Geen producten in je winkelwagen.

Nieuws

Driekoningen preek 6 januari 2022

Het houdt maar niet op met reizen. Vandaag horen we er in het evangelie opnieuw van. We hoeven er dunkt mij niet van op te kijken, want is niet het hele leven een reis? Een reis van behoefte en verlangen. Soms op zoek om in nood te voorzien, en dan weer gedreven door een verlangen dat aanzet stappen te zetten voor de vervulling van dromen, ontmoetingen en verborgen vergezichten. Wie al te vroeg halt houden en geen stap meer zetten missen misschien het grote doel.

Vandaag ontmoeten wij wijzen uit het Oosten. De traditie heeft er drie koningen van gemaakt, maar dat getal vind je niet terug in de Schrift en dat geldt evenzeer van de titel koning. Blijkbaar heeft het verhaal zeer tot de verbeelding gesproken en zoals we in de schilderkunst en de kerststal kunnen zien, heeft dat een rijke stoffering en tal van details opgeleverd. Maar misschien mogen we ons vandaag beperken tot een paar elementen uit het verhaal zelf die al stof genoeg geven voor onze eigen reis.

Wijzen uit het Oosten, dus niet de eersten de besten, maar mensen met een andere cultuur en andere tradities melden zich in Jeruzalem. Zij reizen een ster achterna, een licht in de nacht dat bij hen de verwachting, de hoop en het verlangen heeft gewekt op een nieuwe toekomst, een nieuwe koning. Je kunt voor minder op reis gaan. Nee, deze mannen worden gedreven door een verlangen dat groter is dan hun eigen bestaan. Ze zijn op zoek naar de pasgeboren koning der Joden. Die willen ze hun hulde komen brengen.

Wanneer ze in Jerusalem navraag doen, zorgt dat voor onrust. Het gezeten bestuur en de religieuze overheden raken van slag. Een nieuwe koning, wat betekent dat voor hun positie? Ze zitten niet te wachten op veranderingen die de gevestigde orde overhoop halen. Zij lopen niet warm voor de vraag van de wijzen, maar ze kunnen er ook niet aan voorbij. En het kan geen kwaad te achterhalen wat er nu allemaal speelt en wat die mannen uit het oosten op het oog hebben. Voorzichtigheid lijkt geboden, of is het argwaan?  En zo gaan koning Herodes en de religieuze leiders op zoek in de aloude geschriften, waar de dromen, verwachtingen, de hoop en het geloof van hun voorouders staan opgetekend.  Dat bleken mensen die een geschiedenis hadden van reizen uit behoefte en reizen uit verlangen. Al maar onderweg, als ballingen of als mensen op zoek naar een vaderland, een beloofd land. En al lezend komt Herodes en de mannen rondom hem op een spoor, waar warempel sprake is van een ware herder, een leidsman ten leven. Je hart zou er sneller van kunnen gaan kloppen. De wijzen die ervan horen, veren op, ze vinden er een bevestiging in van de ster aan de hemel. Terwijl Herodes de hogepriester en schriftgeleerden niet van hun plaats komen, maken de wijzen zich op voor de verdere tocht.’

En het verhaal en de reis begint aan een nieuwe etappe. De wijzen wagen de weg en al zoekend bereiken zij wat ze niet hadden verwacht. De ster bleef niet stilstaan boven een paleis, maar boven een onooglijke plek en vreemd genoeg wordt juist daar hun hart van vreugde vervuld bij het zien van het kind, weerloos als de waarheid zelf. En deze vreemden buigen zich er voor neer en betuigen het hun hulde, zoals op het einde van hetzelfde evangelie ook een vreemde hoofdman met zijn mannen doen. Daar horen we hen belijden over die weerloze gestalte aan het kruis: deze is waarlijk zoon van God.

De wijzen, ze kwamen van verre en reisden hun verlangen achterna, een ster in de nacht van hun leven. Wat lieten ze allemaal achter en was het dat wel waard? Zouden wij er ons leven aan wagen?

Waar leef je voor, waar leef je uit? Wat drijft je en waar ga je voor? Wie zoek je? Door wie word je gezocht? En wat doe je met die klop aan de deur van je hart, wat doe je met die ster in de nacht?

De wijzen zijn op weg gegaan en het werd meer dan het afleggen van een grote afstand. Het werd bovenal een innerlijke reis, die hun kijk op het leven drastisch veranderde.

Die lange reis, ze bracht hen waar ze het niet hadden verwacht, niet in een koninklijk paleis, temidden van schittering en glitter, maar in een onooglijk optrekje, waar een echtpaar beschutting zocht voor hun pasgeborene, een kwetsbaar mensenkind. Hadden ze daar heel die weg voor afgelegd?  Hadden ze daarvoor ook niet thuis kunnen blijven? Wie zal het zeggen, maar soms is er een hele weg te gaan voor we in het meest alledaagse de glans weten te ontwaren van het geheim dat ons te boven gaat. Dat God ons rakelings nabij komt in de kwetsbare gestalte naast ons, die om leven vraagt. Hoe lang duurt het soms niet eer ons daarvoor de schellen van de ogen vallen en wij zien met nieuwe ogen en Gods Licht over ons opgaat.

Vandaag zijn wij getuigen van de reis van de wijzen. Ze hebben een hele weg afgelegd en tenslotte is het leven niet meer als voorheen. Ze keren terug langs een andere weg, als andere mensen. Mensen met de pelgrimsweg in het hart, niet meer dromend van grootse paleizen, maar met een hart vol vrede, dat woning biedt aan Gods kwetsbare liefde. Mensen bevrijd van de zucht naar macht en praal, gaandeweg bevrijd van al die ballast, die het leven enkel maar bezwaart. En al die grootse gaven die ze meetorsten, ze leggen ze neer aan de voeten van dit pasgeboren kind om zelf als herboren en bevrijde mensen de weg te kunnen gaan. Kinderen van God, geroepen om te leven als kinderen van het licht.  

Wij hebben vandaag weer over een reis gehoord zoals dat de afgelopen kersttijd zo vaak het geval was. Wat hebben al die reizen met ons gedaan? Zijn wij daardoor op een andere weg gezet en gaan wij het nieuwe jaar verder als nieuwe mensen of blijft alles bij het oude?

Bidden wij dat onze weg als die van de wijzen ons mag voeren naar Gods nederige gestalte midden onder ons. Dat wij daardoor geraakt in nieuwheid van leven verder gaan en wij hem herkennen en eren in het kind in de kribbe, in de verschoppeling, in de gestalte weerloos en van alle luister ontdaan, afglans van Gods heerlijkheid in al zijn menselijkheid. AMEN.

Abt Thijs Ketelaars

Nieuwjaarspreek 1 januari 2022

Weer beginnen wij een nieuw jaar. We reizen verder. Deze reis door de tijd hebben wij niet kunnen plannen, we hebben er enkel op kunnen hopen. Wij spreken tegenwoordig wel vaak over ‘tijd maken’, maar daarmee verraden wij onszelf. Onze samenleving heeft ondanks corona nog de illusie dat wij het leven zelf kunnen maken. Maar daarmee gaan wij ons boekje te buiten. En wat zouden we er niet mee winnen als we in het nieuwe jaar het heilloze pad van de maakbaarheid zouden verlaten?

Tijd maken, het zal ons niet lukken, we krijgen de tijd, zomaar, en aan ons is het die gegeven tijd dankbaar te ontvangen en gewetensvol te besteden.

Vandaag beginnen wij dus aan een nieuwe reis door de tijd. Waarheen hij leidt, we weten het niet, hoe lang die zal duren, we weten het niet. Het komt er enkel op aan met overgave en moed de reis aan te vangen, dankbaar dat ons de reis wordt aangeboden, gratis, als een Gods geschenk.

