Nieuws

Preek 12 mei 2024

Zusters en broeders,

Tussen Hemelvaart en Pinksteren vieren we a.h.w. een kleine ad­vent van de H.Geest. Negen da­gen van verstilling en verwach­ting, een tijd van gebed, van biddend saamhorig­heid beleven. Het is onze oudste noveen. 9 dagen samen bidden. In protestantse kringen heet deze zondag `het weeskind’

De lezingen van deze zon­dag tussen beide hoogfeesten vormen een sterke eenheid. Zij kunnen ons gebed voeden. Lezingen als verbin­dingswe­gen naar een hemel die opengaat, waar de Vader gehoor schenkt, waar de Mensenzoon bidt aan Gods rechterhand, en vanwaar de Geest wordt toegezegd. De Geest, die van de Vader uit­gaat, is immers krachtens zijn wezen niets anders dan beweging naar de Vader toe. In de heden­daagse theologie wordt in de Geest graag het vrou­we­lijke, moederlijke, zorgende, van God gezien. Wij mensen kunnen het niet laten ons voorstellingen te maken, ook al weten wij dat God die allemaal te boven gaat. Met onze beelden en voorstellingen kunnen wij nooit Gods wezen uitzeggen en wij moeten vermijden van onze ideeën idolen te maken, want dan zitten we goed fout, of het nu mannelijke of vrouwe­lijke afgoden zijn. In het evangelie horen wij een passage uit Jezus’ hogepriesterlijk gebed waarin Hij zijn hemelse Vader smeekt dat zijn leerlingen deel mogen krijgen aan de waarheid van Gods Woord. Dat is een waarheid die bevrijdt, ruimte schept en leven geeft, een waarheid die je nooit hebt, die je niet bezit, maar waarin je mag leven en groeien en verbonden wordt met Gods schepping. Een wonderlijke waarheid die ons beperkte verstand te boven gaat, die ons verheft boven eigen mogelijkheden, die ons verandert en ons juist zo meer ons zelf doet zijn. God is onze waarheid, en God is groter dan ons hart!

De confrontatie met hun verrezen Heer confronteert de apostelen met die waarheid en maakt nieuwe mensen van hen. De dramatische gebeurtenissen van zijn heengaan hebben hen diep getekend en een verandering van zielsgesteldheid bewerkt. Voordien waren zij naief, opgetogen dat de rabbi uit Nazareth, de wonderdoener, hen tot zijn leerlingen had gekozen, zij waren ambitieus en zelfverzekerd. Door wat met Jezus gebeurde bij zijn heilig Lijden en zijn wrede kruisdood gingen zij door een diep dal. De verrezen Heer had hen een veel dieper inzicht gegeven in de diepte van wat Hem had bezield, en in hun eigen roeping. Zij begrepen dat hun apostel-zijn nu pas begon, en wat het inhield aan totaal engagement, aan bereidheid te getuigen met hun eigen leven.

Dat bracht hen, in de eerste dagen na Pasen ertoe hun twaalftal te willen aanvullen, door iemand in hun groep op te nemen in de plaats van Judas. Daarover vertelde ons de eerste lezing.

Na de Hemelvaart van de Heer, keerden de apostelen terug van de Olijfberg naar Jeruzalem. Voordat de Heer van hen scheidde, zei hij tot hen: “Ik zal jullie sturen wat mijn Vader heeft beloofd. Blijft daarom in de stad totdat jullie bekleed worden met kracht van boven. Johannes doopte met water, maar jullie zullen worden gedoopt met de Heilige Geest in een paar dagen” (Luk.24/49; Hand.1/5). Hoeveel dagen weten ze niet. In Jeruzalem brachten ze de dagen door met wachten en ondertussen baden ze en bereidden ze zich voor. De apostelen gingen terug naar de bovenkamer, waar ze op Witte Donderdag het Laatste Avondmaal hadden gevierd. Nu al vormen allen, de apostelen en de discipelen, een gemeenschap, het begin van de  Kerk. Maria, de moeder van Jezus, is onder hen, net als de broers, familieleden van Jezus, evenals de vrouwen die Jezus waren gevolgd uit Galilea, in totaal honderdtwintig mensen (Hand. 1/12-15).

Ze zijn blij, niet langer verdrietig vanwege het vertrek van Jezus, omdat ze weten dat Hij te zijner tijd zal terugkeren en dat over een paar dagen een andere Parakleet, een andere trooster en verdediger, hen in deze tussenliggende tijd te hulp zal komen.

Terwijl ze wachten, blijven ze de Tempel bezoeken en keren dan terug naar het Cenakel, om te bidden en hun gemeenschapsleven voort te zetten.

Een van de eerste daden van deze gemeenschap van het Cenakel is het regelen van de vervanging van Judas. Petrus neemt het initiatief. Hij houdt een toespraak waarvan de traditie de essentiële punten heeft behouden, die Lukas heeft verzameld in het verslag van de verkiezing van Matthias, dat zojuist als eerste lezing werd voorgelezen.

De toespraak heeft vier punten: de val van Judas, de voorspelling van deze val door de Schrift, de noodzaak om een ​​vervanger voor de gevallen apostel te kiezen en de voorwaarden voor deze keuze.

Het is nodig, aldus Petrus, dat alvorens de Heilige Geest komt het apostolisch college, dat door de afvalligheid van Judas tot elf is teruggebracht, weer compleet zal zijn. Voor de eerste christenen was het geval van Judas pijnlijk en bijna onverklaarbaar. Hoe kon Jezus als apostel iemand kiezen waarvan hij van tevoren wist dat hij een verrader zou zijn? Petrus geeft voorlopig slechts een kort antwoord. De Schrift die deze afvalligheid had voorspeld, moest in vervulling gaan. Dit beroep op de Schrift is uiteraard slechts een gedeeltelijke verklaring voor het geval van Judas, maar voldoende om uit te leggen dat Jezus het wist, had voorzien en dat hij niet onverwachts werd verraden. Voor Petrus was op dit moment het belangrijkste dat een van de psalmen waarnaar hij verwijst had gezegd: “Zijn opdracht zal overgaan op een ander”, en dat het daarom nu nodig was om in de plaats van Judas een andere te kiezen.

En ze zijn het allemaal eens over de voorwaarden waaraan kandidaten voor de functie van Judas moeten voldoen: ze moeten de Heer trouw gevolgd zijn vanaf zijn door Johannes tot aan zijn hemelvaart. Want zo had Jezus zelf gehandeld:  uit degenen die Hem vanaf het begin van zijn openbare leven waren gevolgdhad Hij  zijn twaalf apostelen had gekozen. Er waren ooggetuigen nodig die konden getuigen over alles wat Jezus had gedaan en gezegd, geloofwaardige en betrouwbare getuigen.

Twee kandidaten voldeden aan deze voorwaarde. Daarom nemen zij hun toevlucht tot  loten, nadat ze gebeden hebben tot de Heer die de harten doorzoekt, zodat God zelf aanwijst wie de lege plaats in de bediening, de dienst van het apostelschap, zal innemen.

‘En het lot viel op Matthias, die voortaan tot de twaalf apostelen werd gerekend.’ Het apostelcollege was nu voltallig en voorbereid op de komst van Gods Geest.

Als wij in onze dagen en in onze gemeenschap beseffen dat we Gods Geest nodig hebben vinden we in hun handelen een model, een voorbeeld hoe wij ons daarop kunnen voorbereiden, in gebed, in samenkomen en ons openstellen.

Iedereen heeft het erover: de kerk, en niet alleen die van Rome, alle kerken zijn in een crisis. Hoe is het mogelijk dat in zo’n gezelschap van mensen die zeggen dat ze in God geloven en dat ze zijn dienst zijn toegewijd, zoveel schandalen aan het licht zijn gekomen? De kerk van onze dagen heeft groot gezichtsverlies geleden doordat mensen die er een uitverkoren positie innamen, zoals Judas dat deed in het apostelcollege, ontrouw bleken, onwaardig, en de reputatie van het instituut ernstig hebben geschaad. Hoe heeft Jezus die ene apostel zo kunnen vertrouwen? Hoe hebben die rotte appels zoveel ruimte gekregen in de kerk? In onze dagen is het nu het schandaal van het sexuele misbruik. Vroeger waren er andere misstanden die ergernis gaven. Machtsmisbruik, nepotisme, noem maar op.

