Geen producten in je winkelmand.

Nieuws

Binnen- en Buitenkant

De vakantie is voorbij en het heeft er de schijn van dat de liturgie er ook zo over denkt, want het intermezzo van de afgelopen 5 weken is nu ook afgelopen. De uitstap naar Johannes maakt weer plaats voor het evangelie van Markus. Uit het eerste deel van hoofdstuk 7 hebben we zojuist een aantal verzen gehoord, waarin we getuigen zijn van een discussie tussen Jezus en de farizeeën en die wordt afgesloten met Jezus’ woorden aan het volk.

Die episode prikkelt tot commentaar. Maar dat is in de christelijke kerk in de loop der eeuwen niet zelden heel nefast geweest. Farizeeën en Schriftgeleerden werden in een kwaad daglicht gezet en de Joodse religie werd afgedaan als wettisch en uiterlijk vertoon. En dat leverde weer voer voor antisemitisme dat zulke kwalijke gevolgen heeft gehad.

We moeten dus goed oppassen hoe we deze en gelijkaardige teksten lezen. Ze zijn er niet om te slaan, en zeker niet de ander, ze zijn er primair om zelf in de spiegel te kijken en ons te bekeren. Want de leefwijze die Jezus hier hekelt, is niet voorbehouden aan Farizeeën en Schriftgeleerden, ze komt ook voor in onze eigen gelederen. Wie daaraan twijfelt, moet maar eens kijken naar de discussie en felle strijd naar aanleiding van de beslissing van Paus Franciscus betreffende het gebruik van het Tridentijns misformulier.

Maar kijken we nog eens van nabij naar het verhaal dat we gehoord hebben. Allereerst merken we op dat Jezus het ritueel van het handen wassen niet veroordeelt. Wat hij aanklaagt is de wijze waarop de Farizeeën met dit ritueel omgaan. Als godsdienst tot uiterlijk vertoon wordt, dan schiet het aan zijn doel voorbij. Dan worden riten en gebruiken die beogen vorm te geven aan geloof en leven tot een dodelijke en steriele beknotting.

Die Farizeeën beoogden iets goeds, ze wilden met hun eerbiedwaardige tradities het leven behoeden en de heiligheid ervan bewaken. Maar in hun ijver voor God en zijn heiligheid dreigden ze bijzaken tot hoofdzaken te maken. Dan worden vrome en uiterlijke gebruiken belangrijker dan het eerste gebod. Met gewassen handen aan tafel gaan, want eten is een heilig gebeuren, kaarsen aansteken, het is allemaal mooi en zinvol, maar als dan vervolgens de deur wordt gesloten en de arme en de vreemdeling niet aan de tafel van het leven worden toegelaten, dan is het vroom gedoe om niks.

Gij laat het gebod van God varen en houdt vast aan menselijke overlevering, is Jezus’ verwijt aan het adres van de farizeeën. En vermoedelijk kunnen we er in één adem aan toevoegen dat ook wij daarmee niet buiten schot blijven.

De kerk heeft evenals de Joodse geloofstraditie in de loop der eeuwen een menigvoud aan regels en wetten opgesteld. Zij beoogden het leven te dienen en vorm te geven aan onze christelijke identiteit. Maar wat als die uiterlijke vorm geen innerlijke binnenkant kent? Of wanneer de vorm zo belangrijk wordt dat er niet aan getornd mag worden, wanneer de tijden veranderen.

Maar hoe moeten wij dan het Schriftwoord uit de eerste lezing verstaan? Daar is toch sprake dat wij aan Gods wet niets mogen toevoegen en er niets van mogen afdoen. En Jezus herhaalt dat, wanneer hij zegt dat je geen haaltje of jota van de wet mag weglaten. Dat is toch klare taal.  Jawel, maar Jezus zelf is er het meest klare voorbeeld van dat een buitenkant, dat vrome gebruiken zonder binnenkant God niet eren en de mens niet dienen. Hij maakt van bijzaken geen hoofdzaken en omgekeerd. Hij zoekt hoe te leven vanuit het grote gebod dat wij God en de mens moeten beminnen.

Gods wet wil de mens de weg wijzen om de binnenkant van ons leven te zuiveren en te vormen naar Gods beeld, naar een authentieke zorg voor het leven, waar mensen elkaar dragen en dienen. En dan gaat het niet om uiterlijkheden en franjes, maar om de inzet van heel de mens. Dat is een grootse roeping, en zij is minder eenvoudig dan het lijkt, maar we mogen er niet van weglopen. Daarom ook kent de wet van Mozes zoveel wetten en regels. In de loop der tijd werd dat grote gebod van God- de Heer uw God beminnen en u naaste als uzelf- beluisterd en beklopt om te horen wat dat voor deze tijd, voor onze tijd betekent.

Menselijke overlevering en goddelijk gebod. Die twee leven niet zelden op gespannen voet. Ofwel verslijten wij voor goddelijk wat het niet is, maken wij van bijzaken hoofdzaken, ofwel zijn wij ons er niet van bewust dat we het belangrijkste vergeten.

Jezus zelf geeft vandaag in het evangelie te verstaan dat die buitenkant een façade kan zijn die een binnenkant verbergt die het daglicht niet kan verdragen. Ware godsdienst en mensendienst wordt geboren wanneer die binnenkant een bekering heeft doorgemaakt, wanneer ons hart gezuiverd wordt en wij belangeloos en met volharding beminnen zoals Jezus ons heeft voorgedaan.

Vanuit bepaalde kringen – en het zijn niet de minste- krijgt Paus Franciscus op het ogenblik zware kritiek. Men verwijt hem, en meer dan dat, dat hij zich te veel met politiek, milieu en migratie bezighoudt. Hij zou zich meer met geloofszaken en liturgie moeten bezighouden. De critici dienen het evangelie van vandaag nog eens goed te overwegen. En laten zij en wij het woord van de grote Dietrich Bonhoeffer ter harte nemen die ten tijde van de Jodenvervolging in het Nazirijk schreef: ‘Wie niet voor de joden opkomt, kan geen kerkliederen zingen.’

Echt evangelisch leven vraagt meer dan uiterlijke vroomheid. De apostel zegt het ons vandaag kort maar krachtig: ‘Zuivere en onbevlekte vroomheid in de ogen van onze God en Vader is dit: wezen en weduwen opzoeken in hun nood en zichzelf vrijwaren van de besmetting van de wereld.’ Dat betekent dus niet dat we ons afzijdig moeten houden van de wereld, integendeel, maar wij moeten die wereld beminnen met de liefde van Christus, Bidden wij te mogen onderscheiden waar het in het leven op aan komt en laat ons er dan naar leven met hart en ziel en al onze krachten. AMEN.

Abt Thijs Ketelaars

Bdhj22 2021 Dt. 4,1-2+6-8; Jak. 1,17-18+21b-22+27; Mc. 7,1-8.14-15.21-23

Preek 15 augustus 2021 Maria Tenhemelopneming

Dezer dagen schreef Mgr. de Korte bisschop van Den Bosch dat er in zijn bisdom momenteel helaas kerken worden gesloten, terwijl er tegelijkertijd meer Mariakapelletjes worden gebouwd dan er kerken sluiten. Wat zegt dat over Maria of misschien meer nog over de Maria vereerders? En in de pers verschenen er de afgelopen maanden ook veel aandacht voor het lijvige boek over Maria van de protestantse theoloog Arnold Huijgen. Daar werd in katholieke kring lovend en kritisch over gesproken, maar in bepaalde reformatorische kringen waren de reacties minder enthousiast. Wat zegt dat over Maria en wat zegt het over de lezers en critici van het boek?

Maria, ze staat klaarblijkelijk nog steeds in de belangstelling. Merkwaardig eigenlijk, want al ze iets niet heeft gezocht dan is het wel aandacht en verhalen in het nieuws. Dat ze nog steeds niet vergeten is, zegt vermoedelijk toch iets over haar, maar het zegt ook iets over ons die haar eren of minstens over haar spreken en schrijven.

