Nieuws

Een toevallige ontmoeting

Dat was het langste verhaal uit het Nieuwe Testament. En als u niet voortijdig hebt afgehaakt, zult u hebben gemerkt dat er van alles aan bod kwam. Maar één ding is zeker. Er is sprake van een ontmoeting. En lezend en herlezend vroeg ik mij af of er in onze maatschappij van maakbaarheid en regelzucht, van zelfbepaling en afbakening  nog plaats is voor zo ‘n ontmoeting ?

De bron of de put was vanouds de plek waar het leven zich afspeelde. Je ging erheen om water te halen voor het gezin en voor het vee. Je ging er heen voor het dorpsnieuws en het was ook de plek waar de jeugd zijn eerste afspraakjes maakte en de vreemdeling die op reis was informeerde naar een slaapplek. Iedereen had er toegang en als er al een hek omheen stond of een deksel op lag, dan was het om te voorkomen dat er iemand in zou vallen. Is er die ruimte nog in onze samenleving waar vriend en vreemde  kan gaan zitten zonder weggestuurd te worden? En zijn wij nog wel aanspreekbaar of turen wij op onze smartphone naar een mogelijke afspraak die ons de kans van ons leven doet missen?

Wij zijn getuigen van een ontmoeting, en wel een op het heetst van de dag, wanneer je het niet zou verwachten. Iedereen bleef op dat uur liever thuis, niet direct  wakker en gespitst op een gesprek. En juist op dat tijdstip gaat Jezus moe van de tocht bij de put zitten. Even op adem komen, maar ook uitziend naar iemand die hem  een beker water wil geven. Hij zit er doorheen en is op een helpende hand aangewezen. En als er al iemand komt is het nog de vraag of die genegen is die dienst te bewijzen, want als Jood heeft hij in Samaria niets te zoeken. Ze konden niet met elkaar door een deur. Daar zaten generaties van religieuze conflicten achter.  Hier geen Jezus die het toneel bepaalt, maar een die kwetsbaar is als de velen te midden van wie hij gewoonlijk verkeert. Vandaag is hij aangewezen op de weldaad van een ander, dorstig en moe als hij is.

En dan komt onverwacht een vrouw naar de put en Jezus grijpt de kans aan en vraagt of ze hem te drinken wil geven. Met die vraag valt hij met de deur in huis. Hij stelt zich niet voor, maar laat zich van zijn kwetsbare kant zien. De vrouw kijkt ervan op en reageert met een vraag. Jij mij om drinken vragen, dat kan toch helemaal niet. Jij een Jood en ik een Samaritaanse, een vrouw nog wel. Zo ging dat toen, zo gaat het nu, er worden etiketten geplakt en dan lijkt alle menselijke verkeer onmogelijk.  Maar dan ontspint er zich toch een gesprek. Bij Jezus lijkt er ineens geen sprake meer te zijn van  dorst en vermoeidheid en de vrouw laat de kruik  waarmee ze water kwam putten als het ware uit haar handen vallen.

Jezus vergeet zijn dorstige keel  en raakt in vuur en vlam door de innerlijke bron van waaruit hij leeft,  een bron die hij ook in die vrouw graag zou zien opborrelen. Want een mens leeft niet van brood of water alleen, wij komen maar echt tot leven als wij de innerlijke bron hebben ontdekt, die zin en richting geeft aan ons bestaan.  Die ons smaakt geeft voor wat het leven echt vult en kleur  geeft.

Dat gesprek van Jezus met de vrouw dat zo alledaags begon, krijgt steeds meer een andere kleur. Maar wel met horten en stoten, want de vrouw zit aanvankelijk nog helemaal gevangen in het alledaags gedoe van steeds weer water moeten komen putten en van die last wil ze wel graag af.  Er komt pas een ware wending als Jezus vraagt naar haar man. Maar de vrouw ontwijkt het onderwerp, het is te pijnlijk en persoonlijk en ze neemt haar toevlucht tot een ogenschijnlijk veel verhevener onderwerp waar Joden en Samaritanen over twisten. Is God nu in Jerusalem of hier op deze berg te vinden. Waar moet hij aanbeden worden. Die vraag kent talloze varianten in de geschiedenis tot op de dag van vandaag. Waar is God te vinden, waar moet hij aanbeden worden. Jezus maakt een eind aan de discussie voor hij goed en wel begonnen is. God aanbidden kan overal en in alle talen en riten als Hij maar in Geest en waarheid wordt aanbeden.  En het begint bij de vrouw te dagen, en dan horen wij voor het eerst uit de mond van Jezus een ‘ik ben’  uitspraak. Dat voorrecht is voorbehouden aan een vrouw en nog wel een Samaritaanse.  “Die Messias, dat ben ik.” Gods presentie is te vinden in deze mens die hier voor je staat en je wil laten delen in  die bron van levend water.

De vrouw, ze kwam op het heetst van de dag, op een uur dat niemand haar zou zien. Een toevallige ontmoeting  maakt van deze dorstige vrouw een mens die anderen levend water gaat aanreiken vanuit de bron die in haar is gaan stromen. Het gebeurde, zomaar bij een toevallige ontmoeting, niet gepland, niet afgewezen. De Heer zit moe aan de put en het leven verandert als je daar niet aan voorbijloopt, en het gesprek niet weigert. Nieuw geboren, levend water opborrelend tot eeuwig leven.

AMEN.

Abt Thijs Ketelaars

Lezingen: Exodus 17,3-7; Romeinen. 5,1-2.5-8; Johannes 4. ,5-42

Het luisterende, open gelaat

Het luisterende, open gelaat

 

Stel je een forensisch tekenaar voor. Iemand die een gelaat schetst op basis van fragmenten: flarden van een verhaal, een aarzelende beschrijving, een vaag detail. Uit wat hij hoort, probeert hij een gezicht te laten ontstaan: een robotfoto bij een misdaad. Maar het kan evengoed een vage herinnering zijn, een mooie ontmoeting die indruk maakte en nog nazindert.

 

Dat beeld brengt mij bij Abraham. Hij luistert. Enkel een toesprekende stem: ‘Trek weg.’ Hij verlaat Haran, zijn familie, zijn zekerheid, alles wat vertrouwd is. Alles voor een roep die hij niet kan vastpakken.

 

Zou Abraham ooit geprobeerd hebben zich een beeld te vormen van wie hem riep? Terwijl hij slaapt, trekken tekenen van het leven voorbij: aasgieren cirkelen, een walm van vuur beweegt tussen de stukken van het offer. En toch – in een flits – ervaart hij iets: geen scherp omlijnd gezicht, maar een openheid, een ruimte verscholen in het geheim.

 

Ook vandaag kennen wij zulke flitsmomenten: in een zonsopgang, in een muziekstuk dat je tot in het hart raakt, bij een geboorte of bij een vredig sterven. Herkent u dat? Er moet ‘iets’ zijn, zeggen de mensen. Maar Abraham is geen ietsist. Hij blijft niet steken in een vaag vermoeden. Hij laat zich aanspreken, hij engageert zich. Zijn gelaat wordt open voor de Ander die hem opent. En hij gaat op weg, ook met een onvolledig beeld.

 

Het stralende gelaat

 

Net als Abraham gaan drie leerlingen met Jezus op weg: Petrus, Jakobus en diens broer Johannes. Waarom juist deze drie? Misschien openbaart God zich naar draagkracht. Mogelijk staan zij op een keerpunt. Wacht hen een bijzondere opdracht? Of misschien is het eenvoudig: alleen wie meegaat, kan zien.

 

 

Op de berg verandert het perspectief. Jezus’ gezicht straalt als de zon. Dat gelaat, de berg, het meest heldere kleed, de wolk: archetypische beelden die een poort openen naar het innerlijke leven van de drie. Even valt alles in de plooi. Wet en profeten, Mozes en Elia, traditie en vernieuwing: altijd weerbarstig, maar nu ordent het zich vanzelf. Meer dan een tip van de sluier wordt opgelicht. Nu wordt helder wie Jezus is.

 

Misschien verandert Jezus niet, maar hun zien wel. Wat trekt hun aandacht? Jezus laat zich overspoelen in radicale ontvankelijkheid – een gelatenheid, geen passiviteit zoals wij die kennen; een innerlijke wilsdaad, een volledige overgave aan God. In die gave straalt ook zijn menselijk gezicht.