In het evangelie bidt Jezus voor de gemeenschap die Hij achterlaat. Dat het kwaad haar niet de baas mag worden, ook al manifesteert het zich in haar gelederen, het mag niet het laatste woord hebben.  Dat de waarheid overwint, en zij die waarheid toegewijd mag zijn.

Daarom zusters en broeders bidden wij tot de Vader van onze  Verrezen en in de hemel opgenomen Heer, dat Hij ons, zijn kerkgemeenschap,  zuivert en heiligt door de gave van zijn Heilige Geest. Mogen wij volharden in dat gebed, elkaar vasthouden, en bidden dat de Geest zijn werk in ons verricht, nu in deze viering en in ons leven van elke dag.

br. Gerard Mathijsen osb

Preek Hemelvaart 2024

Veertig dagen hebben wij inmiddels Pasen gevierd. Dat is een bekend bijbels getal. Het werd uitdrukkelijk genoemd in de eerste lezing, waar sprake is van Jezus’ verschijnen aan de leerlingen gedurende veertig dagen na zijn verrijzenis.  Dat getal roept bij ons misschien de veertig jaren op die Israël door de woestijn trok op weg naar het beloofde land. Beeld van een levenslange reis.

Na die veertig dagen werd Jezus ten hemel opgenomen, zo meldt Lukas ons. Veertig dagen, dat getal evenals het beeld van het opstijgen naar de hemel vraagt om een oplettend oor en een luisterend hart.

De leerlingen waren na Jezus’ wrede dood helemaal van de kaart. Zij hadden het zich allemaal heel anders voorgesteld. En het bericht van zijn verrijzenis waarmee de vrouwen aankwamen, werd aanvankelijk niet geloofd. Kun je ze het kwalijk nemen? Hoe zouden wij hebben gereageerd? Dood is dood, en zeker zo’n dood als hij gestorven was. Het was een vloek volgens de Schrift. Maar daar bleef het niet bij. Een weg van veertig dagen hebben ze nodig gehad om de dood en opstanding van Jezus te verstaan. Veertig dagen lang legde de verrezen Heer hen de Schriften uit.  Dat was geen voortzetting van het oude bestaan. Er is geen lijk opgewekt, dat moge duidelijk zijn uit de wijzen waarop hij herkend werd. Nee, de herkenning vond plaats door de wijze waarop ze werden aangesproken, door het verwijzen naar de Schrift, en door het breken van het brood. Er was herkenning, maar er was ook onbegrip. Zij stelden vragen over het koninkrijk voor Israël, wanneer konden zij dat nu verwachten?  Hoe moet dat nu verder? Op die vraag krijgen ze geen direct antwoord. Maar wij horen wel iets heel nieuws. Jezus spreekt over de Geest die ze zullen ontvangen als vrucht van zijn totale inzet voor Gods koninkrijk. En vervolgens horen wij Jezus grenzen verleggen. De Geest die hij zal zenden, de Geest die schept en herschept, zal hen aanzetten tot aan het einde van de wereld te gaan. De liefde van Christus, zijn gave totterdood, is niet voor een kleine of selecte groep. In zijn dood en opstanding is heel de mensheid herschapen, is de Nieuwe Adam verschenen en daarvan moeten de leerlingen getuigen tot aan het einde van de wereld. Was het voor Pasen een evangelie geweest voor het Joodse volk, na Pasen is het een blijde boodschap voor alle volken. Met die opdracht wordt de kleine wereld van de leerlingen opengebroken en op zijn kop gezet. Het zal een tijd duren voordat ze er alle consequenties van overzien. En die ontdekkingstocht duurt voort tot op de dag van vandaag. Want is de universaliteit waartoe de kerk geroepen is wel doorgedrongen tot in alle aspecten en onderdelen van haar getuigenis? Worden er misschien nog mensen of groepen buitengesloten in plaats van ingesloten?  De Geest die bij het begin van de schepping over de wateren zweefde en in Christus herscheppend aan het werk is, laat zich niet beperken tot een kleine groep of natie, die wil heel de schepping vernieuwen in Christus en daar krijgen de leerlingen als lichaam van Christus een actieve rol in toebedeeld.

Veertig dagen en toen werd Jezus ten hemel opgenomen. Voor Jezus een nieuw begin, maar ook voor de leerlingen een nieuw begin. Jezus, opgenomen in de schoot van de Vader vanwaar hij ons ook geschonken is, toen hij als mensenkind onder ons verscheen. Teruggekeerd in die intimiteit waaruit hij als beminde zoon van God aan ons gegeven is. Hij is de weg van de mens gegaan in totale overgave aan de Vader en zijn dood was een laatste ja en dat ja werd in de verrijzenis en de opneming ten hemel door de Vader bevestigd, liefde sterker dan de dood. Liefde van voor alle tijden, liefde in de tijd, liefde voor altijd, thuisgebracht in het huis van de Vader, zittend aan zijn rechterhand.

Veertig dagen, een woestijntijd voor de leerlingen, een oefenschool zoals Jezus ooit veertig dagen in de woestijn doorbracht en hij zijn trouw aan de Vader en aan zijn levensweg bevestigde. Veertig dagen, waarin de leerlingen de tijd krijgen om met de nieuwe situatie om te gaan. Dat bleek nog niet zo eenvoudig en dat herkennen wij misschien ook wel.

Veertig dagen, een tijd om herschapen te worden. Een tijd om door de verrezen Heer te worden onderwezen, zijn leven te herlezen in het licht vaan Pasen, een tijd om Jezus los te laten om hem te laten binnengaan in het geheim van de Vader, een tijd ook om de liefde van Christus, sterker dan de dood, op een nieuwe wijze binnen te laten in hun eigen bestaan. Niet als iets waar wij recht op hebben of wat aan een kleine groep van uitverkorenen is voorbehouden.  Nee, de liefde van Christus moge ons de oude mens doen afleggen zodat wij bekleed kunnen worden met de nieuwe mens, toegerust met de gaven van omhoog om ons met hart en ziel te wijden aan het werk waartoe de Heer ons roept. Paulus wijdt daar prachtige woorden aan in de tweede lezing die wij hebben gehoord. Maar laat het niet bij het horen blijven, maar zetten wij ons er ook toe ze in praktijk te brengen, opdat onze verscheurde en verdeelde aarde wordt opgebouwd tot het ene lichaam van Christus, waar wij elkaar dragen en dienen zonder onderscheid en God alles in allen mag zijn.

Veertig dagen zijn verstreken, maar er resten ons nog negen dagen naar Pinksteren. Laten ze gevuld zijn met een eenstemmig gebed om de gaven van de Geest, dat wij ten volle toegerust worden tot het werk dat ieder van ons wacht. AMEN.

Abt Thijs Ketelaars

20240509 Hemelvaart Hand. 1,1-11; Ef. 4,1-13; Mc 16,15-20

Preek 5 mei 2024

Afgelopen zondag lazen we in het evangelie de gelijkenis van de wijnstok: Jezus de ware wijnstok, wij, zijn volgelingen, de ranken. Vandaag het vervolg van deze gelijkenis.

Jezus is de wijnstok, wij zijn de ranken. Als we vrucht willen dragen, zullen we vast moeten houden aan de wijnstok. Gescheiden van de wijnstok verkwijnen de ranken. Los van de wijnstok, los van Jezus, kunnen wij, de ranken, niets doen. Verbonden met Hem dragen zij vrucht. Alles is genade. Daarom: “Blijf in mij, drukt Jezus zijn volgelingen op het hart… en je zult veel vrucht dragen.” Wat heeft ons dat vandaag te zeggen?

Wat is dat: in Christus blijven? Jezus maakte in het evangelie van afgelopen zondag duidelijk dat in Hem blijven hetzelfde betekent als in zijn woorden blijven, en dat heeft dan weer te maken met het onderhouden van zijn geboden. Wat is dit concreet?  Jezus zegt het vandaag in het evangelie: “Dit is mijn gebod (mijn belangrijkste gebod, het gebod dat alle andere geboden samenvat en omvat): dat jullie elkaar liefhebben zoals ik jullie heb liefgehad. En onmiddellijk voegt Hij eraan toe dat er geen grotere liefde is dan zijn leven te geven voor zijn vrienden. Door te sterven voor zijn vrienden, geeft een mens alles wat hij heeft en alles wat men van hem kan verwachten en hopen. Mensen die hun leven opofferen geven een bewijs van liefde tot het einde toe. Dat spreekt ons, zeker deze dagen, wel aan. Dat is ook wat Jezus deed voor ons, en zijn liefde is daarom hèt grote voorbeeld voor ons. Geloofsgetuigen, martelaren, alle eeuwen door zijn Hem gevolgd. Behalve om religieuze redenen kunnen mensen ook andere motieven hebben die hen aanzetten hun leven in de waagschaal te stellen: de liefde voor hun dierbaren, voor het land, voor de vrijheid. Denk aan de vrijheidsstrijders nu op zoveel plaatsen in onze wereld, die zich verzetten tegen indringers, tegen mensen die hun vrijheid en hun goed bedreigen.