Vandaag vieren wij de voltooiing van haar leven, gewoonlijk aangeduid onder de naam Maria-Hemelvaart. Maar de preciezen onder u weten dat Maria ten Hemelopneming een juistere titel is. Maakt dat nu echt verschil zal iemand vragen? Ja zeker, soms moet je op de kleintjes letten, want die kunnen het verschil maken. Zij is niet zelf naar de hemel opgevaren, maar is door haar zoon thuisgebracht, opgenomen in het huis van de Vader, die haar bereid had gevonden om moeder van het mens geworden woord te worden.

Maria ten Hemelopneming, het is in de Christelijke traditie al eeuwenlang afgebeeld en gevierd voordat het in de catholica in 1950 tot dogma werd verheven. Dat laatste schrikt tegenwoordig menigeen af, en is reden tot discussie en strijd. Maar kunnen we uit die impasse geraken? Wat is een dogma? Een dogma is geen waterdicht bewijs of een wetenschappelijke uitspraak. Het is een geloofsuitspraak en die heeft meer gemeen met een icoon of schilderij, een lied of gedicht dan met een objectief verslag. Als het gaat om zaken van het geloof is al ons spreken een vorm van verbeelding in de goede zin van het woord, een uitdrukking van het onzienlijke. Een icoon is geen foto, maar een schepping waarin de ziel van de persoon of gebeurtenis wordt bloot gelegd in het licht van God. Het is dus geen steen om je aan te stoten, maar een venster op de eeuwigheid. Een dogma is geen eindpunt, maar een perspectief in de diepte. Je zou ook kunnen zeggen, het is een stok om te gaan en niet een stok om te slaan. En een stok is een hulpmiddel bij het gaan van de weg. Een dogma is zo’n hulpmiddel, het wijst de richting aan om het doel te bereiken. Een dogma geeft zicht als we het tenminste in het juiste licht lezen.

Maria ten Hemelopneming, het is de afsluiting, de voltooiing van een leven.  Het begon allemaal met een aanzoek uit den hoge, een klop op de deur van het hart en nog voor ze goed besefte waar ze ja op zei, gaf Maria zich gewonnen. Dat moment wordt veelal afgebeeld, terwijl Maria de Schrift leest of aan het bidden is. Dat woord uit den hoge kwam bij haar binnen als een persoonlijk aanzoek. Het bleek bezield met de adem van de Geest en het vroeg om een plaats te bieden aan het leven zoals God het in zijn puurste vorm wilde geven. Zij zei ja en begon aan een reis waarvan ze nog niet vermoedde waarheen die haar voeren zou. En wat voor haar gold, geldt voor ons allen. Wij weten niet wat ons te wachten staat, maar we worden als Maria uitgenodigd er ja op te zeggen en de weg met al zijn obstakels met geloof en vertrouwen te gaan.

Maria ten Hemelopneming. Het werd een lange weg en op de weinige plekken waar we haar aantreffen in de Schrift zien we haar pleiten bij haar zoon, we zien haar ook met vragen en zorgen over diens weg en tenslotte staat ze onder het kruis als een moeder die haar zoon niet afvalt, ook al is dat kruis ook voor haar een pikdonker gebeuren. En het laatst zien wij haar in de kring van de leerlingen, met wie ze na de verrijzenis samen in gebed is. Op de iconen zit ze in het midden van de kring als een kloek die haar kuikens om zich heeft verzameld. Daar deed ze wat haar zoon tijdens zijn leven had gedaan: mensen samenbrengen en samenhouden in geloof en vertrouwen. En al de rest van haar leven moeten we tussen de regels door lezen. Maar ook dat wit spreekt een taal. Want in die verzwegen tekst ontmoeten we haar als de vrouw die op de achtergrond bleef, die haar leven helemaal in dienst stelde van haar zoon. Hij moest groter worden, zij noemde zichzelf enkel een dienares. Nee, dat betekent niet dat de vrouw op het tweede plan komt of niet voor een toppositie mag gaan. Zij bereikte haar top, haar unieke plaats, door haar eigen roeping te vervullen. En dan maakt het niet uit of je huismoeder bent of directrice. Zij wist zich geroepen om te dienen en niet om gediend te worden. Dat had ze van haar zoon of had hij het van haar? Of hadden ze het allebei door te luisteren naar de Geest die leven geeft?

Een leven lang heeft ze gediend, met hart en ziel en met lijf en leden. Haar schoot en haar hart werden een thuis voor het leven. Jezus heeft zij gedragen, gevoed en gevolgd tot aan het einde. Met hart en ziel, met lijf en leden.

Maria ten Hemelopneming. Van deze moeder belijden wij dat ze met hart en ziel, met lijf en leden in Gods Heerlijkheid is opgenomen. Kan het anders? Heeft niet de zoon die zij heeft gedragen, gezegd: ‘waar ik ben zal ook mijn dienaar zijn.’  Zou zij dan niet als eerste dat woord in vervulling hebben zien gaan?

Maria, moeder van Jezus, moeder van de kerk, moeder van allen die geroepen zijn de zoon te volgen. Moge haar geloof en toewijding ons bezielen en bemoedigen. Dat wij het leven dienen zoals zij het heeft gedaan en allen worden thuisgebracht in de vreugde die geen einde kent. AMEN.

Abt Thijs Ketelaars

Apok. 11,19a; 12,1. 2-6a.10ab; 1Kor. 15,20-26; Lc. 1,39-56

 

 

 

Preek 8 augustus 2021

Het zal je maar overkomen, broeders en zusters, dat je het niet meer ziet zitten, dat het allemaal te veel is, en het er voor jou niet meer toe doet. Zoiets horen we vandaag in de eerste lezing en dat nog wel uit de mond van een profeet. Hij blijkt dus ook een mens van vlees en bloed te zijn.

En daar blijft het niet bij. In het evangelie horen we de mensen uit Jezus’ omgeving morren. Ook zij hebben commentaar op het leven zoals het is. Het stelt volgens hen niets voor, het zou anders moeten.

Maar laten we een ogenblik terugkeren naar Elia, die diep in de put zit en voor wie het allemaal niet meer hoeft. Hij heeft als een leeuw gevochten voor de Heer. Op leven en dood heeft hij met de profeten van Baäl gestreden en ze tenslotte allen laten ombrengen in zijn ijver voor de Heer. Vuur uit de hemel heeft hij afgebeden, maar wat heeft het gebaat? En nu is hij op de vlucht. Hij moet rennen voor zijn leven om te voorkomen dat koningin Isebel hem ombrengt.

En daar in de woestijn, de plek waar hij zich verbergt, valt de leegte op hem. Wat heeft hij gedaan en waarvoor diende het allemaal? Had God hem in de steek gelaten? Want het resultaat van al zijn ijver was niet wat hij had verwacht. Het leven is anders gelopen. Wat heeft het nog voor zin verder te gaan met alle moeite en pijn? En waarvoor? Het is genoeg, hij wil alleen nog maar dood en legt zich onder een bremstruik neer.

We herkennen het, want het leven loopt niet zelden anders dan we hadden verwacht of verhoopt. Dromen en plannen spatten uiteen. Denk maar aan covid. En dan, wat dan?  Morren, het voor gezien houden, eruit stappen? Of is er toch nog een andere weg?

Elia gelooft er niet meer in. Is er een andere mogelijkheid? Is er een andere weg? Het leven is soms heel zwart en onherbergzaam, maar heb je niet toch nog een keuze? Denk nog maar eens aan het levensverhaal van Edith Eger, die haar autobiografie schreef onder de titel ‘de keuze’.  En als zij die had in Auschwitz, wie dan niet? Nee, het leven is niet gemakkelijk, maar kies je voor de dood of kies je voor het leven? Elia wordt in zijn slaap aangestoten door een engel: ‘Sta op en eet’, zegt hij tot tweemaal toe. Elia moet echt aangepord worden, over het dode punt heen worden geholpen. ‘Sta op en eet’, hem werd het brood voor de tocht aangeboden. Maar neem je het aan, wanneer een engel onverwacht op je pad verschijnt en je uit de impasse wil halen? Een engel die je zwarte droom binnenkomt of een engel die je op een eenzame weg met een bemoedigend woord, een beker koud water of een bete broods op de been wil helpen?

