Geen producten in de winkelwagen.

Nieuws

Preek zondag 19 juni 2022

In het evangelie van deze zondag belijdt Petrus, in naam van alle apostelen, het Messiasschap van Jezus: “U bent de Gezalfde van God”. Volgens het evangelie van Mattheüs vond deze bekentenis plaats in Caesarea Filippi. We horen deze tekst uit Mattheüs lezen op het feest van de Heiligen Petrus en Paulus over tien dagen. Laten we vandaag stilstaan bij de woorden die Jezus spreekt na Petrus’ belijdenis: de aankondiging en prediking van zijn lijden en dood.

Dit tweede deel van het evangelie van deze zondag hangt nauw samen met de passage uit het boek van de profeet Zacharia, die vandaag in de eerste lezing is voorgelezen. Deze korte passage maakt deel uit van een profetie van de profeet Zacharia over de bevrijding van Jeruzalem aan het einde der tijden: “Op die dag … Zal Ik alle paarden en hun berijders met verdwazing slaan…Ik zal de het huis van Juda redden…Ik zal mijn bescherming uitbreiden tot de inwoners van Jeruzalem…” Leest in deze context de verzen “Zij zullen hun ogen opheffen naar hem die zij hebben doorstoken; zij zullen over hem weeklagen als over een enige zoon; zij zullen bitter om hem wenen als over een eerstgeborene.” Dit alles zal gebeuren, zegt de profeet, “op die dag.”

Deze uitdrukking “op die dag” is een verwijzing naar het einde der tijden, dat wil zeggen naar de messiaanse tijden. In die tijd, in de nood van de oorlog van het einde van de wereld, zal het volk van God worden bekeerd, en tot zijn God terugkeren: “En Ik zal over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem een ​​geest van mededogen uitstorten die hen tot bidden brengt”, een geest van bekering, van innerlijke transformatie; dit zal bewerken dat de inwoners van Jeruzalem zullen opzien naar hem die ze hebben doorstoken. De profeet Zacharia lijkt hier de lijdende Dienaar van het boek Jesaja in gedachten te hebben.  Voor de apostel Johannes werd de profetie van Zacharia letterlijk gerealiseerd, toen een van de soldaten die Jezus kruisigden, met een speer het hart van Jezus doorboorde (Joh.19/34).

Voor de apostelen, kinderen van hun tijd, was het moeilijk om een ​​lijdende Messias-Dienaar te accepteren. Wat Jezus hun in het evangelie van deze zondag aankondigt: “De Mensenzoon moet veel lijden, en door de oudsten, de hogepriesters en de Schriftgeleerden verworpen worden”, schrikt hen af. En wat hij eraan toevoegt: “dat hij op de derde dag weer zal opstaan”, begrijpen zij niet. Ze zullen het later begrijpen. Op dit moment is het voldoende om hen aan te kondigen dat het zal gebeuren, zodat wanneer het gebeurt, zij zich herinneren dat dit was voorspeld en voorzien, al in het Oude Testament, door de profeet Zacharia, in de passage die vandaag als eerste lezing is gelezen.

“De Mensenzoon moet veel lijden, maar ook al wie Mij volgen wil”. Aan het lijden valt niet te ontsnappen. De Messias zal er niet aan ontsnappen, en evenmin de leerling. Dit is wat Jezus zijn apostelen vervolgens vertelt; en dit geldt niet alleen voor hen, maar voor elke christen: “Wie Mij wil volgen, laat hij zichzelf verloochenen, dagelijks zijn kruis opnemen en Mij volgen”. De discipel, ieder van ons die in Jezus de Messias heeft herkend en eenmaal heeft aanvaard dat Hij een lijdende Messias is, is geroepen steeds het voorbeeld van zijn Meester te volgen, zijn eigen kruis op zich nemen en het niet te weigeren. Door zijn leven te verliezen zoals Jezus zal de discipel (m/v) het redden. We kunnen dat lezen als een aankondiging van het martelaarschap dat veel, zelfs heel veel van Jezus’ discipelen zullen ondergaan. In vroegere tijden, maar nu misschien nog meer.

Deze week hoorden wij van onze medebroeders in Nigeria, die daar toch wonen in een vrij rustige streek, dat in een kerk niet zo heel ver van hun klooster verwijderd door fanatieke Fulani Moslims 50 christen werden vermoord, waaronder de moeder van een van hun broeders. Maar als er wordt gezegd dat je elke dag je kruis moet dragen, gaat het niet alleen over martelaarschap, wat altijd mogelijk is voor elke discipel van Christus, maar gaat het over al het fysieke en morele lijden dat het leven op aarde met zich meebrengt. Daarvoor hoeven we niet naar Afrika, of naar Oekraïne. Ieder van ons is geroepen, en ieder naar eigen maat, om deel te nemen aan Jezus’ kruis. Dit lijden, en de verzaking die het met zich meebrengt, de pijn die het veroorzaakt, is nooit nutteloos, nooit zonder betekenis. Als wij het met geloof aannemen is het een garantie voor de opstanding en dus voor het ware leven. Want alles wat wij moeten inleveren in dit leven, elk verlies, elke tegenvaller, elke mislukking, als we het dragen in het spoor van Jezus, in gelovig vertrouwen, zal omgevormd worden tot een winst, tot ons heil, tot toename van eeuwige leven: “Wie zijn leven voor mij verliest, zal het redden”. Een moeilijke, maar ook een troostvolle waarheid.

Troostvolle woorden zegt ons ook de apostel vandaag: “Gij zijt allen kinderen van God door het geloof in Christus Jezus. … Als u bij Christus hoort, bent u erfgenamen krachtens de belofte.”

Br. Gerard Mathijsen osb

Preek Sacramentsdag 16 juni 2022

Sacramentsdag en Witte Donderdag laten ons hetzelfde geheim vieren, maar het is geen ééneiige tweeling. Er is verschil tussen die twee en dat zit hem in de context van het gebeuren. Witte Donderdag maakt deel uit van het dramatische einde van Jezus’ leven, het staat in een historische samenhang waar tal van machten en krachten aan het werk zijn. Sacramentsdag kent niets van dat alles, dit hoogfeest staat in de context van een theologische beschouwing over de eucharistie, die zijn voorlopig einde vond met de instelling van het feest van Sacramentsdag in 1264. Eén geheim, twee heel verschillende werelden waarin het ter sprake komt. En die twee hoeven wij niet tegen elkaar uit te spelen. Zij geven er elk hun eigen kleur en diepte aan.

Op Witte Donderdag is Jezus met zijn leerlingen samen in het boven vertrek om het paasmaal te vieren. Dat feest viert een ontsnapping aan de dood, maar die valt alleen de mens ten deel die bereid is door het water van de dood heen te gaan. Je moet er alles voor geven anders zul je de oever van het nieuwe bestaan nooit bereiken.  Voor Jezus krijgt die Paasavond een bijzondere betekenis, want hij beseft dat voor hem het einde nabij is. En dan neemt hij aan tafel het brood en de wijn en reikt die aan zijn leerlingen toe. Het gebaar is o zo simpel,  heeft niets theatraals, maar het is de samenvatting van een heel leven dat zich gegeven heeft ten dienste van de weg die hij als zijn roeping zag. Vanaf het moment dat de hemel voor hem was opengegaan bij de doop heeft hij zijn leven ingezet voor de komst van Gods koninkrijk, wat dat ook van hem zou vragen. Zijn leven geven als brood, opdat anderen zouden leven en mochten ontdekken dat God met hen het goede voorheeft. Zo is Jezus mensen nabij geweest in het leven van alledag, in nood en pijn, bij vreugde en vrolijkheid, bij bruiloften, maar ook aan het ziekbed. Steeds was hij er met een bemoedigend woord, een helende hand, maar soms ook met een roep om bekering. Laat je leven niet tevergeefs geleefd zijn, neem de uitnodiging aan.