Vandaag op deze 5 meidag is er alle reden om ons te bezinnen, en te beseffen dat we onze vrede, onze vrijheid en onze welvaart te danken hebben aan wie zich daarvoor hebben ingezet en geofferd. Die vrijheid is heel veel waard. Maar onze diepste en uiteindelijke vrede kunnen we alleen maar verwachten van onze Heiland. En Hij roept ons zijn voorbeeld te volgen. Zoals Hij zijn leven gaf voor zijn broeders, zo moet de liefde van zijn leerlingen, zijn volgelingen, discipelen, zo ver gaan dat ze indien nodig hun eigen leven opofferen door voor hun broeders en zusters te sterven. Dat is ons geloof. Zo toonde en leerde de Heer ons de maatstaf en wijze van christelijke liefde.

Jezus legt er bij zijn discipelen nadrukkelijk de nadruk op dat zij actieve liefde voor hun broeders aan de dag moeten leggen. “Dit is mijn gebod.” Hij zegt niet mijn advies, mijn wens, maar mijn gebod. En dan zul je ook mijn vrienden zijn, als je doet wat Ik je gebied, als je dit gebod van broederlijke liefde in acht neemt. Een mens onthult zijn meest intieme gedachten enkel aan intieme vrienden. Voor een dienaar is het strikt genomen voldoende dat hij de bevelen van zijn meester uitvoert zonder het doel of de ware betekenis ervan te kennen. De dienaar is niet noodzakelijkerwijs op de hoogte van de intenties van de meester. Maar aan zijn apostelen maakte Jezus alles bekend wat hij van zijn Vader had gehoord: ‘Ik noem jullie niet langer dienaren,’ zegt Hij tegen hen, ‘want de dienaar weet niet wat de meester wil. Nu noem ik jullie mijn vrienden. Alles wat ik van mijn Vader heb geleerd, heb ik u bekendgemaakt.’

Jezus sprak met zijn apostelen over zijn goddelijk zoon schap; Hij openbaarde hun de Vader en het intieme liefdesleven tussen Hem, de Zoon en de Vader. Er zijn geen geheimen meer tussen Jezus en zijn discipelen, net zoals de meest intieme vrienden geen geheimen onderling hebben. Het is ook waar dat Jezus hen nog veel dingen te zeggen heeft die zij nog niet kunnen verdragen. Maar dit zijn geen nieuwe geheimen die hij tot nu toe voor hen verborgen zou hebben gehouden. Zij zullen de Heilige Geest, de Parakleet, de trooster ontvangen. Hij zal hen herinneren aan alles wat Jezus hen vertelde. Net als Jezus zal de Heilige Geest tot hen spreken over de Vader, maar zijn onderwijs zal niet anders zijn dan wat Jezus hen leerde. Hij zal niets aan het Evangelie toevoegen, maar de boodschap verdiepen.

“jullie zijn mijn vrienden…Maar jij bent het niet die mij (als vriend) hebt gekozen, maar ik ben het die jou heeft gekozen”. De vriendschap tussen Jezus en zijn volgelingen is niet te vergelijken met gewone menselijke vriendschap, vriendschap tussen gelijken, op basis van wederzijdse genegenheid. Hier ligt het initiatief bij Jezus. In de tweede lezing van deze zondag wordt ons door Sint-Jan hetzelfde verteld: “Niet wij hebben God liefgehad; Hij was het die ons liefhad” Het initiatief ligt bij Hem. Hieraan herkennen we de ware liefde: zij gaat vooraf aan de liefde van de ander. Laten wij ook onder elkaar dezelfde attente liefde hebben. Laten we als eerste beminnen. Laten we niet wachten tot de liefde van de ander zich eerst manifesteert: “Dit is wat ik van jullie vraag: elkaar liefhebben.

Dierbare zusters en broeders, hoe urgent, hoe actueel is deze boodschap. Nog nooit heeft de mensheid over zoveel mogelijkheden beschikt. Wetenschap en techniek hebben een niveau bereikt dat armoede en honger zou kunnen uitbannen, dat veel ziekten en kwalen de baas zou kunnen. Helaas wordt dit potentieel voornamelijk aangewend om vernietigingswapens te produceren, om atoomvrije bunkers te bouwen, helaas worden we beheerst door angst, argwaan, vijandschap en haat. Onze politieke leiders spreken serieuze taal. Zij roepen op tot waakzaamheid, tot bewapening. Er zou toch veel meer moeten worden gezocht naar toenadering, naar wegen die naar vrede leiden.

Maar al lijkt de situatie hopeloos, er is geen reden tot wanhoop. God heeft ons 200 jaar geleden in Bethlehem zijn Zoon toevertrouwd in de weerloosheid van een kind, en op Calvarië heeft die Zoon, door zijn liefde en weerloosheid alle kwade machten weten te overwinnen. De Verrezen Heer heeft na Pasen zijn Geest over zijn leerlingen uitgestort en van bangeriken geloofshelden gemaakt. Laten wij bidden om een nieuw Pinkstervuur, nieuwe begeestering, dat de Heer ons zegent met zijn Heilige Geest en voor alle onheil bewaart.

Dierbare zusters en brs., Vanmorgen kwam V. abt Thijs mij vragen om vandaag mijn woordje een beetje langer te maken!

Alle Oosterse Christenen vieren vandaag nl. Pasen. Soms valt hun Paasdatum samen met die van ons, dit jaar ligt er bijna 40 dagen tussen. Maar terwijl wij Pasen konden vieren in vrijheid en betrekkelijke welvaart, toch voor de meesten, al zijn ook hier veel mensen die het moeilijk hebben, in veel gebieden waar onze Oosterse zusters en broeders leven is de situatie erger dan het hier was in de WW II. Met name in het Noorden van Ethiopië, in Tigray is de situatie vreselijk, onmenselijk. De bevolking van 8 miljoen meest Orthodoxe Ethiopiërs wordt daar uitgehongerd en vernietigd. Het is een vergeten gebied. En het is een gebied met een cultureel zeer rijk verleden van duizenden jaren, en ook met een zeer oude monastieke traditie vanaf de 4e eeuw. In het ontoegankelijk gebergte zijn tal van kerken en kloosters die tot nu toe bewoond zijn en waar monniken zich toeleggen op smeed- en schrijfkunst. Dat alles gaat nu verloren.

Wij proberen de mensen daar te steunen, en abt Thijs vroeg mij de collecte bijzonder aan te bevelen. De abdij zal niet nalaten zelf ook een duit in het zakje te doen.

Bij voorbaat heel veel dank.

br. Gerard Mathijsen osb

Zondag 6 na Pasen B

Hand. 10,25-26+34=35+44-48; 1 Joh. 4, 7-10; Joh. 15, 9-17.

Preek 28 april 2024

DE BRUGGENBOUWER

De kerk en ook de samenleving heeft een buiten- en een binnenkant. En die twee staan niet los van elkaar. We zien dat bij de kabinetsformering. Niet alleen bepaalt het innerlijk programma van de partijen hun stellingname bij het zoeken naar beleidsvormen, maar het laat ook zijn sporen na in hun optreden in de publieke buitenwereld.  Dat patroon laat zich ook in de kerk aanwijzen.

In de eerste lezing zien wij vandaag dat het er in de jonge kerk ook niet altijd vredig en genuanceerd aan toeging.  Het was dus vroeger, ook in het prille begin, niet allemaal beter dan nu. We moeten ons hoeden voor al te naïeve of simplistische opvattingen, want die zorgen mogelijk voor schuldgevoelens of heiligverklaringen die niet terecht zijn.

