Geen producten in de winkelwagen.

Nieuws

Preek 20 november 2022

De liturgische kalender sluit vandaag het kerkelijk jaar af met het hoogfeest van Christus Koning. Wie in onze wereld om zich heen kijkt, ziet daar mogelijk weinig van dat koningschap. Is het er niet, of worden wij misschien op het verkeerde been gezet door die titel koning? Wat stellen wij ons voor, wanneer wij horen spreken over koning? Een titel en een ambt dat niet meer van deze tijd is of een kostbaar kleinood uit het verleden dat wij koesteren als vaste spil in een samenleving die almaar verandert, een positie die macht en aanzien verschaft, of je in staat stelt op kosten van anderen te reizen? Het zou allemaal kunnen, maar het heeft allemaal niet zoveel te maken met de koning die wij vandaag eren. In het evangelie van deze zondag treffen wij een Messias, een koning, die gestalte noch luister heeft, slachtoffer van religieus en politiek geweld. En dat moet koning heten?

En toch..

Lucas beschrijft ons het tafereel van de kruisiging. Wij horen hoe daar op Golgotha mensen van allerlei soort samendrommen en de vrije loop laten aan hun boosheid, hun woede, hun verwachtingen en ideeën omtrent deze koning en Messias. Er is sprake van heftige reacties, geroep, geschreeuw en gepraat. Maar laten wij eerst een ogenblik stilstaan bij het begin van onze evangelielezing. Daar ontmoeten wij een groep die geen commentaar geeft. Toen Jezus aan het kruis hing, zo hoorden wij, stond het volk toe te kijken. Waar anderen spottend commentaar leveren, staat het volk stil te schouwen naar het tafereel voor zijn ogen. Nu kennen wij allemaal het gezegde: wie zwijgt, stemt toe. Maar hier is, zo lijkt het, iets anders aan de hand. Geen stilzwijgende instemming met al dat geweld en gespot, maar eerder een zwijgend meeleven, een stil overwegen van wat zich hier voltrekt. Temidden van al dat brute geweld is er één groep die in zijn machteloosheid meeleeft met wat hier gebeurt. Het koningschap van Jezus, zusters en broeders, wordt in onze wereld niet zelden beleden en beleefd door mensen die geen stem hebben, die in het grote gebeuren van het menselijk reilen en zeilen maar een marginale plek hebben. Evenmin in tel als hun koning zelf.

Maar kijken wij nu naar al diegene die luidop commentaar leveren. Het zijn niet de minsten. Lukas voert drie groepen op: de overheden, de soldaten en een van de misdadigers. Hun reactie kent bij alle verschil een gemeenschappelijke trek. De overheidspersonen beginnen met “anderen heeft hij gered”, dat hebben ze immers gezien, maar dan volgt “laat hij nu zichzelf redden”. De soldaten verwachten van een koning alleen dat hij zichzelf redt, en daarmee basta. En een van de misdadigers heeft het over het redden van zichzelf en het redden van zijn kornuiten, waarvan hij er een is.

“Zichzelf redden”, dat is wat er door elk van die drie groepen van de koning wordt verwacht. Heldere taal, heldere insteek, maar dat is nu precies waar het Jezus niet om te doen is. Heel zijn leven is er op gericht geweest anderen te redden, anderen leven te geven. Zichzelf heeft hij niet geteld. Niet omdat hij een hekel had aan zichzelf, maar omdat het geheim van zijn leven een heel andere dynamiek kende dan wat onder ons mensen veelal gangbaar is.

Dat commentaar is vermoedelijk niet vreemd. Voor jezelf opkomen, je zelf niet te kort doen, jezelf niet vergeten, het zijn woorden die wij dagelijks op allerlei manieren tegenkomen. Ze zijn ons niet alleen vertrouwd, maar in de schuilhoeken van ons hart bepalen zij wellicht ook ons doen en laten. Ons leven heeft nog niet het koninklijk postuur van Jezus, van die koning die alle eigenbelang vreemd is. Hij eist niets op, hij poogt niets binnen te halen. Hij geeft alleen maar, ja hij geeft nog waar hem alles wordt ontnomen, daar vergeeft hij, omdat zijn leven put uit een bron van leven, die enkel uitstroomt.

Wij kunnen het geheim van dit koningschap maar op het spoor komen, wanneer wij ontdekken hoezeer het in de Vader zijn oorsprong en zijn grond heeft. Vanuit die relatie heeft Jezus geleefd, van daaruit heeft hij zich gegeven. En aan die liefde is alle eigenmachtigheid en baatzucht vreemd.

Wij zijn vandaag getuigen van een koningschap dat niet van deze wereld is. In onze wereld gaat het er gewoonlijk anders aan toe. Het evangelie van vandaag toont het ons op een schrijnende manier. Dat koningschap wordt afgewezen en bespot, maar ook daar laat Gods liefde zich niet weerhouden. Als het om zijn liefde voor de mens gaat, gaat hij tot het uiterste.

Beminnen,broeders en zusters, Jezus heeft het gedaan met de maat van God zelf. Hij is ervoor afgedaald tot waar er geen teken van wederliefde meer was. Maar hij heeft het niet kunnen laten, omdat hij ons mensen niet aan die verlorenheid prijs wilde geven. Vandaag zien wij in het evangelie het dieptepunt van Gods afdaling om mensen mee te nemen naar omhoog, weg uit de diepte van dood en verderf, van haat en verguizing. Weg uit het graf om te leven als kinderen van het licht, broeders en zusters van de Nieuwe Adam.

In de eerste lezing was er sprake van de zalving van koning David te Hebron. Dat tafereel maakt  ons deelgenoot van een geheim dat in Jezus zijn voltooiing vindt. De vertegenwoordigers van de stammen beginnen hun gesprek met David met de opmerking: “Hier zijn wij, uw eigen vlees en bloed”. Daarmee wordt te verstaan gegeven dat een koning niet boven zijn volk staat, ook hij is een mens van vlees en bloed. Maar er is meer, “uw eigen vlees en bloed”, zijn het ook niet de woorden die Adam sprak toen Eva hem als bruid werd toevertrouwd?  Dit geheim is groot. Koning in Israël, Koning naar Gods hart, je bent het niet voor jezelf, je krijgt een volk toevertrouwd als bruid. En alles zal Jezus voor haar geven, ook als ze ontrouw wordt, vreemd gaat. Hij laat niet los en schaamt zich niet zijn volk te beminnen bij nacht en ontij.

Éen is er die het heeft begrepen. Wij noemen hem gewoonlijk de goede moordenaar. Ook hij is door een hel gegaan, maar hij terecht, zoals hijzelf zegt. Alle eigenwaan legt hij af, om zich alleen nog vast te klampen aan die ene Naam, in wie hij de liefde in al haar naaktheid en kwetsbaarheid herkent. Naam die boven alle namen is, in wie onze redding en behoud is. Jezus, God redt, die naam ligt hem op de lippen als zijn laatste ademtocht. En waar hij het niet of nauwelijks meer durfde hopen of verwachten, daar neemt Jezus hem mee als een bruid: Heden zult gij met mij zijn in het paradijs. Zo moge het ons allen vergaan. AMEN

Abt Thijs Ketelaars

Preek 13 november 2022

Zondag 33 C 13 november 2022

Dit zijn de donkerste zondagen van het jaar, en de media mogen dan weinig te vertrouwen zijn, we leren er wel uit dat onze samenleving geen zonnige periode doormaakt. Terecht hebben veel mensen zorg over wat hun kinderen te wachten staat. Moeten we het hoofd laten hangen?  De liturgie van deze laatste zondagen van het liturgische jaar brengt licht en bemoedigt. Ze leert ons dat de beproevingen die onze wereld doormaakt niet nieuw zijn en spoort aan onze hoop te vestigen op Christus. Deze zondag viert de Kerk de 6e Werelddag van de Armen (33ste zondag, dit jaar op 13 november). We horen de immer actuele kreet van de profeet Maleachi: “De zon van de gerechtigheid gaat op en met haar vleugels brengt zij genezing” (Mal 3, 20). Laten we ons leven toevertrouwen aan de Heer Jezus, die naar ons toe komt en de mensheid geneest,” aldus paus Franciscus in zijn aansporing om vandaag onze verantwoordelijkheid voor de arme wereldbevolking te overwegen. Bezinnen wij ons op onze levensstijl en hebben wij aandacht voor de vele vormen van armoede van deze tijd. We kunnen somberen en treuren, we kunnen bang zijn voor de toekomst en klagen over alle rampzalige ontwikkelingen, maar de paus, en het evangelie bemoedigen om positief te denken, ons niet uit het veld te laten slaan, en met creativiteit te kijken wat wij zelf kunnen doen om de wereld, al is het maar een heel klein beetje, meer menselijk te maken, en daardoor het uitzicht op de hemel helderder.

