Een toevallige ontmoeting
Dat was het langste verhaal uit het Nieuwe Testament. En als u niet voortijdig hebt afgehaakt, zult u hebben gemerkt dat er van alles aan bod kwam. Maar één ding is zeker. Er is sprake van een ontmoeting. En lezend en herlezend vroeg ik mij af of er in onze maatschappij van maakbaarheid en regelzucht, van zelfbepaling en afbakening nog plaats is voor zo ‘n ontmoeting ?
De bron of de put was vanouds de plek waar het leven zich afspeelde. Je ging erheen om water te halen voor het gezin en voor het vee. Je ging er heen voor het dorpsnieuws en het was ook de plek waar de jeugd zijn eerste afspraakjes maakte en de vreemdeling die op reis was informeerde naar een slaapplek. Iedereen had er toegang en als er al een hek omheen stond of een deksel op lag, dan was het om te voorkomen dat er iemand in zou vallen. Is er die ruimte nog in onze samenleving waar vriend en vreemde kan gaan zitten zonder weggestuurd te worden? En zijn wij nog wel aanspreekbaar of turen wij op onze smartphone naar een mogelijke afspraak die ons de kans van ons leven doet missen?
Wij zijn getuigen van een ontmoeting, en wel een op het heetst van de dag, wanneer je het niet zou verwachten. Iedereen bleef op dat uur liever thuis, niet direct wakker en gespitst op een gesprek. En juist op dat tijdstip gaat Jezus moe van de tocht bij de put zitten. Even op adem komen, maar ook uitziend naar iemand die hem een beker water wil geven. Hij zit er doorheen en is op een helpende hand aangewezen. En als er al iemand komt is het nog de vraag of die genegen is die dienst te bewijzen, want als Jood heeft hij in Samaria niets te zoeken. Ze konden niet met elkaar door een deur. Daar zaten generaties van religieuze conflicten achter. Hier geen Jezus die het toneel bepaalt, maar een die kwetsbaar is als de velen te midden van wie hij gewoonlijk verkeert. Vandaag is hij aangewezen op de weldaad van een ander, dorstig en moe als hij is.
En dan komt onverwacht een vrouw naar de put en Jezus grijpt de kans aan en vraagt of ze hem te drinken wil geven. Met die vraag valt hij met de deur in huis. Hij stelt zich niet voor, maar laat zich van zijn kwetsbare kant zien. De vrouw kijkt ervan op en reageert met een vraag. Jij mij om drinken vragen, dat kan toch helemaal niet. Jij een Jood en ik een Samaritaanse, een vrouw nog wel. Zo ging dat toen, zo gaat het nu, er worden etiketten geplakt en dan lijkt alle menselijke verkeer onmogelijk. Maar dan ontspint er zich toch een gesprek. Bij Jezus lijkt er ineens geen sprake meer te zijn van dorst en vermoeidheid en de vrouw laat de kruik waarmee ze water kwam putten als het ware uit haar handen vallen.
Jezus vergeet zijn dorstige keel en raakt in vuur en vlam door de innerlijke bron van waaruit hij leeft, een bron die hij ook in die vrouw graag zou zien opborrelen. Want een mens leeft niet van brood of water alleen, wij komen maar echt tot leven als wij de innerlijke bron hebben ontdekt, die zin en richting geeft aan ons bestaan. Die ons smaakt geeft voor wat het leven echt vult en kleur geeft.
Dat gesprek van Jezus met de vrouw dat zo alledaags begon, krijgt steeds meer een andere kleur. Maar wel met horten en stoten, want de vrouw zit aanvankelijk nog helemaal gevangen in het alledaags gedoe van steeds weer water moeten komen putten en van die last wil ze wel graag af. Er komt pas een ware wending als Jezus vraagt naar haar man. Maar de vrouw ontwijkt het onderwerp, het is te pijnlijk en persoonlijk en ze neemt haar toevlucht tot een ogenschijnlijk veel verhevener onderwerp waar Joden en Samaritanen over twisten. Is God nu in Jerusalem of hier op deze berg te vinden. Waar moet hij aanbeden worden. Die vraag kent talloze varianten in de geschiedenis tot op de dag van vandaag. Waar is God te vinden, waar moet hij aanbeden worden. Jezus maakt een eind aan de discussie voor hij goed en wel begonnen is. God aanbidden kan overal en in alle talen en riten als Hij maar in Geest en waarheid wordt aanbeden. En het begint bij de vrouw te dagen, en dan horen wij voor het eerst uit de mond van Jezus een ‘ik ben’ uitspraak. Dat voorrecht is voorbehouden aan een vrouw en nog wel een Samaritaanse. “Die Messias, dat ben ik.” Gods presentie is te vinden in deze mens die hier voor je staat en je wil laten delen in die bron van levend water.
De vrouw, ze kwam op het heetst van de dag, op een uur dat niemand haar zou zien. Een toevallige ontmoeting maakt van deze dorstige vrouw een mens die anderen levend water gaat aanreiken vanuit de bron die in haar is gaan stromen. Het gebeurde, zomaar bij een toevallige ontmoeting, niet gepland, niet afgewezen. De Heer zit moe aan de put en het leven verandert als je daar niet aan voorbijloopt, en het gesprek niet weigert. Nieuw geboren, levend water opborrelend tot eeuwig leven.
AMEN.
Abt Thijs Ketelaars
Lezingen: Exodus 17,3-7; Romeinen. 5,1-2.5-8; Johannes 4. ,5-42