We hebben trouwens in de liturgie de afgelopen weken heel wat gereisd. En de ene reis was de andere niet. Maria vol vreugde op weg naar Elisabeth, Maria en Jozef vol zorg op weg naar Bethlehem, de herders vol verwachting naar de stal, Maria en Jozef op de terugreis vol angst op zoek naar Jezus, die in Jerusalem was achtergebleven. Maar vandaag lijkt het erop dat het evangelie een pas op de plaats maakt als we de reis van de herders even buiten beschouwing laten en inzoomen op de figuur van Maria. Zij lijkt vandaag stil te staan of stil te zitten, even niet onderweg, maar stil bij alles wat ze over Jezus hoort vertellen. En met Maria krijgen wij de mogelijkheid tot een pauze, tot een moment van stille overweging.

Mensen reizen door de tijd, mensen reizen door de ruimte en soms vallen ze stil zoals Maria vandaag. Of lijkt dat maar zo? Heeft zij misschien daar, plaats op de plek, toch nog een reis gemaakt. Hebben al die woorden die ze over Jezus heeft gehoord, niet alleen van de herders maar eerder al van de engel, haar een reis doen maken?  Ze overwoog ze bij zichzelf hoorden wij vertellen. Zij maakten een reis door haar hoofd en haar hart. Langs welke plekken is zij gereisd en wat hebben die met haar gedaan? Wij kunnen er een vermoeden van krijgen als we zien hoe zij haar verdere levensweg heeft afgelegd. Stil blijft zij voor ons, nergens komt zij op de voorgrond en vrijwel nergens horen we haar spreken. Alleen op het eind van de levensreis van haar zoon komt zij weer uitdrukkelijk in beeld bij de apostel Johannes. Daar treffen wij haar aan onder het kruis van haar zoon. Zij staat er, sprakeloos, en ook daar is het aan ons om te peilen wat er in haar omgaat. Hoe heeft zij heel die weg afgelegd? Hoopte zij, was ze bang, vol zorg over haar zoon, wie zal het zeggen?

Reizen, die door de ruimte liggen door corona nog steeds aan banden, die door de tijd krijgen nu misschien meer ruimte. Want zouden we er niet aan winnen de vrijgekomen ruimte te benutten voor een stille tocht door de tijd die achter ons ligt en de tijd die wij nog hopen te ontvangen? Een reis met ons hoofd en ons hart, een reis van onze ziel, de innerlijke reis. Waar kom ik vandaan, wat is mijn bestemming? Wat heb ik gedaan op de afgelegde weg en waar zou ik mij aan willen wijden, als er nog een weg voor mij ligt? Was de reis die ik tot nu toe heb afgelegd de moeite waard of was het een weg die mij dwaalwegen deed gaan? Waarvoor heb ik geleefd, Waaruit heb ik geleefd, en hoe nu verder?  Is er nog een weg, een reis te gaan?

Wij ontmoeten vandaag Maria, dit keer niet onderweg, maar stil en ingekeerd om de weg innerlijk te overzien, om zicht te krijgen wat het leven van haar vraagt, hoe ermee om te gaan. Wachter, waar loopt de weg?

Dat beeld uit het evangelie van die stille Maria zou het ons dit jaar niet als voorbeeld kunnen dienen? Wij leven in een maatschappij waar grote vragen op ons afkomen over de weg die we dienen te gaan. De meningen daarover zijn heel verschillend en de emoties lopen soms hoog op. Welke weg te gaan? Hoe het klimaatprobleem aan te pakken, hoe de crisis rond de migranten en wat doen met de problemen rond honger en armoede, om nog maar te zwijgen van de eenzaamheid en de zinloosheid die velen parten speelt. Wat is de weg? Wie Is de weg?

Maria heeft een time out genomen, zij luistert naar haar binnenkant, daar waar de stille stem van God fluistert en de zachte bries van de Geest richting wijst en verlichting schenkt. Daar gaat het niet om het grote gelijk van mij of jou, maar om de weg ten leven die wij samen hebben te gaan. Hoe samen verder, hoe samen de impasse doorstaan en stappen zetten die ons op de goede weg zetten, uitzicht bieden op leven in waarheid en gerechtigheid, vreugde en vrede voor allen.

Dat is niet iets van een dag en er dan weer vol tegenaan. Het is als bij Maria een leven lang luisteren  om trouw te blijven aan de dienst aan het leven. Trouw aan de zoon die van zichzelf getuigt dat hij de weg is. Van Godswege aan ons gegeven om allen mee te nemen zodat niemand verdwaalt of verloren loopt.

Wij vieren vandaag het feest van Maria, de moeder van God. Die naam heeft zij gekregen na een lange en soms moeizame weg door het leven. Die titel ‘moeder van God’ is haar in de Christelijke traditie ten deel gevallen, omdat zij ruim baan heeft gemaakt voor de weg die Jezus te gaan had.  Een weg die van zijn moeder een Godsgeloof vroeg. In stilte en vertrouwen heeft zij er zich aan gewaagd en er zich aan overgegeven. Als moeder van haar zoon, als moeder van de kerk, als moeder voor ons allen. Nemen wij de tijd om met haar te luisteren en gaan wij dan samen de weg, opdat het aanschijn der aarde zal worden vernieuwd. AMEN.

Abt Thijs Ketelaars

20220101 nieuwjaar Lucas 2,16-21

Sprekend Gods Woord

Het oude kerstlied ‘komt allen tesamen’ drukt treffend uit wat wij vandaag zo graag hadden gedaan. Maar juist als vorig jaar kan het niet. Een tegenvaller. Geen kerkdiensten of maar met een handvol mensen. Om nog maar te zwijgen van alle andere samenkomsten en afspraken die moesten worden bijgesteld of afgezegd. Spijtig, maar verzet daartegen brengt geen licht in de donkere nacht.Die duisternis vraagt om een ander blik en benadering. En het verhaal dat Johannes op deze kerstmorgen vertelt, wil ons juist helpen in de nacht te speuren naar het licht, naar leven.

En als een adelaar kijkt hij vanuit de hoogte en verbreedt hij zijn blikveld om toch maar niets te missen. Want al te vaak is onze kijk zo vernauwd dat we het leven en al wat dat met zich meebrengt niet in het juiste perspectief zien.

Johannes, hij neemt ons deze ochtend mee naar het begin van de schepping. Ja, nog voorbij het begin en op die manier sluit hij nauw aan bij het eerste hoofdstuk uit het boek van ons geloof.  Die prachtige vertelling over de schepping waar God almaar zag hoe goed het was, die vertelling begon in het duister waar enkel chaos was. Maar Gods scheppend woord, dat woord van het begin, dat woord dat nog steeds spreekt, riep als eerste het licht tevoorschijn. En na dat licht volgde er een krans van goddelijke werken, een wondere wereld. En heel die kostelijke wereld werd aan de mens toevertrouwd om te behoeden en te bewerken, levend in het licht.

Maar het verhaal kreeg een andere draai, want het pakte anders uit. De mens vergreep zich aan dat kostbare en kwetsbare cadeau. Terwijl God alles in het Licht wilde zien groeien en bloeien, bleek de mens anderen het licht in de ogen niet te gunnen. Jaloezie, haat en afgunst, de dood wierp een zware slagschaduw over Gods werk. We worden er wereldwijd mee geconfronteerd, in het klein en in het groot.

Maar dat begin is niet het einde. Johannes met zijn adelaarsblik ziet hoe God in het duister van de tijd zijn schepping niet overlaat aan de verlorenheid. Hij die schiep van het begin, Hij schept nog altijd voort.