Christenen van alle tijden hebben altijd met vreugde en gevoel voor verantwoordelijkheid  geofferd, opdat het geen enkele broeder en zuster aan het noodzakelijke zou ontbreken. Wij vinden een bevestiging daarvan bij de heilige Justinus, die in de tweede eeuw het volgende optekende, toen hij keizer Antoninus Pius de zondagsviering van de christenen beschreef: “Op zondag komt men allen samen, de bewoners van de steden of het platteland, en worden de Handelingen van de apostelen of de geschriften van de profeten gelezen, zolang als de tijd het toestaat. […] Dan wordt gedeeld en aan ieder wordt de communie uitgedeeld en via de diakens wordt het naar de afwezigen gebracht. De rijken geven wat zij zelf willen en datgene wat wordt bijeengebracht, wordt bij de priester in bewaring gegeven. Deze helpt de wezen, de weduwen en wie behoeftig is door ziekte of om een andere reden, de gevangenen, de vreemdelingen die bij ons zijn: kortom, men zorgt voor ieder die behoeftig is.” Die solidariteit heeft de eeuwen door christenen gekenmerkt. Ouderen onder ons weten nog van alle missieactiviteiten in de jaren na de oorlog. De mensen hadden het niet breed, van de latere welvaart had nog niemand een vermoeden, maar er werd geijverd voor de missie, en met dubbeltjes en kwartjes, met postzegels en zilverpapier werden kerkelijke caritatieve instellingen gesteund. Nog voor de oorlog trouwens, in de moeilijke jaren ’30 is onze abdij opgebouwd met kleine giften in de groene offerbusjes die bij katholieke winkeliers door heel het land stonden. Die tijd wil ik allerminst verheerlijken, het was ook die van de maatschappelijke verzuiling, maar binnen die groeperingen bestond groter gemeenschapsgevoel. De kwaal van onze tijd is het individualisme, de zuilen zijn dan verdwenen maar de kloof tussen arm en rijk is nog groter geworden en heel veel mensen lijden onder eenzaamheid. Daartegenover kunnen we gemeenschap opbouwen en hoop doen leven door solidariteit. Paus Franciscus schrijft: “Solidariteit is in feite juist dit: het weinige dat wij hebben, delen met hen die niets hebben, opdat niemand lijdt. Hoe meer het gevoel voor gemeenschap en broederschap als levensstijl groeit, des te meer ontwikkelt zich de solidariteit. Men moet overigens bedenken dat er landen zijn waar in de afgelopen decennia vele families een groei in welvaart en zekerheid hebben meegemaakt. Het betreft het positieve resultaat van particuliere initiatieven en wetten die de economische groei hebben bevorderd samen met concrete initiatieven om gezinnen te steunen en maatschappelijke verantwoordelijkheid aan te moedigen. De vruchten van zekerheid en stabiliteit kunnen nu worden gedeeld met hen die gedwongen zijn hun huis en land achter te laten, op zoek naar veiligheid. Laten wij als burgers waarden als vrijheid, verantwoordelijkheid, broederschap en solidariteit levend houden. En laten wij als christenen altijd de liefde, het geloof en de hoop het fundament van ons leven en ons handelen laten zijn.

Dierbaren, de hedendaagse wereld met al zijn ellende is niet het einde. Immers, elk einde heeft een nieuw begin, en op elke donkere nacht volgt een heldere dag. En dat nieuw begin en die heldere dag is de zekerheid dat God ons nooit in de steek laat. ‘Ik zal u een taal en een wijsheid geven die geen van uw tegenstanders zal kunnen weerstaan of tegenspreken’, zegt Jezus. En onze tegenstanders zijn geen vijanden die ons vervolgen. Het zijn ons twijfels, onze lauwheid in de beleving van ons geloof, ons gebrek aan inzet. Laten we ons daartegen verzetten. Laten we dus geen kaal gebrand stoppelveld zijn, zoals Maleachi in de eerste lezing zegt, en ook geen luie nietsdoeners tegen wie Paulus in de tweede lezing uitvaart. Maar laten we ons geloof in woord en daad beleven, want zonder God, zonder Jezus, zijn we niets of niemand. Maar Jezus verzekert ons: door standvastig te zijn, zult ge uw leven winnen. De Heer weet heus wel dat we geen helden zijn. We hoeven niet te vertrouwen op eigen kracht. Maar laten we het wagen met Hem, en gesteund door elkaar. En hoe somber de berichten in de media ook zijn, vanuit dat geloof blijmoedig leven en naar mogelijkheid bijdragen aan de levensvreugde van andere mensen. Amen.

br. Gerard Mathijsen osb

Zondag 33 C 13 november 2022

Preek 6 november 2022

In de meeste kerken is woensdag j.l. Allerzielen gevierd, op een enkele plaats wordt die gedachtenis vandaag gehouden. Maar ook de lezingen van deze zondag, een van de laatste van het kerkelijk jaar, gaan over dood en leven, en vooral over leven na de dood.  Wie denkt niet na over het levenseinde: over wat ons straks te wachten staat, fantaseert over die toekomst, is er benauwd voor, of twijfelt of er wel een toekomst volgen zal dan wel of dit leven alles is? Het meest fascinerend en ook wel beangstigend is dat moment van de overgang, de grote sprong. In Jezus’ tijd waren de mensen door dat hiernamaals ook al geobsedeerd. De Sadduceeën die niet in een hiernamaals geloofden en Jezus een strik wilden spannen kwamen met een tamelijk absurd verhaal. Misschien hadden zij het boek Tobias voor ogen. Sara, de dochter van Raguël en Edna, met wie Tobias zou huwen, was tevoren immers al zeven maal uitgehuwelijkt, maar haar zeven bruidegoms waren allen in de eerste huwelijksnacht omgekomen. Dus de gespreks-partners van Jezus hadden een literair, zelfs een Schriftuurlijk voorbeeld.