Elia komt overeind en eet, maar aarzelt nog. Hij legt zich weer neer, en nogmaals moet hij aangespoord worden. ‘Leven en dood houd ik u voor, kies dan het leven’, wordt Elia en ons in de Schrift aangezegd. Wordt daarmee alle pijn en leed opgelost? Nee, maar God is groter dan ons hart, groter dan onze dromen en groter dan onze angsten. Hij geeft het leven en gaat mee. Als het moet loopt hij mee tot in de nacht zoals bij die gedesillusioneerde Emmaüsgangers die het leven ook de rug toekeerden.

Die nacht van Elia, leek hij misschien ook niet op die nacht waarin Jacob met een engel streed en gehavend maar met een nieuwe naam zijn levensreis verder zette en een toekomst kreeg. Elia, hij at en stond op, gesterkt door dat engelenbrood liep hij veertig dagen en nachten aan één stuk. Levenslang dus, tot aan de berg waar hij God ontmoeten mocht in de stille bries, de adem van het leven.

En dan het evangelie. Het lijkt er minder dramatisch toe te gaan als in het verhaal van Elia. Maar schijn kan nog wel eens bedriegen. Voor de Joden met wie Jezus in gesprek is, is het leven al even grijs als voor Elia. Zij hebben geen oog voor wat hun in Jezus wordt aangeboden. Wat stelt die man voor? Wat voor pretenties heeft die eigenlijk. Het is gewoon een jongen uit de buurt. Hoe haalt hij het in zijn hoofd zichzelf voor brood uit de hemel uit te geven?

Heel menselijke praat, misschien zelfs al te menselijk. Want wie zich niet meer verrassen laat, wie geen oren meer heeft voor het woord dat je ten leven roept midden in de crisis of midden in het alledaags bestaan met zijn grijze kleur, wat blijft er dan nog over?

Midden onder ons staat hij die gij niet kent. Jezus verschijnt onder ons in alle menselijkheid, zo en niet anders. Maar hij geeft zich als brood uit de hemel, als Gods scheppend woord dat leven geeft en leven gunt. Een spijs die midden in de nacht van het leven, in het duister van de woestijn en in de grijze alledaagsheid ons voedt en laat proeven dat we niet voor de dood zijn geschapen, maar voor een bestaan dat smaakt naar leven sterker dan de dood, naar Gods liefde, brood uit de hemel.

Aan de tafel van de eucharistie deelt hij met ons dat brood. Iedereen nodigt hij uit, want God wil dat allen eten en toegerust zijn voor de lange weg van het leven. Wij ontvangen brood uit de hemel, het lichaam van Christus om zelf etend lichaam van Christus te worden, brood en voedsel voor elkaar.

Wij eten aan de tafel van de Heer om op te staan als nieuwe mensen, met de pelgrimsweg in het hart. Van kracht tot kracht gaan wij voort, met Hem in ons midden als brood van eeuwig leven. Laat ons zo samen de weg gaan ten bate van het leven van de wereld. AMEN.

At Thijs Ketelaars

Bdhj19 2021 1Kon. 19,4-8; Ef.4,30-5,2; Joh. 6,41-51

Preek bij Feest van de transfiguratie van de Heer, kleine professie br. Geerard Labeur

Feesten zijn er in soorten, zowel in het profane als in het kerkelijke leven. In de burgerlijke maatschappij krijgt een bruiloft meer stippen dan een verjaardagspartijtje of het slagen voor een examen. En Pasen en Pinksteren staan in de kerk hoger op de schaal dan de doop van Jezus of de aankondiging van de Heer.

Het feest van vandaag moet het op de liturgische kalender stellen met de aanduiding derde orde. Je hoeft geen kenner te zijn om te vermoeden dat het niet het niveau heeft van de gouden medaille. Het staat een paar trappen lager.

Maar die categorieën en trappen zijn allemaal mensenwerk en doen niet altijd recht aan de werkelijkheid. Het feest van de gedaanteverandering van de Heer brengt een heel bijzonder moment in het leven van Jezus in beeld. Niet voor niets komt het verhaal in drie van de vier evangelies voor.

In de Oosters orthodoxe kerken behoort het zelfs tot de hoogfeesten. Op de berg Athos gaat het zelfs gepaard met een wake die de hele nacht duurt. De monniken zien in de transfiguratie van de Heer als in een spiegel. Heel hun ascese is er op gericht deel te mogen krijgen aan die herschepping, aan die gestalte van de nieuwe mens, bevrijd van alle duisternis en dood.

En nu wij vandaag getuigen mogen zijn van de tijdelijke professie van broeder Gerard Labeur, worden wij uitgenodigd die stap op het monastieke pad te bezien in het licht van dit feest.

Gedaanteverandering van de Heer heet het feest op de Nederlandstalige liturgische kalender. We zien Jezus daarboven op de berg van gedaante veranderen. Heel zijn persoon komt in een schitterend licht te staan, wordt Licht. Licht van Licht.

Marcus vertelt ons wanneer het precies gebeurde en die context moeten we niet uit het oog verliezen. Anders zien we het gebeuren misschien in het verkeerde licht en trekken we verkeerde conclusies.

Zes dagen later nam Jezus Petrus en Jacobus en Johannes met zich mee en leidde hen een hoge berg op. Wat is er die zes dagen daarvoor dan wel gebeurd, dat die hier zo uitdrukkelijk genoemd worden? Toen vond er een gesprek van Jezus met de leerlingen plaats, waarbij hij hun de vraag stelde wat er onder de mensen zo al over hem werd verteld, wie was hij? Die vraag diende als een opstap zoals dat wel vaker in een gesprek het geval is. Je wilt niet direct met de deur in huis vallen. Maar daarop volgde de vraag: ’ En jullie, wie zeggen jullie dat ik ben?’ Petrus, haantje de voorste had daarop het antwoord gegeven: ‘U bent de Christus.’ Dat was een perfecte geloofsbelijdenis. Maar what is in a name? Uit het vervolg bleek dat Petrus en Jezus daar een heel andere inhoud aan gaven. En het liep uit op een confrontatie zoals er geen andere in het evangelie voorkomt. Zo ging dat toen en zo gaat het ook nu nog wel eens, als we het over de inhoud van ons geloof hebben. Petrus droomde van een Christus zonder kruis, van een Messias zonder strijd en pijn. En Jezus hielp hem uit de droom, maar Petrus had het er moeilijk mee, en we mogen er misschien aan toevoegen: wie niet? Niemand van ons zit op het lijden te wachten. Dat geldt trouwens ook voor Jezus. Maar die had gaandeweg in zijn leven en in het stille gebed dat hij vaak in de nacht verrichtte, voorvoeld en ontdekt, dat trouw aan het leven, trouw aan Gods Naam, trouw aan Gods koninkrijk, je voor een vuurproef stelt. Tegenkanting, lijden en de dood aanvaarden als dat de enige mogelijkheid is om trouw te blijven aan je roeping, aan je bestemming en aan die nieuwe hemel en nieuwe aarde.

Petrus en zijn medeleerlingen hadden nog een hele weg te gaan vooraleer ze bij machte waren ja te zeggen op die weg.

En dan neemt Jezus Petrus, Jakobus en Johannes zes dagen later mee op een hoge berg. De berg, dat is in de Schrift meer dan een louter geografische aanduiding. Dat is de plek waar God zich, ver van het rumoer van alledag, laat ontmoeten. We gaan de hoogte op en we verkeren in de ijle lucht, waar het leven zich anders vertoont. En daar, zo hoorden we in het evangelie, werd Jezus van gedaante veranderd. Let wel, dat was geen show die door hem werd opgevoerd. Wij worden hier op de hoogte deelgenoot van een moment in Jezus’ leven waar dood en duisternis geen greep meer op hem hebben. Hij wordt in licht gekleed, opgenomen in de heerlijkheid van de Vader.  Zo verschijnt hij op de berg aan de leerlingen, omdat hij de dood innerlijk heeft aanvaard en door niets of niemand meer wordt gebonden om zich in liefde te geven, trouw aan de weg.