Heel zijn handel en wandel, zijn spreken en zwijgen, zijn bidden en werken, het waren evenzovele zaadkorrels die samen om zo te zeggen de basis vormden voor het brood dat zijn leven geworden is. En de wijn was de oogst van zijn vele momenten waarop hij mensen de vreugde van het koninkrijk liet proeven met de inzet van heel zijn leven. En op Witte Donderdag werd dat alles bezegeld met de maaltijd waarbij hij getuigde dat er geen terugweg meer was en dat hij er ten volle ja op zei. Tot aan de rand, tot het uiterste, tot het laatste moment onderschreef hij waar hij voor stond. En bij alle tragiek en alle duisternis was deze daad daarmee ook een teken van geloof, hoop en liefde. Geen dreiging, geen geweld of wat dan ook kon deze liefde breken of ongedaan maken. En met het brood en de wijn reikt hij ons een spijs van eeuwig leven. Over deze gave heeft de dood geen macht. Jezus gaat er doorheen zoals brood door het vuur van de oven gaat en druiven geperst worden tot wijn, leven en lijden getransformeerd tot kristalheldere liefde, sterker dan de dood.

Op Sacramentsdag vieren wij hetzelfde geheim, maar nu in een heel andere context. Hier geen rumoerig en volgepakt Jerusalem, geen dreigende wolken van verraad, vernedering, verloochening en dood, maar een verstilde viering, een schouwen naar het geheim van Gods liefde die zich als brood voor de wereld gegeven heeft. Dat kan wereldvreemde trekken aannemen, maar het kan ook helpen dieper door te dringen in de levensgang van Jezus. Samen met Sacramentsdag kwam ook de aanbidding van het sacrament in zwang. Daar valt van alles over te zeggen, maar laten we vandaag een moment stil staan bij de vruchten die wij ervan kunnen oogsten. Het stil verwijlen bij het sacrament  kan ons in deze tijd van jachten en jagen gevoelig maken voor de  schat die verborgen ligt in het stil vertoeven in het gezelschap van een geliefde. Zonder woorden, er zijn voor en met de ander.  Dat simpele brood waarnaar wij opzien kan ons de weg wijzen niet alleen naar het geheim van Gods ontlediging, maar ook naar de weg die er nodig was en is om tot zuiver brood van of voor Christus te worden. Jezus is brood geworden en daartoe zijn veel korrels bijeengebracht, samen gemalen, een bestaan tot eenheid gebracht en getransformeerd tot spijs die leven geeft. Dat is niet iets van één dag, dat vergt ascese, geduld, overgave, volharding en doorheen dat alles onbaatzuchtigheid. Hij heeft het bevochten en er zich aan overgeven in nachten van gebed en in dagen van aandacht voor anderen. En toen hij ervoor door het vuur moest, heeft hij niet geweigerd in geloof ja te zeggen.

Sacramentsdag, het is een feest dat ons uitnodigt om aan de voeten van de Heer te overwegen en te schouwen waartoe liefde in staat is. Hier wordt niet alleen het leven van Jezus getransformeerd, maar dat geldt ook voor ons leven, wanneer wij lang genoeg dit geheim beschouwen met een innerlijke blik en ons laten raken.  In die stille overweging verteren wij het brood dat Christus is om zo zelf brood voor de wereld te worden.  Zonder dat zitten aan de voeten van de Heer, zonder die stille aanbidding zijn wij misschien ijverige Martha’s, maar mist ons leven de liefdevolle en intense aandacht van Maria. Wij zijn evenwel geschapen om beide Maria’s te zijn. Witte Donderdag en Sacramentsdag, twee vormen van het ene geheim, maar alleen als ze samen worden beleefd, als het ene ongedeelde geheim, als het ene gebod van de liefde voor God en de naaste, als  brood voor ons gebroken tot leven voor de wereld en als dankoffer voor het leven ons gegeven. Zo moge het zijn. AMEN.

Abt THijs Ketelaars

Overdenking 1100 jaar translatie St. Adelbert

Wij gedenken vandaag dat het 1100 jaar geleden is dat het gebeente van onze patroon Adelbert werd opgegraven op wat nu de Adelbertusakker heet, en werd overgebracht naar het kerkje bij de zusters dat vermoedelijk op het terrein van de huidige buurkerk heeft gestaan.

1100 jaar geleden, wie heeft daar een beeld bij? Hoe zag het leven er toen uit? Hoeveel mensen woonden er toen hier? Hoe gingen zij met elkaar om zonder auto en smartphone? Wat waren hun normen en waarden? Zo heel veel valt er misschien niet over te zeggen, maar toch. Uit de translatie van Adelbert mogen wij opmaken dat onze voorouders 1100 jaar geleden zorg en respect hadden voor hun doden. Adelbert had een graf gekregen en nu kreeg hij zelfs een nieuwe plek. 1100 jaar geleden. Maar aan die translatie gaat nog een geschiedenis vooraf van enige eeuwen. Zonder haar zou er geen translatie zijn gevolgd.

Zo’n 2 eeuwen tevoren werd Adelbert op de akker begraven en werd er al een kerk boven zijn graf gebouwd. Dat overkomt niet iedereen en het zegt iets over de mens Adelbert, wie hij was en wat hij gedaan heeft. Uit zijn vita dat rond 980 werd geschreven leren wij hem kennen als een mens die geliefd was bij de toenmalige bewoners van deze plek.  Wij kennen de naam van een van hen, Eggo, en we lezen hoe pijnlijk getroffen die was toen Adelbert sprak over een bezoek aan zijn vaderland. Eggo zou hem dan moeten missen en hij vreesde dat het zelfs voorgoed zou zijn. Maar dat liep anders.

Adelbert heeft hier met en onder de mensen gewoond en geleefd. Hij is hun vriend geworden en hij is voor hen een bode van Christus geworden door zijn eenvoud, zijn vriendelijkheid en zijn zorg voor hen. Levenderwijs heeft hij hen het evangelie doen kennen. Hij heeft  Jezus bij hen gebracht met zijn leven, hij heeft ze naar Jezus toe  gedragen zoals hij het zoontje van Eggo ten doop heeft gehouden. Misschien mogen wij ook zeggen dat ze elkaar hebben gedragen in hun samenleven daar rond en op de akker. Want anders hadden ze hem vermoedelijk nooit na zijn dood een bijzonder plek gegeven. Zij hebben hem ten grave gedragen en een kerkje boven zijn graf gebouwd, omdat hij hen had gedragen in Gods naam zoals Jezus had gedaan die zelfs het verdwaalde schaap op zijn schouders had genomen.

En vandaag 1100 jaar geleden kreeg Adelbert een nieuwe plek, toen hij naar het kerkje van de zusters werd gedragen, vol eerbied en vol dankbaarheid.  Want hij die hun opa’s en oma’s had gedragen met zijn vriendelijke aanwezigheid onder hen en met zijn verhaal over Jezus, hij droeg hen nog steeds. Dat woord van leven, dat wij allen gedragen worden dag in dag uit door het geheim van God, dat woord was hun leven blijven dragen ook na Adelberts dood. En de zorg en de eerbied voor zijn relieken getuigen  van hun liefde voor hem en voor het woord van leven dat hij onder hen had geplant en dat vrucht was gaan dragen.

Adelbert, hij werd naar een nieuw rustplaats gedragen. Zij droegen hem zoals zij van hem geleerd hadden in woord en daad, dat wij geroepen zijn om elkaar te dragen.   Een leven lang, elke dag weer.

