De Bergrede: vaste grond
Dat was een mond vol zaligheid. Liefst negen zaligsprekingen hebben wij zojuist gehoord. Misschien had u een beetje moeite om ze allemaal uit elkaar te houden of misschien bent u door een bijzonder geraakt en is de rest een beetje aan u voorbijgegaan. Of bleef u hangen bij dat negenvoudige ‘zalig’, want dat hoor je ook niet alledag. Jeremiades zijn eerder een vast onderdeel van ons hedendaagse leefpatroon. Maar die zetten een heel andere toon dat zaligsprekingen.
Liefst negen zaligsprekingen staan aan het begin van de Begrede, de grondwet van Gods Koninkrijk. Dat begin is verrassend. Daarmee wordt een toon gezet die verschilt van wat je zou verwachten. Jezus begint niet met het opsommen van wetten en regels, maar met een litanie, waarin hij alle groepen gelukkig prijst voor wie deze grondwet bestemd is. En door het gebruik van dat negenvoudige zalig wordt het een lied dat met die herhaling een sfeer oproept die mensen niet alleen bij de les houdt maar ze ook meeneemt. En daar gaat het Jezus om, want die negen groepen die de revue passeren behoren gewoonlijk niet tot de uitverkorenen. In onze grote mensenwereld zijn macht en aanzien de spelmakers maar ook de spelbrekers. In Gods Koninkrijk gaat het er anders aan toe.
Nu is dat woord ‘zalig’ voor deze of gene misschien een oud of belast woord. U mag het ook vervangen door ‘gelukkig’, want Jezus’ woorden zijn een blijde boodschap. Al die zalig geprezen personen zijn de ware bestemmelingen van Gods Koninkrijk. Het zijn geen namen die in de krant gewoonlijk de koppen krijgen, eerder mensen die in de grote wereld uit de boot gevallen zijn, maar ook mensen die zich bescheiden en moedig inzetten voor een samenleving van vrede en gerechtigheid. Zij staan aan de kop van de Bergrede en daarmee zijn zij aangeduid als volwaardige bewoners van Gods Koninkrijk. Anders gezegd, zij worden door Jezus als burgers van Gods Koninkrijk verwelkomd en krijgen de grondwet daarvan uitgereikt. Het zal je maar overkomen, want zo mag je weten dat je voor vol wordt aangezien, dat je thuis hoort in dat koninkrijk. Dat moet toch een zalig gevoel geven, ondanks alle pijn en zorgen van het moment. Maar je hoort erbij, je wordt niet buitengezet. Ze horen erbij, de treurenden, de vredestichters, en wie vervolgd worden om de gerechtigheid en vul de reeks maar aan.
Een grondwet, wij hebben er in ons dagelijks bestaan allemaal mee te maken. Wij beseffen dat misschien niet elke dag, maar het is de vaste grond waarop een samenleving wordt gebouwd. Wordt daar aan getornd, dan valt het fundament weg onder ons gezamenlijk bestaan. We zien het voor onze ogen gebeuren, in oost en west, in noord en zuid, waar in plaats van de heiligheid en onschendbaarheid van het leven het recht van de sterkste de dienst gaat uitmaken. De grondwet van de Schrift is dat het leven heilig is en een gave. Het vormt het hart van het verbondsboek, de torah, en het vormt het hart van de Bergrede. Het leven van groot en klein, van sterk en zwak, ja heel de schepping die al even broos en kwetsbaar is, verdient bescherming en zorg. Daar zijn wij allen samen verantwoordelijk voor, samen maar ook ieder persoonlijk. Dat vandaag aan het begin van de Bergrede een litanie van kleine en kwetsbare mensen staat, geeft te denken. De machtigen weten zich wel te beschermen, maar de kleinen, de naamlozen en degenen die opkomen voor recht en gerechtigheid, waar kunnen zij op steunen, wie neemt het voor hen op? Jezus zet hen vooraan en de grondwet van Gods Koninkrijk stelt zich voor hen garant. En het blijft niet bij woorden, Jezus zelf schaart zich in hun rij. De zaligsprekingen spreken over armen van geest en zachtmoedigen, wel in het 11e hoofdstuk van Matteüs schaart Jezus zichzelf uitdrukkelijk onder die groep. “Ik ben zachtmoedig en nederig van hart”, en zo neemt hij zijn soortgenoten met zich mee. In heel hun kwetsbaar en aangevochten bestaan zijn zij met Jezus bewoners van Gods Koninkrijk.
Die grondwet moet de kleinen steunen, vertrouwen schenken, hoop en bescherming. Zij zijn niet stateloos of vogelvrij, maar medeburgers en huisgenoten van Jezus. Maar als burgers van het Koninkrijk hebben zij dan ook naar die grondwet van het Koninkrijk te leven. Niet als een last die op de schouders drukt, maar als een woord dat een veilige haag rond het leven zet, zodat wij in vrede als broeders en zusters kunnen samenleven. De Bergrede is geen stok om mee te slaan, maar een lamp voor onze voet, een vuurtoren en een merksteen om de richting aan te geven op onze levensweg en ons te hoeden dat wij niet van het pad afraken en omkomen in de woestijn of op de duistere zee van het leven.
Wanneer wij vandaag de zaligsprekingen horen, dan ontvangen wij zowel een gave als een opgave. Want ook tot ons zijn zij gericht. In welk van de zaligsprekingen vind je je plek? Waar herken je je in? Sluit je ben hen aan. De bedroefden en bedrukten, zij worden misschien niet direct van hun pijn verlost, maar als kinderen van het Koninkrijk en als tochtgenoten van Jezus gloeit het kleine licht van de hoop. Jezus zelf is door de nacht gegaan voordat het Pasen werd. En de vredestichters en zij die omwille van Jezus en de trouw aan de waarheid worden vervolgd of voor gek uitgemaakt, moge de Geest hen staande houden. Kinderen van het Koninkrijk zijn het, zij worden zalig geprezen, bewoond door een heilig vuur dat zich niet doven laat door de machten en krachten van deze tijd. Het Koninkrijk is hun geschonken, maar het vraagt ook inzet tot de laatste ademtocht. Niet zwichten voor de machten dezer eeuw die de grondwet van Gods Koninkrijk willen herschrijven met het algoritme van de macht. Wij dienen ons de adel van onze ziel niet te laten ontnemen. Als gedoopten hebben wij de grondwet van het Koninkrijk onderschreven. Laat het niet bij een loze pennenstreek blijven, maar zetten wij ons in, in groot en klein verband dat geen mensenkind het leven wordt ontzegd of ontnomen.
Zalig die de waarheid spreken, zalig die de ogen niet sluiten voor andermans leed of pijn, zalig allen die het evangelie van leven en vrede handen en voeten geven. Kome wat komt, zij zullen Gods Koninkrijk beërven.
AMEN.
Broeder Abt Thijs
Lezingen: Sefanja. 2,3; 3,12-13. 1 Korinthe. 1,26-31. Matheus 5,1-2a