En in de eerste lezing hoorden we over de zeven broers die voor de heidense koning getuigden van hun geloof in een eeuwige beloning. De Sadduceeën hadden daarbij hun twijfels. Wij weten niet zo heel veel over deze groepering in het Jodendom. Zij vormden een wat elitaire groep met liberale ideeën die open stonden voor het Hellenisme, en niet geloofden in wonderen en in de opstanding en ook niet in het bestaan van engelen. Maar zij hielden wel vast aan de boodschap van de bijbel. Zij geloofden in de God van Israel en in de uitverkiezing van het Joodse volk. Jezus verwijst dan ook naar Mozes en de openbaring die deze mocht ontvangen. God is een God van levenden niet van doden. God gaat met de mens een relatie aan, en die houdt stand in eeuwigheid. Het huwelijk is een aardse realiteit. Het hiernamaals is van geheel andere aard. Jezus verwees de Sadduceeën, die zich graag op Mozes beriepen, nu naar de tekst uit Exodus 3,6 waar God bij het doornbos zichzelf noemt: “de God van Abraham, de God van Izaak, de God van Jacob”. Deze aartsvaders waren toen al lang gestorven. Maar God bleef nog altijd hun God, en zij waren met Hem verbonden, “Hij is een God van levenden en niet van doden”. Hij is een God van relatie, die de mens vasthoudt over de dood heen. De priester Henri Nouwen schrijver van veel boeken over gelovig christelijk leven in deze tijd was in de laatste jaren voor zijn onverwachte overlijden gefascineerd door een groep circusartiesten, trapezewerkers, die halsbrekende toeren uithaalden in de nok van het circus. Wat hem vooral boeide was dat de belangrijkste man in hun groep de vanger bleek: op hem moesten de anderen feilloos kunnen vertrouwen, dan durfden zij hun toeren hoog boven de piste uit te voeren, want hij ving hen op. Dat was voor Henri Nouwen een beeld van God in het leven van Jezus: vertrouwend op de hemelse Vader leverde Jezus zich over aan de dood. Hij waagde de sprong.  En Jezus zelf wil dit zijn voor ieder van ons. Ieder mag aan het einde van dit aardse leven erop vertrouwen dat Hij klaar zal staan: Hij zal ons opvangen. In dit aardse leven zouden wij elkaar als geloofsgemeenschap ook moeten aanmoedigen en inspireren om zo hoopvol uit te zien naar de grote dag van onze uiteindelijke ontmoeting met de Heer. We zouden elkaar moeten aanmoedigen en steunen,  opgewekt in het vooruitzicht op de toekomstige heerlijkheid. Zo hebben de christenen in de jonge kerk hun geloof beleefd, en dat gaf hun gemeenschap groeikracht. Hun omgeving zag hun eensgezindheid en hun blijmoedigheid  en voelde zich daardoor aangetrokken door dat nieuwe geloof. Vooral de moed van de martelaren maakte indruk, en tegen de verdrukking in nam de kerk toe in aantal en in de achting van allen.

In zijn prediking heeft Jezus het met zoveel klem ingehamerd: “Wie gelooft in Hem die Mij gezonden heeft, heeft eeuwig leven” (Joh. 5,24). Het eeuwig leven is dat wij de Vader kennen, en in zijn intimiteit leven (Joh 17,3). Juist daarom moeten we nu reeds met Hem leven in Christus: “Wie in Mij gelooft, zal leven… En ieder die leeft in geloof aan Mij zal in eeuwigheid niet sterven.” De overgang naar de eeuwigheid is niet het inslaan van een doodlopende weg, met Jezus bereiken we de laatste fase van de lange geschiedenis van Gods zelfopenbaring. Wij zijn uitgenodigd voor een ontmoeting in liefde waarvoor de Schrift het beeld gebruikt van een Bruidegom en bruid.  Die bruid, de mens, mag delen in het leven van de opgestane Heer. Die vereniging is voor haar een zaak van zijn of niet zijn, haar “overlevingskans”, haar eeuwig leven. Door ons leven over te geven aan de genadige God zullen wij in zijn eeuwige liefde vallen en het zal ons aan niets ontbreken. Bij ieder communie mogen wij zeggen: Heer Jezus, ik vertrouw op U.

Gerard Mathijsen osb

Tweeëndertigste zondag van de gewone tijd (C)

Allerheiligen 2022

Een kleine maand geleden hebben wij op 7 oktober het hoogfeest van kerkwijding mogen vieren. Dat is steeds weer een sterk moment om dankbaar te gedenken dat wij de weg van het leven niet alleen gaan. Wij maken deel uit van een bouwwerk van levende stenen, die samen het lichaam van Christus vormen, elkaar dragend en dienend tot opbouw van een gemeenschap waar mensen samen tot hun bestemming komen.

Vandaag aan het begin van de maand november voegt het hoogfeest van Allerheiligen zich met een heel eigen accent in de opbouw van die levende gemeenschap. De oorsprong van dit feest kent een heel andere achtergrond dan het feest van kerkwijding, maar beiden beogen zij het volk van God op te bouwen tot een tempel, een gemeenschap waar Gods naam wordt grootgemaakt in dankzegging en dienstbaarheid.

Het verhaal van ons geloof gaat over een beloofd land en over een stad op de berg of over een groot gastmaal. Dat zijn geen beelden die direct passen bij het individualisme van onze tijd. Integendeel, zij tonen ons dat wij als mensen geroepen zijn tot een levend verband. Dat wordt van onverwachte zijde onderstreept en gesteund nu de moderne wetenschap  meer en meer tot de bevinding komt dat ons aards bestaan één groot netwerk is, waar alles met alles samenhangt, van het kleinste tot het grootste. Sterker nog, waar geen rekening wordt gehouden met dat zichtbare en onzichtbare netwerk, ja, waar het wordt geschonden of geschaad, gaat dat ten koste van het leven vaan ons allen. De ontwrichting van ons aardse huis is heden ten dage reden tot grote zorg.

Mens zijn vraagt weliswaar om een heel persoonlijke inzet, maar het staat of valt ook met de hulp en betrokkenheid van anderen. Dat begint al bij de geboorte, waar de ene verbinding wordt doorgesneden om plaats te maken voor een netwerk van andere verbindingen. En zo gaat het door al de dagen van ons leven, op fysiek maar ook op geestelijk vlak. En ook daar geldt, die twee staan niet los van elkaar.

Wij vieren vandaag het hoogfeest van Allerheiligen. Wij vieren een ontelbare menigte van mannen en vrouwen die in de loop vaan de geschiedenis elk op een bijzondere wijze hebben bijgedragen aan het verstevigen en vitaliseren van het netwerk van ons menselijk bestaan. Zijn deden dat elk op hun unieke wijze, maar het geschiedde  tot opbouw van de grote mensenfamilie die God voor ogen staat sinds de schepping van de wereld. Misschien waren het eenzaten zoals Isaac van Ninive of misschien waren het aanjagers zoals Martin Luther King maar allen waren knooppunten die het grote netwerk van Gods volk hebben gestut en gesteund. En die knooppunten zijn niet met hun dood verdwenen of afgestorven. Nee, juist omdat zij zich in het netwerk hebben gevoegd blijft hun bijdrage bestaan, leveren zij nog steeds vitaliteit, energie en inspiratie.

Allerheiligen, een netwerk van mensen van allerlei slag en soort, mensen ook die leefden in heel verschillende tijden en omstandigheden. Maar zoals gezegd, wanneer je je laat voegen, je plaats inneemt in het grote lichaam van Christus lever je een bijdrage die veel groter is dan het kleine moment van je levensdagen. In dat levende lichaam van Christus gaat niets verloren en het trotseert de tijd, omdat het verbonden is met het hoofd die leven en dood, dood en leven met elkaar verbindt en overstijgt.

Allerheiligen , het waren en zijn mensen zoals als wij. Met hun hebbelijkheden en ook met hun gebreken, maar op de plaats waar zij geroepen zijn hebben zij alles gegeven dat in hun vermogen lag. Zij hebben met Christus ontdekt waar hun roeping lag en daaraan hebben zij zich gegeven met al hun krachten. En zoals in het netwerk van de humus die onze aarde voedt een veelvoud van organismen aanwezig is, grote en kleine, velen onzichtbaar en anderen met de kop boven het maaiveld, zo geldt dat ook voor Gods heiligen. Velen hebben de heilige kalender nooit gehaald en zullen hem nooit halen, het zijn stille werksters en werkers die niet of nauwelijks opgemerkt worden, maar zonder wier bijdrage het grote netwerk snel uit elkaar zou vallen en afsterven. Misschien hebben ze ook maar kort geleefd, te kort in onze ogen, maar ze hebben als die vele microben en bacteriën, als de vele schimmels met liefde hun dienstwerk verricht voor het welzijn van allen. En dan zijn er de grote bomen die al van verre zichtbaar zijn. Zij zijn niet meer dan de onzichtbare medewerkers hoe groot ze ook zijn of hoe mooi. Zij hebben hun onvervangbare plaats in het grote geheel, maar verschillen daarin niet van hun kleine broeders en zusters.