Van die episode in Jerusalem valt veel te leren. Paulus die kort tevoren een felle tegenstander van de leerlingen en volgelingen van Jezus was, is door een ingrijpende ervaring van tegenstander tot voorstander en medestander geworden. Zoiets kan gebeuren en soms bidden wij er zelfs voor. Maar als het dan gebeurt, hoe vaak hebben wij dan niet twijfels of het wel echt is en zijn of blijven we wantrouwig. Nu is het niet verkeerd om op je hoede te zijn en je verstand te gebruiken, maar wie de deur dichtslaat voor een verzoenend of verwelkomend gebaar, maakt leven en groei onmogelijk.  Wij maken in het leven allemaal wel eens fouten, begaan een misstap of vergissingen, schatten zaken anders in, missen op een zeker moment het juiste oordeel, en dan is het van groot belang elkaar daar niet op vast te pinnen, maar een kans te geven tot lering en herstel, tot omkeer en een nieuw begin. Maar dat blijkt soms niet zo eenvoudig. We zien het vandaag in het geval van Paulus gebeuren. Hij mag nog van zoveel goede wil zijn, de anderen zijn bang voor hem en durven het niet geloven. Maar angst is een slechte raadgever, die vertroebelt of vernauwt de blik en dan wordt een open gesprek, een echte ontmoeting moeilijk, zo niet onmogelijk. Dan moet je al een mens als Barnabas hebben, die Paulus goed, ja beter kent, die weet wat hij heeft doorgemaakt, en die in staat is het ijs tussen de partijen te breken. Dat simpele gebaar van Barnabas is als een steen in een vijver, want wie kon vermoeden dat dit heel menselijke gebaar van vertrouwen geven en vragen zou uitgroeien tot een ongekend vruchtbare arbeid van Paulus in de opbouw van de kerk. Het mag ons ervan overtuigen dat geen gebaar te klein is als het gaat om opbouw van relaties, vertrouwen en gemeenschap, in kerk en samenleving, in gezin en communiteit.  Zoek het niet te ver of te hoog, misschien ligt de kans tot heling en verzoening, tot groei en vrucht dragen dichterbij dan je denkt. Investeer in ontmoeting, in dialoog en niet in confrontatie die enkel leidt tot het optrekken van nog hogere muren. Dat geldt voor alle segmenten in kerk en samenleving.

We hadden het over buiten- en binnenkant. De buitenkant was hier een situatie van kortgeleden mensen vervolgen, mensen van hun vrijheid beroven. Buitenkant was ook mensen die leden onder bedreiging en vervolging. Binnenkant was innerlijke bekering aan de ene kant en angst en wantrouwen aan de ander kant.  Buitenkant was ook een Barnabas die Paulus van nabij had meegemaakt, met als binnenkant een Barnabas die een man van geloof en vertrouwen was. En hij, Barnabas, schenkt vertrouwen aan Paulus en aan de leerlingen, hij nodigt ook uit tot vertrouwen en tot een open ontmoeting, want alleen zo kun je muren slechten en mensen winnen. Luisteren naar het hele verhaal van beide kanten, niet veroordelend maar open en ontvankelijk voor het werken van de Geest. Het leidt, zo hoorden we, tot een geregelde omgang tussen Paulus en de leerlingen, tot een ommekeer in hun relatie, tot het begin van een wereldwijde missie.

Maar daarmee is dan wel de lucht geklaard tussen Paulus en de jonge gemeente, maar er blijkt nog een andere partij te zijn.  Paulus sprak en disputeerde met de Hellenisten. Dat gesprek liep hoog op en meer dan dat. Vermoedelijk zijn die hellenisten de groep Joden waar Paulus voor zijn bekering bij hoorde.  Joden uit de diaspora die in Jerusalem hun eigen synagoge hadden. Paulus die zo kortgeleden nog een fervent lid van hun gemeenschap was, stoot in zijn gesprek met hen op fel verzet. Men beschouwt hem als een verrader en, scherpslijper als hij zelf eerder was, krijgt hij nu de volle laag van zijn vroegere geloofsgenoten. Zij beramen zelfs een aanslag op hem. Dat die niet slaagt is te danken aan de christengelovigen die hem overhaast de stad uitsmokkelen.  Een tragisch gebeuren, Paulus had het ongetwijfeld graag anders gezien. Hij had ze willen winnen voor Christus, maar het tegendeel gebeurde. Had hij er zelf schuld aan? Was hij in zijn ijver te fel geweest zoals hij het voordien was geweest voor de leerlingen van Jezus, die hij vervolgd had? Was er bij zijn geloofsgenoten sprake van onbegrip, onwil of onvermogen? Wie zal het zeggen. Éen ding moge duidelijk zijn: in geloofszaken gaat het niet om het hebben van gelijk, maar om het respectvol naar elkaar luisteren en het samen zoeken naar de waarheid. Daar zou Paulus misschien nog kunnen leren van Barnabas, die een voorbeeldige bruggenbouwer is. Leren onderscheiden en geduld hebben met elkaar in openheid voor de Geest vergt ook evangelisatie van eigen karakter en temperament. Het is een oud verhaal, maar het is helaas nog aan de orde van de dag. In de kerk, in de interreligieuze dialoog en in het samenleven in groot en klein verband.

Verschillen en moeilijkheden, wij kennen ze allemaal. Zij kunnen niet alleen worden gelezen als onrust of gevaren, maar ook als kansen. Kansen om met elkaar in gesprek te gaan om wegen te bewandelen naar verstaan, begrip en leven voor en met elkaar.

Luisterend leven, het is het hart van het synodaal proces, het is hart van ons leven als mens, het is het hart van Jezus’ leven. Luisterend naar het stille spreken van de Vader die leven geven wil, luisterend naar allen die hij ontmoette opdat ons aller leven vrucht zou dragen van actieve goedheid en wederzijds vertrouwen, God ter eer en allen tot zegen. AMEN.

Abt Thijs Ketelaars.

BPa5 2024 Hand. 9,26-38 1Joh. 3,18-24 Joh. 15,1-8

Preek bij reguliere oblatuur Gerard Hulsman, 21 april 2024

Op deze roepingenzondag mogen wij  getuigen  zijn van het engagement dat broeder Gerard Hulsman aangaat met onze gemeenschap door zijn verbintenis als  regulier oblaat. Roepingen zijn dus niet van gisteren, iets uit een voorbije tijd, maar de uitnodiging van de Heer klinkt tot op vandaag. En wij zijn blij dat Gerard na al een aantal jaren met ons meegeleefd te hebben nu deze stap zet. Zijn beslissing is dan ook niet over één nacht ijs gegaan.  Dat zegt iets over de aard van de keuze maar ook over de man die haar maakt.

Op het spoor komen of het monastieke pad het jouwe is, vergt tijd want het is iets anders dan het volgen van het wegennet dat Gerard als buschauffeur  jarenlang stipt heeft gevolgd. Ook dat was niet zonder hobbels en verrassingen, maar het is toch een ander circuit.  En soms zijn wat onoverkomelijke hobbels lijken de stille uitnodiging om een ander pad te kiezen. En zo kwam Gerard naar de abdij toen hij als buschauffeur tot stoppen werd gedwongen vanwege zijn gezondheid. Eens temeer een aanwijzing dat God werkt langs onvermoede wegen, maar je moet er wel oog en oor voor hebben.

Als buschauffeur heeft Gerard menigeen naar zijn bestemming gebracht, over kortere of langere afstand en meestal was het een hele bus vol, een hele kudde schapen die hij naar hun plek bracht. Uit verhalen heb ik begrepen dat het niet altijd makke schapen waren en dat je als buschauffeur ook over tact en geduld moet beschikken om veilig en wel de beoogde bestemming te bereiken. Dat traject ligt inmiddels achter hem en vandaag verbindt hij zich aan onze gemeenschap. Hij zit niet meer op de bok of aan het hoofd van de bus,  maar de afgelopen jaren heeft hij in onze communiteit als organist een plek gevonden die in menig opzicht lijkt op die van een buschauffeur. Tijdens onze dagelijkse lofzang moet hij ons leiden en begeleiden om de juiste maat en toon te houden zodat wij niet als een kudde zonder herder naar alle kanten uitwaaieren en de volle samenklank verloren gaat. Voorgaan en volgen, het is van levensbelang wil een gemeenschap een authentiek getuigenis van het evangelie geven.