Soms doe je dat door zoals Adelbert tijd en aandacht te hebben voor het verhaal van Eggo of iemand anders , soms is het door een schouderklop of een helpende hand, een moment aan een ziekbed of een woord van troost en bemoediging. Of door als broeders en zusters samen te leven en elkaar te dienen en samen Gods lof te zingen, want zonder de ander valt het leven stil. En de laatste dienst die wij elkaar mogen bewijzen is de ander ten grave te dragen in het geloof en de hoop dat wij gedragen blijven door de goede herder die Adelbert ons heeft verkondigd.

Dragen en gedragen worden, het is onze roeping, het is onze vreugde en soms ook onze last, maar nooit zonder hoop en belofte zoals Adelbert ons heeft voorgeleefd. Op 26 juni zullen wij hem weer dragen als wij zijn relieken van de akker opnieuw naar de abdijkerk dragen na de viering. Wij dragen hem en hij draagt ons, samen op weg naar de akker van de oogst, leven in volheid. Moge het zo zijn.

Abt Thijs Ketelaars

Drievuldigheidszondag   12 juni 2022

“Nog veel heb Ik u  te zeggen, maar Gij kunt het nu nog niet dragen. Wanneer Hij echter komt, de Geest der waarheid, zal Hij u tot de volle waarheid brengen.”

Jezus heeft nooit een dogmatische verhandeling gegeven over de H. Drie-eenheid. Wel heeft Hij steeds gesproken over zijn hemelse Vader, en benadrukt dat Hij en de Vader één zijn. Om die reden wilden de omstaanders Hem stenigen. Zij beschouwden zijn woorden als godslastering. Ook heeft Hij, zoals in het evangelie vandaag, gesproken over de H. Geest en diens komst beloofd. Als wij in de waarheid staan zullen wij diens stem mogen vernemen. Hij zal ons alle nodige onderricht geven.

Dat is dus de opdracht die wij hebben, lieve mensen, dat wij in de waarheid gaan staan. Of liever: dat wij de waarheid zoeken. Want dat kunnen we misschien over de waarheid zeggen: het is niet iets dat je hebt, maar eerder iets dat je drijft, de motor die je stuwt.

Denk aan de mooie woorden van Sint Augustinus aan het einde van zijn traktaat over de Drie-eenheid: “Geef dat ik U zoekend mag vinden en dat, wanneer ik U heb gevonden, ik U blijf zoeken.”

Maar hebben wij niet veel andere, meer dringende zorgen aan ons hoofd, mogen wij ons wel verliezen in gedachten over het geheim van God, terwijl onze wereld in brand staat? Moeten wij ons geen zorgen maken over het beëindigen van het geweld, over de wapenwedloop die weer opnieuw is ingezet, de polarisatie in de politiek, de CO 2 problematiek, hoe wij een leefbare aarde kunnen nalaten aan een komende generatie? Nadenken over het geheim van de Allerheiligste Drievuldigheid, is dat geen luchtfietserij?

Gisteren in de middagdienst hoorden we een lezing over de weg van de mens. Woorden van onze medebroeder Benoît Standaert, die deze weer ontleende aan denkers uit het verleden als Gregorius van Nyssa en Meister Eckhart. “Het leven is een opgang. Je bent nooit aangekomen. Het is een duurzame pelgrimstocht. Pas op het hoogste punt bereik je God. Maar het is van belang dat einddoel wel voor ogen te houden. Want pas in het licht van het absolute einde krijgen onze initiatieven,  alle dingen uit ons aardse leven, hun echte inhoud, hun al of niet blijvende waarde.”

Het heeft dus zin om ons leven te zien in het perspectief van de Allerhoogste.

Jezus leefde in een voortdurende verbondenheid met de Vader, vervuld met hun beider Heilige Geest. Dat bewoog Hem tot een grote liefde voor en deernis met de mensen. Dat was het voorbeeld dat Hij hen voorhield en waartoe Hij hen uitnodigde. Hele nachten bracht Hij door in gebed. Daarin zocht Hij zijn kracht en zijn inspiratie.

Wij kunnen Gods geheim niet beter benaderen dan door Hem daarin naar onze mogelijkheden na te volgen. Door in geloof in vrede te leven met God en met elkaar. Wij hoorden de woorden van Paulus aan de christenen van Rome: “Gods liefde is in ons hart uitgestort door de heilige Geest die ons werd geschonken.”

Wij hebben van God in zijn heilige Drievuldigheid een moeilijk geloofspunt gemaakt, dat in de geschiedenis tot scheuringen en godsdienstoorlogen heeft geleid.

Of dat getuigt van ware godsdienstzin? Ik weet het niet.

Natuurlijk, het is de taak van ambtsdragers en theologen om over de zuiverheid van de leer te waken.

Maar we dienen toch bovenal voor ogen te houden dat God liefde is en vrede wil.

Ik herinner mij een echtpaar uit mijn jeugd. In die tijd waren grote gezinnen nog heel gewoon. En dit echtpaar had, voor zover ik mij herinner, zeker zes kinderen, en misschien zijn er nog wel bij gekomen. Hij was gynaecoloog in een groot ziekenhuis, en zij was een heel lieve en ook heel mooie vrouw. Maar wat op mij als jongeman bijzonder indruk maakte was dat zij, na de nodige huwelijksjaren, nog steeds heel erg verliefd waren op elkaar. Hij was een kundig arts en stond nuchter en reëel in het leven, maar hij smolt voor zijn vrouw. Zij betekende alles voor hem, en hij deed ook alles voor haar. Maar, – en daarom breng ik dit hier nu ter sprake – op medisch gebied hield hij afstand van haar. Hij wilde zijn geliefde echtgenote niet behandelen als patiënt. Als het ware objectiveren. En dat wilde hij niet. Zij was zijn liefde.

Zusters en broeders, moeten wij zo ook niet staan tegenover het mysterie van de Allerheiligste Drie-eenheid. Dat is zo’n intiem geheim. Dat is de binnenkant van ons eigen wezen. Daarin ligt onze oorsprong en onze eindbestemming. Over alles wat er gebeurt met ons na dit aards bestaan weten we bijzonder weinig. Ja, er is een voortbestaan, ja we zullen een geestelijk lichaam krijgen, maar hoe moeten we ons dat voorstellen? Wat wij weten, wat wij mogen hopen, is dat  Hij onze toekomst is, dat Hij ons leven draagt, door alles heen. Dat is wat wij vandaag bijzonder vieren, dat Hij onze Vader is, dat Jezus onze Verlosser is, dat Gods Geest ons heiligt, ons zuivert, onze fouten vergeeft en ons heiligt. Dat de oneindig grote God de kern van ons leven is, ons bewoont en bewaart, ons met elkaar verbindt. Door de sacramenten is die verbondenheid bezegeld, maar alle mensen zijn schepselen Gods en Hij die liefde is kan niet anders dan het geluk van ieder bewerken. Hoe komt het dat in de eerste eeuwen het christendom zo snel de samenleving voor zich wist te winnen? Is het niet omdat het goed nieuws verkondigde, en de wereld overtuigde door een levend geloofsgetuigenis?

Mogen wij vandaag geraakt worden door het vuur van Gods liefde, en in een wereld die helaas weer opnieuw naar wapens grijpt getuigen dat wij ons vertrouwen stellen in de wapens die het evangelie ons aanreikt, de kracht van het gebed, een vurig geloof, en liefde en respect voor alle leven. In Naam en tot eer van de Drieëne God die hemel en aarde heeft gemaakt.

 

Br. Gerard Mathijsen osb

Pinksterpreek 5 juni 2022

Vorig jaar zaten wij tijdens de Paastijd in een lockdown en het Pinksterfeest met zijn openslaande deuren en zijn venster op de wereld veranderde daar niets aan. Althans zo op het eerste gezicht, maar wij hebben vorig jaar toch Pinksteren gevierd, want Jezus komt, zo lezen wij in menig paasverhaal in de evangelies, zelfs door gesloten deuren. Hij laat zich niet weerhouden door een lockdown of welke blokkade dan ook. Hij opent de deur van het hart en schenkt ons zijn Geest om te leven als kinderen van het licht, kinderen van de hoop.