‘Neen’, zegt Johannes, ér is nóg een begin.’ En wij lezen het aan het begin van zijn evangelie met het verschijnen van een mens die sprekend Gods woord was. In hem was geen duisternis, licht uit licht, in wie God zelf ten volle aan het licht kwam.  Een mens van vlees en bloed, helemaal één van ons, maar anders dan wij, één en al licht. Want duisternis en nacht had op déze mens totaal geen greep. In hem kreeg dat oude verhaal een nieuw begin. God zelf begon hier opnieuw in levenden lijve. Beeld en gelijkenis van God, eerstgeborene van heel de schepping. Nieuwe Adam en nieuwe Eva.

Van deze mens zegt Johannes dat hij vol genade en waarheid was. In hem was geen duisternis en in ons midden is hij de weg van het licht gegaan. Want hij deed als ware zoon van God dat waartoe wij mensen vanaf den beginne zijn geroepen: elkaar hoeden en bewaren in Gods naam, elkaar het licht in de ogen gunnen, elkaar op de been helpen, stut en steun zijn, mensen opwekken uit een bestaan ten dode en ze zetten in sporen van waarheid.

Deze ene mens, Jezus is zijn naam, heeft ons voorgeleefd, zegt Johannes, waartoe wij allen zijn geroepen, wat God voor heeft met ons en heel de wereld. Met de liefde van God elkaar nabij zijn, geven en vergeven, zeventig maal zeven maal, elke dag een nieuw een begin maken zoals God scheppend bezig is met ons en in ons.

Wij vieren Kerstmis in een wereld waar de duisternis het vaak lijkt te winnen van het licht, maar Gods genade en waarheid zijn onder ons verschenen, en dat teken is onverwoestbaar. Jezus heeft het licht niet onder de kandelaar verborgen, maar hij heeft het voor iedereen laten schijnen, ongeacht ras, taal, religie of gender. Hij heeft er zijn leven aan gewaagd en gewijd, bewogen door Gods eigen Geest. En het laatste wat hij volgens Johannes heeft gedaan is op het kruis als zijn laatste ademtocht ons zijn geest geven, opdat wij in zijn voetspoor elke dag een nieuw begin zouden maken met een leven waarin geen mensenkind verloren loopt, maar wordt gekend en opgenomen als broeder of zuster van de Heer. Zeg niet dat het onmogelijk is, één is ons voorgegaan en hij neemt ons mee om mens te worden naar Gods beeld, met hoofd en hart, met handen en voeten, in al ons doen en laten, opdat het aanschijn der aarde zal worden vernieuwd en het woord van het begin zijn voltooiing mag krijgen in de stralende morgen van Pasen, Licht uit Licht, allen thuis gebracht in die nieuwe schepping waarvan God ontwerper en bouwer is.

Vandaag vieren we de geboorte van Jezus. We vieren zíjn geboorte om zelf kind van God te worden in zijn voetspoor, deze dag en alle dagen van het jaar. Zo moge het zijn. Zalig Kerstfeest.

Abt Thijs Ketelaars

Joh.1 1-18 Kerstmis 2021

Kerstnacht preek 2021

Afgelopen zondag ging opnieuw de lockdown in en juist op die dag hoorden wij in de liturgie een reisverhaal. En wat voor een. Maar Maria ging met spoed naar haar nicht Elisabeth. Zij kon, wat velen nu niet kunnen, vrij reizen. Vrij omdat er geen beperkende maatregelen waren, maar vrij bovenal omdat zij vertrok vanuit een innerlijke bewogenheid. Van binnenuit gedreven begaf zij zich op weg. En in de spoed herkennen wij haar bevlogenheid, haar vreugde en verwachting.

In deze kerstnacht horen wij opnieuw vertellen van een reis. Maar deze keer kunnen wij niet zeggen dat Maria en Jozef ervoor stonden te trappelen. Integendeel, het was geen vrije keus, het was een opgelegde tocht.

Wij hoorden hoe keizer Augustus een volkstelling uitschreef. De goede verstaander weet dat er ooit eerder in de Schrift sprake was van een volkstelling. Koning David had het in zijn hoofd gehaald een volkstelling uit te schrijven, want hij wilde weten over hoeveel weerbare mannen hij kon beschikken. Maar dat liep verkeerd af. Waar mensen geteld worden, waar het nummers zijn in een machtsspel ligt dood en verderf op de loer.   

En vandaag is het de beurt aan keizer Augustus. Ook hij wil tellen. En wij horen hoe mensen op keizerlijk bevel zorgen voor volle wegen en pleisterplaatsen. En dat alles omwille van de macht. Je zult maar hoogzwanger zijn en een tocht door het bergland moeten maken.

En in onze dagen is het niet veel anders. Dat oude verhaal is nog springlevend. Hoe velen zijn er niet noodgedwongen op weg en op drift omdat machthebbers hun spel spelen en mensen worden ingezet als pionnen of enkel nummers zijn.

Het kerstverhaal begint verre van idyllisch. Gods menswording speelt zich niet af in een wereld van pais en vree, maar hij waagt zich in ons duister bestaan, waar mensen worden afgeschreven in plaats van te worden opgeschreven in het boek des levens.

De schepping moet voor God een avontuur zijn geweest, de herschepping is het niet minder. Wij zien het aan de hinderpalen die Hij ontmoet, heel de geschiedenis door. En het nieuwe hoofdstuk dat God in de geschiedenis gaat schrijven kent ook al gauw een obstakel. Gedwongen op weg en bij aankomst op de plek geen huis, het was er al overvol. Er was geen plek en dan rest niets anders dan een kribbe, een plaats temidden van het vee. En de traditie heeft daar niet zonder reden de os en de ezel uit het boek Jesaja bijgehaald. ‘Een ons kent zijn eigenaar, een ezel de krib van zijn meester; maar Israël weet van niets.’  Daar wordt midden in die nacht het kind geboren dat Maria onder het hart draagt.

 En dan verschuift in het verhaal ineens het perspectief. Zaten we zojuist in een wereld waar wordt geteld en er niet voor ieder een plek is, nu komt een engel uit den hoge en met zijn woord krijgt alles een ander kleur en klank. De tegenstelling kan niet groter zijn. De hemel werkt niet met nummers, en dit kind in een eindeloze rij van mensen, krijgt een naam en wat voor een. Heden is uw een redder geboren, Christus, de Heer. Dit kind, door machtigen niet opgemerkt is van Godswege een belofte van leven en vrede. God zelf gaat in deze kwetsbare gestalte met ons een weg van ontferming. Niet met macht en majesteit, niet uit de hoogte, maar door de pijn en de moeite van het leven met ons te dragen, een weg door de woestijn te gaan, om allen als kinderen van God een eigen naam en gezicht te geven, om ze thuis te brengen bij God, zijn Vader. Maar voorlopig ligt dat alles nog in het verschiet.

Maar er zijn op aarde niet enkel keizers en machtigen, er zijn ook herders op het veld, kleine luiden, die in de nacht van het leven aangesproken worden door de engel. En waar de machtigen geen oor en oog voor hebben, daar laten zij zich raken. Wakend in de nacht, waar de stilte koning is, zijn ze een en al aandacht voor wat hen wordt aangezegd. En met de aankondiging van dit kind, klinkt er geen wapengekletter bij het leger uit de hemel, maar ze laten zich horen met een lied, waarin Gods visioen met de wereld opklinkt.

 En ook nu gaan er weer mensen op weg. De herders maken de reis naar Bethlehem, vrijwillig en vol verwachting. En juist als Maria op haar tocht naar Elisabeth gingen ook zij met spoed, gedreven door hemelse stemmen die in hun oren zongen. Op zoek naar een kind met een hemelse belofte. En wat zij vonden overtrof alle verwachtingen. Voor het oog was het een en al schamelheid, je zou de ouders en het kind een betere plek toewensen, maar kon God zich ooit kleiner hebben gemaakt dan dit kind?