 

Angst en ontzag overvalt de leerlingen. Wat zo helder is, is tegelijk verborgen. De stem klinkt: ‘Dit is mijn geliefde Zoon.’ En juist dan raakt Jezus hen aan. Het licht verblindt niet; het buigt zich naar hun broosheid. Petrus had nog willen spreken, tenten bouwen, maar nu wordt het stil. Ze dalen de berg af, iets ontvangen, nog zoekend, nog zwijgend. Wat zij gezien hebben, moet in hen rijpen.

 

Misschien rijpt er ook iets in ons innerlijk. We hebben allen over Jezus gehoord – in gezin, op school, in de kerk – maar het kan gebeuren dat de diepte van Jezus nog niet is opengegaan. Of dat door woorden, verhalen en overwegingen het licht van zijn aanschijn ook over ons opgaat. Voelt u dat in uw hart? Ook wij kunnen stil worden, geraakt door een aanwezigheid die zich niet laat vangen.

 

Het getekende gelaat

 

Het evangelie van vandaag eindigt hier, maar de weg van de leerlingen gaat door. De glorie van Tabor zal straks plaatsmaken voor een andere dimensie: het stralende gelaat dat zij op de berg zagen, verschijnt opnieuw, nu in een getekend gelaat. Jezus tussen twee boosdoeners. Verduistering valt over de zon; de stem van God lijkt afwezig.

 

 

De leerlingen zien het getekende gelaat van Jezus. Het overrompelt hen, in heel hun lijf. Zou die lichtopenbaring op de berg onvoorwaardelijke liefde zijn, tot de zelfgave toe? Niet te geloven, niet te vatten. Wie dit gelaat aanschouwt, kan niet langer onverschillig blijven. Petrus slaat op de vlucht, Johannes blijft bij het kruis, en Jakobus doorloopt op eigen wijze zijn innerlijk proces.

 

 

Het weerspiegelend gelaat

De afdaling van de berg is toch weer de weg terug. Die onstuitbare liefde op Jezus’ getekende gelaat zal hen voorgoed tekenen. Petrus zal bitter wenen, maar toch de Kerk mogen leiden. Johannes wordt evangelist. Jakobus getuigt in Jeruzalem.

 

De gekruisigde en Opgestane Jezus zal in de drie het beeld van zijn Schepper herkennen. Hun gelaat weerspiegelt zijn beeld en gelijkenis. Omwille van die onwankelbare liefde zal Petrus sterven onder de keizer, Jakobus – volgens de Handelingen – onder koning Herodes, en Johannes zal later verbannen worden.

 

En dat, omdat Jezus hen heeft aangekeken en zo immens heeft liefgehad, voor altijd, voorbij alle grenzen.

 

In deze vastentijd zijn ook wij uitgenodigd om de weg  van de leerlingen te gaan. Dat kan door de pelgrimeren naar Santiago de Compostella, of Rome of Efese, maar hoe ook laat ieders tocht eentje zijn, geraakt door het Licht, door een onuitputtelijke en onbreekbare liefde, om zo het spoor van de drie leerlingen verder te volgen – imperfect, maar authentiek, uitnodigend en vol mededogen.

Amen

 

Br. Paul Cools

Lezingen: Genesis 12, 1-4a, 2 Timotheus 1, 8b-10, Matheus 17, 1-9

1e Zondag Veertigdagentijd

De lezingen van deze eerste zondag in de veertigdagentijd draaien er niet omheen, of je kunt ook zeggen: ze draaien om één thema: de zonde – natuurlijk geen leuk thema: het zou je zondag bederven- maar gelukkig: het gaat over de overwinning op de zonde.

We horen over de val van de eerste mens en de overwinning van de nieuwe Adam: heel het drama van onze menselijke geschiedenis in één oogopslag.

In het Evangelie zien we hoe Jezus, de Zoon van God, als een gewoon mens wordt bekoord. Maar in tegenstelling tot de oude Adam en de hele mensheid, Hij weerstaat de bekoring. En dankzij Hem verliest het kwaad zijn ijzeren greep op de mens, worden wij herboren, bevrijd van de zonde die ons allen met de dood treft, herboren ten leven.

Die eerste lezing uit het boek Genesis is geen verhaal dat verslag wil doen van een feitelijk gebeuren zoals wij verwachten van een journalistieke reportage. Die moet je trouwens nu echt heel kritisch lezen, want veel berichtgeving is tegenwoordig erg creatief met de werkelijkheid en onbetrouwbaar. Fake nieuws. De bijbel is niet fake, maar is ook geen reportage, zij heeft niet ten doel om exacte feiten te rapporteren, maar wil wel een diepere waarheid openbaren. Het scheppingsverhaal leert over de band van de mens met God, en met zijn aardse omgeving. Adam is geformeerd uit aarde, aangesteld om de schepping te beheren. Door zijn ongehoorzaamheid is er chaos in zijn leven gekomen, en loopt het uit op de dood. Hij maakte misbruik van de kostbare gave die de Schepper hem had toevertrouwd en eigende zich toe wat hem verboden was.

Elke zonde is een rebellie tegen Gods wil. Paulus stelt dit zeer duidelijk aan het begin van de tweede lezing: “Door Adam is de zonde in de wereld gekomen, en door de zonde is de dood gekomen; en de dood heeft zich over alle mensen verspreid, omdat allen gezondigd hebben. Adam dat is: wij allen; hij is degene die begon; wij allen volgen zijn voorbeeld. Wij hebben een aartje naar ons vaartje.

Zoals gezegd: op deze eerste zondag van de Veertigdagenperiode keert dit ene thema, het thema van zonde en verleiding tot zonde, terug in alle drie de lezingen. In het Evangelie zien we hoe de Zoon van God mens geworden, moet afrekenen met de influisteringen van de boze, en dat tot ons grote geluk ook doet.

In tegenstelling tot de oude Adam en tot ons allemaal, weet Hij diens verleidingen te pareren. Het is de kerkelijke overtuiging dat dankzij Hem zal ook zijn moeder Maria op uitzonderlijke wijze bewaard is gebleven voor iedere smet van het kwaad. Aan haar bereidheid, haar groot geloof en haar trouw, hebben wij onze verlosser te danken. Wel wordt onze medewerking gevraagd. De Schepper respecteert onze vrije wil. Wij dienen ons te verzetten tegen het kwaad.

Dat er nog steeds kwaad is in onze wereld, ziekten en alles wat tot de dood leidt, wordt gezien als gevolg van de zonde, gevolg van onze zondige staat waarin alle mensen zich bevinden.

Maar als wij de last dragen van de erfenis van Adams ongehoorzaamheid: wij zijn ook erfgenamen van Christus. Zijn gehoorzaamheid geeft ons nieuwe kansen, verheft ons tot leven in vrijheid. Eerst tot het geestelijke leven, dan tot de opstanding van ons hele sterfelijke wezen, tot de opstanding zelfs van onze lichamen, die nog tijdelijk sterfelijk zijn, maar die op een dag ook tot eeuwig leven zullen opstaan.

Want op een dag zal er geen dood meer zijn, geen sterfelijkheid meer, geen kwaad. De gehoorzaamheid en genade van Christus overtreffen verre alle gevolgen van Adams ongehoorzaamheid en zonde. Waar de zonde overvloedig was, daar was de genade des te overvloediger. Het Exultet van de Paaswake weerspiegelt het triomflied van de heilige Paulus: “O onschatbaar bewijs van uw liefde: om de slaaf vrij te kopen hebt Gij de Zoon prijsgegeven. Was Adams zonde niet noodzakelijk, om door de dood van Christus te kunnen worden gedelgd? Gelukkige schuld waaraan wij zulk een Verlosser hebben te danken.”

Dierbaren, zo gaan wij als pelgrims van hoop deze 40-dagentijd in, samen op weg naar de vreugde van een leven in verbondenheid met de Schepper.

Dankbaar voor het licht van het geloof, voor ons mogen toebehoren aan de gemeenschap van de gelovigen, het lichaam van de Kerk.

De kerkgemeenschap ervaart in onze dagen een periode van uitzuivering en vernieuwing. Ook al als gevolg van het wereldwijde misbruikschandaal zien wij hoe veel mensen het instituut verlaten. Zij hebben hun vertrouwen in de ambtsdragers en dikwijls zelfs in God verloren. En daarnaast is er een enorme, zo goed als geruisloze kerkverlating van mensen die kerklid waren door maatschappelijke gewoonte en familietraditie, maar zonder persoonlijke overtuiging en diepgang.