Hoe staat het er dit jaar voor? De lockdown is voorbij en de vensters op de wereld staan weer zó ver open dat Schiphol de drukte niet aankan. Maar hoe staat het met de deuren van ons hart, staan zij wel zo wijd open als bij het eerste Pinksteren het geval was?

Die eerste leerlingen waren na de dood van Jezus in hun schulp gekropen, zij hadden zich teruggetrokken achter dichte deuren, want de wereld kwam hun als vijandig voor. Zij hadden er niets goeds van te verwachten, de terechtstelling van Jezus was er het levende bewijs van. Gods koninkrijk dat zij in hem verwachtten, het was met zijn dood uit hun blik verdwenen.

Maar het liep anders, want Jezus trad hun dichtgetimmerde bestaan binnen als een levende, als door de Vader uit de muil van de dood ontrukt. Want hij die zijn leven lang op de adem van Gods Geest had geleefd, werd door de banden van de dood niet vastgehouden, maar werd thuis gebracht in Gods schoot. En de leerlingen kregen te verstaan dat zij het leven van Jezus moesten herlezen uitgaande van wet en profeten. Jezus had zijn leerlingen aangespoord te bidden en te wachten, want dat nieuwe leven, dat herlezen van Jezus’ bestaan maar ook van hun eigen bestaan, vergt niet alleen tijd maar ook de bijstand van de Geest. Want zonder die adem blijft alles dood.

Wij hebben dan ook de afgelopen negen dagen gebeden en gewacht op de Geest. “Veni sancte Spiritus’, Kom o Geest’, Geest die schept en herschept vanaf den beginne.  Want waar enkel duister en chaos was, zorgde de adem van God dat er leven tevoorschijn kwam, een schepping waarin God behagen vindt als in een troetelkind. Een wereld die tot op de dag van vandaag vraagt om bewoond en bewerkt te worden op de adem van Gods Geest, respectvol, leven hoedend en bewarend, van klein tot groot, en in heel zijn rijkdom aan levensvormen.

Maar dat blijkt moeilijker dan je misschien zou verwachten. De mens, uit stof geschapen, mag dan wel Gods adem in zijn neus hebben ontvangen, dat blijkt nog geen garantie dat hij met de schepping omgaat zoals God het graag ziet.  En wij lezen in het boek van ons geloof, hoe het leven al vanaf de eerste dag een te moeilijk experiment lijkt. De afgunst zorgt voor dood in plaats van leven in dankzegging. Maar God laat niet varen het werk van zijn handen en in de wisseling van de tijd blijft zijn Geest gaande om mensen toe te rusten voor een nieuw begin in waarheid en gerechtigheid.  Soms zijn het koningen, soms zijn het profeten of wijze vrouwen die het voortouw nemen, want God heeft ons niet geschapen voor de dood maar voor een leven dat weet te delen en dankbaar te ontvangen.

De Geest die levend maakt, die schept en herschept vanaf het begin, is door Jezus aan zijn leerlingen beloofd. Hij zal hun niet eenzaam achterlaten. Want hij die heel zijn leven met hen heeft gedeeld, die hun deelgenoot gemaakt heeft aan de liefde van de Vader, hij blijft met hen begaan en hij zal op een nieuwe manier bij hen zijn. Gingen zij tijdens zijn leven met hem de weg, nu zal hij hen innerlijk nabij blijven. De Geest, zo zegt hij vandaag in het evangelie, zal u alles leren en in herinnering brengen’.  Dat is niet máár een herinnering, nee dat is een meegaan in de tijd, gedragen en gesteund door wat hij was en door wie hij nu is. Zoals je na de dood van een geliefde soms van mensen hoort dat ze verder gaan, innerlijk door hem of haar bewoont met wie ze eerder het leven deelden. Verdergaand gedragen en gesterkt door zijn geest.

Op deze Pinkstermorgen hoorden wij het verhaal uit de handelingen van de apostelen. De crisis is doorstaan en meer dan dat. Jezus is naar de hemel opgestegen, verdwenen in de wolk van God, maar uit die intimiteit komt hij op een nieuwe manier bij hen binnen. Kenden zij hem eerst van de omgang in stad en straat, nu kennen zij hem van binnen als een vuur dat hen verwarmt, bezielt, bemoedigt en troost. Hen innerlijk bevrijdt en een nieuwe taal doet spreken. Niet aangeleerd na veel studie, maar ontvangen zoals het een verliefde ziel overkomt, die van binnen wordt geraakt of zoals iemand die na een lange vriendschap innerlijk is veranderd en zijn weg vervolgt als een herboren mens.

Pinksteren, de Geest van het begin die de chaos overschaduwde, de Geest die koningen en profeten bewoog, die Maria overschaduwde, en die als een hevige wind de deuren open blies van de leerlingen in de bovenzaal. Allemaal taal en tekens die getuigen van een innerlijk ervaring, die hun hart in vuur en vlam zette en hun tong en taal gaf om te getuigen dat God ons niet voor de dood geschapen heeft maar voor een leven dat in vrede en gerechtigheid met elkaar wordt gedeeld. Geen toren van Babel waar de kennis en het vernuft wordt gebruikt om God naar de kroon te steken, maar een stad waar de poorten openstaan en in verscheidenheid van taal en cultuur eensgezind en in onderling verstaan Gods naam wordt groot gemaakt als Vader van Jezus Christus, eerstgeborene uit de doden en eerstgeborene van heel de schepping, universele broeder, voor niemand te min.

Pinksteren, Veni sancte Spiritus, Kom Heilige Geest, vervul ons hart met liefde, opdat het aanschijn van de aarde mag worden vernieuwd. AMEN.

Abt Thijs Ketelaars

HAND. 2,1-11; Rom. 8,8-17; Joh. 14,15-16.23b-26

 

Preek Hemelvaartdag 2022

Tweemaal vertelde Lucas ons vandaag dat Jezus ten hemel werd opgenomen. Aan het begin van de Handelingen van de apostelen en aan het slot van zijn evangelie. Wat rest ons nu nog van hem? Er is geen graf meer dat wij kunnen bezoeken. Hooguit is er een lege plek. En er valt ook niets meer te zien, Hij is aan onze ogen onttrokken, opgenomen ten hemel. Die hemel is geen plek boven de wolken, maar een naam voor God. Jezus is opgenomen in God, in de wolk van niet weten, dat eigen domein van God.

Hij is opgenomen in de hemel zoals hij ons ook uit de hemel was geschonken. En misschien begint er nu iets bij ons te dagen, brengt het slot van het evangelie ons terug naar het begin. Wij hebben  zojuist horen spreken over ‘grote blijdschap’ bij de leerlingen. Dat voert ons terug naar de aanvang van Jezus’ aardse bestaan. Daar werd door de engel uit den hoge aan de herders ‘grote blijdschap’ verkondigd, ‘ ‘heden is u een redder geboren Christus de Heer’. Zo rijmen begin en einde op elkaar. Maar als dat zo is, dan stelt zich de vraag: wat heeft dat te betekenen? Is het verhaal dan misschien toch niet uit, maar staan we aan een nieuw begin?