Ieder van ons is daar als lidmaat van het lichaam van Christus toe geroepen en elk heeft daarbij zijn eigen taak en plek. Paulus wist dat maar al te goed toen hij sprak over de vele verschillende ledematen van het lichaam. Een communiteit is geen eenvormig lichaam, maar is samengesteld uit een verscheidenheid van personen, elk met eigen gaven en gebreken, geroepen om elk zijn plek in te nemen tot opbouw van een levende gemeenschap waarin God verheerlijkt wordt en mensen mogen groeien tot de gestalte van de nieuwe mens.  Dat is een gave en een opgave zowel voor de kleine kerkgemeenschap die wij hier vormen als voor de grote kerkgemeenschap die in de loop der eeuwen verdeeld is geraakt.  Dat laatste heeft voor veel pijn en onbegrip gezorgd, maar ook daar heeft God langs onvermoede wegen nieuw leven doen ontluiken en vruchten van ongekende soorten voortgebracht. De laatste eeuw hebben wij meer en meer ontdekt dat wij de eenheid van de vele kerken niet moeten zoeken langs de weg van terugkeer naar de ene schaapstal maar in het zoeken naar eenheid in verscheidenheid, waarbij de rijkdom van alle tradities een plek krijgen. Wanneer broeder Gerard Hulsman zich vandaag dan ook bij onze gemeenschap voegt als belijdend lidmaat van de Protestantse Kerkgemeenschap Nederland, dan is dat niet om nu van alles te moeten afzweren, maar om de rijkdom van zijn traditie mee te nemen in onze gemeenschap. Ik denk daarbij met name aan de rijke traditie van schriftcultuur en zang, inclusief het orgel. Koester ze als een kostbaar goed dat je in je leven hebt meegekregen, laat ze je blijven voeden op de weg die voor je ligt. Tegelijk hopen we dat je meer en meer de rijkdom mag ontdekken van de traditie waar je je bij aansluit, een traditie die samen met die van de reformatie de eeuwen overspant en zich voedt aan de bron van het apostolisch getuigenis en de menigte van getuigen die de geschiedenis ons aanreikt als metgezellen op de weg die naar het leven leidt.

In het evangelie van vandaag hoorden wij spreken over de goede herder, over Christus die ons voorgaat en leidt op de weg naar de grazige weide.  Van hem zegt Benedictus in zijn regel dat wij niets boven de liefde van Christus dienen te stellen[1].  Die zin heeft een tweevoudige betekenis. Allereerst is het de liefde van Christus voor ons, voor ieder van ons. Zoals de goede herder zijn schapen kent, ja, ze bij name kent en ze lief heeft elk met zijn eigen aard en temperament, zo worden wij allen door Christus bemind. Niet als nummers of een van de velen. Nee, hij bemint ieder van ons met die unieke blik waarmee hij ook de jongeling aankeek die bij hem met een vraag kwam over het eeuwige leven. De liefde van Christus is ons geschonken en in de doop bevestigd. Zij wordt bezongen in psalm 23 en daar horen wij hoe ze de dynamiek is van ons bestaan in dagen dat het gras groen is, maar ook als we door een dorre woestijn moeten. Ook daar wijkt de herder niet van onze zijde al lijkt dat er soms niet op.  De liefde die Christus ons toedraagt, zij is de ziel van elk christelijk leven, monniken incluis.

Maar de liefde van Christus kent ook een andere beweging. Nu niet die van Christus voor ons, maar die van ons voor Christus. Het evangelie van vandaag zegt dat Christus zijn schapen kent, en dat de schapen op hun beurt hem kennen. Zij kennen en vertrouwen zijn stem. Zij beantwoorden zijn roep met volgzaamheid omdat ze hebben ervaren dat hij hen leidt naar grazige weiden.

Gerard, jij gaat je in de oblatuur  op een bijzondere manier verbinden met Christus, de goede herder en met onze gemeenschap, die wonderlijke kudde die de Heer op deze plek hier leidt en samenhoudt.  Moge het kennen en gekend zijn, het beminnen en bemind worden van dag tot dag blijven groeien en moge Christus ons dan samen, naar het woord van vader Benedictus, tot het eeuwig leven geleiden[2].  AMEN.

Abt Thijs Ketelaars.

[1] RB 4,21

[2] RB 72,12

Preek 21 april 2024

Vandaag is het roepingenzondag. Wij denken dan spontaan aan roepingen voor het kerkelijk ambt en voor het religieuze leven. Dat is prima, maar er is natuurlijk meer! Van welke schapen wil de Heer de Goede Herder zijn? Hij heeft zijn leerlingen uitgezonden over de hele wereld, tot aan de uiteinden van de aarde? Hen opgedragen om ieder van Hem te vertellen, de boodschap te brengen dat God liefde is en van mensen houdt, en voor zijn schapen te zorgen, tot in de verste uithoeken van de wereld, in de buitengebieden, in de struikgewassen, in het gebergte en het geboomte, om hen te beschermen tegen alle gevaren die hun welzijn bedreigen? Jezus is de goede herder, en Hij kent zijn schapen, en houdt van hen.

“Ik ben de Goede Herder… Ik ken mijn schapen en mijn schapen kennen mij.” Een herder kent zijn schapen, zoals een boer zijn koeien kent. En deze kennis is wederzijds: de schapen kennen hun herder. Zonder die herder lopen zij verloren, ten prooi aan duizend gevaren. Het bewustzijn van die zending heeft in het verleden een sterk missionair elan opgewekt. Vanuit Europa, bijzonder vanuit ons land, zijn duizenden uitgetrokken om Christus te leren kennen. De boodschap is niet altijd goed verstaan, ook niet altijd goed begrepen, maar er is veel goeds tot stand gebracht. Het is ook niet gemakkelijk de Heer goed te begrijpen. De apostelen hebben er veel tijd voor nodig gehad. In het evangelie van Matteüs kunnen we een passage lezen die heel Johanneisch is: “Alle dingen zijn Mij door mijn Vader gegeven, en niemand kent de Zoon dan de Vader, en niemand kent de Vader dan de Zoon en degene aan wie het de Zoon behaagt Hem te openbaren” (11,27).  In het Vierde evangelie, in de gelijkenis van de Goede Herder die zijn leven geeft voor zijn schapen, wordt het thema van de wederzijdse kennis van de Vader en de Zoon aangevuld met dat van de wederzijdse kennis van de Goede Herder Jezus en de schapen, zijn leerlingen, en wordt er een parallel getrokken tussen de wederzijdse kennis van de Vader en de Zoon en de wederzijdse kennis van Jezus en zijn leerlingen:  “Ik ken mijn schapen en mijn schapen kennen mij, zoals de Vader mij kent en ik de Vader ken.”

Kennis verwerf je door langdurige omgang. Door te luisteren naar de ander. En door te volgen.

Een echte leerling volgt Jezus; hij volgt Hem, dat wil zeggen, hij volgt zijn voorbeeld en volgt Hem na, en vervult zijn geboden, zoals Jezus in alle dingen de wil, de geboden, van zijn Vader vervult. In dit opzicht is Jezus het type van de volmaakte discipel. We zijn uitgenodigd Hem na te volgen, te doen wat Hij deed en Hem te gehoorzamen om een echte discipel naar Zijn beeld te worden. Ook wij hebben daar een leven voor nodig. In de Bijbel duidt wederzijdse kennis op wederzijdse liefde: “Ik ken mijn schapen”, zegt Jezus,… en ik geef mijn leven voor hen… En de Vader heeft mij lief, omdat ik mijn leven afleg.”

Als hij sterft, is dat omdat hij dat wil, Hij geeft zijn leven.  Ondanks de schijn neemt niemand Hem zijn leven af. Hij heeft de macht om het te geven en terug te nemen, omdat hij de absolute meester van zijn leven is. In de Hof van Olijven zal hij tegen degenen die hem komen arresteren zeggen: “Als u mij zoekt, laat deze (mijn discipelen) dan gaan.”

‘Ik heb nog andere schapen, die niet van deze kudde zijn; ook deze moet ik leiden, en zij zullen mijn stem horen, en er zal één kudde en één herder zijn.’