En Mozes en Elia, de representanten van wet en profeten omgeven hem. Zij zijn met Jezus in gesprek en waar zou dat anders over gaan dan over de weg die hij te gaan heeft? Zij hebben er weet van, uit eigen ervaring. En het is met hun woord als kompas dat Jezus de weg gaat.

Maar de vrienden die zijn meegenomen de berg op, om hen te sterken, worden door het gebeuren overrompeld en Petrus, ook hier weer haantje de voorste, slaat ook hier de plank mis. Bouwen van tenten is hier niet aan de orde, maar eerder het leren kijken en ervaren wat de weg is naar het licht.

Monniken hebben de eeuwen door een zwak gehad voor deze episode uit het evangelie. Van hen mag dit feest vier sterren krijgen. Want zij herkennen er hun eigen verlangen in om herboren te worden tot Paasmensen, de dood voorbij.

Maar eer het zover is, is er een hele weg te gaan. In het spoor van Jezus zijn wij dagelijks in gesprek met Mozes en Elia, met wet en profeten, en oefenen wij ons tijdens de lectio om het woord te horen dat ons deze dag oproept om op te staan en de weg van het leven te gaan. Een weg van loslaten en achterlaten, van zich niet vastklampen en niet vastgrijpen, maar afleggen wat ten dode is om bekleed te worden met de mantel van Licht en zo met een gezuiverd hart in onze oude wereld een teken van hoop te zijn, een nieuw begin van leven. Amen.

Abt Thijs Ketelaars

Dan. 7,9-10+13-14; 2Petr. 1,16-19; Mc. 9,2-10

Preek 1 augustus 2021

Het Johannesevangelie vermeldt de instelling van de eucharistie niet in de beschrijving van Jezus’ laatste samenzijn met de leerlingen de avond voor zijn lijden. Maar centraal en uitgebreid krijgt de broodrede een grote plaats in het optreden van Jezus, zijn zelfopenbaring aan zijn tijdgenoten.

De mensen zijn enthousiast, zij zoeken Hem op, lopen Hem na, en stellen hun vragen. Maar wat en wie zoeken zij precies? Jezus ontmaskert hun motieven, niet om hen beschaamd te zetten, maar om hen dieper te doen verstaan, Hij wil en zoekt hen naar een dieper niveau te leiden. Het gaat niet om brood dat even de honger stilt; het gaat om levend Brood, dat voedsel is om blijvend te leven, het gaat om brood uit de hemel waarvan het manna dat de Joden bij hun uittocht uit Egypte ontvingen in de woestijn, een voorsmaak en een voorafbeelding is. De mensen die Jezus achterna zijn gekomen willen méér brood, wensen een herhaling van het broodwonder dat zij de vorige dag hebben meegemaakt. Jezus zoekt begrip voor de zending die de Vader Hem gegeven heeft. Dat Hij gekomen is om ons uit te nodigen tot persoonsgemeenschap met Hem in wie de menslievendheid van God lichamelijk aanwezig is. Door geloof in zijn Persoon brengt Hij een nieuwe gemeenschap tot stand, waarin Hij zich helemaal aan ons geeft en ons leven een onvermoede wonderbaarlijke volheid geeft.

Afgelopen week was het vijf jaar geleden dat in de buurt van Rouen de 85-jarige priester Jacques Hamel door twee doorgeslagen extremistische jongeren de keel werd doorgesneden terwijl hij de Mis vierde. Het drama schokte Frankrijk en velen daarbuiten, zeker ook uit de Islamitische wereld die daardoor het stempel van barbarij opgedrukt kreeg. Wij christenen vergeten dan maar al te gemakkelijk wat in naam van onze godsdienst door ontregelde lieden is gebeurd. De tien jaar jongere, maar dus ook niet meer zo jonge zus, logeerde juist bij haar broer en was door het gebeuren hevig ontdaan. Met de hulp van een andere dame heeft zij haar herinneringen aan haar broer te boek gesteld, en Adveniat heeft een vertaling verzorgd. Wij krijgen een inkijk in het leven van een eenvoudige Franse dorpspastoor, zonder franje. Een gebroken gezin, een moeilijk levende vader die zijn zoon wel naar het klein seminarie wil laten gaan omdat hij daar een goede vorming krijgt, maar allerminst enthousiast is als de jongen echt roeping blijkt te hebben en doorzet om priester te worden. Bij de wijding kijkt de moeder, verborgen achter een pilaar toe.

Abbé Jacques dient op vele plaatsen, Hij moet ook legerdienst doen, en komt als soldaat in Algerije. Met een konvooi rijden zij in een hinderlaag waarbij al zijn kameraden sneuvelen en hij als enige erdoor komt. Heel zijn verdere leven heeft hij zich afgevraagd wat daarvan de bedoeling zou kunnen zijn? Ook na zijn 75e blijft hij in functie en met toewijding en overgave. Hij heeft een bescheiden en zeer vredelievend karakter, maar de koster vertelt de zus dat hij ook heel opvliegend kan zijn. Zij heeft hem zo nooit meegemaakt en wil het niet geloven. De koster zegt dan tegen de pastoor: Monsieur l ’abbé, ik zie dat in de kelk nog wat kruimels zijn: wat zal ik ermee doen? Het gezicht van de priester betrekt en hij schiet uit zijn slof: “weet je niet dat het niet gaat om broodkruimels maar om het Allerheiligst Lichaam van onze Verlosser?” De eucharistie was het voedsel van zijn leven.

Daarom vertel ik hier zijn verhaal: een leven lang heeft hij dagelijks echt geleefd vanuit de eucharistie, intiem verbonden met de Heer. Als kerkelijk bedienaar voelde hij zich ook innig verbonden met zijn diocees en respecteerde hij de kerkelijke overheid. In een tijd waarin wij zoveel schandalen te verwerken krijgen van mensen die de kerk een slechte naam bezorgen is hij een voorbeeld dat laat zien hoe de kerkelijke roeping mensen ook met elkaar en met het leven kan verzoenen, en hun menselijke waardigheid in het licht stelt.

Abbé Hamel had grote devotie voor Charles de Foucauld en voor de trappisten van Tibirhine die als martelaren stierven uit liefde voor Christus en voor hun Islamitische vrienden. Het is niet waarschijnlijk dat hij er ooit aan heeft gedacht dat hem iets dergelijks zou overkomen. Zijn vreselijk einde stelt in het licht dat er nog altijd veel verborgen heiligheid is in de kerk, en dat de eucharistie een schat is die ons geestelijk leven heiligt en voedt en ons met onze medemensen verbindt in oprechte broederlijkheid. Daarvoor mogen wij dankbaar zijn. Laat ons dat vieren in deze eucharistie.

br. Gerard Mathijsen

Zondag 18 dhj B 1 augustus 2021-07-25 Ex. 16,2-4+12-15; Ef. 4, 17-+20-24; Joh. 6, 24-35.

Preek 25 juli 2021

Covid of niet, het is voor velen vakantie en mensen doen dan gewoonlijk iets anders. Het lijkt erop dat de liturgie daaraan meedoet. De lezingen uit het Marcus’ evangelie worden opgeschort en de komende vijf weken krijgen we elke zondag een gedeelte uit het zesde hoofdstuk van Johannes voorgeschoteld.
Dat verhaal over de wonderbaarlijke spijziging krijgt in dit covid jaar wel een heel bijzondere kleur. We hebben al meer dan een jaar niet met zijn allen aan tafel kunnen gaan bij de Heer.
Dat gemis heeft ons in een tijd waar het individualisme hoogtij viert, laten ontdekken wat menselijk contact, wat gemeenschap in een mensenleven doet. Een ontdekking die voortkwam uit gemis. Het was immers niet toegestaan in grote groepen bijeen te komen, je kon zelfs je familie niet uitnodigen voor een feestelijke dis. We voelden aan den lijve dat het leven verschraalde en verarmde. Ontmoetingen via ZOOM waren een surrogaat dat dankbaar werd geaccepteerd, maar het kan toch niet de plaats innemen van een handdruk en een kus in levende lijve. Om nog maar te zwijgen van een virtuele dis.

