Benedictijns Tijdschrift
Benedictijns Tijdschrift - Voor evangelische bezinning
Geredigeerd en uitgegeven door de monniken van Egmond
Redactie: Frans Berkelmans OSB & Thijs Ketelaars OSB
![]() |
Uit het Benedictijns Tijdschrift, september 2007 jaargang 68, nr 3. door Frére Guillaume de Wolf/ pag.110 |
Pelgrim op de Athos
Wat een vreugde weer in Ouranóupolis te zijn, aan de grens van Athos. ‘Stad van de hemel’, dat is echt een passende naam! Sinds mijn laatste bezoek, zes jaar geleden, zijn er diverse grote huizen en enkele hotels bijgebouwd. Een dorp vlakbij is onherkenbaar veranderd sinds ik hier voor het eerst kwam: van een armoedig maar prachtig, witgeverfd, archaïsch plaatsje is het een groot, welvarend, toeristisch dorp geworden.
Ook al is er overal veel veranderd, toch zijn allerlei dingen gelijk gebleven: talloze cafés met veel ouzo-drinkende mannen, die druk pratend hun meningen verdedigen, waar anderen heftig gesticulerend tegenin gaan. Overal zie je nog in het zwart geklede vrouwen. Er komen kennelijk veel Duitsers in Ouranóupolis. Een booteigenaar die waarschijnlijk in Duitsland heeft gewerkt, speelt daarop in. Op een bord staat in fantasierijk Duits geschreven: ‘Rundpahrt jedentag nach Athos. Ettiket konnen Sie kaupen auf Demschipp.’
Op de boot naar Dáfni ontmoet ik een Roemeense monnik die ik ken. We praten veel over Roemenië en over de Athos. Iedere keer als ik een klooster of hermitage zie liggen, onderbreek ik het gesprek en bekijken we de gebouwen. Eerst zien we Chromítsa. Vóór de eerste wereldoorlog leefden er driehonderd monniken. Er was zelfs een ziekenhuis voor Russische monniken. Nu leeft er sinds vele jaren slechts één Joegoslavische monnik. Dan de Thebaïs, een heel dorp. Nu totaal verlaten. Ruim honderd jaar geleden werd de kerk ingewijd. Er leefden in 1912 veel monniken, afkomstig uit Rusland. De zeer grote nieuwe kerk werd nooit afgebouwd: eerst brak de eerste wereldoorlog uit, toen de Russische revolutie. We passeren veel andere gebouwen: schitterende Griekse kloosters, een niet minder mooie Bulgaarse arsanás (opslagplaats bij de haven) met een molen en een nauwelijks gebruikt klooster. We zien ook de reusachtige gebouwen van het Russische klooster Panteleïmonos. Iets verder van de zee is een dorpje (hier skite genoemd), door Griekse monniken bewoond.
Op de boot zijn naast monniken een klein aantal pelgrims. Ook zijn er enkele vrachtwagens: de moderne tijd dringt zelfs op de Athos door! Eén van die vrachtwagens is beladen met hooi voor de muildieren van Athos.
Maar ik wil de Athos niet bezoeken als een toerist
Ik wil dit keer echt gaan als een pelgrim. Al vele malen ben ik in deze ongelooflijke wereld geweest. Ik heb nog het geluk gehad een heel aantal oude Russische monniken te kennen, die lang vóór de Russische revolutie naar Athos waren gekomen. Een klein deel van de eindeloos grote voorraad kunstschatten van de Athos heb ik gezien. Sommige bibliotheken heb ik bezocht. Alle grote kloosters, alle skiten1 en een aantal cellen2, zijn me bekend.* [1. gemeenschappen van enkele monnikshuizen, ofwel kleine kloosters] [2. kleine kloosters en kluizenarijen] Deze keer wil ik vooral van plaats tot plaats gaan, te voet, ontvankelijk en onbevooroordeeld. Ik neem me voor te genieten van de ongeëvenaarde, op veel plaatsen totaal ongerepte natuur. Veel wil ik ook bidden onderweg, vooral dat hier zo veel beoefende Jezusgebed: ‘Heer Jezus Christus, Zoon van God, wees mij, zondaar genadig.’ Dit gebed spreekt me zo aan: eerst is er de lofprijzing van Jezus: Hij is de Heer, de Gezalfde, de Zoon van God. Dan zeg ik: ik heb U nodig, uw mede-lijden. U bent gekomen om zondaars te roepen.
Ik wil ook een aantal monniken die ik al ken bezoeken. Van hen wil ik iets leren voor mijn eigen leven. Veel van de kloosters op de Athos zijn als het ware levende musea, maar ik wil de Athos niet bezoeken als een toerist. De monniken houden niet van bezoekers die alleen maar komen om te fotograferen.
............in sommige kloosters onvriendelijk of helemaal niet ontvangen.