Allerheiligen, een dag om dankbaar te gedenken dat wij opgenomen zijn in een grote gemeenschap waar elk zijn taak en plaats heeft ten dienste van de grote mensenfamilie. Een dag ook om ons op te trekken aan die vitale leden van het netwerk en ons de vraag te stellen waar onze plek is, waar mijn plek is. Als kleine gemeenschap binnen het grote geheel, maar ook als enkeling binnen de kleine en grote familie waarvan wij deel uitmaken. Wat is de plek van onze monastieke communiteit binnen het lichaam van Christus, en hoe vervullen wij die in deze tijd? Zijn wij die verborgen aardworm die in gebed en stilte het afval verteert en omzet tot vruchtbare aarde of zoeken wij het in praktijken en daden die niet passen bij onze plek? En welke is mijn plek als enkeling binnen de communiteit? Zoek ik het hogerop omdat het verborgen werk van alledag niet interessant is of mij niet in de kijker plaatst?  Moge het feest van vandaag ons onze roeping nieuw doen verstaan en met hart en ziel er gehoor aan geven tot opbouw van de grote mensenfamilie die God zo ter harte gaat. AMEN.

Abt Thijs Ketelaars

ALLERHEILIGEN 2022  Apok. 7,2-4.9-14; 1Joh. 3,1-3; Mt. 5,1-12a

Preek 30 oktober 2022

Wij lezen in de eucharistie niet zo vaak uit het boek van de Wijsheid.  Dat boek is in de katholieke bijbel terecht gekomen dankzij Augustinus. Het is niet in het Hebreeuws geschreven en daarom wilde Hieronymus het niet opnemen in de canonieke geschriften van de bijbel. Augustinus was het daar niet mee eens, volgens hem moest er ook plaats zijn voor een aantal boeken die in het Grieks geschreven waren. De Rooms katholieke en orthodoxe traditie is hem daarin gevolgd. Dat geschrift is vermoedelijk kort voor de christelijke jaartelling geschreven in het Egyptische Alexandrië. Dat was toen het mekka van geleerdheid in de Mediterrane wereld. Het boek is een soort hervertelling van een gedeelte van de Hebreeuwse bijbel, waarbij de schrijver zich eraan waagt de oude verhalen te vertalen in de taal en de filosofie van zijn dagen. En dat was in Egypte een mix van de Griekse en Hebreeuwse cultuur en filosofie. Wanneer nu in onze dagen gepoogd wordt de boodschap van de Schrift te vertalen in de wereld en de taal van onze tijd is er dus niets nieuws onder de zon. Dat is al zo oud als de Schrift zelf.

Maar nu de passage die ons vandaag is voorgelezen. De draagkracht daarvan wordt pas echt duidelijk als we de bredere samenhang niet uit het oog verliezen. Die woorden volgen namelijk op het verhaal van Israëls verblijf in Egypte. Zij kwamen er ten tijde van een hongersnood in eigen land. Aanvankelijk waren ze welkom in den vreemde, maar de stemming sloeg daar om en het leidde tot verdrukking, niet tot uitwijzing. Ze tot slaaf maken was veel lucratiever voor Egypte. Maar gaandeweg kwam er verzet en Mozes en Aäron pleitten voor verandering. “laat het volk in vrijheid gaan’, Maar de herhaalde roep was aan dovemans oren gericht. De farao wilde er niet van weten. En toen het volk tenslotte uittrok, achtervolgde het leger  hen en daarbij  gingen Egyptes strijdwagens en soldaten zelf ten onder. Israël ontkwam ternauwernood door Gods bijstand. Zo kennen wij het verhaal. Maar dan voegt de schrijver iets opmerkelijks toe. Hij zegt dat God niet heel Egypte prijs gaf aan de dood.  Dat wilde Hij niet. Dat mag verbazen, want het betekent dat de veiligheid van Israël een kwetsbaar iets blijft. Waarom heeft God Egypte niet met wortel en tak uitgeroeid? Was de misdaad dan niet groot genoeg? Waarom een volk dat dood en verderf zaait, zelf in leven laten? Ja, het kan niet ongestraft blijven en dat blijft het ook niet, er vielen slachtoffers en waren in Egypte doden te betreuren. Maar dan volgen de woorden die wij zojuist in de eerste lezing hebben gehoord. “Gij God houdt immers van alles wat bestaat en verafschuwt niets van wat Gij geschapen hebt.” Dat is een zin om vele malen te herhalen en van alle kanten te bekloppen en te beluisteren. En die zin krijgt nog ruggensteun van een volgende zin “Ja, alles spaart Gij, want alles is van U.” Dood en ondergang is niet wat God voor ogen staat of met ons voorheeft. “Gij houdt immers van alles wat bestaat”, en wat je lief is kun je toch niet verwensen of vernietigen? Zou je niet veeleer willen dat er een ommekeer en bekering ten leven zou komen en dat de tegenstanders die elkaar vandaag naar het leven staan zich zouden verzoenen? En zo komt de schrijver al mediterend tot het gelovig inzicht dat God bij alle destructie en vernietiging zoekt naar een begrenzing omdat alle mensen hem ter harte gaan. Hij zoekt te sparen om leven mogelijk te maken. Israël hoop op een totale vernietiging van Egypte kunnen wij ons levendig voorstellen, maar dood, ook de dood van de vijanden brengt geen leven voort, maar hooguit nog meer doden. Vernietiging is niet Gods parool, maar sparen, in de hoop op omkeer, want Egypte en Israël zijn beiden werk van zijn handen en hij houdt van alles wat hij geschapen heeft. Waarom de vijanden van vrede en een veilig bestaan laten voortbestaan? Het is geen vraag uit een ver verleden alleen. Je zult in Oekraïne wonen, in Ethiopië of Eritrea of op een van die andere plaatsen waar dood en verderf wordt gezaaid. De schrijver van het boek wijsheid probeert ons een pad te wijzen door het mijnenveld van woede, boosheid en agressie waar mensen  en hele volkeren elkaar naar het leven staan. Hij spreekt geen gemakkelijke en goedkope woorden, maar ze zijn wel een licht op ons pad om te voorkomen dat duisternis de overhand krijgt en alle lichten doven. De tekst zegt niet dat er geen onrecht is, die tekst zegt ook niet dat God het kwaad goedkeurt. ‘Gij houdt van alles wat bestaat’’ en “alles spaart Gij, want alles is van U”,  die woorden geven ons te verstaan, dat God een God van barmhartigheid is, die steeds weer een kans wil geven voor een nieuw begin.  Het slot zei het zo: “Gij straft de zondaars met mate, opdat zij hun boosheid verlaten”.  Wij zijn niet geschapen om dood en verderf te zaaien, om anderen te knechten of van het leven te beroven. Met zo’n gedrag verloochenen wij het wezen van ons mens-zijn, want wij zijn geschapen om te beminnen als kinderen Gods. Ja, God  blijft hopen en tijd geven voor een omkeer, voor een keuze die het leven van jan en alleman rechtdoet. God wil Egypte en Israël het leven geven, Hij wil Rusland en Oekraïne leven geven, want beiden heeft Hij geschapen, van beiden houdt Hij.

Is dat wereld vreemde taal? Ja, want het komt niet overeen met wat wij zien. Het is geloofstaal, die ons bemoedigt en aanzegt dat er van Godswege steeds de mogelijkheid is tot een nieuw begin. Ook voor hen die nu lijnrecht als vijanden tegenover elkaar staan op leven en dood. Die ervaring is reëel, maar wij worden opgeroepen het niet daarbij te laten, maar te blijven zoeken naar een opening, te blijven geloven in leven voor allen. Dat is soms een heel smalle weg, het gaan door het oog van de naald. Een weg waar de angst en het daaruit voortkomend geweld wordt afgelegd, een weg waar vooroordelen en valse ideeën prijsgegeven worden, waar miskenning en wantrouwen niet het laatste woord krijgen, maar waar het kompas van het vertrouwen wordt gevolgd, soms met kleine schreden. Wij worden geroepen elkaar dichtbij en veraf, in klein en groot verband, toekomst te geven in Gods naam. AMEN.