Je kunt er mismoedig om worden, maar het is vruchtbaarder dat wij zo tot besef komen hoe kostbaar een levend geloof is, en hoe het vraagt om gevoed te worden door een trouw en volgehouden gebedsleven in verbondenheid met elkaar. Geloven is niet iets dat je in je eentje doet. Geloven doe je in verbondenheid, met God en met elkaar.

De geruisloze geloofsafval maakt een proces zichtbaar dat al heel lang gaande was, van kwijnende geloofspraktijk, van onverschilligheid, scepsis, twijfel, kritiek op alles en iedereen, verlies van perspectief. Een groot deel van de geloofsgemeenschap is zo vervreemd van de kerk, neemt geen deel aan haar vieringen, is alleen naamchristen, katholiek uit gewoonte.

Maar Christus Kerk zet haar missie voort en vernieuwt zich.  Haar dagelijks gebed houdt de bloedsomloop in stand, haar kloppend hart blijft getuigen van Gods liefde, en haar pijn en lijden blijven niet zonder vrucht.

Terwijl – jammer genoeg – het aantal kinderdopen afneemt, ook door het dalen van het aantal geboortes, is er een groeiend aantal volwassenen, mensen die bewust toetreden tot de kerk. In België verwacht men dat honderden volwassenen dit jaar zullen toetreden tot de kerk. In Frankrijk, de oudste dochter van de kerk, maar ook het land waarvan men zei dat God er met vakantie is, werden vorig jaar met Pasen 10.000 volwassenen gedoopt. Ook in ons bisdom is er een verheugende groei in het aantal toetredingen van volwassenen. Wij zijn blij dat ook hier, in onze abdij een jongeman zich heeft aangemeld om het heilig doopsel in de Paasnacht te ontvangen. De voorbereiding zal zeker ook een woestijnervaring kennen, maar hopelijk is er ook de steun van de gemeenschap. De evangelie perikoop eindigt met te vertellen dat na de bekoring de duivel Jezus met rust liet en er engelen kwamen om Hem te dienen. Ook wij worden omringd, zowel door engelen die ons onzichtbaar omringen, als door de broeders, de oblaten en de gelovigen die een gebedsgemeenschap vormen waarin het geloof wordt gesterkt en gevoed.

Zo mogen wij deze 40dagentijd ingaan, biddend en elkaar bemoedigend, om het licht van Christus in onze wereld te laten schijnen en zijn vuur te doen oplaaien zodat het energie kan geven aan heel onze samenleving tot eer van God en tot heil van ons allen.

Van harte een gezegende 40dagentijd,

Br. Gerard Mathijsen

 

Lezingen: Genesis 2, 7-9; 3, 1-7, Romeinen. 5, 12-19, Matheus 4: 1-11

Veertig dagen samen onderweg

‘De veertigdagentijd is bij de meeste mensen waarschijnlijk beter bekend als de vastentijd’. Zo schrijft de onlangs overleden Peter Nissen in zijn handreiking ‘Loslaten en groeien’ die hij ons als gids voor de veertigdagentijd heeft nagelaten. Maakt dat nu wat uit of je het veertigdagentijd noemt of vastentijd? Bij vasten denk je aan dingen die niet mogen, aan zaken of gewoontes die je moet nalaten. Alleen maar ‘nee, en ‘’niet’ is voor de meeste mensen geen inspirerende gedachte. Wij zien het dagelijks voor ons in de consumptiemaatschappij. Opgeven blijkt moeilijk wanneer er geen sprekend doel is om voor te gaan. De naam ‘veertigdagentijd’ roept heel andere associaties en gevoelens op.  Daar komen niet alleen beelden op van een tocht vol uitdagingen, met de belofte van een land van melk en honing, maar het is ook een tocht die je niet moederziel alleen gaat, maar met tochtgenoten, met mensen die dezelfde droom in hun hart dragen. Als je zo aan de veertigdagentijd begint krijgt het leven een heel andere kleur dan bij een veertigdaagse vasten. Samen op weg met Jezus in ons midden, want hij gaat met ons als gids en tochtgenoot. Dat is geen vakantiereis, maar een levensreis, met alle lief en leed dat erbij hoort, op weg naar het huis van de Vader waar alle tranen worden afgewist en de dood niet meer zal zijn. Die tocht  vraagt om de juiste bepakking, de juiste instelling en een groot geloof. Dat brengt dus met zich mee dat je keuzes moet maken anders haal je nooit het doel. Daar krijgt  vasten dus een plek, maar niet als doel, maar als een van de onmisbare middelen om het beoogde doel te bereiken.

Samen op weg. En bij het begin van de tocht worden ons vandaag  drie specifieke aandachtspunten aangereikt voor de tocht. Wij hoorden ze in het evangelie. Aalmoezen geven, bidden en vasten. Zij verwijzen naar de drie relaties die het fundament vormen van ons leven. Zij zijn ook de ijkpunten voor ons gedrag onderweg. De omgang met de ander, met God en met jezelf.

Aalmoezen geven, dat is tegenwoordig een ouderwets woord, maar het is afgeleid van het griekse woord elyemosuné, dat barmhartigheid betekent. Een aalmoes is dus niet een fooi geven, maar barmhartigheid, compassie tonen met wie onze tochtgenoten. Wij zijn niet alleen op de wereld, en wij zijn allen met welke kleur of geloof ook, kinderen van God, de een niet meer dan de ander. Geroepen om samen de weg te gaan. En dan niet voortdurend elkaar de maat nemen of kleineren, maar de ander bezien met de blik van Jezus, evenbeeld van Gods menslievendheid voor zondaars en heiligen. Niemand  aan zijn lot overlaten, niemand langs de weg laten liggen, maar meenemen en alle zorg geven om samen het doel te bereiken, de stad van vrede, het hemels Jerusalem. Doen zoals Jezus heeft gedaan, die onze gids en leidsman is. Woorden van leven spreken, levensmoed en hoop geven, allen in woord en daad nabij en dragen in gebed.  Samen onderweg, samen de weg ten leven.

Het tweede aandachtspunt  is het gebed. Wat gebeurt er met ons als ons leven niet gegrond is in onze relatie met God? Wat gebeurt er met een leven dat de humus mist van een gezond en geaard bestaan? Kan het groeien en bloeien zoals God het heeft bedoeld?  Dat wil niet zeggen dat het dan een bestaan wordt zonder vragen en beproevingen. We zien het bij Jezus die ons menselijk bestaan heeft gedeeld en het kruis niet is bespaard. Maar een gegrond bestaan kan  tegen de stormen van het leven, want wie in God geaard is, weet zich bemind  en heeft vaste grond onder de voeten. In onze wereld die bol staat van  maakbaarheid en zelfrealisering is het een zegen je bemind te mogen weten door God uit wie wij leven. Bidden, het is stil worden en met Jezus en als Jezus je door de Geest van de Vader laten doorademen. En zo de greep op het leven loslaten. Het leven zelf de ruimte geven, geen grijpgrage handen, maar open handen die weten te ontvangen, te danken en op hun beurt weten te geven. Mensen van God  worden, competitie en concurrentie achter ons laten, want alles is gekregen om het dankbaar te delen zodat God in alles en allen wordt verheerlijkt. Dat is de weg naar Pasen, samen met Jezus.

En dan het derde aandachtspunt. Dat heet vasten. Dat is een oefening om op een volwassen manier met ons eigen leven om te gaan. In onze samenleving zijn meer en meer mensen afhankelijk van wat anderen van je zeggen.  Alle idolen doen menigeen er aan twijfelen of ze wel de moeite waard zijn, of hun lijf wel voldoet aan de mode van dit moment en zo meer.  Wat betekent dat niet alleen voor onze omgang met ons lichaam, maar ook voor onze omgang met onze ziel?  Krijgt ons lichaam, die tempel van de Geest, de zorg die het verdient?  Weten wij maat te houden, niet te veel, maar ook niet te weinig? En onze ziel, is er nog tijd voor stilte waarin wij  mogen horen wie wij zijn een waartoe wij zijn geschapen?    Vasten, het is ruimte maken in het lijf en in het hart om ons te laten bevrijden van alles ons belet te leven als vrije en verantwoordelijke kinderen van God.  Vasten, het is de rugzak voor de levensreis opruimen zodat wij de aarde niet bezwaren met onze grote voetafdruk, maar samen met  onze tochtgenoten de weg gaan met zorg en aandacht voor elkaar en heel de schepping die ons draagt. Vasten, het is onthaasten en onthechten met  lichaam en ziel, zodat wij weer zicht krijgen op wat er echt toe doet. Laat ons zo in deze de veertigdagentijd de weg met Jezus gaan om met Pasen op te staan als herboren en herschapen mensen, samen met Hem, de eerstgeborene van heel de schepping.