De grote blijdschap die de herders werd gemeld, was het begin van een mensenleven waarin Gods liefde onder ons verscheen, kwetsbaar als een pasgeboren mensenkind, overgeleverd aan de handen van mensen. Een mensenkind, God zal ons redden is zijn naam. Een mens die grote blijdschap bracht in het leven van mensen die niet meetelden, die geen naam en geen gezicht hadden, die wachtten op bevrijding uit tal van vormen van eenzaamheid en dood. Als een lopend vuur is het rond gegaan en van heinde en ver kwamen ze naar hem toe. En waar de een hem met open armen ontving, daar werd door een ander een bedreiging gezien voor de maatschappelijke orde of voor de eigen positie.  Want hij liet zich aan niets gelegen liggen behalve aan het woord van de Vader, die gezegd had: jij bent mijn geliefde zoon. Uit dat woord had hij geleefd en daaruit had hij mensen bemind zonder onderscheid, allemaal kinderen van God om te delen in zijn liefde en leven. Dat geschenk uit de hemel, het was tenslotte vermalen onder de machten die niet wilden weten van dienen, maar slechts uit waren op heersen, een tegenstrever die zich al laat gelden vanaf het prille begin van de schepping. Maar dood en duisternis kregen op deze mens geen greep, geworteld als hij was in het licht. En vandaag horen wij hoe dat leven door God wordt opgenomen en wordt thuisgebracht in de schoot van zijn ontferming. Na al het onze te hebben gedeeld en in het land van de  ballingschap de weg te hebben gebaand naar het leven in Gods licht, is hij definitief aan onze blik en aanraking onttrokken. Maar niet zonder een laatste woord, een belofte en  zending.

Dat levensverhaal wordt aan beide kanten omgeven door mensen die het met grote blijdschap ontvangen. De herders zijn de eerste verkondigers van het evangelie, terwijl het nog in al zijn kwetsbaarheid in een kribbe ligt. Zij spreken grote woorden over een pasgeboren mensenkind, dat de belichaming is van Gods belofte. Een nieuw begin voor onze wereld.

En aan het eind van het verhaal, wanneer dat mensenkind, zo lijkt het, geen spoor meer onder ons achterlaat, is er opnieuw grote blijdschap. Maar waar zouden die leerlingen blij om kunnen zijn, nu alles voorbij lijkt en het boek van Jezus’ leven gesloten? Naar de hemel staren biedt geen uitkomst en toekomst, want de hemel is de hemel van God en onze plek is op aarde. Is er op de aarde dan toch toekomst zonder hem? Ja, er is toekomst, maar eer het zover is, moeten de leerlingen de aardse Jezus helemaal achter zich laten, loslaten  zoals hijzelf hun had gezegd. Want er moest in hun bestaan op een heel nieuwe wijze plaats komen voor hun Heer, voor hem die hun de weg naar de Vader had ontsloten, die beeld en gelijkenis was van Gods barmhartigheid. Had Hij hun niet gezegd dat ze kracht uit den hoge zouden ontvangen en dat de Geest hun alles in herinnering zou brengen wat hij hun gezegd had?  Zijn leven was niet uit en over, maar zou een nieuw begin kennen. Was hij voorheen onder hen en met hen op weg, nu zou hij in hen de weg met hun gaan.

Hemelvaart van de Heer, het is een einde maar het is ook de aanzet van een nieuw begin. Daartoe worden de leerlingen uitgenodigd om te wachten, om in Jeruzalem te blijven. Want zij zijn in blijde verwachting, zij verwachten de geboorte van Christus in de schoot van hun bestaan, de Geest die levend maakt. Zij houden zich op in de tempel, heiligdom waar in stilte en lofzang God woont.

Gingen wij met de herders op zoek naar Gods mensenkind in de kribbe, grote blijdschap voor de wereld, nu worden wij geroepen om met de leerlingen in stille verwachting open te staan voor de Geest van hem die naar de Vader is opgegaan.  De liturgie schrijft daar geen negen maanden voor, maar negen dagen. Maar laat ons geen haast maken, in onze jachtige tijd waar stilte een kostbaar goed is en waar de schoot van ons verlangen maar al te vaak door andere zaken wordt gevuld, worden wij uitgenodigd in gebed en stille aandacht ons voor te bereiden op de inwoning van hem die ons nodigt tot een nieuwe gemeenschap.  Wij zien uit naar een nieuwe geboorte van ieder van ons, bewogen en bewoond door de Geest, wij zien uit naar een nieuwe geboorte van de kerk, gemeenschap waar het woord van God wordt verwelkomd, gekoesterd en beleefd met hart en ziel en alle krach, opdat het aanschijn der aarde mag worden vernieuwd tot lof van Gods heerlijkheid. AMEN.

Abt Thijs Ketelaars

2022 Hemelvaart Hand.1,1-11; Hebr. 9,24-28; 10,19-23; Lc 24,46-53

Preek 22 mei 2022

In de tweede lezing van vandaag geeft de visionaire Johannes ons een intrigerend beeld van de heilige stad die beheerst wordt door Gods stralende aanwezigheid.

Jeruzalem, niet in het stof en de stank van de zomerse hitte, benauwde straatjes binnen de vele malen opgelapte muren, en poor­ten, om­zwermd door bedelaars, ook geen hedendaags beeld, met veel toeristen en heel veel militairen, maar een stad zoals zij bedoeld is, zoals de Schepper haar gewild heeft, haar droomt, en haar eens zal doen zijn: een hemelse, schitterende stad, gebouwd uit kostbaar gesteen­te, met engelen aan de poorten.

Het meest wonderlijk is wel: de tempel, die het oude Jeruzalem aantrek­ke­lijk maakte en heiligde, is er niet te zien. Deze nieuwe stad wordt geheiligd en verlicht door de aanwe­zigheid van God en van het Lam, die er het stralend middel­punt van vormen.

Ja, een prachtige droom van die oude Johannes, maar geen aardse werke­lijkheid. Een beeld van wat komen zal, geen afspiegeling van het heden. De stad, die Johannes ziet, daalt van God uit de hemel neer. Een stad, een gemeen­schap, die door mensen wordt gebouwd ziet er anders uit. Daarover gaat het in de eerste lezing.

In de jonge christengemeenschap te Antiochië heerst grote onzeker­heid en ernstige meningsverschillen over welke de religieuze normen en waarden zijn, waaraan men onverkort dient vast te houden, en welke als achterhaald kunnen worden beschouw­d. Moeten wie zich vanuit het heidendom aansluiten, de gebruiken van de joden overne­men? Moeten joden die in Jezus zijn gaan geloven als de Christus, breken met hun eigen religieuze traditie?

Ieder denkt daar anders over, en misschien juist omdat men het niet helemaal zeker weet, wordt er  met grote felheid gediscussieerd .

Wie de vernieuwingen van het Tweede Vaticaans Concilie heeft meege­maakt herkent misschien iets van soortgelijke problemen: ook toen moest opnieuw worden vastgesteld welke verplichtingen en geboden het leven bepaalden, tot welke vrijheid men zich geroepen mocht weten, en hoe men zijn verbon­denheid met Christus binnen de ge­meenschap van gelovigen gestalte kon geven.

De oplossing voor de gelovigen in Antiochië wordt te Jeruzalem gezocht en gevonden in eensgezind beraad van apostelen en oudsten, die nauw voeling houden met wat leeft in de plaatse­lijke gemeen­schap en die zich daarbij laat leiden door Gods Heilige Geest. Als je èrgens een strak vasthouden zou verwachten aan de joodse overleve­ring, dan toch wel in hartje Jeruza­lem. Een beter bewijs dat de gemeen­schap daar bezield was van de Geest van Jezus dan de ruimheid, waarmee men besloot te volstaan met minimale eisen voor de nieuwe gelovi­gen, is wel niet denkbaar. De jonge Kerk, in het heilig vuur van het eerste begin, houdt ons een model voor van echte apostoliciteit. Mensen niet afstoten met overbo­dige ballast, maar een gedrags­lijn zoeken door samen biddend te luisteren naar de Geest. Synodaliteit, het woord van toen, het woord voor vandaag. Paus Franciscus roept ertoe op. Samen zoeken, en ons laten leiden door Gods Geest. “Hij zal u alles in herinnering brengen wat Ik u gezegd heb”, heeft Jezus beloofd.