Abt Thijs Ketelaars

Cdhj31 2022 Wijsheid 11,23-12,2

Preek 23 oktober 2022

Vandaag richt Jezus zich tot een heel bepaalde groep mensen. Lucas vertelt: “In die tijd zei Jezus tot hen die – overtuigd van eigen gerechtigheid – de anderen minachtten, de volgende gelijkenis.” Het is goed om te beseffen dat dit de doelgroep is: mensen met een hoge dunk van zich zelf en minachting voor anderen. Jezus confronteert dit gehoor met twee personen die gaan bidden: de een gaat in het gebedshuis – de synagoge – helemaal vooraan staan; hij bidt met opgeheven hoofd, de ander blijft achterin staan met neergeslagen blik. Beide personen hebben goede reden voor hun handelwijze. De een is een godvrezend mens die zo goed mogelijk zijn religieuze plichten vervuld, en zich van geen kwaad bewust is. Hij heeft een schoon geweten, en weet wel dat hij zijn deugdzaamheid aan God te danken heeft. De ander weet heel goed dat er op zijn handel en wandel veel valt aan te merken. Een tollenaar is per definitie geen lieverdje, hij buit andere mensen uit, hij doet het vuile werk voor de bezetter. De Romeinen heffen belastingen, hij mag ze innen, en een deel van de opbrengst in eigen zak steken.

We kunnen begrijpen dat hij rouwmoedig bidt en God om barmhartigheid smeekt. Dat is zijn enige redding.

En juist het feit dat de tollenaar wèèt dat hij Gods barmhartigheid nodig heeft, dit gegeven dat hij zijn gebrek aan deugd erkent, plaatst hem in de waarheid, terwijl de farizeeër, ondanks zijn inspanning om trouw te zijn aan de voorschriften van de godsdienst, door het ijs zakt omdat hij overtuigd is van zijn eigen perfectie en de andere mensen minacht. Die zelfingenomenheid is als een inktvlek die heel zijn deugdzaamheid bederft.

Tegenover God staan wij allemaal met lege handen, om de uitdrukking van de kleine heilige Teresia van Lisieux te gebruiken. Het domste wat wij kunnen doen is ons zelf op een voetstuk te plaatsen om op andere mensen neer te zien.

Broeders en zusters, wij kunnen op deze parabel reageren door een voorbeeld te nemen aan de tollenaar. In de kerk gaan we  op de laatste bank zitten en we vragen God om erbarming. Maar pas op dat we dan niet toegeven aan de gedachte die ons influistert: “God, ik dank U dat ik niet ben als die vrome zielen die de kerk plat lopen, vooraan zitten en denken dat zij beter zijn dan de anderen.” We missen de positieve eigenschappen van de farizeeër maar vallen in dezelfde fout door anderen te veroordelen.

Ons onthouden van anderen te oordelen, en eerlijk in de spiegel durven kijken en oog hebben voor je eigen tekorten, zonder te wanhopen, maar met vertrouwen Gods goedheid inroepend, dat is de weg van een christen.

De oude monniken hebben daar veel over nagedacht en er zijn heel wat vaderspreuken die de parabel van vandaag uitleggen. De volgende vind ik bijzonder leerrijk. Het is spreuk 550 in de reeks van anonyme vaderspreuken. Ik deel hem graag met u, in heel vrije vertaling.

Een monnik gaat raad vragen aan een ervaren abba. Voordat hij naar de woestijn ging om als monnik te leven leidde hij als leek een voorbeeldig leven;  hij vastte en hield nachtwaken, en voelde zich daar goed bij, geestelijk en vol vuur. Maar na een tijdlang leven als monnik, leek het vuur gedoofd. Hij was depressief, diep ontevreden over zich zelf, en vroeg zich af wat zijn levenswijze waard was. De abba probeerde hem op te beuren en moed in te spreken. Hij zei: toen je nog in de wereld was genoot je van je vroomheid, maar waren je motieven wel helemaal zuiver? Je vond jezelf een hele piet, en het streelde je dat de mensen in je omgeving je prezen om je deugd. Nu je een leven leidt tussen andere monniken ben je onopvallend geworden. Des te meer ervaar je de eigen tekorten, maar geloof me dat is juist erg goed voor je ziel.  Weet je, broeder, God vindt meer welgevallen in één psalm, die gebeden wordt met rouwmoedigheid, dan in duizend zoals je die vroeger in de wereld zei. En dat beetje vasten van nu staat Hem meer aan dan de weken die u in de wereld vastte». « Ja maar, zei de broeder: «Ik heb het idee dat ik helemaal niet meer vast en het goede gevoel van vroeger is helemaal weg.». «Broeder, zei de grijsaard hem, wat u nu doet is heus genoeg. Houd vol, dan zal het goed gaan met u.». Maar de broeder hield aan en zei: «Heus, abba, mijn ziel gaat verloren». Toen sprak de grijsaard tot hem: «Geloof me, broeder, eigenlijk wilde ik het u niet zeggen om uw gedachte geen schade te berokkenen, maar nu ik zie dat u door het werk van de oude vijand tot verslapping vervalt,verzeker ik u: die gedachte dat u in de wereld iets goeds deed en braaf leefde, is een inblazing van de hoogmoed. Daardoor verknoeide de farizeeër in de parabel van de Heer al het goede dat hij deed. Van de andere kant is de gedachte dat u nu helemaal niets goeds verricht, voldoende om gered te worden, want die maakt u een nederig mens. Daarom werd ook de tollenaar gerechtvaardigd, al had hij niets goeds gedaan. Want God heeft meer plezier in mens die helaas niet zonder  zonden en nalatigheid is, maar die leeft met een vermorzeld hart en met nederigheid, veel meer dan iemand die best veel goed doet maar die teveel overtuigd is van zijn eigen deugdzaamheid».

De broeder vond veel baat bij dit gesprek. Hij boog om zich te  verontschuldigen en sprak hij tot de grijsaard: «Abba, vandaag is mijn ziel door u gered».

Broeders en zusters, dat leren ons de oude monniken. We weten heel goed dat zij heel streng waren voor zich zelf en dat hun ascese, waarover zij bescheiden dachten,  ons beschaamd doet staan. Wat hun bovenal sierden is dat zij verafschuwden om een ander te veroordelen. Op dat punt kunnen wij veel van hen leren. Zij waren vromer dan de vroomste farizeeërs in de tijd van Jezus, , maar zij waren nederiger dan de deemoedigste tollenaar.

Zij leren ons dat het niet belangrijk is welke plaats wij kiezen in de gebedsruimte: voorin of op de achterste bank: allemaal prima. Het maakt ons niet beter of slechter, het mag allebei. Belangrijk is dat wij  komen met een nederig hart, overtuigd dat ieder van ons  leeft uit Gods genade. Laten wij ophouden anderen te beoordelen, en helemaal om anderen te veroordelen. Laten wij elkaar als tochtgenoten zien, op pelgrimstocht naar de Heer. Samen geroepen tot zijn Rijk, en met de opdracht elkaar daarbij te helpen. De ander niet klein te maken, maar God groot te maken, die ons allen in zijn barmhartigheid nabij is, en ons allen lief heeft als zijn kinderen. In zijn Naam mogen wij hier nu samen zijn en de Maaltijd vieren waartoe Jezus ons uitnodigt. Moge het ons allen ten goede komen en ons van harte verenigen in dankzegging tot God.