AMEN

Vader Abt Thijs

 

Lezingen: Joel 2,12-18; 2Korinthe 5,20-6,2; Matheus 6,1-6+16-18

 

 

 

 

Een haag rond het leven

In het zuiden van ons land wordt deze zondag carnaval gevierd en ik vrees dat het evangelie van vandaag er bekaaid afkomt. Wij hebben zonder al dat gehos en gezwier hopelijk de tijd en aandacht.  Het was niet alleen een lange tekst, te lang zelfs voor één preek, maar het is ook een tekst die vragen oproept en misschien zelfs irritatie. Allemaal redenen om er samen bij stil te staan en  te onderzoeken wat er nu eigenlijk gezegd wordt.

Over wie of wat gaat het eigenlijk? Gaat het over geboden of gaat het over de manier waarop met geboden wordt omgegaan, ja hoe Jezus de geboden interpreteert?

Liefst zes maal hoorden we: ‘voorwaar, ik zeg u’. In die formulering klinkt autoriteit door en dan stelt zich natuurlijk de vraag: Waar heeft Jezus die autoriteit vandaan. Wie of wat geeft hem het recht om zo te spreken?

Maar laten we bij het begin beginnen.

Jezus spreekt hier tot zijn leerlingen, maar bij nader toezien ontdekken we dat zijn eigenlijke gesprekspartners de Schriftgeleerden en Farizeeën zijn. Voor hen zijn de woorden bestemd. Want zij zijn het die Jezus betichten van ontrouw aan de wet, van het breken met Gods geboden  en daarom leven ze op meer dan gespannen voet met hem.

Maar Jezus weerspreekt hun beschuldigingen op niet mis te verstane wijze. Met autoriteit, met gezag, horen we hem zeggen: ‘Ik zeg u, eerder nog zullen hemel en aarde vergaan, dan dat één jota of haaltje vergaat uit de wet, voordat alles is geschied.’ Hij laat het zich niet zeggen, dat hij ontrouw is aan de wet. Integendeel, wie bij deze passage blijft stilstaan, leert Jezus kennen als iemand die hartstochtelijk aan de wet verknocht is. Die wet is voor hem geen boek met regels en voorschriften, nee, het is veelmeer, het is voor hem de neerslag van een volgehouden gesprek met de God van Israël, met zijn Vader, die hem levenderwijs doet ontdekken wat die woorden eigenlijk betekenen. Die woorden zijn alles voor hem, we kunnen dat niet genoeg benadrukken, maar het is geen handboek of wetboek wat je slaafs moet volgen. Niet voor niets spreekt Jezus dan ook in de eerste regel  dat hij niet gekomen is om op te heffen, maar om tot vervulling te brengen. En dat vervullen is iets anders dan slaafs napraten of uitvoeren.

De huidige discussie in de kerk over het wel of niet orthodox zijn van deze of gene tot en met de paus toe en over het wel of niet volgen van deze of gene regel en wet, zou er veel bij kunnen winnen, als ze zich zou laten gezeggen door het evangelie van vandaag.

In het eerste gedeelte horen wij waar Jezus’ omgang met Schrift en traditie  vandaan komt. Zijn lezen en verstaan is ingebed en komt voort uit een diepgaand en intiem gesprek met de Vader, die spreekt in de Schrift, in het leven van alledag en in het eigen hart, die drie samen. Jezus luistert, hij luistert intens naar de Schrift als een woord van leven, dat richting geeft, uitnodigt en aanzet tot leven. Hij luistert ook naar het leven van alledag en herkent er de aanspraak  van de Vader om mensen nabij te zijn met zijn leven gevende en helende liefde, hij luistert naar zijn eigen hart en in de stilte van zijn nachtelijk gebed hoort hij Gods Geest die hem liefde inademt.

Zo gevormd en geschoold is voor hem de wet een woord geschreven met vurige letters, een boek om mensen de weg te wijzen naar wat leven geeft en leven beschermt.  En dan ben je er niet met één wetsregel met klem te verkondigen om de orthodoxie of je eigen gelijk te promoveren.

Alleen wie weet heeft van dat innerlijk gesprek en die daarin deelt, heeft recht van spreken met autoriteit. Al het andere, hoe goed bedoeld ook, is in feite niet meer dan papegaaien, het napraten van dode regels.

Het verschil, de afgrond tussen die twee werelden wordt helder in beeld gebracht in het vervolg van de tekst. Daar wordt door Jezus commentaar geleverd op de wet zoals die door Schriftgeleerden en Farizeeën in verschillend situaties wordt geciteerd of toegepast. Het gaat om zaken als doodslag, huwelijk en echtscheiding, eed en rechtspraak en zo meer. Allemaal onderdelen van het dagelijks bestaan.

Het is ondoenlijk vandaag op al die zaken in te gaan. Dan hoeft ook niet, als we één geval bekijken krijgen we een indruk hoe Jezus de wet verstaat en hanteert.

Laten we als voorbeeld de eerste casus uit de tekst van vandaag nemen. ‘Gij hebt gehoord dat tot onze voorouders gezegd is: gij zult niet doden. Wie doodt zal strafbaar zijn voor het gerecht. Maar ik zeg u…’ En dan volgt er een passage waarin Jezus  situaties oproept waar mensen met elkaar in onmin leven,  vetes hebben enzovoort.

Wat gebeurt hier? Hier worden Schriftgeleerden en Farizeeën, mensen die naar de letter van de wet handelen, erop gewezen, dat die wet een ziel heeft, die om veel meer gaat dan het volgen van een regel. Je mag niemand doden zegt de wet, maar dat is om in computertermen te spreken een zipbestand. Dat moet je uitpakken om te zien wat daar allemaal in zit, wat  allemaal onder dat gebod valt. Dat  gaat niet alleen over doodslag, het gaat over alles wat de kwaliteit van leven in een samenleving, in een gemeenschap bedreigt en belaagt.

Toegepast in onze tijd betekent dat bijvoorbeeld dat je niet aan dit gebod voldoet als je met veel nadruk in de pro life beweging tegen abortus bent en je je verder niet bekommert om al die mensen die in barre omstandigheden roepen om leven.

Jezus rekt de wet niet op of uit, broeders en zusters, en hij schaft hem al helemaal niet af. Hij vervult hem door er op te wijzen, met klem en gezag, dat de wet een haag plaatst rond het leven, zodat het kan gedijen en wordt beschermd tegen alles wat afbreuk kan doen aan menselijke relaties en aan zorg voor de schepping, die ons leven draagt.

De Schrift leert ons vandaag bij monde van de Heer zelf dat de wet geen stok is om te slaan maar een stut om zó te gaan dat in alle relaties en situaties van het menselijk bestaan het leven het wint van de dood.  Huiswerk dus, vandaan en alle dagen, maar een opdracht die leven en vreugde schenkt.

AMEN.

Abt. Thijs Ketelaars

Mt 5, 17-37

 

Scholastica

De oudste benaming voor de christenen staat opgetekend in het boek van de Handelingen. ‘Mensen van de weg’[1] worden ze er genoemd. Een prachtige uitdrukking! Op de achtergrond horen we de tekst meeklinken ‘ik ben de weg’, een van de namen van Jezus. Er klinkt ook in mee dat de leerlingen van Jezus niet in de eerste plaats een leer aanhangen, maar mensen zijn die op een spoor zijn gezet, samen op weg in navolging van hem die zich de weg noemt. Leven als christen is een reis, innerlijk en uiterlijk.  Een tocht die ons, zo hopen wij, voert naar ‘een nieuwe hemel en een nieuwe aarde waar gerechtigheid woont’.[2]

Mensen van de weg, samen op weg, synodaal. Dat is geen hedendaagse uitvinding, maar het oudste kenmerk van de leerlingen van Jezus. En wij mogen ons gelukkig prijzen dat de Geest ons dat nu weer laat ontdekken. Welk een zegen zou het niet zijn als wij in onze geïndividualiseerde wereld dat weer in praktijk zouden brengen. Het zou ons kunnen hoeden voor ideologieën en dichtgespijkerde meningen. Het leven is een weg van tasten en zoeken zoals Paulus in Athene zei[3]. Dat beeld van de weg geeft ruimte. Je krijgt de tijd en de kans om te groeien onderweg.