Ik nodig u uit om in gedachten met me mee te gaan over de wegen van de Athos, land van duizend kerken en kapellen. Enkele van de meer dan 2000 monniken zullen we leren kennen. Sommige dingen zullen u misschien vreemd lijken. De monniken van de berg Athos zijn uiterst traditioneel voor ons gevoel. Maar op de Athos voel je de lévende overlevering: je bent als het ware omgeven door de heiligen van het oude en nieuwe testament en van de hele christelijke geschiedenis. Overigens verandert er ook op de Athos zeer veel. Er is een enorme modernisering aan de gang. Het uniek mooie netwerk van muildierpaden –bijna overal geplaveid met grote keien– is voor 80% vernield en vervangen door lelijke grote zandwegen, die aan de ongereptheid van de natuur afbreuk doen. Je ziet taxi’s –soms bestuurd door monniken– die de pelgrims in snel tempo van het ene naar het andere klooster vervoeren. Het wordt een zeldzame belevenis een muildier tegen te komen, behalve in het zuiden van de Heilige Berg. Opeens is er op veel plaatsen electriciteit. Soms is er zelfs warm en koud water. De primitieve toiletten –in alle vormen en formaten– zie je allengs verdwijnen. Overal zijn er grote hijskranen en bulldozers. Veel klooster, hermitages en kapellen worden gerestaureerd. Hier en daar is er ook nieuwbouw. Wat dertig of veertig jaar geleden ondenkbaar was: je kunt u op veel plaatsen telefoneren. De plastic telefooncellen misstaan in de traditionele omgeving. Als je niet van tevoren opbelt, word je in sommige kloosters onvriendelijk of helemaal niet ontvangen.
Er zijn nu ongeveer tweeënhalf keer zoveel monniken op de Athos als in 1970. Je hoeft geen Grieks of Russisch meer te kennen om je verstaanbaar te maken. Overal vind je monniken die Frans, Duits, Engels of andere Europese talen spreken. Omstreeks 1970 was 80% van de monniken ouder dan zestig jaar, nu is 80% jonger dan zestig, meestal veel jonger. Zij komen niet alleen meer uit de traditioneel orthodoxe landen. Er zijn meer en meer monniken uit Australië, Amerika, Engeland, Frankrijk, Duitsland enzovoort. Voor het eerst sinds tientallen jaren zijn er weer enkele monniken uit Albanië. Het aantal Russische en Roemeense monniken neemt langzaam toe. Na een afwezigheid van veertig jaar zijn er weer enkele Georgische monniken.
Vergunning nodig om op Athos te verblijven
We landen in Dáfni, het kleine havenplaatsje. Met de bus gaan we over een soms tamelijk steile weg langzaam naar de hoofdstad. We zien heel mooi het Griekse klooster Xeropotámou liggen. Het is een klooster met veel nieuwe roepingen. Er is zelfs een Nederlandse monnik onder hen, een verfijnde oude man, die lang priestermonnik in Parijs is geweest. Hij heeft veel gelezen en gestudeerd en hij houdt erg van de Nederlandse taal. Daarom heeft hij zelfs een Nederlandse bijbel in de statenvertaling naar het klooster meegenomen.
Vanuit de bus hebben we zicht op de hoofdstad Karyés, prachtig gelegen te midden van beboste heuvels. Het is een fraaie plaats met talloze kerkjes, kluizenarijen, kloosters en winkels.
De brief die mij vergunning geeft op de Athos te verblijven is gericht aan de twintig heilige en eerbiedwaardige kloosters van de heilige berg Athos. Vier van de twintig monniken die de Athosregering vormen, hebben hun handtekening gezet. Dit jaar is de bekende monnik Theóklitis ‘ministerpresident’. Hij is een Griek, die voortreffelijke boeken heeft geschreven over het monnikenleven op de Athos. De drie andere monniken zijn veel jonger. Eén is een jonge Bulgaar, die lang in Australië heeft gewoond, Antonij, dan is er een Russische monnik, Siluan, en een Griekse monnik, Arsénios. In de brief staat: ‘N.N. is gekomen om de heilige nederzettingen op de Athos te bezoeken en de daar rustende gestorven heiligen te vereren. Wij verzoeken u hem hartelijk te ontvangen met alle mogelijke zorg en gastvrijheid, opdat hij het doel waarvoor hij gekomen is kan bereiken.’
Na betaling van een symbolisch bedrag kan ik nu vrijuit overal heengaan waar ik wil. Ik breng een kort bezoek aan de duizend jaar oude kerk, het ‘Protáton’, met de beroemde eeuwenoude fresco’s van Pansélinos. Ik leg twee orchideeën (die ik met veel moeite heb vervoerd) neer voor de alom bekend en vereerde Áxion Estí-icoon van Maria met Jezus.
Ik groet een paar mij bekende monniken in Karyés en ga dan door naar een kellíon, nog geen uur van Karyés. De natuur is onbeschrijflijk mooi: kleine paadjes door verwilderde tuinen met hazelnootbomen, olijfbomen enzovoort, voeren me naar de hermitage, aan de evangelist Johannes gewijd. Hier leeft een bekende geestelijke vader met zijn discipel. Hij is een wijze, begrijpende man, heel ontwikkeld. Hij zegt: ‘In de mate dat u en ik leven in en vanuit Christus, in die mate zijn wij één. Eenheid is allereerst innerlijk.’ Hij raadt me aan het Jezusgebed te bidden, één uur per dag, en veel psalmen te lezen.