Elk mensenkind is een verhaal en God schrijft in dit mensenkind zijn eigen verhaal zoals hij het met ons allen doet. Maar elk verhaal is uniek, en de herders vertellen wat zij over dit kind in hun nachtelijke waken hebben gehoord. Herder zal het zijn van Godswege, brood des levens liggend in een kribbe. Met een naam en gezicht, zo enig en uniek, dat het voor allen een woord van vrede heeft, een woord van vrede en leven is.

Dit kind, het zal niet tellen en ook niet uit zijn op macht, het zal zoals bij zijn geboorte de laatste plaats innemen. Het zal zich scharen tussen mensen die niet in tel zijn, die in de wereld geen naam en gezicht hebben.

Kerstmis, wij vieren dat God de laagste plaats heeft ingenomen, je kunt hem gemakkelijk over het hoofd zien. Dieper dan Hij kun je niet afdalen. Is dat goed nieuws? Ja, het is engelenzang waard, want nu kan niets of niemand ons meer scheiden van de liefde van Christus, zelfs de laatste plaats niet. Laten we daarom niet aan die plek voorbij zien en geven wij een plaats aan allen die zich daar ophouden.  Dat we nooit te horen krijgen dat we aan hem voorbij zijn gelopen, aan hem die onze vrede is. AMEN.

Abt Thijs Ketelaars

20211224 kerstnacht Lc 2, 1-14(20)

Preek 19 december 2021

Terwijl in onze wereld het reizen weer aan banden is gelegd, horen we vandaag hoe de zwangere Maria een flinke reis maakt om haar nicht Elisabeth op te zoeken. Misschien zou je wel willen, maar het mag of kan niet. We hebben dus alle tijd om stil te staan bij die tocht van Maria door het bergland.

 Waarom is ze vertrokken, en hoe was ze gemutst? Zag ze tegen de reis op of ging ze op vleugels? Want we weten allemaal dat het veel verschil maakt of je met lood in de schoen aan de tocht begint, misschien zelfs tegen je zin, uit nood of wanhoop of dat je met de lichte tred gaat van de liefde die je drijft.

Het verhaal geeft ons daar een aanwijzing die helaas in de Nederlandse vertaling verdwenen is.  ‘ In die dagen reisde Maria met spoed naar het bergland’,  zo hebben wij horen voorlezen. Maar in het Grieks gaat daar nog een woord aan vooraf en dat dienen we niet te vergeten.  Maria vertrekt, zeker, maar ze doet dat ‘ anastasa’. Daar horen we het woord ‘ anastasis’ in terug en dat betekent zoals u weet ‘ opstanding’. Maria vertrekt dus als een die is opgestaan, als iemand die nieuw leven heeft gekregen.

Het wordt dus geen tocht tegen heug en meug, maar een reis gedreven door de Geest. Zij heeft leven in haar schoot ontvangen en dat nieuwe leven geeft haar vleugels en doet haar als de bruid uit het Hooglied over de bergen springen om Elisabeth te bezoeken.

Reizen, je kunt het om tal van redenen doen. Vandaag is het niet om te vluchten, om iets of iemand te ontlopen, maar omdat Maria door innerlijk vuur ertoe bewogen wordt. Zij draagt leven en ze heeft een verhaal en dat wil ze met haar nicht delen. Misschien wil ze ook wel van Elisabeth horen hoe zij haar gezegende staat beleeft en wat ze van haar kan leren.

 Zo gaat ze dus, bewogen en bevlogen en het verhaal vermeldt dat ze er de gang in heeft. Ze gaat met spoed, geen treuzelaar, maar een die weet wat ze wil, die er geen gras over laat groeien. En ze weet waar ze heen wil, ze heeft een  heel bepaald doel. Je zou haar best kunnen benijden om haar bevlogenheid en om de vastbeslotenheid. Zij weet wat ze wil, ondanks alle vragen die ze misschien ook heeft.

Er vat nog iets op bij die reis. Nergens horen we dat er iemand met haar mee reist. Gaat ze die lange weg alleen? Wie zal het zeggen? Zij heeft een roeping ontvangen, ze is geroepen en ze heeft er ja op gezegd. En het vervolg van de weg kun je dan niet aan een ander over laten. Wie A zegt moet ook b zeggen, anders stokt het verhaal van je leven. Dat is bij alle zegening ook een eenzaam avontuur, dat een ander niet van je kan overnemen.

Maria heeft haar weg te gaan en ze doet het met overtuiging. Ze laat zich er niet door een ander van afhouden. Door innerlijk vuur bewoond, is voor haar geen berg te hoog.

Maria, misschien mag je haar de eerste apostel noemen, nog voor die andere Maria die titel heeft gekregen. Het kind dat ze onder haar hart draagt, is nog niet geboren, maar zij is er zo vol van dat ze in de ontmoeting met Elisabeth al boodschapper is van vreugde.

We begonnen onze overweging met het gegeven dat corona ons van reizen afhoudt en wanneer we nu verder lezen is er nog iets waar het virus ons aan banden legt. We moeten almaar afstand houden, nu zelfs weer 1,5 meter, maar dat staat haaks op ons menselijk verlangen tot nabijheid, tot een omhelzing en aanraking. En die zijn prominent aanwezig in de ontmoeting van Maria en Elisabeth. Dat zegt iets over die twee vrouwen, maar het zegt ook iets over het belang van fysiek menselijke contact. En het zegt iets over de aard van het evangelie, en over ons geloof. Dat is geen verhaal dat over dogma’s gaat, maar het is een ontmoeting die mensen in hart, lijf en leden raakt en nabij komt.

Maria en Elisabeth, het vuur spat er van af in de begroeting. Nauwelijks hebben ze elkaar gezien of Johannes laat zich kennen in de moederschoot. Zo moeder, zo kind, allebei zijn ze geraakt door deze komst van Maria. De een nu nog sprakeloos, laat zich niettemin voelen en de ander, de bejaarde Elisabeth, wordt innerlijk zo geraakt, zo van de geest vervuld, dat ze in een zegenbede voor moeder en kind uitbarst. Drie generaties, over en weer, bewogen en bevlogen. En het bijzondere daarbij is, dat niemand in het gebeuren aan zichzelf denkt. Ieder is betrokken op de ander die ze ontmoeten. Maria die zich met spoed naar haar nicht begeeft en zich helemaal niet druk maakt om de lange reis. Ze wil enkel Elisabeth zien en delen in haar vreugde en vragen. Ze ook laten delen in het leven dat zijzelf draagt. En Elisabeth en haar kind helemaal openstaande naar Maria en het kind in haar schoot. En in hun beider zich toeneigen naar elkaar voert een leven schenkende vreugde de boventoon.

Wij lezen op deze zondag een verhaal dat in coronatijd misschien pijn doet en ons doet voelen wat we missen: de mogelijkheid om vrij te reizen en de beperkingen tot fysiek menselijk contact. Maar misschien is er niet alleen gemis, maar is het verhaal ook een uitnodiging om te overwegen wat onze levensreis ten diepste kleur, geur, smaak en betekenis geeft, met of zonder corona.

Wie of wat is de drijvende kracht in ons leven, door welk vuur of welke geest worden wij bewogen? Dragen wij aanstekelijk leven in ons en zet dat ons op een innerlijke weg?  Zijn wij apostelen van de liefde die leven geeft, die jong en oud verbindt, die gemeenschap sticht waar kloven worden overbrugd en over alle grenzen heen mensen worden gezegend met de naam van de Heer?

Kerstmis, laat het vuur niet onder de as wegsmeulen, maar volgen wij Maria opdat het aanschijn van de aarde mag worden vernieuwd en het leven voor allen een vreugdevolle ontmoeting wordt. AMEN.

Abt Thijs Ketelaars

Cadv4 2021 Mich. 5,1-4a; Hebr. 10,5-10; Lc. 1,39-45

Plechtige professie broeder Columba Hoogfeest Maria Onbevlekt Ontvangenis

Een nieuw begin, hoevelen dromen er niet van? Een nieuwe start in hun leven, een nieuw begin ook in onze omgang met de schepping, moeder aarde, en in onze omgang met elkaar.