Waarom dit alles verteld op deze feestdag van Scholastica? Wel, als het leven van Benedictus ons iets leert, dan is het dat wij mensen onderweg zijn, hoe honkvast we misschien ook leven. De school die Benedictus heeft gesticht  is geen klasje waar alles in de boeken staat, maar het is bovenal een weg die je gaat samen met anderen. Een coenobium waar wij samen optrekken met het evangelie als gids. Dat zien wij vandaag ook in de vita bij de ontmoeting van Scholastica en Benedictus. Zij hadden beiden al een hele weg afgelegd in de navolging van Jezus. Benedictus was  al ver gevorderd, maar vandaag zien wij hem een pas op de plaats maken of misschien zelfs een stap achteruit zetten in plaats van vooruit. Hoe dat te verklaren? Paus Gregorius heeft er een antwoord op als hij bij deze episode verwijst naar het woord van Johannes: God is liefde.[4] Is dat niet al te kort door de bocht, want we kunnen toch moeilijk zeggen dat Benedictus tijdens zijn leven niet heeft liefgehad. Denk aan zijn zorg voor zijn broeders en de vele pelgrims.

Het huiswerk dat de zusters van de gemeenschap hier ons heeft laten verrichten alvorens naar Oosterhout te komen, heeft ons de vreugde verschaft het levensverhaal van Benedictus nog eens te lezen en de leeservaringen te delen. En zo werd ik geraakt door de ontdekking dat het begin van zijn leven en het einde op elkaar rijmen. In hoofdstuk 1 van de vita ontmoeten wij een vrouw en in hoofdstuk 33 opnieuw een. En beiden hebben een bijzondere band met Benedictus. In hoofdstuk 1is het zijn voedster die met hem meegaat als hij de stad verlaat om naar een eenzame streek te gaan. Zij alleen gaat mee, en zij bemint hem zeer. Zij krijgen van mensen die hun een goed hart toedragen een plek om te wonen. Maar dan gebeurt er in huis een ongeluk en breekt de zeef waarmee de voedster graan aan het zeven is. Er is geen sprake van opzet, het gebeurt per ongeluk. Dat zorgt voor een voedster in tranen, zij weent, want de zeef was geleend. De jonge Benedictus wordt door haar verdriet geraakt, raapt de twee stukken op en begint onder tranen te bidden. De zeef wordt als door een wonder geheeld en Benedictus troost de voedster en geeft haar de zeef terug. Het verhaal lijkt als twee druppels water op dat van Scholastica, maar van de compassie die Benedictus heeft voor zijn voedster, is tegenover Scholastica niet direct veel te merken. Is de spontaniteit van de jeugd verdwenen, wat is er aan de hand? Welke weg heeft Benedictus nog te gaan?

En dan de monnik Romanus in het 2e hoofdstuk. Die ziet Benedictus aankomen wanneer hij op zoek is naar een grot. Romanus spreekt hem aan en staat hem drie jaar bij. Hij leeft wel in een klooster onder de regel van vader Deodatus, maar geregeld glipt Romanus  een paar uur onder het vaderlijke oog weg om Benedictus op vaste dagen brood te brengen dat hij steelt van zijn eigen maal. En dat doet hij uit liefde – caritas- staat er. Maar dat kan de duivel niet verdragen en die probeert er een eind aan te maken.  Voeg deze episode samen met de voorgaande van de voedster en je hebt een spiegelverhaal van dat van Scholastica en Benedictus.

Wat heeft ons dat te zeggen? Wel, aan het begin van het levensverhaal van Benedictus ontmoeten wij de monnik Romanus die door de liefde bewogen de regel zijn juiste plek weet te geven. Benedictus heeft nog een weg te gaan. Hij heeft al vroeg een voorbeeld  gekregen, maar heeft er niet de innerlijke drijfveer van onderkend. En de voedster bracht hem tot de compassie die hij  zijn zus onthield. Benedictus bezat de vitale kracht tot liefde, maar hij moest nog leren hoe haar in andere situaties te bespelen en de ruimte te geven.

Scholastica, zusters en broeders, is in de vita juist het toonbeeld van de liefde, van de caritas, die vleugels heeft en zich door niets laat weerhouden. Benedictus is de wetgever, de man van orde en maat. Maar die twee kunnen niet zonder elkaar. Waar de liefde niet geaard is in de structuur van wet en regel, wordt zij zweverig, staat ze niet met beide benen op de grond. En waar de wet niet de bezieling kent van de liefde wordt het leven star en vreugdeloos.

Benedictus is een weg gegaan samen met Scholastica en het is nooit te laat om nog te leren en je te laten vormen. Het gold voor Benedictus en het geldt voor ons. Wij zijn mensen van de weg en het is ons gegund samen al tastend en zoekend de weg te gaan die naar innerlijke eenheid leidt en ons God en elkaar in één adem doet beminnen. De Geest moge ons daartoe bezielen, iedere dag opnieuw en niet alleen op dit mooie feest.

AMEN

Vader Abt Thijs

Preek gehouden in Oosterhout t.g.v. hoogfeest H. Scholastica

[1] Hand. 9,2

[2] 2Petr. 3,13

[3] Hand. 17,27

[4] 1Joh. 4,16

 

Zalig zij die het zout van de aarde zijn

Mattheus opent zijn beschrijving van Jezus’ openbare leven met de beschrijving dat deze door Johannes wordt gedoopt, van zijn verblijf in de eenzaamheid, van de keuze van zijn leerlingen en daarop volgt de grote Bergrede. Die opent met de zaligsprekingen. Acht zaligsprekingen in algemene termen. En dan de negende die van toon verandert: niet meer zalig wie – in algemene termen, maar heel direct: zalig jullie. De toehoorders worden rechtstreeks aangesproken, ieder die Jezus concreet volgt krijgt deel aan zijn geluk, niet als belofte, maar hier en nu, zij het gepaard met vervolging. En daarop vervolgt de tekst van het evangelie van vandaag.

“Jullie zijn het zout van de aarde” en “jullie zijn het licht van de wereld”. Ieder volgeling van Christus, ieder christen dient te zijn als zout en als licht.

In de tijd van Jezus was zout even kostbaar als onontbeerlijk. Het was een betaalmiddel en een zeer gewaardeerde smaakmaker. Als men een bijzondere gast ontving werd een maaltijd aangeboden die met een flinke hoeveelheid zout was gekruid, als teken van vriendschap en waardering. Bij het verbranden van een offer voor Jahweh werd er zout van goede kwaliteit aan toegevoegd om het offer voor de Allerhoogste aangenamer te maken. Jahweh zou, net als iedereen, ook van zout houden.

Op verschillende plaatsen in het Oude Testament wordt gesproken over “het zout van het verbond” of, omgekeerd, over een “zoutverbond”. Volgens het boek Numeri (18/19) had Jahweh de stam van Levi gereserveerd voor de dienst in de tempel en aan het altaar: hij had met de Levieten een ‘zoutverbond’ gesloten, een vriendschapsverbond. Dat vraagt om de juiste maat. Niet zouteloos, smakeloos, flauw, ook niet te zout

In Leviticus (2/3) vinden we ten slotte het voorschrift om zout op het offer te strooien, in combinatie met de formule ‘zout van het verbond’: ‘Je zult je offerande zouten, staat er, en je zult niet nalaten het zout van het verbond van je God op je offerande te strooien’.

Samenvattend: in de Bijbel wordt zout in verband gebracht met het begrip vriendschap en gastvrijheid, en met het idee van een verbond; aangezien zout voedsel smakelijk maakt, mocht het niet ontbreken op enig offer dat aan God werd gebracht, noch bij enige vriendschapsmaaltijd.

Tot slot mogen we opmerken dat zout niet alleen voedsel smakelijker maakt, maar ook de eigenschap heeft het te conserveren. Vriendschap en verbond, bezegeld door een maaltijd of offer, waarbij niet op zout was bezuinigd, werden als duurzaam beschouwd. Het zout van de vriendschap beschermde het verbond tegen bederf: een zoutverbond kon niet worden verbroken: het behield voor altijd zijn smaak.