Er is een nauwe relatie, een wisselwerking tussen de band, die gelovi­gen onder­ling samenhoudt in de ruimte van de Geest, en de zeer innige band, die de gedoopte heeft met Gods eigen geheim.

“Het eigenlijk menszijn ontluikt slechts in de mate dat de mens naar God verlangt, naar Hem toeleeft, en vanuit Hem naar de dingen toegaat,” schreef Romano Guardini. Hoe meer een mens spiritueel zijn/haar  binnen­kant ontdekt, en daar tot vrede komt, hoe meer hij/zij ook in staat is de ander echt ander te laten zijn, en de ruimte te gunnen. En ook: hoe meer hij/zij oog krijgt voor de binnenkant van de dingen, voor hun intrinsieke waarde.

Misschien, dat zo het stoffige Jeruzalem uit Johannes dagen ten diepste toch meer gelijke­nis had met diens hemels visioen, dan ik suggereerde. Heeft Jezus niet geweend over Jeruzalem, juist omdat Hij de stad zo liefhad? Waren haar muren Hem niet dierbaarder dan kostbaar gesteente? Waren de bedelaars voor de poorten geen gezanten Gods?

De verbondenheid met God is een groeiproces, doorheen moeilijkhe­den en duister­nis. Maar als wij ons overgeven aan dat proces, aan de werking van de goddelijke genade in ons innerlijk, ontstaat er een diepe vrede.

“Niet zoals de wereld die geeft”   of voorwendt te geven. Geen opper­vlakkige vrede, en geen werkeloze, maar het diepe vertrouwen dat we uiteindelijk belan­den in Gods hand, dat zijn zorg over ons waakt. Een gevoel van verbon­denheid, dat aanzet om niet te berusten in onrecht, om niet de ogen te sluiten voor de nood van mensen.

“Als iemand Mij liefheeft, zal hij mijn woord onderhouden”, zegt de Heer. Teken van ons in-Christus zijn is ons dienstbaar meeleven met elkaar. Zo ontstaat een gemeenschap naar het hart van de Heer. Eens zal die worden opgenomen in de stralende stad van omhoog, nu is het nog een pelgri­merend volk onderweg.

Misschien dat voor velen van ons het visioen van de ziener van Patmos te hoog is, dat wij liever dromen over die eerste lezing, waar aposte­len en oudsten in overleg met heel de gemeente gaan, – synodaal –  biddend eendrach­tig besluiten nemen  die ruimte bieden en het voor godzoekers mogelijk en aantrekkelijk maken zich aan te sluiten. Laat ieder zijn eigen dromen dromen. Het is goed die dromen te koesteren.

Maar laten wij allereerst God zoeken in de intimiteit van ons hart: daar spreekt Hij tot ons en openbaart ons zijn liefde. Onze zorgen en noden, onze vreugde en onze hoop, mogen wij Hem toevertrouwen, onze kleine gemeenschap van broeders en oblaten, ieders gezin, familie, en de grote gemeenschap van de Kerk worden verlicht door de luister van zijn licht, en hebben zijn vrede als hecht fundament.

Br. Gerard Mathijsen

6e Paaszondag C-jaar 2022

 

 

Preek 15 mei 2022

Er valt vandaag veel te vieren en te gedenken en daarbij dringt zich de vraag op ‘waar te beginnen en wat terzijde te laten om niet te verdwalen. Het is de vijfde zondag in de Paastijd, het is ook de zondag voor de Oosterse kerken en het is de zondag waarop in Rome tien leerlingen van Jezus, 4 vrouwen en 6 mannen, heilig worden verklaard.

En bij die tien bevindt zich ook een Nederlander zoals u weet, Titus Brandsma, een echte Fries. Precies 80 jaar geleden omgekomen in het concentratiekamp Dachau. Een man wiens heiligheid niets van doen had met zweverigheid en vrome praat, maar met trouw aan de fundamentele waardigheid van elke mens en het zich sterk maken voor vrijheid van meningsuiting, niet om een ander te verguizen of zwart te kunnen maken, maar om de waarheid te zoeken en te dienen. Hij heeft er zijn leven voor gegeven.

En dat brengt ons bij het evangelie van vandaag. Het waren maar een paar zinnen uit het 13e hoofdstuk van Johannes. Die woorden krijgen hun ware betekenis alleen als we de context niet uit het oog verliezen.  Jezus spreekt ze op het ogenblik dat Judas van tafel is weggegaan bij het laatste avondmaal om Jezus te verraden. Na dat vertrek horen wij Jezus zeggen ‘nú is de mensenzoon verheerlijkt en God is verheerlijkt in hem’. Hoe rijm je die woorden met de situatie? Judas verlaat de kring om Jezus aan te geven en Jezus spreekt over zijn verheerlijking. Wat is dat dan ‘God verheerlijken’? Is dat niet trouw blijven aan je meest eigen roeping? En daartoe heeft Jezus dag in dag uit geluisterd naar Gods stille stem. Hij heeft geluisterd in de stilte van de nacht, in het gebed en in het leven van alledag en bij de voorlezing van de Schrift. En al luisterend heeft hij gehoord hoezeer God hem beminde. En vanuit die oergrond heeft hij zijn roeping beleefd, de roeping van ons allen: mensen beminnen, allen zonder onderscheid, met de liefde die uit God is, Hij die zijn zon laat opgaan over goeden en slechten. Jezus zegt er ja op, niet omdat hij de dood niet vreest of het leven niet de moeite waard acht. Hij zegt ja omdat alleen zo God verheerlijkt wordt en er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde verschijnt waar God zelf bij de mensen woont, een wereld waar God alles in allen is.

Grote woorden die door het leven van alledag niet zelden worden tegengesproken, maar die overeind blijven in de overgave en de vrede waarmee Jezus het leven heeft aanvaard. Op die weg heeft Jezus navolgers gekregen, die net als hij vanuit een innerlijk luisteren naar het leven dat hun was geschonken, hebben geleefd. Zij hebben Gods wil gedaan door in het leven van alledag aan de liefde geen grens te stellen en tegen alle verdrukking in de waarheid te zoeken en te dienen. De heiligen die vandaag op de kalender worden bijgeschreven, horen in die rij thuis. Zij zijn in Jezus’ voetstappen getreden en hebben in soms heel barre omstandigheden niet opgehouden mensen te beminnen en de waarheid te dienen. Zo hebben ook zij God verheerlijkt in hun broze bestaan en zijn zij in een duistere wereld een licht op de kandelaar, een baken van hoop.