Snel ga ik nu door! Om vijf uur worden de kloosters gesloten. De monniken hebben hun eigen manier van tijd berekenen. Zonsopgang en zonsondergang dienen als uitgangspunt. Het is op dit moment ongeveer zes uur later dan op mijn horloge. Maar het grote klooster Ivíron, waar ik heen zal gaan, heeft weer een andere uurrekening: de oude Georgische! Georgische monniken hebben dat klooster ruim duizend jaar geleden gesticht.
Ik geniet intens van de natuur. Onderweg vind ik een heel mooi kerkje, van binnen geheel met fresco’s beschilderd. Het is in 1960 gebouwd en gewijd aan Maria Portaïtissa, ‘de poortwachteres’. In Ivíron vind je de bekende icoon van de Portaïtissa bij de poort. En zo beschermen Maria en Jezus de poorten van het klooster. Eens wees de deurwachter een bedelaar af zonder hem iets te geven. Toen greep Portaïtissa in: zelf gaf zij de hongerige te eten. Daarom is in 1960 een aparte kapel gebouwd ter herinnering aan dit wonder.
De avonddienst is net afgelopen als ik in Ivíron aankom. Wat een andere sfeer is er nu. Vroeger was het een idioritmisch klooster, waar ieder in de eeuwenoude gebouwen zijn eigen appartement en keuken, en zijn eigen bezit had. Het klooster had een bestuur van enkele monniken; alles deed wat nonchalant aan. Nu is het een cenobitisch klooster geworden met een abt aan het hoofd. Hartelijke ontvangst door de jonge gastenmeester. Er zijn allerlei echte –Griekse– pelgrims, heel eenvoudig gekleed. Het klooster ziet er goed uit. Het is een van de grootste en oudste kloosters, zeer rijk aan kunstschatten. Na een goede maaltijd begeef ik mij ter ruste.
Het klooster Philotéou.
De volgende morgen is er een gemeenschappelijke kerkdienst van drie tot half zeven. Vóór drie uur hebben de monniken al allerlei gebeden gezegd in hun cellen. De meeste monniken zijn jong.
Ik laat de hele sfeer op me inwerken. De kerk is prachtig, vol, alles doet warm en intiem aan. Je ervaart er de aanwezigheid van vele heiligen. Het is een overdadige en vreugdevolle dienst aan de Koning der koningen. Je voelt sterk de betekenis van de in stilte gezegde morgengebeden: ‘Wij staan voor het aangezicht van Uw heilige heerlijkheid en verwachten Uw rijke genade.’ Je voelt je aangespoord: ‘Laat ons Uw onzegbare goedheid verheerlijken en U steeds met ontzag en liefde dienen.’
Kort na de morgendienst ga ik verder. De kleine nederzettingen onderweg zijn schaars bewoond. De meeste jonge monniken vind je tegenwoordig in de wat grotere gemeenschappen, waar ervaren geestelijke vaders zijn. Ik kom tenslotte aan in het klooster Philotéou. Het is een heel levend, erg ascetisch klooster, met wel zestig of vijfenzestig monniken, bijna allemaal jong. Ze leggen zich toe op het dag en nacht (voor zover mogelijk) zeggen van het Jezusgebed. Alles is fraai gerestaureerd. Bij de kachel (men stookt met hout) warm ik me wat. Het regende onderweg.
Het is hier opvallend schoon! Een heel verschil met twintig jaar geleden, toen dit klooster weinig monniken telde. In de kerk zie ik de bekende icoon Glykofilóusa: Maria die haar kind Jezus op onuitsprekelijk tedere wijze kust.
Omdat de monniken hier –hoe sympathiek ook– erg negatief denken over alle niet-orthodoxen, besluit ik niet in het klooster te logeren maar verder te gaan. Op weg! Het is overal heel stil. Onderweg kom ik praktisch niemand tegen.
Maar wat een veranderingen zijn er op de Heilige Berg. Een van de prachtige dingen is dat veel kloosters geheel vernieuwd zijn met jonge gemeenschappen. Alle grote kloosters zijn nu cenobitisch. Vroeger was er soms een wat nonchalante sfeer in de idioritmische kloosters. Je zag in hetzelfde klooster monniken die piekfijn gekleed waren en anderen die er haveloos uitzagen. De liturgie wordt tegenwoordig meestal met grote zorg uitgevoerd. Overal vind je heel goede zangers.
De vernieuwing begon bijna veertig jaar geleden. Het eerste vernieuwde klooster was Stavronikita met abt Wassilios. De meeste invloed hadden de leerlingen van Geron Josif, een heilige kluizenaar die bijna vijftig jaar geleden stierf. Een hele reeks kloosters werd door hen vernieuwd.