Dit gezegd zijnde, is het niet moeilijk te begrijpen wat de uitspraak van de Heer betekent: “Jullie zijn het zout van de aarde”. Als zout van de aarde is het de rol en eigenschap van de discipel om de aarde haar smaak terug te geven en de aarde, het land van de mensen, te behouden in haar verbond en vriendschap met God. Daartoe zorgt de discipel ervoor dat hij al zijn smaak behoudt. In de tijd van Jezus was het moeilijk om aan goed zout te komen. Het Palestijnse zout dat aan de oevers van de Dode Zee, ook wel “de zoutzee” genoemd, werd gevonden, was niet altijd erg stabiel en verloor gemakkelijk zijn smaak. Dan was het niet meer bruikbaar, want je kunt afgevallen zout zijn smaak niet teruggeven: “Als het zout zijn smaak verliest, hoe kan het dan weer zout worden? Het is nergens meer goed voor: men gooit het buiten (op de wegen en paden) en de mensen vertrappen het”. Het gaat er dus om, zegt de Heer, dat we niet smakeloos worden, want een smakeloze leerling kan de aarde van de mensen niet meer zouten, niet meer smakelijk maken door zijn vriendschappen, zijn verbonden, zijn broederschap, zijn gastvrijheid. Het gaat erom de aarde, onze leefomgeving, op smaak te brengen, onze gemeenschap met onze broeders en zusters smakelijk te maken.

Uit deze dubbele uitspraak van de Heer: “Jullie zijn het zout van de aarde; jullie zijn het licht van de wereld”, kunnen we afleiden waarom de liturgie van deze zondag als eerste lezing de aansporing tot delen van de profeet Jesaja heeft gekozen. De tekst spreekt niet over het zout der aarde dat wij moeten zijn, maar meerdere keren over het licht der wereld dat wij zijn. Om het zout van vriendschap, broederschap en solidariteit te kunnen zijn, waarin het licht schittert, opgaat als de dageraad, oprijst in de duisternis als het licht van de middag in Palestina, moeten we ons brood delen met wie honger heeft, de ongelukkige dakloze bij ons thuis opnemen, degene die we zonder kleding zien, bedekken, ons niet onttrekken aan zijn nood, maar hem in onze vriendschap opnemen, het juk, de dreigende gebaren, alle geweld uit het land laten verdwijnen.

“Dan”, zo zegt het evangelie, “zullen de mensen, wanneer zij uw goede werken zien, uw Vader in de hemel verheerlijken”. Dan, zo vervolgt de eerste lezing, “zal uw gerechtigheid voor u uitgaan… En de glorie van de Heer zal je vergezellen”. De profeet richt zich tot Israël. Als volk van Jahweh heeft Israël de roeping om de glorie van zijn God aan de wereld te tonen. Zij zullen de manifestatie zijn van de glorie van Jahweh, als zij het goede doen dat de profeet hen vraagt te doen: de heidenen zullen het zien en Jahweh verheerlijken.

En dat zal in hun eigen voordeel zijn: “Als je dan roept, zal de Heer antwoorden; Hij zal zeggen: Hier ben ik… En je krachten zullen snel terugkeren.” Want in de tijd van de profeet was Israël een klein en arm volk geworden; “Ik zal alleen een klein en arm volk in je midden laten voortbestaan, Israël”, zei de profeet Jesaja afgelopen zondag in de eerste lezing. Maar als zij hun gebeden vergezeld zullen doen gaan met aalmoezen en met het opvangen van ongelukkige daklozen, dan zullen hun krachten terugkeren, omdat zij onrechtvaardigheid en alle geweld uit het land zullen doen verdwijnen.

In deze tijd van nieuwe armen en andere ongelukkigen klinkt deze oproep van de profeet tot delen en solidariteit met de behoeftigen van onze tijd als buitengewoon actueel. Wij willen de politiek buiten de godsdienst houden, en niets ten nadele zeggen van Gods uitverkoren volk. Maar mocht het het Israel van nu luisteren naar zijn eigen profeten, en afzien van zijn afschuwelijke onmenselijkheid jegens de oorspronkelijke bewoners. Dierbaren, laten wij, die volgelingen van Jezus willen zijn, diens woorden ter harte nemen. Laten we goed zout zijn en een licht dat voor de mensen schijnt door onze goede werken.

Vragen wij in deze viering dat God ons daartoe bezielt, ons inzicht geeft en wijsheid, sterkte, geduld en standvastigheid.

Amen

Br. Gerard Mathijsen

Lezingen: Jesaja 58 : 7 – 10 + 1 Kor 2 1- 5 + Matheus 5: 13-16

 

 

 

 

 

 

 

De Bergrede: vaste grond

Dat was een mond vol zaligheid. Liefst negen zaligsprekingen hebben wij zojuist gehoord. Misschien had u een beetje moeite om ze allemaal uit elkaar te houden of misschien bent u door een bijzonder geraakt en is de rest een beetje aan u voorbijgegaan. Of bleef u hangen bij dat negenvoudige ‘zalig’, want dat hoor je ook niet alledag. Jeremiades zijn eerder een vast onderdeel van ons hedendaagse leefpatroon. Maar die zetten een heel andere toon dat zaligsprekingen.

Liefst negen zaligsprekingen staan aan het begin van de Begrede, de grondwet van Gods Koninkrijk. Dat begin is verrassend. Daarmee wordt een toon gezet die verschilt van wat je zou verwachten. Jezus begint niet met het opsommen van wetten en regels, maar met een litanie, waarin hij alle groepen gelukkig prijst voor wie deze grondwet bestemd is. En door het gebruik van dat negenvoudige zalig wordt het een lied dat met die herhaling een sfeer oproept die mensen niet alleen bij de les houdt maar ze ook meeneemt. En daar gaat het Jezus om, want die negen groepen die de revue passeren behoren gewoonlijk niet tot de uitverkorenen. In onze grote mensenwereld zijn macht en aanzien de spelmakers maar ook de spelbrekers. In Gods Koninkrijk gaat het er anders aan toe.

Nu is dat woord ‘zalig’ voor deze of gene misschien een oud of belast woord. U mag het ook vervangen door ‘gelukkig’, want Jezus’ woorden zijn een blijde boodschap. Al die zalig geprezen personen zijn de ware bestemmelingen van Gods Koninkrijk. Het zijn geen namen die in de krant gewoonlijk de koppen krijgen, eerder mensen die in de grote wereld uit de boot gevallen zijn, maar ook mensen die zich bescheiden en moedig inzetten voor een samenleving van vrede en gerechtigheid. Zij staan aan de kop van de Bergrede en daarmee zijn zij aangeduid als volwaardige bewoners van Gods Koninkrijk. Anders gezegd, zij worden door Jezus als burgers van Gods Koninkrijk verwelkomd en krijgen de grondwet daarvan uitgereikt. Het zal je maar overkomen, want zo mag je weten dat je voor vol wordt aangezien, dat je thuis hoort in dat koninkrijk. Dat moet toch een zalig gevoel geven, ondanks alle pijn en zorgen van het moment. Maar je hoort erbij, je wordt niet buitengezet. Ze horen erbij, de treurenden, de vredestichters, en wie vervolgd worden om de gerechtigheid en vul de reeks maar aan.

Een grondwet, wij hebben er in ons dagelijks bestaan allemaal mee te maken. Wij beseffen dat misschien niet elke dag, maar het is de vaste grond waarop een samenleving wordt gebouwd. Wordt daar aan getornd, dan valt het fundament weg onder ons gezamenlijk bestaan. We zien het voor onze ogen gebeuren, in oost en west, in noord en zuid, waar in plaats van de heiligheid en onschendbaarheid van het leven het recht van de sterkste de dienst gaat uitmaken. De grondwet van de Schrift is dat het leven heilig is en een gave. Het vormt het hart van het verbondsboek, de torah, en het vormt het hart van de Bergrede. Het leven van groot en klein, van sterk en zwak, ja heel de schepping die al even broos en kwetsbaar is, verdient bescherming en zorg. Daar zijn wij allen samen verantwoordelijk voor, samen maar ook ieder persoonlijk. Dat vandaag aan het begin van de Bergrede een litanie van kleine en kwetsbare mensen staat, geeft te denken. De machtigen weten zich wel te beschermen, maar de kleinen, de naamlozen en degenen die opkomen voor recht en gerechtigheid, waar kunnen zij op steunen, wie neemt het voor hen op? Jezus zet hen vooraan en de grondwet van Gods Koninkrijk stelt zich voor hen garant. En het blijft niet bij woorden, Jezus zelf schaart zich in hun rij. De zaligsprekingen spreken over armen van geest en zachtmoedigen, wel in het 11e hoofdstuk van Matteüs schaart Jezus zichzelf uitdrukkelijk onder die groep. “Ik ben zachtmoedig en nederig van hart”, en zo neemt hij zijn soortgenoten met zich mee. In heel hun kwetsbaar en aangevochten bestaan zijn zij met Jezus bewoners van Gods Koninkrijk.