Br. Gerard Mathijsen

Preek 16 oktober 2022

Vorige week zondag keken wij als broeders samen naar een documentaire over Laudato si. Paus Franciscus  schreef die encycliek vijf jaar geleden  In de film, die nu is gemaakt en waarin ook een rol is weggelegd voor de paus zelf, krijgen wij op een prachtige maar ook confronterende manier te zien in wat voor crisis moeder aarde verkeert. Je zou er depressief van kunnen worden. Maar dat is niet de bedoeling. De vier hoofdpersonen uit de film dringen samen met de paus er bij ons op aan niet toe te geven aan moedeloosheid, maar juist samen de schouders te zetten onder een positieve inzet voor moeder aarde en allen die haar bewonen. Mocht u de film nog niet gezien hebben, dan vindt u op de website van de abdij de link om hem te bekijken. Met dit medium wil de paus alle aardbewoners bereiken om hun verantwoordelijkheid te nemen voor  de aarde.

Crisis,de liturgie geeft ons vandaag twee verhalen uit het boek van ons geloof waarin onze voorouders tijdens een crisis de ogen niet sloten en zochten naar de weg die voor een omkeer kon zorgen.

In de eerste lezing hoorden wij hoe het bestaan van Israël wordt bedreigd wanneer het volk zich een weg baant uit de slavernij op weg naar het land van de belofte. Een land waar zij in vrijheid mogen leven. Mensen op de vlucht, mensen die rennen voor hun leven en dan hopen dat ze onderweg worden geholpen of in elk geval niet worden belaagd en bedreigd. Maar het tegendeel is het geval en de aanvallers hebben het begrepen op de zwakste groep, op de vrouwen en kinderen. Het is alsof je de krant leest. Want wie worden momenteel in Oekraïne het meest bestookt? Mozes mobiliseert jan en alleman, Israëls manschappen stellen zich te weer, zij vechten voor de toekomst van hun volk. Maar het is een zware en ongelijke strijd. Ze weren zich, maar brute kracht is niet voldoende om de dood te verslaan, die allesverslindende vijand van het leven. Dat was toen niet anders dan nu.

Maar hoe in die ongelijke strijd te volharden, waar haal je de moed en de kracht vandaan om niet op te geven en te blijven geloven in toekomst en leven? Mozes gaat de berg op om te bidden, om Gods hulp te vragen in die beproeving. Want hoe vol te houden als alles onder je voeten wordt weggeslagen en je krachten bezwijken? Wanneer je misschien gaat twijfelen aan de overwinning van het recht, aan de trouw van God ook. Mozes bidt voor zijn volk, Hij staat daar boven op de berg met uitgestrekte handen, alles verwachtend van God. Maar ook het geloof en de moed van Mozes worden op de proef gesteld. Het duurt zo lang en nog is het einde van de strijd niet in zicht. Hij dreigt zijn armen te laten zakken, hij brengt het niet meer op. De hoop en het vertrouwen op een goede afloop dreigen te doven als het water tot de lippen staat. Er zijn anderen nodig, die slappe armen en knikkende knieën moeten ondersteunen. Mozes bidt, hij bidt om het geloof niet te verliezen dat God een God van levenden is, dat Hij zijn belofte van leven gestand doet voor zijn beproefde volk. Het gaat er niet om dat anderen worden vernietigd, maar dat allen elkaar leven geven. Maar dat is een zware strijd, want veelal wordt gedacht dat wij de ander daarvoor moeten uitschakelen of ombrengen. Mozes bidt boven op de berg zoals later Jezus zal bidden in de hof en zijn leven inzet om de allesverslindende dood te verslaan.

Mozes biddend op de berg en de manschappen die zich in de laagvlakte te weer stellen. Het blijft niet bij dat ene verhaal in het boek van ons geloof. Het staat symbool voor al die verhalen die erop volgen en waarin steeds weer gevochten moest worden om de vrijheid te bewaren of te hervinden en om de moed niet te verliezen, want de dood en dwingelandij kent vele gezichten. Wij zien het om ons heen gebeuren. En steeds weer is de vraag: Hoe houd je het vol, waar haal je het geloof vandaan om je te blijven verzetten tegen kwaad dat mensenlevens vernietigt en de hoop op Gods koninkrijk verduistert?

En dan is er de weduwe uit het evangelie die maar niet ophoudt om bij de rechter haar zaak te bepleiten. In de maatschappij van die dagen had ze geen stem en hoorde zij bij de marginalen, de mensen aan de rand. Ging het eerste verhaal over heel een volk, nu is er sprake van één individu en dat maakt het verhaal niet minder belangrijk. Want wie één mens redt, redt een wereld. En die weduwe staat daar als representant van al die kleine mensen die onder de voet worden gelopen, niet worden gezien of geteld. Ook in onze samenleving ontbreken zij niet, de toeslagaffaire die nog steeds niet is afgerond, is er een schrijnend voorbeeld van. Je zou aan onze rechtstaat gaan twijfelen, nu het recht zolang uitblijft. En dat is maar één voorbeeld onder meerderen. Hoe blijf je staande in een samenleving waar zo met mensen wordt omgesprongen?

Mozes bidt in het uur van de uiterste benauwenis, de weduwe, zij blijft kloppen en vragen, Jezus zelf bidt, zijn leven is één gebed om het geloof in de Vader te bewaren en uit dat geloof te leven en mensen te dragen en nabij te zijn tot in de dood, ja door de dood heen.

Wij hoorden vandaag over crisissituaties en wij leven zelf te midden van een wereldwijde crisis die het leven op aarde en het leven van de aarde bedreigt. Maar wij hebben vandaag in de Schrift verhalen gehoord om ons leven in het gebed te verankeren om de moed en het geloof niet te verliezen in Gods reddende hand en om kracht te ontvangen elkaar te dragen en te dienen op de weg die naar het leven leidt. AMEN.

Abt Thijs Ketelaars

Cdhj29 2022 Ex.17,8-13; 2Tim. 3,14-4,2; Lc 18,1-8

Preek 9 oktober 2022

Nog maar een minderheid van de gelovigen behoort tot de trouwe kerkbezoekers. Die mensen verdienen een pluim, wij moeten hen in ere houden. Zij houden het schip van de kerk drijvende. Dat moet zeker gebeuren: hulde aan ieder die trouw in het weekend naar de kerk komt. Hulde aan de gezinnen, aan de jonge mensen die deze gewoonte aanleren, aan hun ouders die hen daarbij voorgaan. Want wat gaat er boven een goed voorbeeld?

Er wordt heel veel geklaagd over het sluiten van de kerken. Inderdaad jammer, en een veeg teken. Want als het geloof verdwijnt, de verbinding met de Schepper, dan loopt de lucht uit onze banden; dan hobbelen we maar wat. Natuurlijk: het gaat niet om het stenen gebouw, het gaat om de levende gemeenschap. Maar die gemeenschap heeft een plek nodig. Mensen die een gezin willen stichten zoeken een huis. Ook een geloofsgemeenschap heeft nood aan een huis, een godshuis. Daarom hebben wij hier op 7 oktober, twee dagen geleden weer dankbaar de verjaardag van onze kerkwijding gevierd.

Lieve mensen: u weet dat allemaal. En wij waarderen enorm dat u trouw naar de kerk blijft komen.

Met de lezingen van vandaag kan de predikant meerdere kanten op: Hij kan laten zien hoe eenvoudig het is om God te gehoorzamen: de Heer vraagt geen moeilijke dingen. Op heel eenvoudige wijze kunnen wij gezond worden. Als wij geestelijk ziek zijn, melaats, onzuiver geworden: we hoeven ons maar onder te dompelen in het water van zijn barmhartigheid, we hoeven maar te geloven in het woord van de Heer, en wij worden genezen. En als wij met vertrouwen vragen verhoort Jezus ons gebed.