Zusters en broeders, laten we op deze zondag van de Goede Herder bidden dat de door Jezus onze Herder deze zo gewenste eenheid groeien mag. Het verlangen naar die eenheid mag geen strijd worden welke partij het gelijk aan haar kant heeft, wie in het verleden de grootste steken heeft laten vallen. Het moet een helder besef zijn dat wij allen één Herder hebben, één God die ons liefheeft en wiens kinderen wij zijn. Alle mensen zouden moeten beseffen dat Jezus de herder is van alle kinderen van Adam, dat ieder mens door Hem geroepen en bemind,  dat Jezus voor ieder mens zijn leven gegeven heeft, dat wij allemaal kinderen van God zijn, hoever afgedwaald, hoezeer in duistere onwetendheid verloren. En dat het de mooie roeping van ambtsdragers is om deze waarheid bekend te maken, om mensen te bevrijden uit hun verlorenheid en eenzaamheid, en de vreugdeboodschap te brengen dat wij kinderen zijn van God.

Bij zijn bittere kruisdood beloofde Jezus aan het kruis aan de medegekruisigde rover aan zijn zijde  ‘Heden zult gij met Mij zijn in het paradijs’. Dan is er toch hoop voor ieder mens. Onze eenheid ligt in die gemeenschappelijke roeping. Het is de roeping van ieder van ons die algemene heils wil als Gods diepste verlangen kenbaar te maken Een wonderlijk mooie, maar ook urgente opdracht en een grote verantwoordelijkheid naar elkaar:  de Naam van onze herder bekend te maken, elkaar vertrouwd te maken met zijn stem, elkaar van Hem te vertellen, zijn Naam hoog te houden in onze gemeenschap? En niet enkel als een boodschap voor het hiernamaals, maar de opdracht voor dit leven, en onze diepste waarheid. Zusters en broeders wat een mooie roeping. Als wij dat zouden inzien zou onze wereld er anders uitzien. Laten wij bidden dat we haar mogen begrijpen, aanvaarden, en waarmaken.

br. Gerard Mathijsen osb

Preek 14 april 2024

De paasverhalen uit de evangelies hebben bij alle verschil één ding gemeen, ze vertrekken allemaal vanuit het duister. Het leven is voor al die leerlingen van Jezus, vrouwen zowel als mannen, een zwart gat geworden.  Je kunt het je voorstellen. Degene met wie je samen optrok is er niet meer. Het leven dat je je had gedroomd, de baan waarvoor je alles had ingezet, de vriendschap waarin je alles had geïnvesteerd, er rest slechts leegte en gemis als het je overkomt. Toen en nu. De vrouwen willen niet anders dan zo vlug mogelijk naar het graf om de dode te bewenen en hun verdriet de vrije loop te laten. De mannen tonen een andere reactie. Een groep sluit zich op achter gesloten deuren als in een graf. Het leven is voorbij, ze weten zich geen raad, zijn niet alleen ontroostbaar maar ook angstig, bang voor represailles of bang voor het leven. Maar in een ander verhaal horen we hoe er twee weglopen uit Jerusalem, ze laten het verleden achter zich, het is onverdraaglijk, ze praten over niets anders dan het onbegrijpelijke, waarvan ze deelgenoot zijn geworden. Naar het graf lopen, je opsluiten, weglopen, het zijn allemaal varianten van een en dezelfde ervaring: worstelen met de dood die in het leven inbreekt. Het is goed om bij dat aspect van de paasverhalen stil te staan, want het mag ons er voor hoeden geen schuldgevoel te krijgen wanneer de dood in welke vorm ook ons leven overhoophaalt en wij er geen raad mee weten. Dat hoort bij het leven en als je daaraan voorbijloopt, krijgen halleluja’s een holle klank.

Dat dat alles toch niet het einde was en dat het leven van de leerlingen een keer nam is niet het resultaat van eigen inspanning of verdienste, integendeel. Voor hun ervaring sloeg met de dood van Jezus een boek dicht waarvan ze zich het vervolg heel anders hadden voorgesteld. En met die dood leek ook het boek van hun eigen leven gesloten te worden. Welke toekomst was er nog denkbaar? Hoe nog verder te schrijven aan een verhaal dat zo’n abrupt einde kende. Dat het paasverhaal hier niet eindigt is geen menselijk bedenksel, het was bij hen niet opgekomen. En dat hun leven uit het dode spoor wordt gehaald is niet hun eigen werk, maar is te danken aan een ontmoeting die midden in de dood nieuw leven doet ontstaan.

Hoe dat in zijn werk gaat zien wij in het evangelie van vandaag. De leerlingen zijn bijeen en we hoorden hoe de twee die Jerusalem gedesillusioneerd hadden verlaten, terugkeren in een heel andere stemming. En terwijl zij hun verhaal doen komt Jezus plotseling aanwezig in de groep die er bijeen is.

Vandaag, op deze Paaszondag, zien we hoe de leerlingen geen raad weten met de Heer die in hun midden verschijnt. Verbijstering en schrik, want dood is dood en wat valt er dan nog te verwachten behalve zinsbegoocheling en spoken. Zij kunnen niet geloven dat God nog geschiedenis met Jezus schrijft waar voor hen het boek gesloten is, afgesloten.

Het boek van het leven, broeders en zusters, wie kan het lezen? Met welke ogen en oren lezen en luisteren wij? Zijn het die van Adam en Eva in het paradijs, die om de tuin werden geleid en meenden te lezen dat ze iets te kort kwamen als ze het leven niet zelf zouden grijpen? Of zijn het de ogen van hun kinderen en kleinkinderen tot in het zoveelste geslacht die door angst en afgunst de ander als een belager of concurrent zien?

Wat zie je of wat lees je als je ogen zijn verblind, als je hart niet zuiver is, als je oor niet afgestemd is op het stille woord van God die steeds weer geschiedenis met ons wil schrijven, ook als wij menen dat het uit en over is?

Pasen, broeders en zusters, het is de dag waarop de verrezen Heer in hun midden verschijnt en hun de Schrift ontsluit. Hij doet wat Hij zijn hele leven heeft gedaan, het boek van het leven voor hun ogen lezen met de inzet en overgave van heel zijn bestaan. Dat kon hij omdat hij het oude geloofsverhaal las met de open blik van het vertrouwen. In al die verhalen van wet en profeten zag hij zijn eigen weg oplichten. En gaandeweg had hij ontdekt dat de dood mogelijk de laatste vorm van trouw was aan het leven, aan zijn levensroeping en aan God.

Wij horen vandaag hoe Jezus hun de Schriften verklaart, hoe hij hun dat oude en overbekende verhaal doet lezen met nieuwe ogen en toekomst biedt. Niet met die van de oude Adam die meende zich het leven te moeten toe-eigenen om het niet te verliezen, maar met de ogen van de ware Zoon, die luisterend naar het leven ontdekt waartoe Gods Liefde hem roept en nodigt.

Die weg die in de ogen van de leerlingen een aanstoot en dwaasheid leek, een te vermijden pad, die weg wordt hun nu geopenbaard als weg ten leven.

Pasen, broeders en zusters, het is het feest van de Ene die het boek van het leven heeft weten te lezen, eruit heeft geleefd, het heeft vervuld en het nu voor ons opent.

Pasen, feest van het geopende graf, feest van het openen van de ogen, feest van het openen van de Schrift, opdat wij het leven zouden lezen met de overgave van de Zoon, en wij als Nieuwe Adam en Nieuwe Eva zouden leven, als kinderen van het Licht. AMEN.

Abt Thijs Ketelaars.

Bpa3 2024 Hand.3,13-19;  1Joh. 2,1-5a; Lc. 24,3

Preek 7 april 2024

Het was voor Thomas heel belangrijk dat zijn opgewonden medediscipelen niet alleen een fantasie hadden gezien, maar dezelfde Christus die zij in Galilea en Jeruzalem hadden gekend en gevolgd. De opgestane Christus was door het zicht voor de mensen aanwezig, hoewel het soms even duurde voordat ze beseften wie ze zagen. Maar zicht kan bedrieglijk zijn, zoals we suggereren als we over iemand zeggen dat hij ‘dingen ziet’. Aanraking is een meer solide manier om bij elkaar aanwezig te zijn, en Thomas wilde niet zomaar elk stukje van Jezus kunnen zien en aanraken, maar ook de littekens – de gaten die de afwezigheid van vlees waren en die de aanwezigheid van het vlees van de gekruisigde aantoonden. en één opgestaan. Wij die nog niet hebben gezien en geloofd, kunnen de intieme nabijheid van de Verrezene – een oprechte aanraking – op vele manieren ervaren, maar vooral door de sacramenten die tastbare uitdrukkingen zijn van zijn aanwezigheid bij ons.