Dromen van een nieuw begin, dat doen niet alleen mensen, maar dat doet getuige de Schrift ook God. De hof die hem voor ogen stond levert niet de verhoopte vrucht, maar het wordt een oord van doornen en distels. En we lezen in dat boek van ons geloof hoe God dan steeds weer een nieuw begin poogt te maken met ons mensen.  En vandaag horen wij hoe Hij in die turbulente wereld een nieuw begin waagt, hoe kwetsbaar en klein ook, omdat Hij zijn droom niet opgeeft voor een wereld waar niet de duisternis maar zijn licht het leven vorm en kleur geeft.

Met het hoogfeest van Maria Onbevlekt Ontvangen vieren wij het prille begin van menselijk leven in de moederschoot. Een onbeschreven blad nog; een blad, waarop God geschiedenis gaat schrijven en Maria met hem.  En het verdere verloop van het leven van Maria zal ons laten zien dat het boek van haar leven niet alleen de gouden letters toont van haar onbegrensde ja, maar ook het groene schrift van de alledaagse trouw en het rood van de pijn om de weg van haar zoon. Maar zover is het vandaag nog niet. Dat alles ligt nog in het verschiet. Vandaag loven wij God om het begin van dit leven waarin Hij op een heel bijzondere manier geschiedenis met ons wil schrijven. Moeder van Jezus zal Maria worden en heel haar bestaan zal in dat teken staan.

We hebben van Maria een ja woord en een lied, daar moeten wij het mee doen. Een ja woord dat niet om haar draait, maar waarmee zij zich bereid toont plaats te maken voor een ander om een levende schoot te zijn voor het kind van Gods ontferming. En een lied waarin zij God looft omdat Hij omziet naar kleine mensen en machtigen van hun tronen stoot.  

Behoudens die twee momenten waarop wij de stem van Maria horen, blijft het stil. Maria, moeder van het Woord, zeker, maar door het te dragen in haar schoot, door het te overwegen in haar hart en door het te doen in de dagelijkse zorg voor wie haar was toevertrouwd. Zo is zij moeder van Jezus, zo is zij moeder en spiegel van de kerk en zo is zij icoon voor een heel monniksleven.

Zo pril als het begin van het leven van Maria is deze professiedag van onze broeder Columba vandaag niet. Hij heeft al een deel van zijn levensweg achter zich. Een Amsterdamse jeugd die niet helemaal smetteloos was, maar waar de onvermoede rol van een grootmoeder een stil verlangen wekte waar het jochie nog geen weet van had. God schiep een begin, toen Patrick er nog niet van droomde.  Maar mettertijd heeft dat verborgen verlangen je naar de abdij geleid. De kronkelpaden zijn verlaten, en al is de weg soms smal of steil, je hebt volgehouden, en vandaag wil je van harte ja zeggen tegen de Heer en onze communiteit om je voorgoed te binden. Dat is een grote stap, en het is niet zomaar een voortzetting van de weg, het is ook een nieuw begin. Je engagement is het einde van een lange proeftijd en het begin van een verbintenis voor het leven, waarin jij samen met deze communiteit je leven wilt wijden aan de dienst des Heren.

Nieuw, niet omdat het allemaal anders wordt, maar omdat je je alle dagen van je leven compromisloos wilt geven aan de roeping die God je in het hart heeft gelegd. Zo’ n stap getuigt van geloof en moed, want wie kan de toekomst voorzien en dan toch ja daarop zeggen? Hoe durft een mens dat, en is het geen overmoed?

Een nieuw begin, jij durft het aan, omdat je in de leerschool van het evangelie hebt ontdekt op wie je kunt vertrouwen. Jezus zelf heeft je geleerd op wie je mag vertrouwen. Hij heeft zich aangediend als tochtgenoot en gids op de weg van het luisteren naar Gods stem. Hij heeft je ook broeders gegeven die samen met jou de weg van het gebed en de broederlijke dienst aan kerk en wereld willen gaan. En er is Maria, de moeder Gods, die juist als jouw grootmoeder, je zonder veel woorden laat zien waartoe jij bent geroepen. Niet om als een straatschoffie onrust te zaaien, maar om door beschikbaarheid en gebed leven te wekken, de snaar te raken van het verlangen dat groter is dan onszelf.

Een nieuw begin, een nieuwe fase in je leven, onder geleide van het evangelie en de regel van vader Benedictus. Hij spoort ons aan elke dag weer ons oor af te stemmen op Gods stem, ‘Heden als gij zijn stem hoort’, zo horen we elke morgen in de eerste psalm die wij aanheffen. Heden, vandaag in de navolging van Jezus de weg leren gaan, met vallen en opstaan, met vreugde en met volharding als het zwaar valt, om gaandeweg een verruimd hart te mogen ontvangen en met een blijde liefde de weg te gaan die al Gods mensenkinderen thuis mag brengen in de vrede, die alle begrip te boven gaat.

Moge deze dag, dit nieuw begin, jou, broeder Columba, en ons allen sterken en bemoedigen op de weg die ieder te gaan heeft. AMEN.  

Abt Thijs Ketelaars

Preek 28 november 2021

Wij beginnen vandaag zoals gezegd een nieuw liturgisch jaar. Een nieuw begin, wie droomt daar niet van in deze turbulente tijd. Een nieuw begin waarin iedereen op adem kan komen, waar verhitte geesten door een koele bries tot bezinning komen en confrontatie plaats maakt voor samen zoeken hoe allen een menswaardige toekomst te geven.

Maar vooralsnog lijkt het daar niet op. Er is sprake van een onstuimige zee om het met de taal uit het evangelie te zeggen. Dat 21e hoofdstuk van Lucas waar wij een klein gedeelte van hoorden, geeft veel herkenning. Ook de jonge kerk waar Lucas zijn evangelie voor schreef, verkeerde in zwaar weer. Politiek zowel als religieus. De wereld stond voor menigeen op zijn kop. Jerusalem was verwoest en de relatie tussen de Joodse gemeenschap en de leerlingen Ja Hij is prachtig van Jezus die een eigen weg waren gegaan, stond zwaar onder druk.

Crisis, het is van alle tijden. De namen verschillen op zijn tijd, maar onrust en agressie, zij lijken steeds weer deel uit te maken van de dagelijkse agenda. Je zou er moedeloos en gedeprimeerd van kunnen worden. ‘Heer, wordt het ooit nog wat met dat koninkrijk van u?’ schreef een bekend schrijver midden vorige eeuw.

Maar crisis of niet, wij maken vandaag een nieuw begin met de eerste zondag van de advent. Die jaarlijks terugkerende liturgische cyclus is een groot geschenk. Wij hebben dat misschien niet altijd in de gaten, maar hij kan ons behoeden voor een wegzinken in pessimisme en moedeloosheid. Wij worden opgenomen in een groot verhaal dat bij alle falen en verdwalen steeds weer kracht schenkt om niet op te geven, maar te speuren en attent te zijn op tekenen van hoop, die uitnodigen tot volharding, tot bekering ook en tot inzet voor een wereld waar de chaos bedwongen is en het visioen van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde handen en voeten krijgt.

Dat nieuwe begin markeert de opgang naar Kerstmis, feest van een geboorte die een belofte in zich draagt. Geldt dat trouwens niet voor elke geboorte?

Maar zijn wij klaar voor dat nieuwe begin?  Of zijn we zo verlamd of zo verstrikt geraakt in een onherbergzame wereld, dat we het geloof en de hoop op een nieuw bestaan hebben opgegeven? Als we om ons heen kijken, dan is zo’n reactie niet onbegrijpelijk. Maar toch.