Een ander punt dat de predikant kan belichten is: dat God zijn goedheid niet beperkt tot zijn fanclub, tot de trouwe aanhang. Ik zou zeggen: tot de kerkgangers! Nee ook vreemdelingen worden door Hem met goedheid bejegend. Hij is barmhartig voor ieder die tot Hem komt. Dat is belangrijk voor ons christenen die te lang in een verzuilde samenleving hebben gezeten. Ieder was daar in zijn beperkte kringetje zeker van zijn eigen gelijk. De goede God was het exclusieve bezit van deze bepaalde en beperkte groep gelovigen.  Die belijdenis gaf je een ticket voor de eeuwige zaligheid. Wie en wat daar buiten viel gold als verloren. Gelukkig zijn de meest geloofsgroepen daar intussen wel overheen gegroeid . Maar dan doet zich een nieuw probleem voor: Waarom dan nog naar de kerk gaan? Als God voor iedereen even goed is, ja als het lijkt of de buitenkerkelijke nog een streepje voor heeft? Het verhaal van de genezing van Naäman wordt in de eerste lezing wel erg ingekort. Het loont de moeite om het in uw bijbel op te zoeken en te lezen.  Naäman was een Syriër, legeroverste van de koning van Aram te Damascus, lange tijd de voornaamste bedreiging van Israël. Zijn vrouw had een dienstmeisje dat was buitgemaakt bij een strooptocht. En zo iemand wordt door de profeet zonder slag of stoot op wonderbaarlijke wijze genezen. Begrijp dat maar eens. Mensen die zich met de interreligieuze dialoog bezighouden denken daarover na.

Het evangelie vertelt ons heel aanschouwelijk hoe Jezus op zijn weg naar Jeruzalem door een dorpje trekt, en hoe een groepje melaatsen daar lucht van krijgt. Zij snellen op Hem toe, realiseren zich dat zij afstand moeten houden om geen besmettingsgevaar op te leveren, en van verre roepen ze Hem om uitkomst: Jezus, Meester, ontferm U over ons!

En Jezus geneest hen, alle tien. Hoe moeilijk, ja onmogelijk het was om van melaatsheid te genezen leert ons de geschiedenis van Naäman. Jammer genoeg horen wij in de eerste lezing maar een klein stukje van het verhaal. Maar het was een groot, een heel groot wonder.

En nu gebeurt hier, letterlijk terloops, onderweg, en zonder enige ophef, zo´n wonder voor alle tien de smekelingen.

Een derde punt dat onderstreept kan worden, en ik denk dat het evangelie vooral dáárover gaat, is de dankbaarheid. Die blijkt moeilijk op te brengen. Maar één op de tien is daartoe in staat. En blijkbaar kan Jezus, die melaatsen gezond maakt, ja die doden opwekt, dat niet zonder ons klaar spelen. Dat moeten wij zelf doen, door in te spelen op de Goede Geest. Moge dat ons gegeven worden, mogen wij daartoe in staat zijn. Ook een reden om naar de kerk te komen. Om dank te brengen voor al het goede.

Ik wens U een gezegende zondag.

Br. Gerard Mathijsen osb

ACHTENTWINTIGSTE ZONDAG dhJ; 9 oktober 2022.

Schriftlezingen: 2 Kon 5.14-17; 2 Tim 2.8-13; Luc 17.11-19.

Hoogfeest van de kerkwijding

De afgelopen weken was het coronavirus weer actief in onze gemeenschap. De een na de ander viel uit en moest zijn kamer houden. De dagelijkse gang naar de kerk was verboden. Je kon stil op je cel het koorgebed bidden of je kon, vrucht van de moderne techniek,  een aantal kerkdiensten via live stream volgen. Die vrucht was, zo ontdekte ik, minder zoet dan ik verwachtte. Begrijp mij goed, het is voor menigeen een zegen, als je niet in levende lijve aanwezig kunt zijn, maar het is toch heel iets anders dan persoonlijk aanwezig zijn en meevieren in de kerk. Je miste de huiselijke tafel en de tafel van de eucharistie.

Dat is natuurlijk niet zo vreemd, want wij zijn en blijven mensen van vlees en bloed. In coronatijd hebben wij gemerkt wat dat gemis met mensen doet. Heel onze individualistische samenleving bleek in enen toch niet echt te kunnen leven en overleven zonder fysiek contact. We zagen ernaar uit  elkaar weer te mogen opzoeken thuis, in het café, op de sportclub en ook in de kerk, waar rond de tafel het leven wordt gedeeld. Want mens word je maar samen met anderen. Dat betekent niet dat er geen tijd voor stilte en leven op je eigen mag zijn, nee, ook dat hoort wezenlijk tot ons menszijn, maar wij zijn geschapen als mensen voor en met elkaar. Samen op weg, elkaar dragend, steunend, aanvurend, inspirerend en corrigerend. Leven doe je samen, geloven doe je ook samen. Niet voor niets hebben wij een boek van ons geloof met verhalen over samen onderweg zijn, met vallen en opstaan, in dagen van vreugde en verdriet. Samen, om te voorkomen dat mensen uitvallen, eenzaam en alleen verloren raken.

Wij vieren vandaag het hoogfeest van kerkwijding. Wij prijzen ons gelukkig dat te mogen doen in een mooie kerk. Een kerk die ons een verhaal vertelt, die ons iets te zeggen heeft en ons uitnodigt. Natuurlijk gaat het ten laatste om de opbouw van een levende kerkgemeenschap, het lichaam van Christus , maar daarbij heeft het kerkgebouw een heel eigen rol te vervullen. Die moeten we niet te vlug bagatelliseren.

Misschien mag ik daar nog een paar bouwstenen voor aanreiken. Wanneer je onze kerk betreedt, dan is het eerste wat menigeen opvalt dat het  een vrijwel lege ruimte is. Je vindt er nauwelijks of geen beelden en versieringen. Samen met de stilte die er gewoonlijk huist, kan dat zonder woorden een mens al openen voor het geheim dat ons te boven gaat, voor God die niet enkel op de lofzangen troont, maar ook in de stilte zich woordeloos laat horen. Het kan je overkomen dat bij het binnentreden van de kerk alle drukte, alle beelden en geluiden waar onze samenleving zo’n overdaad aan heeft, van je afvallen of van je afgenomen worden. Dat mag een zegen zijn, die je een niet vermoede poort doet binnengaan, die je uitnodigt tot een stille ontmoeting. Het zou zomaar kunnen.

De ruimte maakt natuurlijk een heel andere indruk wanneer zij is gevuld met een zingende en vierende gemeenschap, mensen van dichtbij en veraf, bekenden en minder bekenden, allemaal pelgrims onderweg, die zich hier optrekken en laven aan een woord of een gebaar.

En dan is er dat grote altaar, met de 4 monniken die het altaarblad op hun schouders dragen. Het is er altijd, of er nu veel, weinig of geen mensen in de kerk zijn. Na het tweede Vaticaans concilie is het verplaatst en nu staat het vrij in de ruimte. Je kunt er desgewenst omheen lopen. Dat altaar is een grote tafel waaraan de eucharistie wordt gevierd, elke dag weer.

Nog voor er iets gebeurt, spreekt dat altaar al een taal. Ook als er niets op ligt, gaat er een bijzondere zeggingskracht vanuit. Een tafel, die is er om mensen omheen te verzamelen, om samen aan te zitten, om samen te eten, om gespijzigd te worden. Er gaat een roep, een wenk vanuit. Wees welkom, hier staat pontificaal een grote tafel in de ruimte ten teken dat je welkom bent, dat je niet van de tafel van het leven wordt geweerd. Er liggen geen gereserveerde naamplaatsjes op en er staan geen stoelen, want je wordt uitgenodigd in de kring die er wordt gevormd. Kan dat dan, mag dat? Wie zal het zeggen?

We horen vandaag in het evangelie dat Zacheüs door Jezus wordt genodigd en nog wel in zijn eigen huis. Was hij daar dan tot nu toe niet echt thuis? Zat hij daar misschien opgeprikt tussen al dat volk met zijn status en zijn scheve blikken? Nee, Zacheüs wordt  door Jezus uitgenodigd niet als een schlemiel, maar als iemand die er helemaal bij hoort.