Maar dit is niet slechts een persoonlijke, individuele ervaring waar mensen met een mystieke instelling van genieten. De verrezen Jezus blaast op zijn leerlingen (in andere woorden, inspireert hen) en transformeert hen in een gemeenschap die wordt uitgezonden om zijn barmhartigheid en zijn gerechtigheid te tonen. De intiem, zichtbaar en tastbaar aanwezige Christus schept een gemeenschap die een wereldwijde Kerk zal worden, waarin Hij altijd aanwezig is.

We zien een weerspiegeling van deze realiteit in het levensverhaal van de vroege christelijke gemeenschap in de Handelingen van de Apostelen; in de passage die we zojuist hebben gehoord, merken we veel reflecties op van de Evangeliën: de tekenen en wonderen; de mengeling van aantrekking en angst – we zouden kunnen denken aan Nikodemus die ‘s nachts naar Jezus komt; het brengen van zieken voor genezing, inclusief de hoop dat zelfs de schaduw van Petrus die op iemand viel, hen zou genezen – en hier zouden we ons misschien de vrouw kunnen herinneren die aan bloedingen leed en zei: ‘Als ik maar zijn kleren aanraak, zal ik beter worden’; en het samenkomen van mensen van overal met hun zieken en degenen die gekweld werden door onreine geesten: ‘En ze werden allemaal genezen’.

Maar er is een probleem: voor de meesten van ons lijkt de Kerk meestal niet echt op dat beeld uit Handelingen: charisma is routine geworden; we horen over opmerkelijke mensen en opmerkelijke gebeurtenissen die nog steeds plaatsvinden, maar ze lijken nooit te zijn waar we ons op dit prozaïsche moment bevinden. Misschien kunnen de woorden ‘Zalig zijn zij die niet hebben gezien en toch geloven’ worden toegepast op loyale gelovigen die naar de mis gaan, de Bijbel lezen, bidden, proberen wat meer liefde in de wereld te brengen, de waarheid spreken enz. etc. zonder enige verrassende manifestatie van Macht Van Boven of intense gevoelens van berouw, vreugde of hoop. Het voelt misschien niet wonderbaarlijk dat wanneer we een kerk binnenlopen en ergens dichtbij een klein bouwwerk zien bedekt met een sluier en een lamp, we in feite het grote wonder van God met ons zien. En dat is een wonder voor elke dag: we voelen ons niet elke dag opgetogen, neerslachtig, opgewonden of verveeld, en de perioden van boetedoening en vreugdevolle seizoenen, de weekdagen en de zondagen, passen zich niet aan onze stemming aan – ze zijn gewoon daar, en ze zijn betrouwbaar, in tegenstelling tot onze stemmingen. Het is interessant dat de passage uit Handelingen van vandaag onmiddellijk volgt op een verhaal van schandalen in de Kerk, wanneer Ananias en Saffira de gemeenschap proberen te laten denken dat ze genereuzer zijn dan ze zijn. Er is nooit een volmaakte Kerk geweest, maar het wonder van Gods genade hangt gelukkig niet af van onze volmaaktheid.

De evangelielezing van deze tweede paaszondag voert ons binnen in een liturgische setting: het is de avond van de eerste dag van de week, de dag na de sabbat, de dag waarop het graf leeg werd bevonden. Dan komen de geloofsleerlingen samen. Ze begroeten elkaar met de vredeswens of de vredeskus. Ze bidden om de komst van de heilige Geest. Ze vieren eucharistisch ( = dankend) de aanwezigheid van Jezus als de Levende in hun midden. Ze luisteren naar zijn woord en weten zich door Hem gezonden. En ze belijden hun geloof: de verrezene is de gekruisigde! Maar ook andersom: de gekruisigde is de verrezene! En ze roepen uit: Mijn Heer en mijn God!

Wij mogen ons voegen in deze liturgische samenscholing van de Johanneïsche gemeenschap. Binnen de opbouw van het Johannesevangelie fungeert deze tekst uit hoofdstuk 20 echter ook als een climax (hoofdstuk 21 is immers een epiloog). Na de verschijning aan Maria van Magdala, komt Jezus binnen bij de apostelen die zich hebben teruggetrokken achter gesloten (of beloken) deuren. Ze hebben schrik voor ‘de Joden’ – Johannes bedoelt voor ‘de Joodse leiders’ die Jezus hebben uitgeleverd, want de leerlingen behoren immers allemaal tot ‘de Joden’. Jezus komt binnen met de vredeswens, want geweld en dood hebben niet het laatste woord gehad. Een geweldige vreugde laait op in het hart van de leerlingen. De harde feiten van verraad en kruisiging komen in een heel ander licht te staan, in de gloed van het paaslicht. Deze opwekking tot heil en vrede opent onmiddellijk het perspectief op de zending. Want de deuren kunnen niet gesloten blijven – geen kerk die op zichzelf gefocust is! Integendeel: de ramen worden wijd opengezet, een aggiornamento kondigt zich aan. Waar is de zending op gericht? Op de vergeving van de zonden, en dat is Bijbels gesproken: op het helen van elke menselijke gebrokenheid. Wie zich door het geloof in Jezus laat helen van zijn wonden en zijn zonden, zal als vrucht de vrede ontvangen.

Natuurlijk is dat allemaal niet zo vanzelfsprekend. Gelukkig is daar Tomas! Want hij behoedt ons voor een onkritisch of voor een gewoontegetrouw geloof. Het is toch godsonmogelijk dat de gekruisigde ook de verrezene zou zijn!? Het kruis is toch een teken van mislukking, het lot van oproerkraaiers en misdadige bandieten? Was Hij wel de Messias van Israël?

Opnieuw verschijnt Jezus op de eerste dag van de week, en dan is Tomas erbij. Hij mag zijn handen in de wonden van Jezus leggen en ondervinden dat de verrezene dezelfde is als de gekruisigde. Nu beseft Tomas hoezeer Jezus door GOD bemind is en hoezeer Jezus het zicht op GOD heeft vrijgemaakt. En dus is zijn belijdenis ongeremd, alsof de hemel voor hem opengaat: ‘Mijn Heer en mijn God!’

Hiermee maakt het Johannesevangelie de cirkel rond: want de belijdenis van Tomas rijmt op het begin van dat evangelie: ‘In het begin was het Woord, en het Woord was bij GOD, en het Woord was GOD.’ (Johannes)

br. Gerard Mathijsen osb

Preek Paasdag 2024

Vannacht hebben wij met vuur, licht en water het nieuwe leven van Pasen verwelkomd en gevierd. En we maakten een hele reis door de Schrift waar wij hoorden hoezeer Gods weg met de mens een reis is van vallen en opstaan, van sterven en  verrijzen. En als apotheose kwamen wij bij een graf dat leeg bleek te zijn en daarmee het leven van de leerlingen van Jezus overhoop haalde.

Ze hadden het niet verwacht, ze hadden het niet durven geloven. En wij, die het verhaal en zijn wervelend vervolg in de geschiedenis kennen, kijken daar misschien van op.  Maar de dood aan het kruis, aan de schandpaal, wat is er erger en hopelozer? Dat is toch het einde van alles. En wat voor einde.

Het waren vrouwen, de mannen waren in geen velden of wegen te bekennen, die als eerste naar het graf gingen. Dat zij als eerste de boodschap van de opstanding vernamen, doet ons de oren spitsen. Vrouwen hadden in die dagen geen stem in het kapittel en hun woorden hadden geen wettelijk gezag. Waarom waren zij dan toch de eerste? Was het omdat ze niet in tel waren? Was het omdat de vrouw al sinds mensenheugenis de schuld voor dood en zonde in de schoenen was geschoven? Of was het misschien omdat een vrouw,  in de persoon van Maria, ja had gezegd op Gods roep om ruimte te maken in haar schoot voor het woord van zijn barmhartigheid, vlees van haar vlees, gedragen en gekoesterd.

Vrouwen, ze zijn Jezus gevolgd, hebben voor hem gezorgd uit eigen middelen, zegt het evangelie, en waar de mannen zijn gevlucht bij de kruisiging, bleven de vrouwen op afstand staan.

En vanmorgen hoorden wij Johannes in het evangelie vertellen hoe Maria Magdalena de mannen ging wekken en naar het lege graf bracht dat voor hen allen een raadsel en een open boek was, maar één waarvan ze de tekst nog niet konden lezen. Daarvoor was de zalving en de lering van de Geest nodig.