Je hoeft daarvoor geen heldendaden te verrichten, maar om het met Titus eigen woorden te zeggen ‘Wij zijn niet geroepen om in het openbaar levend grootse, opvallende en druk besproken dingen te doen… het is wél onze plicht om de gewone dingen op grootse wijze te doen, dat is met een zuivere intentie en de inzet van heel de persoonlijkheid.’[1] Het leven van Titus Brandsma speelde zich grotendeels af aan de universiteit waar hij les gaf en in de wereld van de journalistiek. Twee terreinen waarop veel mensen toen en nu werkzaam zijn. Maar waar anderen hun principes verlieten om het vege lijf te redden of om ander voordeel, daar bleef Titus trouw, omdat zijn doen en laten gegrond was in een innerlijk luisteren, in zijn geworteld zijn in de stille overgave aan God, die hem de waardigheid van de mens deed hooghouden, allen zonder onderscheid, wie of waar ook, allen kinderen van God, de een niet minder dan de ander. Trouw ook aan het beginsel in de journalistiek de waarheid te dienen en zich niet te laten intimideren of toe te geven aan stemmen die eisen zich te voegen naar een ideologie die niet stoelt op evangelische grondslag. ‘Blut und Boden’ zijn toen en ook nu geen grond waarop een vreedzaam en menswaardig bestaan kan worden opgebouwd.  Titus Brandsma, hij was een principieel mens, maar tegelijk ook een irenische mens, geworteld als hij was in de stilte en innerlijke vrede van God. Wanneer hij in de gevangenis van Scheveningen op 22 januari 1942 op last van de Gestapo zijn laatste geschrift aan het papier toevertrouwt, dan eindigt hij zijn kritische beschouwing over de NSB en de Duitse bezetting van ons land met de woorden: ‘God zegene Nederland. God zegene Duitsland, God geve, dat beide volkeren weldra weer in volle vrede en vrijheid naast elkaar staan in zijn erkenning en tot zijn eer, tot heil en bloei van beide zoo na verwante volkeren.’ ‘Voeg daar het getuigenis aan toe uit Dachau, waar hij tot zijn medegevangenen zegt “men moet voor deze mensen (de bewakers) bidden opdat ze tot inzicht komen’, en je beseft dat hier een mens staat die vrij is, hoe gebonden ook, een mens in wie God verheerlijkt wordt en de naaste wordt geëerd. Een mens die 80 jaar geleden werd omgebracht en wiens woorden vandaag spreken in een wereld die nood heeft aan waarheid in journalistiek en leven, een wereld die uitziet naar daden die leiden kunnen tot verzoening en vrede, in eigen land en ver daarbuiten.

Titus en zijn heilige metgezellen mogen ons inspireren tot vernieuwde evangelische inzet in bidden en werken, in spreken en zwijgen, opdat het aanschijn der aarde mag worden vernieuwd en vrede aller deel wordt. AMEN.

Abt Thijs Ketelaars

[1] Titus Brandsma magazine pg. 13 citaat uit 1934

Cpa5 2022 Hand. 14,21-27;Apoc. 21,1-5a; Joh. 13,31-33a.34-35

 

Preek 8 mei 2022

Vandaag is het roepingenzondag. Roeping is van alle tijden, en elke dag nieuw. Roeping is heel bijzonder, ieder mens heeft een eigen roeping. Die te verstaan, daaraan gehoor durven geven: daarvoor is vandaag ons gebed gevraagd. De Heer riep Adam in het paradijs, Hij riep Mozes vanuit het brandende braambos. Johannes spreekt in de tweede lezing over een geweldige menigte, die niemand tellen kon. Wij mogen erop vertrouwen dat God elk mens telt, dat Hij ieder kent en liefheeft, en niemand verloren laat lopen. Maar om onze roeping te verstaan moeten we weten te luisteren. En luisteren: zijn we daar wel goed in? Ja, heel wat mensen beginnen de dag met de radio aan te zetten, en luisteren naar de media. Ze hebben geluid nodig, en verdragen geen stilte. Maar misschien verleren we daardoor wel om goed te luisteren. Het is oor in, oor uit, het geluid gaat langs de oren heen maar komt niet binnen. En niet alleen dat van de media. Maar ook wat onze huisgenoten graag willen communiceren vindt geen gehoor. En soms zijn we overtuigd dat we onze opdracht goed verstaan, maar blijkt het toch anders te zijn.   Saulus beeldde zich in dat het zijn roeping was christenen te vervolgen. Totdat hij vernam dat hij gezonden werd om de mensen te verkondigen dat Gods liefde hen verschenen was in Christus Jezus. De christenvervolger werd een apostel: geroepen om het evangelie te verkondigen. Overal waar hij komt gaat Paulus dan eerst naar de synagoge. Hij roept zijn volk, Gods uitverkoren volk, op te geloven in het evangelie van Jezus Christus. Hij staat binnen het Jodendom en heeft een boodschap voor zijn broeders, voor de joden. Dat zegt hij hen ook: “De boodschap van de Heer moest het eerst onder u bekend gemaakt worden”. Maar de joden van Antiochië zijn verontwaardigd dat ook heidenen deel zouden kunnen krijgen aan Gods uitverkiezing. En zo’n vooringenomen houding houding is allerminst verleden tijd, zij herhaalt zich steeds weer in de geschiedenis, al is het ook op een andere manier. De jaloerse joden uit de synagoge van Antiochië zijn de gelovigen van elk uur, van elke generatie, zijn zij die denken het evangelie al te bezitten, en in pacht te hebben. Die denken dat ze niet meer hoeven te luisteren, of die niet luisteren met hun hart, en niet van plan zijn om zich te bekeren en te veranderen. Als het woord hen onttrekt aan de zekerheid van het eigen weten of aan het geconcentreerd zijn op zichzelf, als het evangelie de grenzen van de eigen groep, de clan, het ras, de natie verstoort en doorbreekt, laten ze hun ongenoegen duidelijk blijken. Wat in Antiochië gebeurde, is iets waar elke gelovige, elke kerkelijke gemeenschap voor op zijn hoede moet zijn, voor die individualistische mentaliteit, die een muur bouwt tussen eigen belang en de ander. In de geschiedenis zien we steeds weer hoe een volk, een natie, een land overtuigd kan raken van de eigen superioriteit en van de opdracht om anderen klein te krijgen en klein te houden, ja zelfs uit te roeien. Dat kan in de politiek, maar ook in de vroomheid. Godsdienstoorlogen bewijzen het. En als je denkt dat je de Heer al kent, dat je Hem bezit, leidt dit ertoe dat je jouw hart niet meer bekeert en de oproep negeert om de Heer te volgen in nederigheid en dienstbaarheid. Dat is in tegenspraak met het evangelie, meer nog: zo beledig je het zelfs. Jezus en zijn evangelie volgen geeft nooit een zekerheid die ten koste gaat van anderen en anderen buitensluit. Je roeping als christen verstaan betekent bereid zijn te luisteren en het eigen hart te veranderen, te verruimen. In het evangelie van vandaag zegt Jezus: “Mijn schapen luisteren naar mijn stem; Ik ken ze en ze volgen Mij” (Joh 10, 27). Trouw zijn aan de Heer betekent dat je luistert naar zijn stem en Hem elke dag volgt, waarheen Hij je ook brengt. Dat is het tegenovergestelde van gemakzuchtig en hoogmoedig in de synagoge van Antiochië blijven zitten. Aan wie luistert en aan wie Hem volgt – de enige manier om Hem te volgen is luisteren wanneer Hij spreekt en op weg gaan langs de straten van de wereld – belooft Hij eeuwig leven: niemand van zijn leerlingen zal verloren gaan, zegt Jezus met de zekerheid van iemand die macht heeft die reikt tot over de dood. Hij voegt eraan toe: “Niemand kan hem ontrukken aan de hand van mijn Vader”. Hij is een goede en sterke herder, die veel om zijn schapen geeft. Het leven van hen die naar Hem luisteren, ligt in de handen van de hemelse Vader – die niemand vergeet en die altijd steun bieden. Daarom is het eeuwig leven. Eeuwig leven is  niet geformuleerd als belofte voor na de dood. Het is leven dat niet stuk te krijgen is, zelfs niet door de dood.