Vader Dionysie
Op sommige plaatsen zijn er heel bekende geestelijke vaders, die veel pelgrims –vaak jongeren– aantrekken. Die jongeren komen soms regelmatig naar de Athos om hun staretz te ontmoeten. Ze spreken zich uit, biechten en gaan ter communie. Je voelt bij veel van die jongeren een heel intens zoeken naar God. Wat treft bij de geestelijke vaders op de Athos, is hun eenvoud, hun pretentieloosheid. Enkele keren ontmoette ik vader Paissios, die een grote rol speelde bij de vernieuwing van Stavronikita. Hij was een echte hesychast. Maar het meest was ik wel onder de indruk van vader Dionysie, die enkele jaren geleden stierf na 78 jaar op de Athos te hebben geleefd. Hij was de laatste Roemeense monnik van de oude garde. Pas sinds ruim dertig jaar komen er –meer en meer– nieuwe Roemeense monniken op de Heilige Berg. Wat ik altijd geweldig vond bij vader Dionysie, was zijn zeer warme ontvangst en zijn grote belangstelling voor alles wat je vertelde. De laatste jaren van zijn leven was hij blind, maar hij bleef het middelpunt van zijn tien monniken tellende gemeenschap. Hij kende de uitgebreide liturgie helemaal van buiten en celebreerde ook al die jaren dat hij niet meer kon zien. Hij was een rijzige gestalte met een lange baard, een man met veel humor, en ik hoor nu nog zijn lach. Geen wonder dat veel mensen hem bezochten en om zijn zegen, zijn gebed, zijn advies vroegen.
In Karakállou kom ik net op tijd aan voor de vespers, de avonddienst. Die is heel uitvoerig, maar wordt rustig gebeden. Op de plek waar ik ben in de kerk, zijn op de muren fresco’s aangebracht die heel primitief, bijna grappig, aandoen. Het verhaal van Noach is uitgebeeld. Je ziet de prediking van Noach, de ark, de vloed met vele dode lichamen in het water, de duif, Noachs dronkenschap. Een deel van het klooster is twee jaar geleden afgebrand. Blikseminslag. Grote branden komen veel voor op de berg Athos.
De maaltijd is heel goed. Het is geen vastendag (drie dagen in de week wordt er geen vlees, vis, zuivelproducten of olijfolie gegeten). We hebben kaas, wijn en eieren. Er is een grote homp brood bij. Na de maaltijd gaan we direct naar de kerk voor de completen. Die worden gezegd in de esonarthex (bij de ingang van de kerk). Na de completen worden er nog lange, uitbundige, heel poëtische lofzangen tot de moeder Gods gezongen. Het is nu half vijf in de middag. De dag is bijna voorbij op de Athos. Vanuit mijn kamer zie ik het heuvelachtige landschap met hoge cipressen, olijfbomen en allerlei ander geboomte. In de verte is de zee.
Hier en daar
De volgende dag sta ik pas om kwart voor drie op… De monniken zijn al vanaf half twee in de kerk. De dienst is opnieuw heel ingetogen. Er wordt bijzonder goed en zacht gezongen. Aan het eind van de Heilige liturgie zingt één monnik het Áxion Estí: ‘Het is passend u lof te zingen, o moeder Gods’. Dit klinkt echt glorieus, héél mooi.
Om zeven uur verlaat ik het klooster. Ik bezoek allerlei nederzettingen. Eerst Stavrós (dit kellíon telde eens tachtig Russische monniken), waar ik de laatste twee Russische monniken, allebei Afanasij geheten, goed gekend heb. Het gebouw is al erg vervallen. Veel Russische literatuur ligt zomaar op de vloer. Voor mij zijn die boekjes, nog van vóór de Russische revolutie en veelal in Odessa gedrukt, heel waardevol.
Ik ontmoet de meest uiteenlopende monniken op mijn tocht. Met sommigen zou ik graag een tijdlang meegeleefd hebben, anderen spreken me niet in het minst aan. Een cel waar ik vroeger vaak geweest ben, is nu helemaal opgeknapt. De laatste monnik is gestorven, vijf nieuwe Griekse monniken hebben zijn plaats ingenomen. Ik bid even op het kerkhof bij het graf van de laatste bewoner, een eenzame man: nadat alle monniken (eens waren het er acht) gestorven waren, bleef hij alleen achter. Op het eenvoudige houten kruis staat geschreven: ‘Hier rust de dienaar Gods, de monnik N.N.’ Over enkele jaren zal het gebeente opgegraven worden en schoongemaakt. De schedel zal dan, met daarop de naam, in een soort boekenkast worden gezet naast andere schedels. De rest van de beenderen wordt op een hoop gegooid of in een mand bewaard. Overal op de Athos zie je kleinere of grotere, soms zeer grote, knekelhuizen, die je altijd kunt bezoeken.
Ik neem het middagmaal bij een Roemeense monnik. Een voortreffelijke Athosmaaltijd! Tomaten met olijfolie, peterselie, olijven, wijn. De monnik die me ontvangt is een harde werker, altijd in de weer om de gebouwen en de tuin te onderhouden. Tegelijk voel je dat het een man van gebed is. Hij spreekt een erg apocalyptische taal en verwacht het eind van de wereld al binnen tien jaar.
Hij wijst me de weg naar de Roemeense skite Lacul. Ik ben zo blij deze prachtige onherbergzame streek met zijn schitterende kleurrijke bossen opnieuw te zien. De oversteek van het kleine beekje onder in het dal is niet zó geslaagd: ik glij uit op de glibberige keien. Resultaat: natte voeten en een kleine schaafwond (ik heb er een klein litteken aan overgehouden, dat me aan het onvolprezen Lacul herinnert).