Die grondwet moet de kleinen steunen, vertrouwen schenken, hoop en bescherming. Zij zijn niet stateloos of vogelvrij, maar medeburgers en huisgenoten van Jezus. Maar als burgers van het Koninkrijk hebben zij dan ook naar die grondwet van het Koninkrijk te leven. Niet als een last die op de schouders drukt, maar als een woord dat een veilige haag rond het leven zet, zodat wij in vrede als broeders en zusters kunnen samenleven. De Bergrede is geen stok om mee te slaan, maar een lamp voor onze voet, een vuurtoren en een merksteen om de richting aan te geven op onze levensweg en ons te hoeden dat wij niet van het pad afraken en omkomen in de woestijn of op de duistere zee van het leven.

Wanneer wij vandaag de zaligsprekingen horen, dan ontvangen wij zowel een gave als een opgave. Want ook tot ons zijn zij gericht. In welk van de zaligsprekingen vind je je plek? Waar herken je je in? Sluit je ben hen aan. De bedroefden en bedrukten, zij worden misschien niet direct van hun pijn verlost, maar als kinderen van het Koninkrijk en als tochtgenoten van Jezus gloeit het kleine licht van de hoop. Jezus zelf is door de nacht gegaan voordat het Pasen werd. En de vredestichters en zij die omwille van Jezus en de trouw aan de waarheid worden vervolgd of voor gek uitgemaakt, moge de Geest hen staande houden. Kinderen van het Koninkrijk zijn het, zij worden zalig geprezen, bewoond door een heilig vuur dat zich niet doven laat door de machten en krachten van deze tijd. Het Koninkrijk is hun geschonken, maar het vraagt ook inzet tot de laatste ademtocht. Niet zwichten voor de machten dezer eeuw die de grondwet van Gods Koninkrijk willen herschrijven met het algoritme van de macht. Wij dienen ons de adel van onze ziel niet te laten ontnemen. Als gedoopten hebben wij de grondwet van het Koninkrijk onderschreven. Laat het niet bij een loze pennenstreek blijven, maar zetten wij ons in, in groot en klein verband dat geen mensenkind het leven wordt ontzegd of ontnomen.

Zalig die de waarheid spreken, zalig die de ogen niet sluiten voor andermans leed of pijn, zalig allen die het evangelie van leven en vrede handen en voeten geven. Kome wat komt, zij zullen Gods Koninkrijk beërven.

AMEN.

 

Broeder Abt Thijs

Lezingen: Sefanja. 2,3; 3,12-13.  1 Korinthe. 1,26-31.  Matheus 5,1-2a

Een licht om te volgen

Tijdens dit liturgisch jaar volgen wij op de zondagen voornamelijk het evangelie volgens Matheus. In de kersttijd lazen we de eerste drie hoofdstukken over de kinderjaren van Jezus en de prediking van Johannes de Doper. Nu gaan we onmiddellijk over naar het openbare leven van Jezus en lezen op deze zondag het relaas van de intrede van Jezus in zijn openbare leven.

Na zijn doop door Johannes in de Jordaan en zijn verblijf in de woestijn, had Jezus, volgens het evangelie van Johannes, enige tijd (vrij kort ongetwijfeld) doorgebracht naast Johannes in Judea (Joh.3/22) , waarbij hij evenals Johannes de nabijheid van het Koninkrijk verkondigde. Na de arrestatie van Johannes, keerde Jezus terug naar Nazareth. Daar, in de synagoge van zijn vaderstad heeft zichzelf doen kennen als degene die door God werd gezonden om het goede nieuws aan de armen te brengen (Lc.4/14-22). Daarmee presenteerde hij zichzelf als de Messias. Nadat hij Nazareth had verlaten, was Jezus naar Kafarnaüm gegaan, en deze stad werd het centrum van zijn openbare activiteiten. Had het niet meer voor de hand gelegen als Jezus in Jeruzalem was begonnen? Daar was het centrale heiligdom van de Joden, daar woonden de religieuze leiders en daar was ook het centrum van de macht. Uiteindelijk zal Jezus zich ook daar openbaren, voor ieder zichtbaar aan het Kruis. Zichtbaar voor aller ogen, maar verstaanbaar alleen voor wie zich heeft laten raken in het hart, voor wie zich opent voor het geloof.  God handelt niet zoals wij mensen dat doen, Gods wegen zijn niet onze wegen. Wij mensen trachten te overtuigen door onze boodschap te verfraaien en spectaculair te presenteren, God die zich voor onze zintuigen al heeft uitgesproken in zijn wondere schepping, openbaart zijn diepste mysteries enkel aan wie er voor open staat met een gelovig hart. Jezus zal het goede nieuws, niet als een wereldsensatie van de daken schreeuwen, maar zijn evangelie verkondigen, verborgen voor de grote wereld, in de rafelranden van de samenleving, in het godvergeten achterafgebied van het land, en uiteindelijk het mysterie van zijn liefde doen kennen in de zelfgave aan het Kruis.

 

Kafarnaüm lag op de grens van de voormalige gebieden van de stammen Zebulon en Naftali. De geografische ligging  van dat stadje Kafarnaüm brengt Mattheüs ertoe onmiddellijk te verwijzen naar de tekst uit het boek Jesaja, die wij hoorden als eerste lezing deze zondag. Deze tekst kondigt voor het land van Zebulon en het land van Naftali de messiaanse bevrijding aan, voorspeld voor de toekomst, en nu gerealiseerd. Lange tijd bezet door de Assyriërs en daarna door de Babyloniërs, kende de regio alleen tegenslag, duisternis, schaduwen, het juk van onderdrukking, de stok en de zweep van de opzichters. Een grote handelsroute doorkruiste het gebied, zij liep van de Middellandse Zee via Gallilea naar Transjordanië; deze situatie maakte het grondgebied van Zebulon en Naftali tot een kruispunt van volkeren en heidenen: het Galilea van de heidenen.

Maar Jesaja ziet boven deze onderdrukten, gezeten in duisternis en schaduwen, een groot licht opkomen en dit Gallilea van de heidenen wordt bedekt met glorie. Aan de onderdrukten schenkt God blijdschap en vreugde: zij verheugen zich zoals zij die de oogst binnenhalen zich verheugen, en jubelen als zij die de buit verdelen na de strijd. Het is een overwinning, zoals Gideon met zijn kleine groep behaalde over de Midianieten. Bevrijding van het juk van de onderdrukker, de staf en de zweep van de slavendrijvers, niet door menselijke overmacht maar door de macht van God.

Deze tekst uit Jesaja ziet Matteüs in het evangelie van deze zondag gerealiseerd als  Jezus een aanvang maakt met zijn openbare optreden. Jezus verlaat Judea en de Jordaanvallei en brengt zijn boodschap van bekering aan de Galileeërs. Gezien vanuit Jeruzalem zou Galilea kunnen worden beschouwd als een land van schaduwen en duisternis. Zelfs in de tijd van Jezus had Galilea op sommige plaatsen een gemengde bevolking van heidenen. En in het noorden en oosten was Galilea nog omringd door heidendom. Dit is de reden waarom Matteüs niet aarzelt om de profetie van Jesaja als gerealiseerd door de prediking van Jezus te beschouwen: voor de mensen die in duisternis zitten, voor hen die in het land van schaduw en dood leven, schijnt een licht.

 

Vervolgens vat Mattheüs in enkele woorden de boodschap van Jezus samen: “Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is hier”. Het Koninkrijk der Hemelen komt present in wie zich bekeren. We gaan het Koninkrijk van licht binnen door inkeer en rouwmoedigheid, bekering. Voor degenen die naar deze oproep willen luisteren, gaat er licht op, een licht dat bevrijdt van de duisternis en schaduwen van de dood.

En daar, in dat achterland van het Joodse volk, kiest Jezus zijn eerste helpers. Zij zijn niet geschoold zoals later Saulus /Paulus die aan de voeten van grote rabbijnen had gezeten. Simpele vissers zijn het die hij aantreft aan het meer van Galilea, maar die bereid zijn hem spontaan te volgen, en daarvoor heel hun hebben en houden in de steek laten.