De Schrift, dat boek van ons geloof, dat verhaal over het reilen en zeilen van onze voorouders in het geloof, heeft weet van heel veel crisis situaties. En altijd waren er die afhaakten, die het niet meer zagen zitten. Je vindt ze in ons familiealbum terug, maar er is ook een andere groep. Mensen die in de crisis, in de ballingschap, het geloof in Gods toekomst met onze aarde hebben bewaard en de lange weg zijn gegaan dwars door de woestijn, uitziend naar het land in de verte.

Zijn wij daar in de crisis van dit moment ook toe in staat? Durven wij er in geloven dat deze ogenschijnlijk uitzichtloze situatie ook de mogelijkheid biedt voor een nieuw begin?

Het evangelie van vandaag spreekt over de ineenstorting van een wereld, maar maakt ook melding van een oproep tot ommekeer en tot de kop niet in het zand steken, maar het hoofd opheffen, waken en bidden.

Het hoofd opheffen om goed te kijken en te zien wat de gegeven situatie van ons vraagt, welk evangelisch appèl ervan uitgaat. Het begint met goed kijken, met attente aandacht om te leren onderscheiden welke pijn, welke agressie, welk verdriet, er schuil gaan achter deze verscheurde en verscheurende wereld, maar laten we ook aandachtig en onbevangen speuren welk verlangen en welke hoop er verborgen liggen in deze duisternis.

Het hoofd opheffen, niet bij de pakken neerzitten, maar met aandacht en vastberaden de weg zoeken die ons allen toekomst geeft. Dat is de weg van het geloof, een weg die in het evangelie van vandaag met twee woorden wordt gekarakteriseerd: waakzaamheid en gebed.

Waakzaamheid, dat is heel iets anders dan op de vuist gaan met elkaar.  Het is het leven zoals het is met open vizier tegemoet treden, ja met een blik die naar leven speurt. En dat niet alleen voor jezelf, maar voor heel die wereld die God zo lief is. Er wordt momenteel op tal van plaatsen in twee kampen gedacht en geleefd, dichtbij en veraf. Of het nu gaat om covid, het klimaat, de opvang van vluchtelingen en asielzoekers, het synodaal proces of wat dan ook, overal tref je voor- en tegenstanders.

Waakzaamheid is geen vorm van wit en zwart denken, maar een houding die insteekt op ware onderscheiding. Waakzaamheid is ook geen zaak van heftige protesten, al zijn die soms misschien nodig. Waakzaamheid heeft in het evangelie van doen met stille en volgehouden aandacht zoals je stil de vlucht van een vogel volgt om te zien waar hij heen vliegt.  Waakzaamheid, je moet er stil voor worden, anders kijk je met een beslagen bril en zie je de werkelijkheid met een vertekende blik en trek je verkeerde conclusies. Waakzaamheid om kleine tekens van leven te ontdekken, uitbottende loten, die onze zorg verdienen om de boom des levens tot wasdom te laten komen.

De Heer maant vandaag niet alleen tot waakzaamheid maar spoort ook aan tot bidden. Bidden, dat was en is een vertrouwd woord en de eeuwen door is het gebed voor velen in tijden van nood een hulp en medicijn geweest.  Gebeden, ze zijn er in vele toonaarden, het psalmenboek getuigt ervan. De schreeuw van de verdrukte of radeloze mens. Maar bidden is niet enkel spreken, meer nog is het luisteren. Het oor van je hart te luisteren leggen om de hartslag te kunnen horen van nieuw leven dat zich in het duister aandient, zoals Jezus zelf een leven lang gebeden en gewaakt heeft om die stille stem te horen en er gehoor aan te geven met inzet van heel zijn bestaan.

Weest waakzaam en bidt opdat wij niet toegeven aan angst en agressie, maar oog krijgen voor het nog niet geziene, voor het onooglijk begin, Gods komst in ons bestaan, zo weerloos en kwetsbaar als een mensenkind dat om een thuis vraagt en ons een thuis belooft, een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. AMEN.

Abt Thijs Ketelaars

Cadv1 2021 Jer. 33,14-16; 1Tess. 3,12-4,2; Lc. 21,25-28+34-36

2021 Christus Koning

Zusters en broeders,

Vandaag, op deze laatste zondag van het huidig kerkelijk jaar, vieren we Christus Koning. Bijna een eeuw geleden, in 1925 heeft paus Pius XI dit feest van Christus Koning van het Heelal ingesteld als reactie op de opkomst van het atheïsme en de secularisatie in de samenleving. Het is een gebaar dat de kerk stelde, een statement naar de samenleving dat zij als kerk wilde uitkomen voor de overtuiging dat de mensheid, de aarde, ja heel de kosmos, onder het gezag van de Heer Jezus Christus staat, onderworpen aan zijn Persoon tot eer van God de Vader. Zij wil de mensheid hieraan herinneren, want Christus is onze vrede, alleen als wij op Hem bouwen zullen wij wereldwijd een harmonieuze samenleving kunnen realiseren. Je kunt dat triomfalistisch vinden, of ook ontroerend, al dan niet opportuun, maar je kunt er niet omheen. Maar we overtuigen onze medemensen niet door dit zomaar te stellen, zeker niet als we het triomfalistisch doen, maar we moeten het laten zien. Wat moeten, of wat mogen we ons dan voorstellen bij het koningschap van Christus? Jezus zelf doet een behartenswaardige uitspraak: Hij bevestigt zijn koningschap, maar stelt ook “Mijn koningschap is niet van deze wereld.” In het vierde evangelie tekent Jezus met de bevestiging dat Hij koning is zijn doodvonnis. Aanvankelijk wil Pilatus er geen kwaad in zien, misschien had hij wel te doen met zoveel naïviteit.

In elk geval hij probeert Jezus vrij te laten. Maar dan grijpen zijn vijanden de woorden van Jezus aan als een politiek statement: “Ieder die zich zelf tot koning uitroept pleegt verzet tegen de keizer.” Dan kan Pilatus deze uitspraak niet luchthartig laten passeren, en is het lot van Jezus bezegelt. De reden van zijn kruisiging wordt in drie talen aangegeven: `Jezus de Nazarener, koning van de Joden’. INRI op ieder kruisbeeld staat het vandaag nog te lezen. En aan het kruis de doodgemartelde rabbi uit Nazareth over wiens optreden zovelen in Israël lyrisch waren geweest en die enkele dagen geleden nog  in triomf was ingehaald en toegezongen: Hosanna zoon van David.  Dat is dus de ware koning: onmachtig lijdend aan het kruis, doodbloedend uit liefde voor hen die Hem verwerpen, ontkennen, verraden en vermoorden.

Ja, inderdaad: als wij kijken naar Jezus gekruisigd zien wij wie Hij is, zien wij hoe Hij onze koning wil zijn. Zijn heersen is dienen. Zijn heersen is: zijn eigen leven geven ten bate van de wereld. Tot heil van allen die in Hem geloven. Met zijn voorbeeld wijst Hij ons de weg hoe wij in onze samenleving het koninkrijk van God gestalte kunnen geven.

In Jezus aardse leven spelen verschillende koningen een rol, en tonen zij hoe zij het koningschap opvatten.

Nauwelijks is Jezus te Bethlehem geboren of koning Herodes stelt zich al tegen Hem te weer: als de wijzen uit het Oosten te Jeruzalem navraag doen;  “Waar is de pasgeboren koning van de Joden?”  besluit Herodes deze nieuwgeboren concurrent uit de weg te ruimen.

Zo is al te dikwijls het koningschap van deze wereld: macht die zich zelf bevestigt ten koste van alles en iedereen. Macht die zich zelf centraal stelt en waaraan alles en iedereen onderworpen moet worden. Op die macht was het Romeinse rijk gebouwd. Als het er alleen maar de schijn van heeft dat Jezus voor die macht een bedreiging zou kunnen zijn dient Hij al uit de weg geruimd te worden.