In een kellíon vind ik twee Roemeense monniken. De oudste is ruim dertien jaar geleden van het Roemeense klooster Putna naar de Athos gekomen. De jongste, die alleen Roemeens spreekt, is afkomstig uit Sihastria, een beroemd klooster in het Roemeense Moldavië met zeer bekende geestelijke vaders. Maar wat een geweldige ontvangst! Bij de grote archaïsche Roemeense kachel in de keuken help ik mee bonen doppen. De keuken is heel gezellig met een blauw geverfd plafond en enkele iconen aan de wanden. De uiterst eenvoudige maaltijd (gekookte aardappelen met saus en gekookte kweeperen) laat ik me goed smaken.
Lacul ligt in een dal en het klimaat is niet zo goed, vochtig, het is er vaak mistig. Toch kun je er oud worden. Niet zo ver van hier, eigenlijk net buiten Lacul, leeft al sinds achtenzestig jaar (!) een Roemeense monnik, Ignatios, die ik één keer ontmoet heb.
Met de jonge monnik ga ik mee naar de centrale kerk van het dorpje, vijf of tien minuten verderop. Hij gaat elke dag naar die kerk om de olielampen voor de iconen aan te steken. Enkele dagen geleden was er het feest van Sint Dimítrios, aan wie de kerk is gewijd. Toen hebben de monniken met enkele Griekse en Roemeense monniken van andere kloosters een lange gebedsdienst gehouden, die de hele nacht duurde. Alles in het Roemeens! Na zo’n lange kerkdienst is er een uitnemend diner. Om mij een plezier te doen leest de monnik (heel snel) een eindeloos lange reeks gebeden tot Sint Dimítrios. Ik moet steeds, na een aantal gebeden, zeggen: ‘Ontferm U over ons’. ’s Nachts slaap ik op een bank naast de enorme fornuisachtige kachel. Heerlijk warm!
De volgende dag ga ik al vroeg op weg. Een van de monniken doet me een heel stuk uitgeleide. Het is nog tamelijk donker. Onderweg bezoek ik een huis waar nog maar één oude monnik leeft, Gabriël. Hij klaagt over de eenzaamheid. Vroeger leefden er drie monniken. Het leven van de monnik, zegt pater Gabriël, vraagt veel geduld. Er is veel strijd, veel verzoeking. Met z’n tweeën of drieën is het leven veel gemakkelijker. Ik blijf een poosje praten met de aardige oude man. Hij geeft me een kop Turkse koffie, die hij gemalen heeft met een koperen koffiemolen die in Nederland al vele jaren in een museum zou hebben gestaan.
Mijn tocht door prachtige bossen, neemt uren en uren in beslag. Na vijf uur kom ik aan in het klooster Lávra, het oudste van de Heilige Berg. Ook hier is veel veranderd: er zijn meer monniken dan vroeger, en ze leiden een veel sterker gemeenschappelijk leven. De refter is enig in zijn soort, met grote marmeren tafels. De monnik die mij ontvangt is buitengewoon hartelijk en erg geïnteresseerd in mijn leven.
Nu naar de Roemeense skite Prodromul, niet meer dan een uur lopen van Lávra. Al vele malen ben ik in Prodromul geweest. Het is een groot klooster. Vroeger zag het er vreselijk verwaarloosd uit; er leefden slechts stokoude monniken. Ik denk terug aan die fijne mensen, Ioaníkios, Matthias, Vlásios enzovoort. Sommigen zal ik nooit meer vergeten. Nu is er een jonge gemeenschap. Ze hebben vreselijk hard gewerkt om de gebouwen op te knappen (sommigen zijn erg technisch). Er moet nog veel gebeuren. Vanuit Roemenië zelf komt er geen financiële hulp. De overste, pater Petronie, is een zeer ontwikkeld man, die goed Frans spreekt. Na de avonddienst in de kapel van Johannes de Doper, met een erg mooie iconostase, laat ik me de avondmaaltijd –soep, brood en kaas– goed smaken. ’s Avonds zit ik bij de warme kachel. Ik hoor de jakhalzen huilen…
De volgende morgen word ik gewekt om tien voor twee. Een zware, aan de muur bevestigde houten plank wordt ‘bespeeld’ met een houten hamer. Het levert een doordringend, maar niet onaangenaam geluid op. Het kost me wel moeite om de viereneenhalf uur dat de kerkdienst duurt, wakker te blijven… Als ik de kapel uitkom, gaat juist de zon op. De lucht is prachtig rood gekleurd. Ik praat nog een hele tijd met pater Petronie. We bekijken nog de werkplaatsen van het klooster, de bibliotheek, de grote kerk. Dan geeft pater Petronie me nog allerlei gastgeschenken en doet me een eind weegs uitgeleide.
Mijn tocht gaat nu over smalle, steile rotspaden. Ik geniet intens van de woestijnachtige plek. Het uitzicht op de blauwe zee, de zon, de vegetatie, alles is onvergelijkelijk mooi. Tenslotte bereik ik Kafsokalývia, een monnikendorp met veel iconenschilders. Ik bezoek daar een groot fraai huis, waar ik de twee iconenschilders als sinds drieëntwintig jaar ken. Een sinaasappelboom hangt vol met grote, rijpe vruchten.