Dat schrijnende gemis liet ons voelen hoe wezenlijk gemeenschap en lijfelijk contact is voor een echt menselijk bestaan. Hoe samen eten, dat o zo menselijk gebeuren met tastzin en reukorgaan, met smaakpapillen en handen geven kleur en smaak geeft aan het leven.
Het is dan ook geen toeval wanneer we in de Schrift zoveel verhalen tegenkomen over eten en feestvieren. Dat geldt voor beide delen van de Schrift. Gods koninkrijk is een feestmaal waarbij de dis rijkelijk is gevuld en de vreugde van mond tot mond gaat.

Het verhaal van de wonderbaarlijke spijziging, dat wij zojuist gehoord hebben, komt liefst zes keer voor in de evangelies. De jonge kerk heeft blijkbaar in dat gebeuren iets wezenlijks herkend van het doen en laten van Jezus, van Gods omgang met de mens.
We hoorden hoe een grote menigte Jezus was gevolgd en nu is het etenstijd. Wat te doen? In het evangelie dat zojuist werd gelezen, legt Jezus aan Filippus de vraag voor: ‘Hoe moeten we brood voor al die mensen kopen?’ Bij Markus kent het verhaal deels een ander verloop. Daar zijn het de leerlingen die het initiatief nemen, maar dan wel met een heel andere insteek. Zij willen dat Jezus de mensen wegstuurt, zodat elk voor zichzelf in de gehuchten en dorpen in de buurt eten gaat kopen. Maar Jezus heeft daar geen oren naar. ‘Ieder voor zich en God voor ons allen’, is geen parool dat bij Jezus’ leven past. Als God er voor allen is, dan hoort daar ook bij ‘en wij samen voor ons allen.’ Dat is een fundamenteel gegeven in de Schrift. God mag dan soms met een eenling beginnen, maar die krijgt dan juist een specifieke opdracht in de opbouw van een gemeenschap, een volk. Wij zijn geen losse individuen in Gods oog, maar ledenmaten van een lichaam, waar ieder zijn eigen plek en taak heeft. Wij zijn niet geschapen om als een Robinson Crusoë alleen op een eiland te leven, maar om de vreugde te smaken van een gedeeld bestaan. Gods koninkrijk is er niet voor eenlingen, maar voor mensen die samen de pelgrimsweg gaan. Een weg evenwel waar het wantrouwen, het ongeloof en de hebzucht steeds weer op de loer liggen. Er mocht immers eens niet genoeg zijn voor allen. En dan dreigt dat kwetsbare weefsel van onze gemeenschap, dat netwerk dat enkel goed kan functioneren als alle verbindingen zijn aangesloten, zijn samenhang te verliezen.

De leerlingen in het evangelie weten niet beter dan Jezus voor te rekenen wat dat onderhouden van die gemeenschap wel niet kost. Maar tellen en aftrekken, economie, is nog nooit in staat gebleken een gemeenschap, dat fragiele weefsel in stand te houden. Zeker, geld is van belang, maar als er geen ziel en geest bij komt kijken, is zo’n kwetsbaar verband ten dode opgeschreven, meer nog, het zal nooit worden opgebouwd en tot leven komen.
Jezus geeft blijk van een heel andere benadering als het gaat om de gemeenschap van mensen. Gods koninkrijk kent een andere filosofie. Hij stuurt ze niet naar de dorpen in de omtrek en hij begint ook niet met tellen. Samen uit, samen thuis. Samen luisteren naar het woord van God, dan ook samen aan de tafel van God, de dis door hem bereid. Zo en niet anders.
Die gemeenschap wordt gevoed en opgebouwd met wat er voor handen is. Zo ging dat toch in de jonge kerk zoals we in het boek van de Handelingen lezen. Alles werd bij elkaar gelegd en naar ieders behoefte werd ervan uitgedeeld. Zo ook vandaag, in het evangelie wordt bijeengebracht wat er was en dat werd gedeeld. Zo begonnen ze, en tot hun verbazing bleek het genoeg voor allen en bleef er nog over. Waar zonder berekening wordt gedeeld, blijken wonderen te geschieden. Waar mensen zichzelf geven, wordt de dis niet schraler maar voller. Het leven krijgt er een andere smaak en kleur.

Vandaag horen we hoe Jezus uitdeelt wat is samengebracht. Hij reikt het uit na het dankgebed te hebben gesproken. Daarmee zijn wij ver verwijderd van het economisch model. Wie dankt is zelf met hart en ziel, met heel zijn wezen betrokken in wat hij doet en geeft. Daar verliest het leven zijn vanzelfsprekendheid, maar ook zijn maakbaarheid, daar wordt gebouwd op een ander fundament. Dat van de gave en verwondering, van de kwetsbaarheid en het vertrouwen.

Wij lezen vandaag een verhaal over de opbouw van een nieuwe gemeenschap en we kijken in een spiegel. Ons wordt een beeld voorgehouden van hoe het leven eruitziet, wanneer je de blik van het rekenen en wegsturen verruilt voor de blik van het vertrouwen en het verbinden. Het is de blik van God zelf die wij in Jezus aan het werk zien.
Hij ziet met vertrouwen en verwondering waartoe wij als mensen geroepen zijn. En met de inzet van heel zijn bestaan geeft hij er zich aan, geeft hij zichzelf en verzamelt onze schamelheid opdat wij zouden geloven dat het mogelijk is, met hem in ons midden. AMEN.

Abt Thijs Ketelaars
Bdhj17 2021 Joh 6,1-15

Preek 18 juli 2021

In deze vakantietijd is het fijn een passage uit het leven van Jezus te horen waarin Hij zijn volgelingen ook uitnodigt voor een “dagje uit”. Helaas valt de voorgenomen picknick in het water, of liever, zoals wij volgende week uit het vierde evangelie zullen horen, loopt het uit de hand, en vraagt dit uitje extra inspanning van de leerlingen.

De evangeliepericope van deze zondag vertelt ons van de omgang tussen de Heer en zijn apostelen. “Apostelen”: het is de enige keer dat Marcus de twaalf aanduidt met die term.  Tevoren had hij dan ook uitdrukkelijk vermeld dat Jezus begon hen twee aan twee uit te zenden (ηρξατο αποστελλειν) om te prediken en hen daarbij de macht gaf over onreine geesten. Zo waren zij in staat zelf wonderen te verrichten, en hun optreden had veel mensen aangetrokken. Zij komen dan enthousiast, en uiteraard ook flink vermoeid, bij de Heer verslag uitbrengen over wat zij gedaan en onderwezen hebben. Dat heeft ongetwijfeld beantwoord aan hun zendingsopdracht: zij hebben verkondigd dat het Rijk der hemelen nabij was, en hun woorden bekrachtigd door zieken te genezen en demonen uit te drijven. Hun succes heeft als gevolg dat veel mensen hen blijven volgen en hen zo handen vol werk geven. Iedereen wil genezen worden, en wie lijdt niet onder een kwaal of ongemak? Er waren daar heel wat mensen met klachten, gebreken en allerhande kwalen, en zij kwamen in groten getale achter de apostelen aan. Het was rond de Heer een gedrang van jewelste. Voor de twaalf betekende dat hard werken. Want door Jezus te zijn uitgekozen was natuurlijk eervol en spannend, maar het vroeg grote inzet. Als Hij straks het wonder van de broodvermenigvuldiging voltrekt, waarbij 5000 mannen worden gevoed, vrouwen en kinderen niet meegerekend, -maar die zullen waarschijnlijk nog talrijker zijn geweest-, reken maar dat het voor de apostelen een gigantisch karwei is geweest dat voedsel uit te delen, en vervolgens de overgebleven brokken te verzamelen. Daar zou tegenwoordig geen horecamedewerker aan beginnen. Het is dan ook goed te begrijpen dat de Heer zorg heeft voor zijn trouwe medewerkers, en hen na hun eerste missietocht wat rust gunt, een korte vakantie. “Kom naar een stille plek en rust wat uit.” Hij toont zich een goede herder voor zijn volgelingen. Hij gunt ze vrede, uitwendig en inwendig. Maar kijk, ook voor Jezus gaan de dingen niet zoals Hij had voorzien. De menigte voelt aan waarheen het bootje van Jezus zal koersen, en te voet langs de oever van het meer komen zij op de bestemde plek, nog voor de apostelen, roeiend of zeilend zijn overgevaren. “De velden staan wit van de oogst” dat wist Jezus. Soms oogstte Hij alleen maar ongeloof op plaatsen waar Hij zoveel goeds had gedaan en wonderen verricht, maar ook kon het gebeuren dat Hij volkomen onverwacht een heel groot geloof ontmoette. Hoe dikwijls hebben we het niet gehoord: b.v. bij een heidense honderdman, of bij de vrouw die aan bloedvloeiing leed. Als Jezus zo’n geloof aantreft, dan kan het onverwachte gebeuren, dan blijkt het onmogelijke mogelijk. Hij laat zich overwinnen, geeft zijn onderricht, en het loopt uit op die wonderbare broodvermenigvuldiging waarover wij komende zondag zullen horen. Hij geeft zich in het gebroken brood, Hij deelt zijn eigen leven met wie in Hem gelooft, toen en nu. En Hij doet meer dan het lichaam voeden, Hij voedt onze ziel. Hij doodt de vijandschap en sticht vrede, hoorden we Paulus zeggen. Aan zijn apostelen had Hij de macht gegeven over de onreine geesten.

