Mattheus opent zijn beschrijving van Jezus’ openbare leven met de beschrijving dat deze door Johannes wordt gedoopt, van zijn verblijf in de eenzaamheid, van de keuze van zijn leerlingen en daarop volgt de grote Bergrede. Die opent met de zaligsprekingen. Acht zaligsprekingen in algemene termen. En dan de negende die van toon verandert: niet meer zalig wie – in algemene termen, maar heel direct: zalig jullie. De toehoorders worden rechtstreeks aangesproken, ieder die Jezus concreet volgt krijgt deel aan zijn geluk, niet als belofte, maar hier en nu, zij het gepaard met vervolging. En daarop vervolgt de tekst van het evangelie van vandaag.
“Jullie zijn het zout van de aarde” en “jullie zijn het licht van de wereld”. Ieder volgeling van Christus, ieder christen dient te zijn als zout en als licht.
In de tijd van Jezus was zout even kostbaar als onontbeerlijk. Het was een betaalmiddel en een zeer gewaardeerde smaakmaker. Als men een bijzondere gast ontving werd een maaltijd aangeboden die met een flinke hoeveelheid zout was gekruid, als teken van vriendschap en waardering. Bij het verbranden van een offer voor Jahweh werd er zout van goede kwaliteit aan toegevoegd om het offer voor de Allerhoogste aangenamer te maken. Jahweh zou, net als iedereen, ook van zout houden.
Op verschillende plaatsen in het Oude Testament wordt gesproken over “het zout van het verbond” of, omgekeerd, over een “zoutverbond”. Volgens het boek Numeri (18/19) had Jahweh de stam van Levi gereserveerd voor de dienst in de tempel en aan het altaar: hij had met de Levieten een ‘zoutverbond’ gesloten, een vriendschapsverbond. Dat vraagt om de juiste maat. Niet zouteloos, smakeloos, flauw, ook niet te zout
In Leviticus (2/3) vinden we ten slotte het voorschrift om zout op het offer te strooien, in combinatie met de formule ‘zout van het verbond’: ‘Je zult je offerande zouten, staat er, en je zult niet nalaten het zout van het verbond van je God op je offerande te strooien’.
Samenvattend: in de Bijbel wordt zout in verband gebracht met het begrip vriendschap en gastvrijheid, en met het idee van een verbond; aangezien zout voedsel smakelijk maakt, mocht het niet ontbreken op enig offer dat aan God werd gebracht, noch bij enige vriendschapsmaaltijd.
Tot slot mogen we opmerken dat zout niet alleen voedsel smakelijker maakt, maar ook de eigenschap heeft het te conserveren. Vriendschap en verbond, bezegeld door een maaltijd of offer, waarbij niet op zout was bezuinigd, werden als duurzaam beschouwd. Het zout van de vriendschap beschermde het verbond tegen bederf: een zoutverbond kon niet worden verbroken: het behield voor altijd zijn smaak.
Dit gezegd zijnde, is het niet moeilijk te begrijpen wat de uitspraak van de Heer betekent: “Jullie zijn het zout van de aarde”. Als zout van de aarde is het de rol en eigenschap van de discipel om de aarde haar smaak terug te geven en de aarde, het land van de mensen, te behouden in haar verbond en vriendschap met God. Daartoe zorgt de discipel ervoor dat hij al zijn smaak behoudt. In de tijd van Jezus was het moeilijk om aan goed zout te komen. Het Palestijnse zout dat aan de oevers van de Dode Zee, ook wel “de zoutzee” genoemd, werd gevonden, was niet altijd erg stabiel en verloor gemakkelijk zijn smaak. Dan was het niet meer bruikbaar, want je kunt afgevallen zout zijn smaak niet teruggeven: “Als het zout zijn smaak verliest, hoe kan het dan weer zout worden? Het is nergens meer goed voor: men gooit het buiten (op de wegen en paden) en de mensen vertrappen het”. Het gaat er dus om, zegt de Heer, dat we niet smakeloos worden, want een smakeloze leerling kan de aarde van de mensen niet meer zouten, niet meer smakelijk maken door zijn vriendschappen, zijn verbonden, zijn broederschap, zijn gastvrijheid. Het gaat erom de aarde, onze leefomgeving, op smaak te brengen, onze gemeenschap met onze broeders en zusters smakelijk te maken.
Uit deze dubbele uitspraak van de Heer: “Jullie zijn het zout van de aarde; jullie zijn het licht van de wereld”, kunnen we afleiden waarom de liturgie van deze zondag als eerste lezing de aansporing tot delen van de profeet Jesaja heeft gekozen. De tekst spreekt niet over het zout der aarde dat wij moeten zijn, maar meerdere keren over het licht der wereld dat wij zijn. Om het zout van vriendschap, broederschap en solidariteit te kunnen zijn, waarin het licht schittert, opgaat als de dageraad, oprijst in de duisternis als het licht van de middag in Palestina, moeten we ons brood delen met wie honger heeft, de ongelukkige dakloze bij ons thuis opnemen, degene die we zonder kleding zien, bedekken, ons niet onttrekken aan zijn nood, maar hem in onze vriendschap opnemen, het juk, de dreigende gebaren, alle geweld uit het land laten verdwijnen.
“Dan”, zo zegt het evangelie, “zullen de mensen, wanneer zij uw goede werken zien, uw Vader in de hemel verheerlijken”. Dan, zo vervolgt de eerste lezing, “zal uw gerechtigheid voor u uitgaan… En de glorie van de Heer zal je vergezellen”. De profeet richt zich tot Israël. Als volk van Jahweh heeft Israël de roeping om de glorie van zijn God aan de wereld te tonen. Zij zullen de manifestatie zijn van de glorie van Jahweh, als zij het goede doen dat de profeet hen vraagt te doen: de heidenen zullen het zien en Jahweh verheerlijken.
En dat zal in hun eigen voordeel zijn: “Als je dan roept, zal de Heer antwoorden; Hij zal zeggen: Hier ben ik… En je krachten zullen snel terugkeren.” Want in de tijd van de profeet was Israël een klein en arm volk geworden; “Ik zal alleen een klein en arm volk in je midden laten voortbestaan, Israël”, zei de profeet Jesaja afgelopen zondag in de eerste lezing. Maar als zij hun gebeden vergezeld zullen doen gaan met aalmoezen en met het opvangen van ongelukkige daklozen, dan zullen hun krachten terugkeren, omdat zij onrechtvaardigheid en alle geweld uit het land zullen doen verdwijnen.
In deze tijd van nieuwe armen en andere ongelukkigen klinkt deze oproep van de profeet tot delen en solidariteit met de behoeftigen van onze tijd als buitengewoon actueel. Wij willen de politiek buiten de godsdienst houden, en niets ten nadele zeggen van Gods uitverkoren volk. Maar mocht het het Israel van nu luisteren naar zijn eigen profeten, en afzien van zijn afschuwelijke onmenselijkheid jegens de oorspronkelijke bewoners. Dierbaren, laten wij, die volgelingen van Jezus willen zijn, diens woorden ter harte nemen. Laten we goed zout zijn en een licht dat voor de mensen schijnt door onze goede werken.
Vragen wij in deze viering dat God ons daartoe bezielt, ons inzicht geeft en wijsheid, sterkte, geduld en standvastigheid.
Amen
Br. Gerard Mathijsen
Lezingen: Jesaja 58 : 7 – 10 + 1 Kor 2 1- 5 + Matheus 5: 13-16