Ik klop op de deur. Na tamelijk lang wachten komt er een stokoude, gebogen monnik. Eerst denk ik dat het de oude pater Josíf is, maar die is twee jaar geleden gestorven. Het blijkt pater Andónios te zijn. Toen ik hem leerde kennen, was hij in de kracht van zijn leven. Nu lijkt hij wel negentig (hij is pas zeventig). Hij heeft –vooral overdag– pijn in zijn heup. Hij leeft alleen en doet nog het werk in huis en tuin. Iconen schildert hij niet meer. Ik ben erg onder de indruk van de blijmoedige manier waarop hij spreekt. Hij klaagt helemaal niet. Pater Josíf is gestorven. God heeft leven en dood gegeven, alles komt van Hem. Als ik vraag naar zijn (uiterst slechte) gezondheid zegt hij: ‘Alles is goed. Zoals de goede God het geeft is het goed.’
Op weg naar Kerasiá. Het is nog uitzonderlijk warm voor deze tijd van het jaar (half november). De weg vereist veel klimmen. Het uitzicht is grandioos! Aan een oude Griekse monnik, die me gul ontvangt en enkele appels geeft, vraag ik de weg. Ik verdwaal niettemin in een groot, steeds donkerder wordend bos. Na de fraaie zonsondergang zie ik al niet veel meer… Gelukkig komt er een tachtigjarige monnik aan met een olielamp. Hij is op weg naar de nachtwake in het kloostertje van Sint George. Daar leven tien monniken, iconenschilders. Het is een feestdag, daarom duurt de kerkdienst de hele nacht.
Het is pikdonker en met veel moeite vind ik, nadat de oude monnik die mij de weg heeft aangeduid en zijns weegs is gegaan, tenslotte het huis van mijn bestemming. De monniken wilden zich al ter ruste begeven. In plaats daarvan dissen ze mij een geweldig smakelijke maaltijd op!
Vader Máximos was vroeger professor in de theologie, nu leidt hij met enkele jonge monniken een heel ander leven.
Na een goede nachtrust maak ik in de tamelijk lege kapel –heel bijzonder voor de Athos, waar kerken en kapellen altijd overvol zijn– de rustig gevierde liturgie mee.
Pater Máximos gaat nu op weg naar zee, waar de monniken een opslagplaats en woonhuis bouwen. Het vertrek neemt veel tijd in beslag. De vier muildieren, die beladen moeten worden, tonen een zelfs voor muildieren opmerkelijke halsstarrigheid. Pater Máximos leeft hier nog pas tien jaar en zijn carrière als professor heeft hem niet erg voorbereid op het omgaan met muildieren. De stok komt er aan te pas –dit werkt averechts!– en wordt stuk geslagen op het muildier dat de pater zal berijden. Eindelijk begint de tocht. Ik volg de karavaan en help telkens de lasten die ze verliezen weer op te laden. Tenslotte krijg ik een van de muildieren –Moréli genaamd– toegewezen. Ik leid het aan de teugel. Vol trots kan ik zeggen dat ik –althans die keer– uitstekend werk deed als muildierdrijver. De afdaling verloopt nu voorspoedig.
Met aandrang aangeraden om orthodox te worden
De monniken hebben het druk met de bouw. Aan hun eigenlijke broodwinning, het maken van wierook, komen ze nauwelijks toe. Na nog wat met de monniken te hebben gepraat, klim ik weer de berghelling op en ga ik naar de grote skite van Sint Anna. In de verte zie je sneeuw op de top van de Athosberg liggen. Na alle voorafgaande oefening valt de tocht me niet zwaar. Ik ga bij goede bekenden op bezoek. Jammer genoeg zijn ze druk bezig met de verbouwing van hun huis. Mijns inziens was dat toch wel groot genoeg voor de zes monniken, die allen iconenschilder zijn. Nu wordt het een vreselijk groot gebouw. Het bouwen hier is geen sinecure. Alles moet met behulp van muildieren van de zee over de steile bergpaadjes worden aangevoerd. In de cel hier is electriciteit, die opgewekt wordt door een generator die vrij veel lawaai maakt.
De volgende morgen bij het ontbijt raadt pater Vasílios me met aandrang aan orthodox te worden.
Ik ga nu op weg naar Karoúlia. Er leven nu nog twee of drie kluizenaars op deze moeilijk bereikbare plaats. Het is me een grote vreugde pater Stefan, een jonge Joegoslavische anachoreet, terug te zien. Zijn kluis, hoog boven de zee, is toegankelijk via met grote keien geplaveide rotsweggetjes. Aan weerszijden staan grote cacteeën. De rode vruchten zijn heerlijk om te eten, alleen moet je geducht oppassen: de kleine stekeltjes op de vruchten zijn verraderlijk en blijven vastzitten in je handen en, als je niet uitkijkt, in je tong.
Pater Stefan leeft in een wereld van wonderen. Niet alleen de plaats is verbazingwekkend –zó onherbergzaam– maar in zijn leven van intens gebed zijn verschijningen van engelen en heiligen geen zeldzaamheid! De Russische kluizenaars die hier vroeger leefden en die ik goed gekend heb (Serafim, Zosima en Nikodim), zijn allen gestorven. Het laatste Nikodim, nog maar enkele jaren geleden, achtennegentig jaar oud.