De korte evangelielezing van vandaag klinkt naast de lezing uit Handelingen als een woord van bijzondere bemoediging.  Als een «en toch»! Spreekt Handelingen van een afwijzing van Israël, van het stof van je voeten schudden als teken dat je niets meer met hen te maken wilt hebben: hier wordt daar tegenin gezegd dat de Goede Herder zijn schapen nooit in de steek laat; Hij staat met zijn leven voor hen in. En ook, dat niemand ze aan de Vader kan ontrukken. De Vader en Jezus, de Goede Herder zijn één, en zij laten geen schaap verloren gaan. Het evangelie is een boodschap van vreugde, een woord van leven voor ieder mens. Het is onze roeping die boodschap te verkondigen, meer door ons leven dan door onze woorden. Van ons wordt ook gevraagd dat wij bidden om mensen die deze boodschap levend houden, door prediking, maar allereerst door hun wijze van leven. Voor priesters en kloosterlingen, die hun roeping hebben, maar niet te vergeten voor mensen met een verantwoordelijke opdracht in de samenleving, voor politici en bestuurders, en natuurlijk voor onze moeders, de allereersten die het leven doorgeven en voeden en behoeden. Laten we hen in ere houden.

br. Gerard Mathijsen, osb

Vierde zondag van Pasen, 8 mei 2022  

Schriftlezingen: Hand 13.14,43-52; Apoc 7.9,14b-17; Joh 10.27-30

 

Preek bij begrafenis broeder Erik de Jong 5 mei 2022

In onze communiteit hebben wij de afgelopen twee jaar drie broeders begraven. Het waren markante figuren, allemaal jong ingetreden en na een lang monastiek leven op hoge leeftijd overleden. Broeder Frans de vlinderbroeder, broeder Cor de wandelbroeder en broeder Simon gastenbroeder en nachtegaal van het koor. Vandaag nemen wij opnieuw afscheid van een broeder, maar dit keer is het een ander verhaal. Onze broeder Erik heeft geen lang leven als monnik achter de rug en hij heeft ook geen hoge leeftijd bereikt. Wat hij met de andere drie broeders wél deelt is, dat ook hij een markante figuur was, maar voor de rest kent zijn weg een heel ander parcours.

Geboren en getogen in Amsterdam was hij aan die stad verknocht geraakt sinds de dagen dat hij met zijn vader als jongetje de stille omgang liep. In die nachtelijke uren kreeg Amsterdam voor hem een kleur en gezicht waarvan hij de trekken in de vele jaren daarna heeft bestudeerd en lief gekregen.  Het was en is een stad met veel gezichten. Een stad met een groots, een multicultureel en religieus divers verleden en die trekken hebben hun sporen nagelaten in het leven van Erik.

In die stad voelde hij zich thuis als een vis in het water en hij heeft er ruim 50 jaar geleefd en veel vrienden gemaakt. Zijn vertrek uit zijn stad, liet dan ook menigeen met vragen achter. Maar elk mensenleven kent zo zijn innerlijk geheim, waar de buitenstaander geen of nauwelijks toegang toe heeft. En niet zelden is je weg ook voor jezelf een pad met wendingen die je nooit had voorzien of verwacht. Maar toch, iets valt er misschien toch over te zeggen, want God werkt met middelen, God werkt met en via mensen.

De lezingen uit de Schrift die wij vandaag gehoord hebben, zijn daar een mooi voorbeeld van. Zij zijn niet specifiek gekozen voor deze afscheidsviering, maar wij laten ons verrassen door de teksten die de liturgie van deze donderdag ons aanreikt.

In de eerste lezing ging het over een pelgrimstocht van een bijzondere man. Hij is op terugreis na een bezoek aan het Mokum van het oosten, Jeruzalem. Van die man wordt niet alleen gezegd dat hij een hoge ambtenaar is, maar ook dat hij een eunuch is. Wat ambtenaren zijn weten de meesten van ons wel, al moet gezegd dat er onder die groep veel verschillen voorkomen. Broeder Erik is het grootste deel van zijn leven ambtenaar geweest, maar wel een van een bijzonder soort. Een die de regels wel kende, maar vooral belang stelde in de mens met wie hij van doen had en die hij op zijn weg verder wilde helpen. En daar toont zich een bijzondere trek en gevoeligheid bij hem die in die multiculturele stad niet bij iedereen aanwezig is. Waar in samenleving en kerk nog wel eens gesproken en gehandeld wordt vanuit een exclusivisme, dat mensen buitensluit, omdat ze anders zijn dan de anderen, een andere huidskleur of geaardheid hebben, daar was Erik een man die vanuit een ander geest leefde. Dat heeft trouwens ook zijn keuze bepaald voor onze abdij en voor de manier waarop hij vorm probeerde te geven aan zijn monastieke leven en zijn activiteiten in Benedictushof.  Wij hebben hem leren kennen als een man met een evangelische gedrevenheid. Geen verbodsborden maar welkomstborden voor jan en alleman, want God heeft al zijn kinderen lief, hoe verschillend zij ook zijn. Die eunuch uit de eerste lezing was wegens zijn fysieke toestand buitengesloten van de tempel. Volgens de joodse wet had hij niet het recht de tempel te betreden. Maar waar mensen niet zelden worden afgerekend op geaardheid of buitenkant, is er geen oog voor de binnenkant van dit mensenkind. Die eunuch had toch de hele pelgrimsweg afgelegd en zelfs een boekrol gekocht. Welkom of niet, hij had de tocht gemaakt, want zijn ziel dreef hem daartoe. Ook deze man is een kind van God en Erik zou hem met open armen hebben ontvangen. De eunuch was een van de velen in de marge van onze samenleving die vragen om een volwaardige plek aan de tafel van het leven en in het huis van God.

Er is nog een element in het verhaal uit de Handelingen waar wij in een spiegel het beeld van Erik zien verschijnen. Die eunuch zit met een vraag, hij leest een verhaal, maar hij begrijpt het niet. Wie kan daar raad verschaffen? En dan verschijnt Filippus op het toneel, want God werkt met middelen, met mensen. Maar hij doet dat op een bijzondere wijze. Niet vanuit de hoogte of vanaf de zijlijn, maar zoals hij in de menswording van het Woord, in Jezus heeft laten zien door de weg met ons te gaan. En zo ook Filippus, als ware leerling gaat hij naast de man zitten en begint met een vraag, niet met vóór te schrijven, maar door met hem mee te reizen en samen te luisteren en te zoeken naar de weg ten leven voor deze mens. Evangelisatie waar broeder Erik van droomde en waar hij voor ijverde, zo en niet anders, wars als hij was van alle vormen van klerikalisme in en buiten de kerk.

Wordt het nu toch een heiligverklaring? Daar is geen reden toe, want zijn temperament en zijn ijver waren ook wel eens een struikelblok voor hemzelf en anderen.

Amsterdam, een stad waar broeder Erik al jong zijn muzikale leven begon op het jongenskoor in de Willibrord buiten de veste. Onder leiding van Toon Vranken, dirigent en componist, en zijn vrouw Rie Vranken Hoedjes leerde hij niet alleen de muziek kennen, maar ook de schoonheid van de liturgie. Die vorming was van onschatbare waarde voor zijn verdere leven en tot aan zijn laatste ademtocht sprak hij vol dankbaarheid over die twee mensen die hem hadden ingeleid in een vorm van expressie die misschien meer nog dan woorden het geheim van God raakt. Zingen is hij dan ook zijn leven lang blijven doen op tal van podia.

En op een gegeven moment heeft Erik in de melodie de klank opgevangen van een wenkende stem en heeft hij de zijne gevoegd in ons monnikenkoor. Hij heeft er niet lang mogen zingen, maar het leven en de muziek worden niet bepaald door de lengte en duur, maar door de zuivere toon. Hier is zijn stem stil gevallen, maar in zijn overgave en Paasgeloof horen wij al de klank van het nieuwe lied waaraan hij nu deel heeft gekregen.  Zijn wens is dat wij het lied niet laten verstommen en elk zich voegt in het koor dat het leven kleur en klank geeft God ter eer. AMEN.

Abt Thijs Ketelaars

Hand. 8,26-40; Joh. 6,44-51

 

Nieuwsbrief

Schrijf u vrijblijvend in en blijf op de hoogte van de activiteiten van Abdij van Egmond.

We respecteren uw privacy. Sint-adelbertabdij zal uw e-mailadres nooit delen met derden.
© 2022, Abdij van Egmond Algemene voorwaarden