Pasen, broeders en zusters, Gods mens geworden liefde  is door geen dood vast te houden. Jezus, dat woord van de Vader, heeft in zijn menswording de dood niet ontvlucht. Hij heeft alles met ons gedeeld, ook de dood om ons nergens alleen te laten en Gods liefde sterker dan de dood het laatste woord te laten, ook toen het alles van hem vroeg.

Dat woord van het begin: er zij licht, er zij leven, het blijft zich een weg banen door de geschiedenis, het is vlees geworden en heeft onder ons gewoond. Het is de weg van alle vlees gegaan, maar heeft het van binnenuit getransformeerd. Door de adem Gods bewoond heeft het een spoor van licht door onze geschiedenis getrokken en is het door geen duister overwonnen, het is er doorheen gegaan.

Door de dood heen gegaan, teruggekeerd in de schoot van de Vader van wie hij was uitgegaan, is hij het leven zelf binnengegaan en heeft hij in zijn overgave ten einde toe ons zijn Geest gegeven, op dat wij als lichaam van Christus zouden leven als herboren mensen, mensen van hoop en van vergeving, de dood voorbij. Levend uit en op Gods adem zoals Jezus ons heeft voorgedaan.

Vannacht mochten wij in dat geloof twee mensen dopen en opnemen in de kerk. Nieuwe loten aan een boom die volgens sommigen vrijwel alleen dode takken heeft. Maar niets is minder waar. Die oude boom, die zijn wortels heeft in het paradijs, waar hij werd gevoed met levend water, die boom blijft nieuwe loten maken. En zo mogen wij ook vanmorgen een dopeling verwelkomen. Zo dadelijk zal Winnifred gedoopt en gevormd worden en als volwaardig lidmaat in de kerk worden opgenomen. Een nieuwe loot die op de oude stam wordt geënt en daarmee onze geloofsgemeenschap nieuwe vitaliteit schenkt. Reden tot dankbaarheid op deze Paasdag, reden tot het zingen van een alleluja. Reden ook om ons eigen doopsel met nieuw elan te beleven, want wij zijn elkanders ledematen en hebben daarmee ieder een eigen verantwoordelijkheid voor de vitaliteit van het lichaam van Christus.

In het evangelie hoorden wij hoe de zwachtels en de zweetdoek waren opgerold en weggelegd. Pasen is de dag waarop wij gedenken dat wij in de doop met Christus zijn bekleed, de oude mens hebben afgelegd, om als nieuwe mensen door het leven te gaan. Niet geschapen om als adam en eva een greep te doen naar de boom des levens om zelf heer en meester te zijn over het bestaan, maar om ons te laten enten op de levensboom die Christus is, die vruchten voortbrengt van actieve goedheid, van mededogen en van meeleven opdat allen deel krijgen aan de vrucht van het leven en God in alles zal worden verheerlijkt.

Laat ons dan nu Winnifred gaan dopen. Zij zal een nieuwe naam ontvangen. Elora, -God is mijn licht- ten teken van de nieuwe mens die zij in Christus wordt. Van de opgestane Heer belijden wij dat hij is Licht uit Licht. Datzelfde moge voor Winnifred gelden als zij gedoopt wordt en moge het voor ons allen gelden die vroeg of laat gedoopt zijn.  Dat wij als kinderen van het Licht een teken van hoop mogen zijn in een wereld die uitziet naar nieuw leven. AMEN.

Abt Thijs Ketelaars

20240331 PAASDAG

Preek Paaswake 2024

Wij hebben vannacht een hele weg afgelegd door de Schrift. Het begon met schepping in het duister, met chaos waaruit leven ontstond door de Geest die over die oervloed zweefde en het woord dat licht tevoorschijn riep. En we zagen de aarde tevoorschijn komen, een plek waar het goed was om te wonen. Wij hoorden ook over water waarin mensen verdronken en er was water waaruit mensen nieuw geboren opdoken.  Er was sprake van een  leven als een zware klim waarbij gevraagd werd alles wat je dierbaar is los te laten, over te geven, maar er was ook sprake van een bruidegom die  naar een verlaten vrouw omziet, zoals er ook wijn en melk werd aangeboden zonder te betalen, want God is geen boekhouder maar een gulle gever. Er was sprake van de bron van wijsheid die leven en vrede belooft en er was sprake van terugkeer uit ballingschap om  van een nieuwe geest vervuld het land te bewonen. En het eindigde met een doopsel waarin de oude mens begraven wordt om met Christus op te staan.

En zo hoorden wij opnieuw dat heel het leven met alle lief en leed zijn plaats heeft in dit verhaal van God met de mens. En hoe kan het ook anders als hij zichzelf op leven en dood met ons verbonden heeft, de weg met en voor ons gaat.   Dat lange verhaal van onze geloofsgeschiedenis vindt zijn samenvatting en ontknoping in het leven van Jezus. Van hem wordt in de evangeliën verteld dat hij bij zijn doop als nieuwe schepping, als geliefde zoon en nieuwe adam het water ontsteeg om onder ons zo goed als God te zijn, evenbeeld van Gods barmhartigheid die niets liever ziet dan mensen die leven , gekend en bemind, door God en mensen, samen delend wat wij allen om niet hebben ontvangen, leven uit Gods hand.

En dan deze nacht, een nacht van vrees en beven. Wij hoorden het in het evangelie van Marcus, dat ons als laatste werd verkondigd. Het oudste evangelie, maar ook het meest raadselachtige. De dood van de geliefde meester had iedereen nog zo in zijn greep dat er voor het goede nieuws nauwelijks oren waren. Ze waren nog verdoofd van het brute einde. Geen halleluja’s bij de vrouwen die naar het graf gingen. Zij waren niet op weg om een levende te zien, maar om een dode te balsemen. Maar zelfs die dode, dat tastbare en kostbare reliek van wie hen lief was, is hun niet vergund. Misschien gelukkig maar, anders zouden wij kunnen denken dat God alleen op die plek is. Maar God is geen God van doden maar van levenden. Hij heeft zich laten kennen als een die de dood trotseert als het er om gaat de weg met de mens te gaan, een weg ten leven, niet zonder de dood, maar aan de dood voorbij.  De vrouwen zien hem dus niet, zoals ook wij de opgestane Heer niet zien, maar zij krijgen uit het graf een woord van leven te horen. Hij is niet hier, hier moet je hem niet zoeken.  Op de plek waar zij een dode zoeken wordt hun een woord van leven verkondigd. ‘Hij is niet hier, hij gaat u voor naar Galilea. Gaat dat aan Petrus en de leerlingen zeggen’. God is niet te vinden in het graf, hij is een God van levenden en hij laat zich vinden en ontmoeten waar wij onze weg gaan met anderen. Daar gaat hij mee als de ongeziene gast in het gesprek die luistert, opbeurt en meegaat, ons lief en leed delend op de reis die eindigt, zo hopen en geloven wij, in Gods voorhof.

Jezus is door de wateren des doods gegaan en blijft met ons meegaan. Zo dadelijk gaan wij Monique en Tim dopen en worden zij opgenomen in het lichaam van Christus en voegen zij zich in de lange rij van leerlingen die ondergedompeld in het verhaal van de Schrift, opstaan tot nieuwe mensen. Dat vindt zijn uitdrukking in de nieuwe naam die hen in de doop gegeven wordt. Elisabeth en Mattheüs, twee namen uit de Schrift, twee namen met een belofte en een roeping. Bidden wij dat zij en wij die deze nacht onze doopbeloften vernieuwen samen hier als leerlingen van Jezus teken mogen zijn van nieuw leven voor allen wier pad ons kruist in goede en kwade dagen opdat het aanschijn van de aarde mag worden vernieuwd en het paaslied geen holle klank is, maar een lied dat mensen samen doet optrekken naar de stad van vrede, waar alles wordt gehuld in Gods Licht, dat leven is AMEN.

Abt Thijs Ketelaars

20240330 PAASNACHT Mc 16,1-8 ( met twee dopelingen)

Nieuwsbrief

Schrijf u vrijblijvend in en blijf op de hoogte van de activiteiten van Abdij van Egmond.

We respecteren uw privacy. Sint-adelbertabdij zal uw e-mailadres nooit delen met derden.
© 2024, Abdij van Egmond Algemene voorwaarden