Pater Stefan is een kinderlijke, blije man. Al vele jaren leeft hij op de Athos. Hij is zevenenzestig jaar oud, maar lijkt minstens twintig jaar jonger. Hij heeft prachtige blauwe ogen, lange en nog blonde haren en baard en een erg vriendelijk gezicht. Het is een harde werker. Van heinde en ver heeft hij wat aarde en muildiermest in manden op zijn rug aangesleept. Geen geringe prestatie bij de steile en moeilijk begaanbare paadjes, maar hij is oersterk en zo zijn er nu rondom zijn kluis kleine stukjes tuin op de rotsen. Alles groeit er weelderig; de paar vierkante meter grond leveren zo veel groenten en vruchten op, dat hij nog allerhande gasten gul kan onthalen. Een grote pan dikke soep zal voor meer dagen dienen. Er zitten veel tomaten in, brood en vis. Hij heeft een vernuftig vissysteem: een lange lijn gaat naar beneden in de zee aan een honderden meters lang snoer (via een katrol). Er zitten verschillende haakjes aan met brood. Hij vangt veel vis. Vandaag is het systeem buiten werking; het is een vastendag en er wordt geen vis gegeten. Meeëters heeft hij in veel katten… Ze hebben nu een buitenkansje: pater Stefan heeft allerlei zakjes met bonbons ontvangen. Er staan echter vreemde getallen op de zakjes (productienummers). Volgens hem zijn dit de getallen van de antichrist en dus zijn de bonbons oneetbaar; het snoepgoed ligt weggeworpen op de rotsen beneden en de katten spelen ermee.
Pater Stefan heeft strenge, ascetische opvattingen. Maar als hij een bezoeker ontvangt, vergeet hij al die super-orthodoxe meningen en is hij een en al gastvrijheid. Hij wil graag sterven. Het kruis voor zijn graf is al klaar. Hij heeft het zelf gemaakt, compleet met opschrift. Alleen de sterfdatum moet nog worden ingevuld. Het is beter volledig met de Heer te zijn, maar hij geniet toch ook erg van het leven, zegt hij. Hij vervolgt: ‘Ik ben blij, en niet bang voor de dood. Een christen is niet bang voor de dood.’ Zingend loopt hij rond, zijn werk te doen. Hij heeft een hoge, ijle stem.
Vader Stefan vertelt veel wonderlijke verhalen, die op de Athos niet wonderlijk aandoen… Hoe bijvoorbeeld de ziel van de pas gestorven pater Nikodim dertig keer aan hem verschenen is en zei: ‘Dank voor alles. Ik ga naar het paradijs.’
Het is hier vaak erg koud. Op de open kale rotsen is er veel wind. Weinig mensen houden het leven op deze barre plek lang vol… Ik bekijk het kleine, primitieve kerkje, dat heel intiem aandoet. Met liefde is alles ingericht. Pater Stefan geeft me kruidenthee, brood, honing en nog allerlei proviand mee voor onderweg. Nu volgt weer een lange tocht, onderbroken door korte bezoeken. Eerst aan een groot kellíon met iconenschilders, dan aan een klooster. Het uitzicht is adembenemend mooi. Ik overnacht in het Griekse klooster Grigoríou. Eerst lijkt het me allemaal nogal overdreven streng. Zo is het aan niet-orthodoxen niet toegestaan de kerkdiensten bij te wonen. Maar later ontmoet ik toch erg vriendelijke monniken. Een jonge monnik, Evménios, laat me een schitterende kapel met fraaie fresco’s zien. Ook zie ik het knekelhuis. Er zijn wel zeshonderd schedels, onder andere die van de bekende abt Vissaríon, nog maar enkele jaren geleden overleden. De tuin van het Grigoríouklooster is een vreugde. Ze is prachtig gelegen en troont als het ware op de rotsen boven de zee. Er zijn veel sinaasappelbomen met rijpe vruchten en er is een granaatappelboom. Alles groeit in, op of uit de rotsen. Soms is er maar weinig aarde en toch een geweldige vegetatie. Ook het klooster is mooi, geverfd in heldere, zachte kleuren.
De volgende morgen wacht ik na een uitnemende reftermaaltijd –er zijn veel gasten– een poos op de abt, pater Geórgios. Met hem heb ik een fijn gesprek. Hij is een goede, pastorale man. Hij zegt dat ik best de kerkdiensten had kunnen bijwonen, als ik dit eerst had gevraagd. Veel niet-orthodoxe toeristen bekijken de monniken als vreemdsoortige dieren in een dierentuin en dat vinden sommige monniken erg storend. Hij zegt: ‘De liefde van de Athosmonniken voor andere mensen is soms een strenge liefde. Ze houden hartstochtelijk van de overlevering en willen geen goedkope eenheid.’ Hij luistert geduldig en met sympathie naar mij. Hij wenst en bidt dat in de toekomst wegen tot eenheid gevonden mogen worden en geeft me allerlei geschenken. Ik kijk wat in een Grieks boek met opstellen van zijn hand. Het is allemaal heel pastoraal. Maar wat hij in het boek –geschreven nog vóór hij op de Athos kwam– over de orthodoxie en de andere kerken zegt, is uiterst simplistisch. Waarschijnlijk is hij nooit echt met andere kerkelijke tradities dan de Grieks-orthodoxe in aanraking geweest.