De oude monniken hebben daarover veel nagedacht. Zij zagen het als hun opgave bij uitstek om die strijd aan te gaan, in de Naam van Jezus en uit kracht van die Naam. En zij hebben de uitwerking van de invloed van de boze geesten beschreven, en ook de wapens om zich er tegen te verweren. We kunnen het vreemd vinden dat in de evangelies zo serieus wordt gesproken over bezetenheid en boze geesten. Wat een primitieve ideeën! Maar die geesten werken in mensen van alle tijden.  De oude monniken hebben daar met veel psychologisch inzicht over geschreven. Die boze geesten huizen in het hart van de mens, en wat zij uitwerken zijn bewegingen in ons gemoed die ons gedrag beïnvloeden. Die foute inblazingen die onze vrede verstoren en ons van het rechte pad brengen benoemen zij in acht afwijkingen van een mooi leven: gulzigheid, lust, hebzucht, droefheid/depressie, toorn/opvliegendheid, lusteloosheid, opgeblazenheid/schone schijn, en – ergste van allemaal: hoogmoed, verwaandheid.

Dat zijn de bekoringen van de mensen in alle tijden. Wij herkennen ze gemakkelijk. Zij leven ook vandaag in het hart van de mensen, verstoren onze gemoedsrust en worden aangeblazen in de samenleving door alle media, in films en kranten, T.V. en internet, kortom in communicatiemiddelen die in dienst kunnen staan van wat mooi, waar en goed is, maar zo gemakkelijk ons de verkeerde kant optrekken.

Jezus is de goede herder die bekwaam is om ons te leiden langs wegen van gerechtigheid en eerlijkheid. Hij sticht vrede en verzoening, verzoening die begint met ons zelf, dat wij ons zelf accepteren, met onze grenzen en onmogelijkheden, en ons aanzet om ons in dienst te stellen van de mensen om ons heen; Hij verzoent mensen met elkaar, brengt ons samen in heilzame verbondenheid, en voert ons naar onze bestemming in Gods eeuwigheid. Onze wereldwijde samenleving is nog ver verwijderd van deze eenheid, van dit ideaal, leeft nog in vijandigheid en wantrouwen, wordt nog beheerst door die kwade hartstochten.

Tegelijk is er het werken van de goede geest. Ook dat zien wij nu, in de solidariteit met slachtoffers van de overstromingen, in het meeleven bij de aanslag op Peter R. de Vries, in zoveel menselijke goedheid die deugd doet en het leven kleur geeft.

Laten wij als kleine gemeenschap hier rond het altaar samen bidden voor heel die wereld, om uitkomst voor de grote problemen van onze samenleving, en innerlijke genezing en heling, dat er vrede mag komen in ons hart, in de kring van onze eigen leefwereld en in de grote wereld dat de verbondenheid groeit en wij leren erkennen dat wij één familie zijn, in Christus onze Heer.

Br. Gerard Mathijsen

Zondag 16 dhj B   Jer. 23, 1-6, Ef. 2, 13-18; Mc.6, 30-34

 

Preek bij Hoogfeest van Benedictus 12 juli 2021

Neig het oor van je hart

De heilige Benedictus die wij vandaag vieren is niet alleen vader van monniken, maar ook patroon van Europa. Als vader van monniken vieren wij hem gewoonlijk op 21 maart, en als patroon van Europa staat hij vandaag op de kalender. Vandaag, op een zondag en dat komt niet zo vaak voor. Toch past het hem dat, want wie het leven van Benedictus leest, kan tot de ontdekking komen dat zijn leven een icoon is van de wedergeboorte, een icoon van de nieuwe mens.

Tot die geboorte van de nieuwe mens zijn wij allen geroepen, monniken die onder zijn regel leven en allen die in de leerschool van het evangelie buiten het klooster hun weg gaan. Want alleen zo kan dat Europa waarvan Benedictus de patroon is, zijn ware bestemming vinden, hervinden. Niet een continent waar men elkaar naar het leven staat of de gastvrijheid inlevert voor hoge muren, maar een huis waar vrede boven de deur staat en mensen welkom worden geheten als Christus zelf.

Nieuwe mensen worden, herboren uit de Geest.  Maar hoe doe je dat? Hoe word je een opstandings-mens?

Daarvoor kunnen we bij verschillende bronnen terecht, maar vandaag is het een goed moment om te rade te gaan bij de man die zelf die weg van ommekeer en vernieuwing is gegaan. Wanneer we naar Benedictus willen luisteren, krijgen we geen theoretisch onderwijs, maar horen we iemand die op grond van eigen ervaring ons de weg wijst.

Er is de regel en er is zijn leven. Dat levensverhaal is van de hand van paus Gregorius, maar de regel is uit Benedictus eigen pen gevloeid. Die regel schrijft hij voor volgelingen, voor leerlingen die de weg willen gaan die hijzelf heeft afgelegd. En daarmee tekent hij dus ook een soort zelfportret.

Die regel is een wegwijzer, een kaart die de sporen vertoont van een veelvuldig gebruik, want het levenspad loopt soms door woestijn en bergachtig terrein en dan moet je goed bij de les blijven.

Benedictus wist daar over mee te praten. Je leest het tussen het wit van zijn regel en wie daar niet genoeg aan heeft, kan in het levensverhaal van Gregorius lezen dat het geen gemakkelijke weg voor hem is geweest. Maar hij heeft de tocht volbracht en wat hij ons voorhoudt in de regel, zien we in zijn eigen leven vervuld. Hij is een man geworden met een verruimd hart,[1] Hij zag op het einde van zijn leven heel de wereld in Gods heldere licht.[2]

Nu wij aan de beurt zijn om de weg van het leven te gaan, slaan wij zijn regel open en het eerste dat Benedictus ons aanreikt, is een woord dat rechtstreeks uit de Schrift komt: “Luister mijn zoon”, zo begint de proloog en dat wordt nog eens herhaald in die mooie uitdrukking “neig het oor van je hart’.

Wat is het leven zonder dat woord: luisteren, het oor van je hart neigen?

Hoe lang geleden ook geschreven, er is geen woord in onze mensengeschiedenis dat fundamenteler is dan dat. Misschien zult u zeggen: gaat het woord niet aan het luisteren vooraf? Begint de apostel Johannes zijn evangelie niet met: in het begin was het woord, en begint ook het scheppingsverhaal niet met het spreken van het scheppend woord. Inderdaad, dat klopt, maar let op, God heeft het eerste woord en wij worden geboren om luisteraars te zijn, om zo te ontdekken waartoe wij in het leven geroepen zijn.