Maar Jezus is dus helemaal geen koning van macht en heerschappij, maar van liefde, vrede en gerechtigheid. Hij is op de wereld gekomen om ons te leren hoe we kunnen meebouwen aan  het Koninkrijk van zijn Vader, dat helemaal anders is dan wereldse koninkrijken. Want het is een  Rijk waar de aandacht niet uitgaat naar macht, bezit en eigenbelang, maar naar armen, zieken, gehandicapten, blinden, doven. Een Rijk waar de Zaligsprekingen de enige leefregel zijn. Een rijk waar men nederig is en troost brengt aan mensen die treuren. En ook zachtmoedig en barmhartig, zodat men kan vergeven en vergeten. En zo zuiver van hart en van doen en denken dat men altijd op zoek gaat naar vrede en gerechtigheid. Een Rijk met maar één gebod: ‘Bemin God bovenal en bemin uw naaste zoals uzelf.’ Een droom van een Rijk. Van dat Rijk getuigt Jezus, en van dat Rijk is Hij Koning.

Jezus heeft het in zijn leven waargemaakt. En Hij heeft beloofd met zijn volgelingen te zullen zijn tot aan het einde van de wereld. Zijn nalatenschap, zijn testament kunnen wij voelen als een te zware last. De realisatie van zijn koninkrijk zouden wij het liefste aan Hem zelf overlaten. “Dat koninkrijk van U, wordt dat nog wat?”  De Heer zal antwoorden: “Ja, als jij wil meewerken!” Maar zo dikwijls schuurt het evangelie met onze verlangens en onze gevoelens, want die gaan bijna van nature uit naar onszelf, naar eigen partner, eigen kinderen en kleinkinderen, naar eigen bezit, eigen gezondheid, eigen leven.  Bijgevolg is meebouwen aan Gods Koninkrijk van liefde, vrede en gerechtigheid niet gemakkelijk, en daarom staat God ons altijd bij, en heeft Hij ons Jezus gezonden om ons de goede weg voor te leven. Dat hoorden we al in de eerste lezing. Daarin vertelt de profeet Daniël dat hij zag ‘dat er uit de wolken van de hemel iemand kwam die op een mens geleek. Hem werden macht, eer en het koningschap verleend. Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij die nooit vergaat, en zijn koninkrijk gaat nooit ten gronde. ’Zusters en broeders, dat zijn heel sterke woorden en ook woorden van hoop. Want wat er ook gebeurt, hoe weinig positief Kerk en geloof er vandaag ook uitzien, Gods Koninkrijk van liefde, vrede en gerechtigheid zal nooit vergaan, omdat Jezus altijd in woorden en daden zal blijven voorgaan in de zoektocht van alle mensen naar vrede en geluk. Want Hij is en blijft Koning van het heelal en als zijn heerschappij met onze medewerking eenmaal gevestigd zal zijn zullen wij met Hem gelukkig kunnen zijn. Amen.

Br. Gerard Mathijsen

Dan. 7, 13-14; Apok. 1, 5-8;  Joh. 18, 33b-37

Preek 14 november 2021

Vandaag besluiten wij als communiteit onze jaarlijkse retraite. Dat is dus een einde, maar tegelijk is het ook een begin.  Dat begin valt af te leiden aan de professievernieuwing zo dadelijk, waarmee wij ons ja woord vernieuwen en bevestigen. En tegelijk is deze viering  het einde van een week waarin we wij als monniken ons leven hebben bekeken en beluisterd in de leerschool van het evangelie. En dat alles om meer getrouw, met vreugde en toewijding onze roeping te vervullen.

Waartoe zijn wij geroepen? Waartoe zijn wij op aarde? Welke weg hebben we tot nu toe gevolgd en welk pad ligt er voor ons, waartoe willen wij ons blijven engageren? Waar geloven en hopen wij op?

Vragen die niet alleen een monnikengemeenschap raken, maar elke gelovige, ja elke mens.

Die vragen hebben in deze dagen van het overleg in Glasgow een bijzondere urgentie. En het evangelie van vandaag draagt daar ook toe bij met zijn beeldende taal over de grote transformatie op het einde. En wat betekent dat voor ons heden?

Klimaatoverleg en  einde der tijden, je kunt er verlamd door raken. Wat kunnen wij er als enkeling aan doen, gaat het mijn en onze maat niet te boven? Inderdaad, en wij hebben ons er deze week dan ook niet direct mee bezig gehouden. Dat was niet door onverschilligheid, maar wij hebben ons bestaan onder het woord van de Schrift en de traditie geplaatst en de hulp die ons daarbij werd geboden, reikte ons met twee woorden een kostbaar richtsnoer aan.

Op de eerste dag hoorden wij de woorden ‘relatie’ en ‘dynamisch’ als bakens op de weg van het geloof, en op de laatste dag kregen die woorden een heel concrete gestalte in drie heiligen van onze tijd: Titus Brandsma, Karl Leisner en Edith Stein, mensen voor wie het geloof geen opsomming van waarheden was, maar een relatie met de levende Heer, die hun leven kleur, kracht en richting gaf. Levend uit het woord van God, uit de liefde van en voor Christus ging hun levenspad niet over rozen, maar kende het een vervulling die woorden als geslaagd en geluk doen verbleken.   

Waartoe zijn wij op aarde? Waar leven wij voor en waar leven wij uit? Wat of wie geeft richting aan ons bestaan?

Geld, glitter, macht en aanzien spelen in de geschiedenis van ons mensen niet zelden de hoofdrol. Dat was al in de tijd van koning David en het is nu niet veel anders. In onze tijd is daar nog een andere god bijgekomen: de maakbaarheid; de idee of het geloof dat wij het leven maken kunnen tot en met de mens. Van de  voortsnellende techniek worden wonderen verwacht, maar het is heel de vraag of die allemaal bijdragen aan een gelukkig mensenbestaan, of dat wij onze hand overspelen.

Waartoe zijn wij op aarde? Waar leven wij van en waar leven wij voor?

Het grote boek van ons geloof spreekt daar op elke pagina over. En het veel belovende begin, waar God de mens een wereld toevertrouwt, een schepping in handen legt om zorg voor te dragen en om voor te danken, dat begin, loopt al snel zware averij op. Het netwerk van relaties wordt verstoord en loopt ernstige schade op. De relatie met God komt in een kwaad daglicht te staan en de relatie met de naaste wordt daarin meegesleept, met de dood als gevolg. Waar wij ons heer en meester wanen van de schepping, krijgt God niet meer de plaats die hem toekomt en wordt heel het tere weefsel van de schepping zelf slachtoffer van een greep naar de macht. Leven ten koste van de ander neemt dan de plaats in van leven ten dienste van de ander.

Wij hebben dezer dagen in de stilte het woord overwogen dat ons is toegesproken, een woord dat uitnodigt de adel van de mens niet te veronachtzamen. Geroepen en begenadigd zijn wij tot gemeenschap, in het klein en in het groot, hier in onze communiteit, maar met een hart zo wijd als de wereld.

Daartoe zijn wij als christenen allemaal geroepen. Niet als een last, maar als een weg naar de ware vreugde, naar een bestaan dat zich bemind weet nog voor het zelf aan het woord is gekomen, en dat vanuit die liefde anderen leert beminnen, die evenzeer kinderen van God zijn.

Dat doe je niet door in de pas te lopen met de goden dezer eeuw, door alles in te zetten op geld, macht, aanzien en pakken wat je pakken kunt. Die goden zijn geen lang leven beschoren en zetten op een dwaalspoor dat niets en niemand tot zegen is. We zien het voor onze ogen gebeuren.

