Werkers van het eerste uur
Afgelopen week was het weer Prinsjesdag en hebben wij gehoord wat de plannen en wensen zijn van de regering. En inmiddels heeft ook de oppositie zich laten horen. Wat heeft het evangelie dat wij zojuist gehoord hebben ons in die context te vertellen? Of moeten wij het terzijde schuiven als een verhaal dat niet meer past in deze tijd? Maar laten we niet te vlug zijn met ons oordeel, wie weet snijdt het meer hout dat we op het eerste gezicht vermoeden.
Wie de Schrift een beetje kent en zijn ogen niet sluit voor het doen en laten in onze samenleving, die weet dat afgunst, competitie en concurrentie als een rode draad door onze menselijke geschiedenis loopt. Het lijkt wel of het niet anders kan. Adam en Eva zijn nog maar nauwelijks op het toneel verschenen of ze kijken al met een afgunstige blik naar een boom waarvan ze de vrucht niet mogen eten. En hun kinderen doen al niet anders. Kaïn is afgunstig op zijn broer Abel, want die lijkt iets te hebben wat hij niet heeft. En in plaats van hem de vriendschap te gunnen, slaat hij hem dood. En wie verder leest in het boek van ons geloof, ziet het patroon steeds weer terugkeren. Het houdt maar niet op en het gaat door tot in onze dagen. Wie zijn ogen niet sluit ziet het overal als onkruid om zich heen de kop opsteken. Jaloezie, afgunst, zij blijken van alle tijden en het is alsof ze ons aankleven als de huid van de slang, en we lijken haar niet of maar moeilijk te kunnen afwerpen.
Het evangelie van vandaag voegt zich in die lange rij van verhalen. Het is de geschiedenis ingegaan onder de titel ‘de parabel van de werkers van het elfde uur.’ Maar het is de vraag of hij niet veeleer de naam verdient van “de werkers van het eerste uur’, want met hen had de werkgever op het eind van de dag het nodige te stellen.
De laatkomers ontvangen hun loon en gaan zonder verder commentaar naar huis. Vermoedelijk waren ze dol blij dat ze na minder dan een dag gewerkt te hebben het volledige dagloon kregen.
Maar dan de eersten die achter in de rij stonden bij de uitbetaling. Zij zagen wat de laatkomers kregen. Toen zij dan aan de beurt kwamen en hetzelfde kregen als de laatkomers, toen waren de rapen gaar. Kunt u het zich voorstellen?
Ze kregen niets te kort want ze waren overeengekomen voor een dagloon en de eigenaar had hen eerlijk uitbetaald. En toch, geklaag en discussie.
‘Die hebben maar één uur gewerkt en gij stelt ze gelijk met ons die de last van de dag en de brandende hitte hebben gedragen.’ Maar de landeigenaar reageert op hun beschuldigingen met een vraag: ‘Mag ik met het mijne niet doen wat ik verkies of zijt gij kwaad omdat ik goed ben?’
‘Zijn jullie kwaad, omdat ik goed ben?’, de Griekse tekst leest letterlijk ‘Is jullie oog slecht, omdat ik goed ben?’ Met welke blik kijken jullie naar je collega’s, die gewerkt hebben? Niet met die van de landeigenaar. Om het met de woorden vaan de profeet Jesaja te zeggen: “ uw gedachten zij niet mijn gedachten, mijn wegen niet uw wegen.” Wij zijn dan wel geschapen naar Gods beeld en gelijkenis, maar wanneer wij die gaven niet cultiveren en ons gedrag laten bepalen, krijgen andere stemmen in ons leven hun kans, en krijgt de blik van Gods menslievendheid concurrenten van een slechte soort.
Naar het leven kijken met de blik van God is er niet een van afgunst, maar van leven geven en leven delen. Je verheugen dat allen aan de tafel van het leven een gelijkwaardige plek krijgen of ze nu laat of vroeg gekomen zijn. Allen zijn wij kinderen Gods en allen zijn wij geroepen om als die grote mensenfamilie samen te leven. Is dat eenvoudig? Nee. Is dat onmogelijk? Nee, maar het vraagt gedurige bekering, want het leven is ons gegeven om het met elkaar te delen, elke dag weer, met wie vroeg of laat komt.
De landeigenaar over wie Jezus vandaag spreekt, is God, die zijn zon over goeden en kwaden doet opgaan. Hij kent geen onderscheid en zijn liefde gaat uit naar elk mensenkind. Een liefde die uniek is, want elk van de arbeiders heeft een eigen naam en gezicht, zijn eigen verhaal, maar het zijn allemaal zijn mensen, niemand uitgezonderd. Of ze nu zwart zijn of blank, hoogbegaafd of mindervalide, zij vormen voor God één mensenfamilie, één lichaam. En om met Paulus te spreken, de zwakke delen verdienen dezelfde zorg als de sterken, want alleen zo kan het lichaam gezond blijven.
Zijn jullie kwaad omdat ik goed ben? Niemand is goed dan God alleen. Ons denken en doen is aangevreten door de worm van het bederf en de dood. De afgunst heeft de dood in de wereld gebracht, zegt het boek Wijsheid, maar daarvoor zij we niet geschapen en daartoe worden we niet geroepen. Wij missen het heldere oog. Afgunst en wantrouwen maken de dienst uit in plaats van vertrouwen en samenwerken. Wij hebben de keus om te luisteren naar de influistering van de slang of naar het stille spreken van de Geest, die leven geeft.
In een samenleving waar almaar etiketten worden geplakt, mensen worden weggezet, afgeschreven of niet toegelaten om aan de arbeid deel te nemen in de tuin van het leven, worden wij vandaag geroepen elkaar met andere ogen te bezien, met de blik van God die leven geeft en voor allen het volle loon in petto heeft.
Wij hoorden vandaag een verhaal dat maar al te herkenbaar is, maar hier worden wij op deze zondag weer aan de tafel genodigd door één die zo goed als God is geweest. Zijn leven reikt hij ons aan. Aan ieder zonder onderscheid, opdat wij iedere dag opnieuw uit zijn kracht zouden leven als nieuwe Adam en nieuwe Eva, en wij op de akker van het leven samenwerken voor een oogst die God en mens vreugde verschaft.
AMEN
Vader abt Thijs Ketelaars
tekst: Mt 20, 1-16