Wat zegt dit ons als christenen in de 21e eeuw die leven in een stormachtige tijd? Wij leven in een maatschappij waarin de menselijke kennis geweldige voortgang heeft geboekt, waarin technisch zoveel mogelijk is, maar waarin de mensen zo verdeeld zijn dat de techniek vooral in dienst lijkt te staan van de destructie. De machtigen van de aarde kunnen elkaar de vernieling in helpen, maar zij slagen er niet in met elkaar tot overeen-stemming te komen, elkaar te verstaan, er te zijn voor elkaar.

Als wij vandaag luisteren naar wat de Schriftlezingen van deze viering ons verkondigen dan hoor ik daarin allereerst goed nieuws, dat Gods licht aanbreekt in onze donkere wereld, en tussen de profetie van Jesaja en de vervulling van Jezus de oproep van Paulus tot onderlinge eensgezindheid. De theologen zullen nog een lange weg moeten afleggen om alle dogmatische verschillen die in de loop der eeuwen zijn gegroeid tot overeenstemming te brengen, maar intussen kunnen wij ons realiseren dat we allen zijn gedoopt in een gemeenschappelijke doop, bekeerd tot het evangelie en door de Heer tot gemeenschap geroepen. Wat belet ons om al een te zijn in gezindheid, in gevoelen, in gebed? In deze week van gebed om de eenheid was dat onze intentie dat die gezindheid in ons groeien mag, en dat wij daardoor zelf mensen mogen zijn, vervuld van de Geest van Jezus, bezield van zijn vuur, getuigen van Gods liefde, verbonden met elkaar.

Moge het zo zijn.

 

Br. Gerard Mathijsen

“Ook ik kende Hem niet”

Vorige week sloten wij de kersttijd af met de doop van de Heer. Die mededeling zorgde voor een mail of ik mij niet had vergist. Was  niet 2 februari het einde van de kersttijd, het feest dat vroeger Maria Lichtmis heette en tegenwoordig Opdracht van de Heer wordt genoemd. Geen gekke vraag, want die opdracht van de Heer is natuurlijk eerder in de tijd dan de doop. Maar toch, officieel is de kersttijd afgesloten met de doop van de Heer. Maar toen Franciscus van Assisi eenmaal een levende kerststal had gemaakt 751 jaar geleden hebben de franciscanen de devotie van de kerststal wijd verbreid en  heel populair gemaakt waarbij ook nog eens extra aandacht aan Maria werd besteed.  En zo bleef op veel plaatsen en in veel gezinnen de kerststal staan tot 2 februari, het feest van de opdracht van Jezus in de tempel. En ook nu is daar niets op tegen. Integendeel, in onze beeldcultuur is dat een moderne manier om het oude verhaal bij de tijd te brengen.

Maar vandaag beginnen wij dus weer de groene tijd door het jaar. Maar ook deze zondag zorgt voor een verrassing. Niet alleen komt de doop die wij vorige week gevierd hebben nogmaals ter sprake, maar ook Johannes de Doper lijkt geen afscheid van ons te kunnen nemen of wij van hem. Hij heeft ons gedurende de advent naar Jezus geleid en ons naar hem verwezen, maar ook nu wij de gewone reeks van zondagen beginnen, meldt hij zich nog een keer. Voor wie houdt van iets nieuws is het misschien een tegenvaller, maar voor wie uitziet naar een betrouwbare gids, is hier aan het juiste adres.

Johannes de Doper pleit niet voor zijn eigen zaak, want die heeft hij niet. Het is ook geen man die zichzelf zo nodig in het licht wil plaatsen, integendeel hij is de wegbereider voor wie na hem komt. Dat is een tegendraads geluid in onze wereld waar zovelen erop uit zijn zichzelf te etaleren en groot te maken. Te midden van al die grote en kleine goden is Johannes een witte raaf, deemoedig en zelfvergeten. Het gaat niet om mij, zegt hij steeds weer, het gaat om het komen van God in jouw bestaan, zodat jij werkelijk en waarachtig zult leven.

Hij was de voorloper van Jezus, hij heeft de weg voor hem bereid. En Jezus heeft in hem naast een voorloper ook een voorbeeld gezien. Johannes heeft hem door woord en daad geholpen zijn eigen weg te vinden. En als wij dan heden ten dage het evangelie willen verkondigen, dan doen wij er goed aan Johannes als voorbeeld te nemen. En nu wij hem vandaag ontmoeten in het evangelie van de apostel Johannes wijs ik graag op twee korte uitspraken  van de voorloper die alleen in dit evangelie voorkomen. Ze zijn niet alleen de moeite waard om te overwegen, maar ook om na te volgen. De eerste uitspraak horen wij de voorloper vandaag zeggen en liefst tweemaal. “Ook ik kende Hem niet”. Dat is een woord om lang bij stil te staan, niet alleen omdat het tweemaal wordt gezegd, maar ook omdat het vraagt om van alle kanten te worden beklopt en beluisterd. De grote Augustinus was er zo door in verlegenheid gebracht dat hij zijn kerkgangers op 13 maart 413 naar huis stuurde met de mededeling “ik kom er niet uit, ga naar huis en denk zelf over deze woorden en kom overmorgen terug, misschien wil de Geest ons dan de tekst ontsluiten’. En op 21 maart dankt Augustinus de gelovigen dat ze ondanks het koude weer toch naar de kerk zijn gekomen. ‘Ook ik kende hem niet’, Dat geldt niet alleen voor Johannes de Doper, maar is ook ons deze ervaring niet onbekend? Johannes die met de geschiedenis van God met zijn volk vertrouwd was en uitzag naar de beloofde Messias, hij zag uit naar iemand van wie hij niet wist wat hij precies te verwachten had. Wat zou onze verkondiging winnen met zo’n houding van niet weten en verwachten, van wachten en luisteren. Johannes laat zich vandaag kennen in zijn kwetsbaarheid en hij wint er alleen mee, en wij worden er door getroost en bemoedigd op onze geloofsweg.

En dan de tweede uitspraak, het is tegelijk de laatste keer dat wij hem iets horen zeggen in het evangelie: ‘hij moet groter worden en ik kleiner’. Hoe zou de wereld eruit zien als al die grote ego’s en ook de kleine ego’s van eenzelfde houding blijk zouden geven? Hoeveel ruimte zou er dan niet ontstaan voor waarheid, recht en vrede? En wat zou zo’n houding niet bijdragen bij het samen de weg zoeken naar eenheid in onze eigen kerk, en aan de eenheid van de verschillende kerken?

Johannes, laten we vandaag die twee houdingen van hem meenemen: de nederigheid van het niet weten en de grootheid van het ruimte maken voor het levende woord van de Heer.

Vanuit die gezindheid reikt Johannes ons vandaag zijn getuigenis aan over Jezus. Hij doet dat met twee titels, de eerste is ‘lam Gods dat de zonden van de wereld wegneemt’. God komt als een lam. In Jezus toont hij zich, Hij komt niet met geweld, hij schreeuwt niet  en op straat verheft hij zijn stem niet. Hij komt als een lam, zachtmoedig. Hij komt ook als het lam dat geslacht wordt, dat in al zijn onschuld de last van anderen draagt en de dood op zich neemt. Wat ik, Johannes, nooit heb geweten, dat God zo weerloos en kwetsbaar tot ons komen zou, ik heb het gezien, toen ik de Geest op die ene zag rusten, daar in de diepte van het water. En nu wijs ik je op hem, naar hem, want in hem verschijnt Gods weerloze en verlossende liefde in heel zijn volheid. En dan voegt hij er in één adem de tweede titel aan toe om zijn getuigenis over Jezus af te sluiten: “Deze is de zoon van God”. Hij heeft als God geleefd, koste wat het kost. Niet hoog gezeten op een troon, niet met macht en geweld, maar als een die alles heeft gegeven, midden tussen ons, met ons en voor ons. Levend uit het licht, Licht uit Licht, opdat wij door zijn Geest herboren op onze beurt zouden leven als kinderen van het licht, elkaar tot zegen.

AMEN.

br. abt Thijs Ketelaars

 

Lezingen: Jesaja 49:3.5-6; 1 Korinthe 1:1-3; Joh 1: 29-34

 

Nieuwsbrief

Schrijf u vrijblijvend in en blijf op de hoogte van de activiteiten van Abdij van Egmond.

We respecteren uw privacy. Sint-Adelbertabdij zal uw e-mailadres nooit delen met derden.
© 2026, Abdij van Egmond Algemene voorwaarden