Het evangelie van vandaag spreekt over het dramatische einde van een wereld en over het uitbotten van een vijgenboom. Die woorden worden door Jezus verteld als hij de tempel verlaten heeft en sommigen van zijn leerlingen hoog opgeven van de pracht van het gebouw. Maar Jezus noemt het buitenkant, die ten dode is opgeschreven. Waar geen ware binnenkant is, waar onze ziel de zelveloosheid mist, is onze samenleving ten dode opgeschreven. Daar helpt geen techniek aan en geen buidel geld.

Wij sluiten onze retraite af. Wij hebben het overleg van Glasgow even aan ons voorbij laten gaan, niet omdat de wereld ons niet dierbaar is, maar om tijd vrij te maken om een zaadje te planten, om tijd en aandacht te geven aan de vijgenboom van ons leven, opdat die zou mogen uitbotten en leven voortbrengen. Want daar moet het mee beginnen. Het evangelie van vandaag kan bij het eerste gehoor schrik aanjagen, maar in feite is het een woord van hoop. De oude wereld die vergaat en in duigen valt, hoeft niet het einde te zijn, wanneer wij de weg van de bekering gaan, ieder afzonderlijk en wij allen samen als gemeenschap. Bekering, ommekeer, in de winter van het bestaan de aarde van de ziel rust en tijd geven voor nieuw lot, voor zaad dat ontkiemt.

Zo dadelijk spreken wij opnieuw onze geloften uit. Wij zeggen ermee uit dat wij geloven in de liefde die ons draagt, en die ons nodigt anderen en elkaar te dragen als een nieuw begin van vrede in onze wereld. God moge er de wasdom aan geven tot zegen van heel de aarde die hem zo lief is.

Voor U in deemoed, met U in geloof, in U in stilte. AMEN.

Abt Thijs Ketelaars

Bdhj33 2021 Mc. 13,24-32

Feest van de H. Willibrord

“Gedenkt uw leiders die u het eerst het Woord van God verkondigt hebben.”

Vandaag nemen wij de aanmaning ter harte van de brief aan de Hebreeën, en vieren Willibrord die als eerste hier het geloof heeft verkondigd. Met des te meer devotie omdat Willibrord daadwerkelijk in deze streek is rond­getrokken, in Heiloo heeft gedoopt, en er zijn sporen heeft nagelaten.

Hij is gekomen als drager van het goede nieuws, het evangelie. Dat is nu de kostba­re schat die wij in ons hart dragen, en die wij de mensen kunnen tonen: weest niet bang, durf de toekomst met vertrouwen tegemoet te zien: Wij hebben het heil van onze God aanschouwt!  Willibrord ging als een apostel. Hij werd er op uitgestuurd. Hij volgde het voorbeeld van de leerlingen die Jezus had uitgekozen, gevormd, en gezonden tot aan de grenzen van de aarde. Wij weten dat zij verre reizen hebben ondernomen: door Klein-Azië, Griekenland, tot in Rome, en zelfs tot in Spanje, en in de andere richting tot in India.  Een geweldige dynamiek, expansie, vita­liteit, enthousiasme. En wat is hun boodschap, hun evangelie: God heeft ons als teken van zijn liefde zijn eigen Zoon gezonden, die voor ons door lijden en dood is gegaan. Wij mogen van Hem en door Hem redding verwachten. Hij geeft ons de kracht om nieuwe mensen te worden en in vrede te leven met God. Het visioen van Jesaja dat wij hoorden in de eerste lezing anticipeert op de vervulling van deze heilsboodschap. De vreugde-boden trekken hier niet uit, maar komen naar het centrum, naar de stad Jeruzalem. Het heil heeft de grenzen der aarde bereikt, en nu wordt de oogst naar Gods huis gebracht. De puinen van Jeruzalem trillen van vreugde: de Heer komt terug: God regeert. Het is een fantastisch feest, een blijde oogst.

De kerk, zoals zij leeft, zoals Willibrord haar hier heeft geplant, stoelt op dat rijke begin van de aposto­lische prediking, en leeft toe naar de vervulling van dat visioen: de wederkomst van de Heer. En hoe zij daarin staat en groeit beschrijft Paulus in de tweede lezing: zij houdt de herinnering levend; zij verdedigt zich tegen dwalingen, zij staat in contact met God door de Naam van Jezus hoog te houden, en zij verstevigt de onderlinge band door daadwerkelijke broederliefde. De griekse tekst spreekt van de koinoni­a: vergeet de goede werken en de koinonia niet, want dat zijn de offers die God behagen.

In onze dagen is die koinonía broos, maar des te meer van vitaal belang. Het onderhouden van de verbondenheid, het luisteren naar anderen, de dialoog: het in gesprek willen zijn. En nu het synodaal proces, het besef samen op weg te zijn, samen te luisteren naar de Geest, die niet schreeuwt, maar fluistert, die wij niet op het spoor komen in heethoofdig disputeren, maar die wij wellicht horen, als wij proberen samen te luisteren naar zijn ingevingen.

Ik las van een oudere dame die veel van haar tijd besteedde aan het bezoeken van mensen in nood. Toen zij hoorde van een eenzame vrouw die ergens in een caravan huisde, ging zij op zoek, en het kostte haar veel moeite de plek, verscho­len in de bossen, te vinden. Op haar kloppen kwam geen antwoord, al had zij de indruk dat er iemand aanwezig was, maar er werd niet open gedaan. Zij maakte zich niet boos, maar sprak zachtjes, mis­schien meer in zichzelf dan om gehoord te worden, woordjes van troost en bemoediging. Toen de deur gesloten bleef, ging zij maar weer naar huis. Enige tijd later kwam de bewoonster van die cara­van haar bezoeken en bedanken. Zij had zich daar afgesloten en zij had op het punt gestaan om een einde aan haar le­ven te maken maar door die stem was zij tot andere gedachten gekomen. Zij had het niet kunnen opbren­gen de deur te openen, maar het had haar wel iets gedaan, zij had zich weten te herpakken en opnieuw voor het leven geko­zen.

Zusters en broeders, voor mij is dat een beeld van onze samenleving. Veel mensen zitten wanhopig en eenzaam achter een gesloten deur en houden al wat te maken heeft met geloof en kerk buiten. Vanuit de kerk zijn wij vaak met heel veel goede wil op zoek naar middelen om binnen te komen. Wij den­ken dat we pas achter de deur onze boodschap kwijt kunnen. Maar misschien is het genoeg om door de gesloten deur heen het evangelie te verkondigen, het goede nieuws te fluisteren.

Een abdijgemeenschap is geroepen een model van koinonía te zijn. Willibrord vond dat zo belangrijk dat hij waarschijnlijk aan het stichten van een monnikenklooster in Echternach meer tijd en aandacht heeft besteed dan aan de actieve missionering en de uitbouw van juridische kerkstructuren.

In onze dagen hebben kloostergemeenschappen nog steeds als opdracht te tonen hoe je dat doet: koinonia beoefenen, en zo God welge­vallige offers opdragen. In een cultuur die vol lawaai en snelheid is, te leren wat stilte is, hoe goed het is te luisteren. En natuurlijk zijn er ook boodschappers nodig die uittrekken, en pastores die zorg dragen voor de mensen. Zo worden wij allen samen gevoelig voor de boodschap van het evangelie, en horen wij hoe de vervulling nabij komt, hoe Gods Rijk op ons toekomt, hoe de puinen worden hersteld, hoe het heil van God naar ons toekomt en wij samen Gods weldaden mogen bezingen.

Br. Gerard Matthijsen

Jes.52, 7-10; Hebr. 13, 7-9a+15-17a; Mt. 28,16-20

Nieuwsbrief

Schrijf u vrijblijvend in en blijf op de hoogte van de activiteiten van Abdij van Egmond.

We respecteren uw privacy. Sint-adelbertabdij zal uw e-mailadres nooit delen met derden.
© 2022, Abdij van Egmond Algemene voorwaarden