Wanneer Benedictus zijn regel begint met het woord luisteren, dan wijst hij ons niet alleen de weg, maar hij tekent daarmee ook zijn eigen leven. Hij heeft ontdekt dat luisteren het eerste en belangrijkste is voor ons mensen, daarmee valt of staat alles.

Benedictus bindt het ons op het hart: wees luisteraar, wees hoorder van het woord, en hij is er zich van bewust hoe moeilijk dat is. In de eerste zinnen van zijn regel zegt hij namelijk dat we door ongehoorzaamheid van het pad zijn afgeraakt. Maar door ons oor opnieuw te luisteren te leggen, wordt ons de mogelijkheid gegeven de weg terug te vinden naar het leven.

Luisteren, het is een hele opgave, we weten het allemaal. Hoe vaak spreken we niet voor onze beurt, hoe vaak luisteren we met een half oor, hoe vaak ook luisteren we met vooringenomenheid, hoe vaak geven we echt ruimte en tijd om wat ons gezegd wordt binnen te laten, te overwegen in het hart om er de ware draagkracht en betekenis van te achterhalen. Denk aan het eerste hoofdstuk van Lucas en zie het verschil in het luisterend oor van Zacharias en dat van Maria. Het ene is niet bij machte zich te openen voor het ongehoorde, want het is vooringenomen, terwijl het andere zich gewonnen geeft aan een onbekend avontuur.

Luisteren, het leven is ermee gemoeid.

Leven, broeders en zusters, bestaat niet uit het hebben van de laatste nieuwe smartphone of computer, ook niet uit een nieuw bankstel of een gevulde bankrekening, leven wordt geboren en gewonnen waar wij weten te luisteren.

Luisteren, het vergt oefening en geduld. Twee zaken die in onze samenleving niet vanzelfsprekend zijn. In de hedendaagse cultuur moet immers alles direct en stante pede. We willen niet in de rij staan en menigeen laat zich verleiden tot kant en klaar tot en met instant voeding. Maar wie daarvoor kiest krijgt enkel een surrogaat van het leven.

Oefening en geduld, ze zijn noodzakelijk voor een luisterend leven. En die vragen als metgezel de stilte. Dat is een heel schaars artikel in onze samenleving, maar het is broodnodig om mens te kunnen worden en te blijven. Stilte als de bodem waarin het zaad van het woord kan gedijen, stilte waarin het luisterend oor vrij is van allerlei geruis dat de kwetsbare klank van het woord vervormt en de symfonie van het leven verstoort. Stilte als een plek waar de ander welkom wordt geheten en in al zijn oorspronkelijkheid wordt gehoord.

Benedictus, man van het luisterend oor om met een verruimd hart voort te gaan op de weg van het leven. Moge hij ons aanzetten tot een luisterend leven om zo gevormd te worden tot een gemeenschap, klein en groot, waar leven gedijt en God in luisteren, spreken en zwijgen wordt verheerlijkt.

Voor U in deemoed, met U in geloof, in U in stilte. AMEN.

Abt Thijs Ketelaars

[1] RB proloog 49

[2] Leven van Benedictus hfdst. 35

Preek 25 juni 2021 feest van Sint Adelbert

Wij hebben zojuist het slot van het dertiende hoofdstuk uit het evangelie van Marcus gehoord. Dat waren maar een paar regels. Maar de bescheiden Adelbert is met weinig tevreden. Dat is des te opvallender omdat die zinnen uit het langste hoofdstuk van Marcus komen. Maar traditiegetrouw worden die laatste verzen op het feest van Adelbert gelezen. Dat lange hoofdstuk begint met te vertellen dat de leerlingen zich vergapen aan de uiterlijke pracht van de tempel. Maar Jezus corrigeert die uitroep. Hij gebruikt daarbij een woord dat viermaal in het hoofdstuk voorkomt: ‘Zie’, of ‘ziet toe’. Kijk nog maar eens goed, zegt hij, en weet dat er geen steen op de andere zal blijven van alles waar jullie nu zo van onder de indruk zijn.

Die reactie van Jezus roept dan bij de leerlingen de vraag op: wanneer zal dat geschieden en hoe zullen we het herkennen dat het te gebeuren staat. Dat is een vraag die al evenzeer betrekking heeft op de buitenkant en tegelijk ook een vraag die hen zelf buiten schot laat. En ook daarop reageert Jezus opnieuw met ‘zie toe’, loop niet elke profeet of elk gerucht achterna, en dan laat hij in het ongewisse waar en wanneer het zal gebeuren. Dat is allemaal buitenkant.

Maar dan volgt opnieuw een ‘zie toe’, en volgt er een lang verhaal dat hoewel er heel wat buitenkant aan te pas komt, in feite over de binnenkant gaat, over de binnenkant van de leerlingen, hoe ze zich moeten gedragen, waarop ze moeten vertrouwen vooral, en over het geven van getuigenis voor de Christus.

En dan op het eind begint de passage die wij hebben horen voorlezen nogmaals met ‘ziet toe’, dat als een climax gevolgd wordt door een ‘blijft waakzaam’. En dat komt nog eens terug aan het slot: ‘wat ik u zeg, zeg ik allen: ‘waakt’.

Waakzaam zijn, zien met de ogen van het hart, je niet vergapen aan de buitenkant, die al te vaak alleen maar decorum is en een binnenkant verbergt, die geen leven geeft, onvruchtbaar, dood of dodelijk is.

Het lijkt erop dat de leerlingen die Jezus al zo lang hebben gevolgd die omslag nog niet hebben gemaakt. Zij kijken en reageren nog als mensen die de oude mens nog niet hebben afgelegd, die nog kijken met ogen die de schone schijn niet kunnen onderscheiden van waarheid en innerlijke schoonheid.

Heel dat hoofdstuk waarin Jezus zijn leerlingen aanspoort tot een ander houding, tot een andere kijk, wordt dan ook nog omgeven door twee kleine perikopen waarin telkens een vrouw in het licht wordt gesteld.     Er aan voorafgaand gaat de arme weduwe die heel haar bezit, nauwelijks meer dan een cent, in de offerkist werpt. En na de lange toespraak volgt het verhaal van de vrouw die Jezus zalft met kostbare balsem. Bij de weduwe maakt Jezus zijn leerlingen erop attent dat ze zich niet moeten verkijken op dat bedrag. Die vrouw geeft met dat bedrag van niks een schat en aan de andere kant van het verhaal gaat het niet over een klein bedrag, maar over een kostbare parfum die de vrouw over Jezus hoofd uitgiet. Dat levert gemor op bij de leerlingen. Zij vinden het verkwisting. Wanneer de ogen van het hart niet gezuiverd zijn, dan stelt het de ene keer niets voor en is het de andere keer overdaad. Hun zijn de schellen nog niet van de ogen gevallen zoals Paulus bij zijn bekering de schellen van de ogen vielen en hij ontdekte dat deze gekruisigde Jezus de Messias was, evenbeeld van de Vader, Licht uit Licht, Liefde sterker dan de dood.

Wij worden op het feest van Adelbert opgeroepen tot waakzaamheid en daarmee worden wij aangesproken op het hart van onze roeping als christen en als monnik. Met welke blik kijken wij naar de werkelijkheid, naar de wereld om ons heen?  Kijken we uit naar een machtige kerk, naar een liturgie met veel pompa en uiterlijk vertoon, naar de glitter van de wereld van entertainment en de macht van rijkdom en getal, of hebben we oog voor de toewijding en overgave van de weduwe, van de arme en kleine mens die zich geeft zonder poespas en opsmuk; voor de gave ook van een liefde die zich roekeloos geeft, verkwistend en zonder berekening, voor een genegenheid en vriendschap die zich geeft aan simpele mensen zoals Adelbert in deze uithoek heeft gedaan ?

Onze vaders in het monastieke leven hebben zich vanaf het prille begin in Egypte toegelegd op de zuiverheid van hart. Zij hebben de uitnodiging tot waakzaamheid ter harte genomen en zich op de weg van de bekering met lijf en leden, met hart en ziel gewijd aan het verwerven van de blik die vrij is van afgunst en begeerte, van het graaien en grijpen, van de ijdele eer. Zij waren in de navolging van Jezus op zoek naar de nieuwe mens, die zichzelf niet telt, maar heel de schepping beziet en bemint met de blik van Gods ontferming.