Er is heden ten dage helaas veel geharrewar rond die tafel. Er is gekrakeel over wie er wel of niet mag aanzitten. En er is discussie of Jezus zich hier offert voor ons heil aan de Vader of dat hij ons nodigt aan een vriendenmaal zoals die laatste dagen van zijn leven. Maar wat als dat nu geen tegenstellingen zijn. Jezus heeft als uiterste teken van zijn liefde zijn leven totterdood toe gedeeld aan zijn vrienden en door dat te doen gaf hij zich helemaal aan de Vader op wiens liefde hij met een ja antwoordde. Ja, ik geef mij tot het uiterste Vader, want zo zullen zij zien  hoezeer Gij de wereld liefhebt. God liefhebben, zijn leven geven aan de Vader, kreeg zijn menselijke uitdrukking in zijn liefde voor al die mensen die hij tijdens zijn leven had opgeraapt, genezen en opgetild om ze een plaats te geven aan de tafel van het leven, de Vader ter eer.

In het midden van de kerk staat een altaartafel. Die staat er alle dagen en elk uur. En of er nu eucharistie aan wordt gevierd of dat ze leeg in de ruimte staat, ze nodigt ons uit en ze herinnert ons eraan dat  God in zijn huis voor allen de tafel klaar heeft staan. Hij ziet er naar uit dat wij aanschuiven, de uitnodiging aannemen en anderen meebrengen, niemand buiten laten staan, maar de schouders eronder zetten zoals die vier monniken die de tafel schragen.

Zeggen wij dank om de kerk waar wij dat geheim mogen vieren, elke dag weer, en laten wij ons dag in dag uit opbouwen tot het levende lichaam van Christus, God ter eer en de wereld tot zegen. AMEN.

Abt Thijs Ketelaars

20221007B Kerkwijding Lc. 19.1-10

Preek 2 oktober 2022

Dierbaren,

De profeet Habakuk komt in de liturgische lezingen maar één keer in de drie jaar voor. Bekend is het citaat dat de apostel Paulus zelfs twee maal aanhaalt:“De rechtvaardige leeft door het geloof”. En misschien herinnert u zich Habacuc ook uit een apokrief gedeelte van het boek Daniel. Als deze in de leeuwenkuil is gegooid, wordt hem voedsel gebracht door Habacuc die daartoe door een engel bij de haren is gegrepen en zomaar even van Judea naar Babel gedragen. Positieve, troostrijke herinneringen. Maar vandaag horen wij een klacht van Habakuc: ‘Hoelang moet ik nog roepen, Heer, terwijl Gij maar niet luistert? Hoelang moet ik de hemel nog geweld aandoen, terwijl Gij maar geen uitkomst brengt? Waarom laat Gij mij onrecht lijden en ziet Gij die ellende maar aan? Hoelang moet ik de hemel nog geweld aandoen?

Habakuc leefde in de tijd dat de Babyloniërs Jeruzalem innamen, de tempel verwoestten en de inwoners als slaven in Babylonische ballingschap voerden. Waarom liet God dat allemaal gebeuren?

Hoe herkenbaar zijn deze vragen! Het zijn precies de vragen van de mensen nu. Hoelang nog en waarom? Het zijn vragen die wij altijd weer horen en zelf dikwijls stellen. Hoelang gaat die miserie nog duren, en waarom grijpt God niet in? Waarom grijpt Hij niet in tegen terrorisme, oorlogen, onrecht? Waar is Hij bij de miljoenen vluchtelingen? Waarom treedt Hij niet op tegen misdadigers, schurken, corrupte politici, bedriegers, mensen die zich onbehoorlijk verrijken, die anderen uitbuiten? Waarom maakt Hij zich niet bekend, zodat iedereen niet anders kan dan in Hem geloven, en dus moét meebouwen aan zijn Koninkrijk van liefde en vrede?

Het antwoord dat Habakuk krijgt, brengt hem en niet veel verder, en ons evenmin. ‘Bezwijken zal hij die in zijn hart niet deugt, en de rechtvaardige blijft leven door zijn trouw’, zegt God. Dat is geen antwoord op ‘hoelang nog’ en ‘waarom’, en het roeit zeker de oorzaak van die vragen niet uit. Het geloof van Habakuk en ook dat van ons blijft dus zwaar op de proef gesteld.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat de apostelen in het evangelie aan Jezus vragen: ‘Geef ons meer geloof.’ Dat zouden ook wij kunnen vragen, want ook ons geloof is vaak verre van sterk. Jezus geeft een heel duidelijk antwoord op hun, en ook onze vraag: ‘Als gij een geloof hadt als een mosterd-zaadje, zoudt gij tot die moerbeiboom zeggen: ‘Maak uw wortels los uit de grond en plant u in de zee’, en hij zou u gehoorzamen.’  Nou, dat is ook moeilijk te geloven! Het wordt er niet eenvoudiger op. Gelukkig vertelt Jezus ook een parabel. Met zijn parabel zet Jezus zijn gehoor en ons meestal op de goede weg, wijst Hij de richting aan waarin wij moeten zoeken.

Het mysterie van het leven te doorgronden is niemand van ons gegeven. Gisteren hoorden wij het in het boek Job dat helemaal over dit thema gaat. Wij moeten ermee leven. Wij dienen het te aanvaarden.  Wat echt belangrijk is in ons leven, de opdracht waarvoor wij staan, is dat wij eenvoudig onze plicht doen. Jezus spreekt in de cultuur van zijn tijd, en gebruikt de beelden van die tijd. Verhoudingen tussen bazen en medewerkers liggen vandaag doorgaans anders. Als Hij toen volgens onze hedendaagse normen en waarden had gesproken, was Hij door niemand begrepen. Maar nu moeten wij zijn beelden naar gegroeide inzichten vertalen.  Nu gaat het er in de samenleving meestal niet meer zo aan toe. Dat wil niet zeggen dat alle verhoudingen rechtvaardiger zijn geworden. Misschien zijn de tegenstellingen zelfs scherper geworden, en zijn in veel situaties machthebbers en ondergeschikten verder uit elkaar gegroeid. Maar dat voelen wij als ongewenst en heilloos. En de sociale leer van de kerk is duidelijk . In haar visie zijn mensen voor elkaar verantwoordelijk, en dienen zij de rechten van de ander te respecteren. De mensen aan de top behoren bij uitstek dienstbaar te zijn. Dat is hun plicht. Ze moeten opkomen voor de zwakken en de behoeftigen. En in de onderlinge verhoudingen moet geen kadaverdiscipline heersen. Als het goed is groeide bij iedereen, aan de top en aan de basis, het bewustzijn van ieders eigen  verantwoordelijk-heid. En wij zullen geoordeeld worden naar de wijze waarop ieder zich van zijn taak gekweten heeft. “Wij hebben alleen maar onze plicht gedaan.” Als wij dat kunnen zeggen  dan zal het goed komen met onze levensboom. Dan kan hij nog zo’n onbeduidend zaadje lijken, verloren gegaan in het zoute water van de ontstuimige wereldzee, hij zal blijken te zijn gegroeid tot een prachtige boom waarin de vogels komen nestelen. Al voelen mensen zich net zoals Daniel voor de leeuwen gegooid, God zal hen redden; hun leven zal niet vergeefs zijn maar vrucht dragen. Welk leven heeft meer vrucht gedragen voor het Evangelie dan dat van Paulus die allerlei gevaren en gevangenschap heeft moeten doorstaan, en stand wist te houden en zo zijn deel in het lijdenheeft gedragen voor het evangelie voor Jezus?. Waarvoor is dat lijden nodig? Had het niet anders gekund? Daarop heeft niemand het antwoord, maar ons geloof houdt ons voor dat  Gods genade in die omstandigheden haar werk kan doen, en roept ons op om stand te houden en te vertrouwen. Mogen het gebed en het deelnemen aan de eucharistie ons daartoe sterken.

Br. Gerard Mathijsen osb

Zondag 27 C ,Lc. 17, 5-10

 

Nieuwsbrief

Schrijf u vrijblijvend in en blijf op de hoogte van de activiteiten van Abdij van Egmond.

We respecteren uw privacy. Sint-adelbertabdij zal uw e-mailadres nooit delen met derden.
© 2022, Abdij van Egmond Algemene voorwaarden