maar dicht bij huis blijven en een monnikenvader citeren, die zegt dat monniken soms afstand hebben gedaan van tal van zaken, huis en have vaarwel hebben gezegd, maar dan niet in staat blijken om een boek, naald of schrijfstift uit te lenen. Er is zoveel waaraan je je kunt hechten met een verbetenheid die anderen het leven niet gunt. Denk bijvoorbeeld eens aan de tijd. Ook die is ons gegeven om samen te delen, om menselijk samenleven mogelijk te maken, oog en oor te hebben voor elkaar, maar in onze huidige samenleving lijkt het niet zelden een streng bewaakt privé domein. De vakantie zou een aanzet kunnen zijn tot een andere manier van leven.
Het leven is niet van ons, wij hebben het een korte tijd als een kostbaar kleinood in handen. Wat doen wij ermee? Het delen of zoveel mogelijk oppotten en dan straks de dood in de pot te vinden? De woorden van Jezus mogen ons de ogen openen en de tafel van de Heer moge ons de smaak geven voor het leven waartoe wij zijn geschapen en geroepen in het voetspoor van Jezus, onze Heer.
AMEN.
Br. Abt Thijs Ketelaars
Lezingen: Prediker 1,2;2,21-23; Kolossenzen. 3,1-5,9-11; Lukas. 12,13-21
afbeelding: Silence by Odilon Redon, 1911.