Die weg draagt de naam van afsterven, versterven, en onthechting, niet als een vlucht van de wereld of een afkeer van het geschapene, maar als een vlucht vooruit, een bevrijd worden van wat alles wat geen leven geeft en is. Onze monastieke vaders zochten in het zienlijke het onzienlijke zoals Jezus in de onzienlijkheid van de weduwe die haar laatste penning gaf, Gods liefde aan het licht zag komen. En die de parfum wist te waarderen die zijn naderende dood in een geurige gave veranderde.

Laten we dit feest van Adelbert vieren met een dankbaar hart, nu wij uitgenodigd worden het geheim van onze roeping met nieuw elan te beleven opdat wij worden herschapen en heel Gods schepping leren zien en beminnen met de ogen en de overgave van Jezus, onze Heer. AMEN.

20210625 Sint-Adelbert          Mc 13,33-36

Abt Thijs Ketelaars

Preek 20 juni 2021

Afgelopen dinsdag hebben we onze broeder Simon begraven. Tijdens de eucharistie lazen we het Emmausverhaal. Dat was zijn laatste wens. Heel zijn leven had hij inspiratie en bemoediging geput uit dat verhaal. Hij was en is niet de enige. Het verhaal spreekt tot de verbeelding en is heel herkenbaar. Zijn we niet allemaal onderweg en ontmoeten we niet dagelijks tochtgenoten?

Die Emmaüsgangers waren onderweg en er wordt zelfs verteld waarheen ze liepen. Maar de goede verstaander ontdekt toch ook dat ze eigenlijk geen grond onder de voeten hadden, want heel hun leven verkeerde in crisis en ze wisten niet waarheen en waartoe. Was er wel toekomst voor hen, nu de man van wie ze alles hadden verwacht, gekruisigd en gestorven was? Maar dan is er die derde in het verhaal, die ze aanvankelijk niet hebben opgemerkt, ze hebben hem niet herkend.

Geen grond onder de voeten. Ze verkeerden zogezegd in zwaar weer. Het is een situatie die we moeiteloos kunnen herkennen. Is het niet voor onszelf, dan kennen we wel andere mensen die in dit schuitje zitten. En hoe dan verder?

Het verhaal van de Emmaüsgangers speelt zich af op het droge, het vaste land. Dat is bij een eerste blik het tegendeel van de storm op het meer. Maar schijn bedriegt soms. Misschien lijkt het verhaal dat wij zojuist uit Marcus hebben horen voorlezen meer op het verhaal dat broeder Simon zo lief was, dan we aanvankelijk dachten.

De leerlingen zitten letterlijk en figuurlijk in de boot. Spaans benauwd hebben ze het en ze zijn bang dat ze met man en muis zullen vergaan. De wind zit tegen, ja meer nog, het stormt vervaarlijk. Doodsangsten staan ze uit, niet wetend of ze het volgend moment nog zullen leven. Sla er de krant of het nieuws maar op na, het is een verhaal van alle tijden.

Maar dan, in hun angst storen ze zich aan Jezus die prinsheerlijk op de achtersteven ligt te slapen. “Kan het je niet schelen dat we vergaan?” Iedereen in paniek en hij ligt als Jona onbekommerd te slapen. Hoe haalt hij het in zijn hoofd. Is hij dan helemaal niet bezorgd voor zijn makkers die hij in de boot genomen heeft? Laat het hem koud of is hij niet bij machte een keer te brengen in hun lot? Je zou het haast denken en dan ben je niet de enige.

Wie een beetje met de Schrift vertrouwd is, herkent de beschuldiging van de leerlingen. Hoe vaak wordt God niet verweten dat hij doofstom is voor het geroep. Waarom Heer blijft gij zwijgen? Hoelang blijft het nog duren? Sta op en kom ons te hulp. Woorden uit een ver verleden, woorden die nog dagelijks over heel de wereld worden gebeden en gehoord. Je zult in India wonen midden tussen de talloze coli doden of in Syrië waar je je leven niet veilig bent, of in Mexico waar de straten zich vullen met doden in de strijd om drugs. Waarom Heer? Of je zit in Amsterdam driehoog waar de eenzaamheid je aanvliegt en je levensboot in zwaar weer verkeert.

We weten en kennen het allemaal, dichtbij of veraf. Overvallen door angst, omdat het schip van het leven dreigt te zinken. Doodsangsten uitstaand omdat je meent dat je er alleen voorstaat, geen redder aan boord.

Angst kan verlammen, de blik vernauwen en je kijk op de situatie vertekenen. Misschien moeten we het verhaal van de storm op het meer een aantal keren herlezen, pauzes inlassen, stiltes nemen, om te ontdekken dat er één in de boot zit die geen angst kent. Zij schreeuwen in stervensnood, maar Jezus is bij hen in de nood. “In die wankele boot, omgeven door het woelige water, houdt Jezus hun gezelschap. Hij rust in hun midden, heen en weer geslingerd zoals zij, en doornat zoals zij.”[1] Maar dat biedt hun geen troost of hulp, integendeel, ze maken hem verwijten.

En toch, wordt ons in die slapende Jezus niet getoond, dat er bij ons één in de boot zit, één met ons gaat, die niet beducht is voor de overslaande golven en die in doodsnood blijft vertrouwen op God die leven geeft? We hebben een tochtgenoot die niet bevangen is door vrees zoals wij, maar die in alle menselijkheid zich geborgen weet onder Gods vleugels.

Wij zijn in zwaar weer niet alleen, ook al hebben we misschien die indruk, en voelen we ons door God verlaten.  Hij is aan boord, maar niet met de vrees die ons in zijn greep heeft, maar met een overgave die gedragen wordt door de Geest. Die Geest die vanaf het begin over de woelige wateren waait en leven uit de chaos tevoorschijn doet komen.

Wie of wat zal ons scheiden van de liefde van Christus, schrijft Paulus en dan noemt hij een aantal situaties die niet veel verschillen van deze storm op het meer. Hij, Christus, is aan boord en hij blijft aan boord, ook als de golven over de boot slaan.

“Waarom zijn jullie zo bang? Hebben jullie nog geen geloof?” Die vraag van hem is dan ook geen beschuldiging, maar eerder een uitnodiging. Hebben jullie nog niet ontdekt dat God met ons is tot in de chaos? In die verlorenheid is hij niet ver gebleven, tot daarin is hij afgedaald en gaat hij met ons de weg.

Ik moet hier denken aan menige aantekening in het dagboek van Etty Hillesum, die midden in de nacht van het leven niet ten onderging aan de zee van dood en onmenselijkheid.  De laatste woorden die wij van haar hebben staan op een kaart die ze schreef in de trein op weg naar Auschwitz en uit de wagon wierp. “De Heer is mijn hoog vertrek”,[2] een citaat uit psalm 18. Het is als horen we een echo van Jezus, die in de boot lag te slapen. Midden in de dood geborgen in Gods leven.

De twee leerlingen liepen verloren, de dood in de schoenen. De leerlingen in de boot vreesden in de golven ten onder te gaan. Maar er was een derde wiens leven gevende nabijheid ze over het hoofd zagen.

En wij, moge het ons gegeven worden te vertrouwen op die niet vermoede tochtgenoot, altijd en overal.

Voor U in deemoed, met U in geloof, in U in stilte [3]. AMEN.

Abt Thijs Ketelaars

Mc. 4,35-41

[1] Debie Thomas Mc 4,35-41

[2] Etty pg 702, kaart van 7 september 1943

[3] Dag Hammarskjöl

Nieuwsbrief

Schrijf u vrijblijvend in en blijf op de hoogte van de activiteiten van Abdij van Egmond.

We respecteren uw privacy. Sint-adelbertabdij zal uw e-mailadres nooit delen met derden.
© 2021, Abdij van Egmond Algemene voorwaarden

Binnenkort is onze webshop actief en kunt u online abdijproducten bestellen Sluiten