De tocht naar Símonos Pétras is kort maar erg mooi. Ik ben gehecht geraakt aan mijn staf, die bij een steile klim een welkome hulp is. De zon schijnt door een pikzwarte lucht; drie gaten daarin laten bundels licht door, die op de zee drie grote lichtplekken werpen. Geweldig mooi!
Een vijf uur durende morgendienst
Het bezoek aan dit klooster is een hele belevenis. Er leeft een grote gemeenschap. Bijna allen zijn jong. Een Franse monnik ontvangt me heel voorkomend. Hij is ook erg geïnteresseerd in mijn leven, mijn gemeenschap en mijn werk (bij veel monniken hier gaat hun belangstelling niet verder dan de Athos en de orthodoxie). We spreken eerst over de houding van de Athosmonniken, die heel radicaal is en daardoor gemakkelijk fanatiek.
De vesperdienst is feestelijk. Er wordt, door twee koren, heel goed gezongen. Er zijn veel bezoekers, bijna alleen jonge mensen, die met grote aandacht de kerkdienst volgen. Na de maaltijd is er nog een uitvoerige dienst: eerst lofzangen ter ere van Maria, dan de completen. Daarna worden de relieken uitgestald. Men vindt het evenwel niet gepast dat ik die vereer! In vroeger tijden dacht men daar anders over op de Athos: de beroering van relieken kon voor niet-orthodoxen als ik alleen maar heilzaam zijn!
Op zondagochtend maak ik de bijna vijf uur durende morgendienst mee. Er wordt met veel enthousiasme gezongen. Ik val een moment in slaap… Na de dienst spreek ik met een Syrisch-orthodoxe priester uit Kerala in India. Hij is zeer ontsteld dat hij op de Athos door velen als niet rechtzinnig wordt gezien en behandeld, omdat hij niet Grieks-orthodox is.
Met de boot naar Dáfni. Ik ontmoet twee Oostenrijkers, van wie er één al vijfentwintig keer op de Athos is geweest. Zij houden veel van de Athos. Ze betreuren de afwezigheid van elke zorg voor het milieu bij de monniken: er worden maar nieuwe zandwegen aangelegd die veel vernielen, en overal wordt afval weggeworpen. Je vindt zelfs al afgedankte oude vrachtwagens, zomaar hier of daar achtergelaten…
Te voet naar het reusachtige klooster Sint Panteleïmonos. Tachtig jaar geleden leefden hier vijftienhonderd monniken, en konden er wel duizend gasten verblijven. Nu zijn er nog vijfentwintig Russische monniken, de meesten jong. Het vraagt wel moed om in zo’n verlaten stad te wonen. Gelukkig ziet het er niet meer zo triest uit. De enorme ruïnes (eenderde van het complex brandde er bijna veertig jaar geleden af) zijn nu begroeid met vele planten en heel grote bomen. In de grote kerk beneden, gewijd aan Sint Panteleïmonos, vereer ik met enkele Griekse pelgrims talloze relieken, om goed te maken wat me elders onthouden werd. Het belangrijkste voor mij is de relieken te zien van de in 1938 in dit klooster overleden grote heilige starets Siluan. Hij was een eenvoudig man, vol warme liefde voor zijn evenmensen, voor wie hij dag en nacht bad. Hij benadrukte vooral de eindeloze barmhartigheid van God en de noodzaak allen lief te hebben, zelfs je vijanden. Zijn hele leven was een gevecht om deemoedig te worden.
De kerkdienst is volledig in het oud-Kerkslavisch. De maaltijd is in een enorme refterzaal, waar vroeger achthonderd monniken plaats konden vinden. Nu tel ik er twintig. De maaltijd heeft proporties die passen bij de eetzaal: een groot bord soep, een groot stuk vis, een groot stuk brood en een grote kop koffie. Na de nachtdienst ga ik nog in mijn heerlijk verwarmde kamer –een houtvuur verwarmt gelijktijdig twee kamers– zitten lezen. De zee bruist vlakbij.
De volgende morgen ben ik met vreugde aanwezig bij de kerkdienst, die vier of vijf uur duurt. Alles is feestelijk en er is een sfeer van diepe vroomheid, veel beter dan enkele jaren geleden.
Lopend door eindeloze bossen bereik ik via Paleomonástiro (een Russisch klooster waar slechts één monnik leeft) ten slotte Karyés. Ik bezoek er het huis van de onvolprezen Nifon. De oude Nifon is twee jaar geleden gestorven. Hij was een bijzonder hartelijke, gastvrije man, die ik nooit zal vergeten. Zijn eenvoud en zijn onthaal maakten het logeren bij hem tot een grootse belevenis.
Via Kapsala ga ik naar Stavronikíta. Onderweg zie ik allelei grote en kleine kellía, waarvan ik er vroeger vele bezocht heb. In Stavronikíta word ik ontvangen door pater Jeremias. Wat een indrukwekkende ontvangst! Eerst vraagt hij uitgebreid naar mijn leven. Hij benadrukt steeds het ‘divino-humane’: ‘zoals Christus God én mens is, moeten wij ook in ons menselijk bestaan Gods gaven, zijn aanwezigheid ontvangen; wij moeten ‘vergoddelijkt’ worden.’ Pater Jeremias is zo sympathiek en pretentieloos. Zijn stopwoord is: ‘zoals u zegt’, ook al heb ik helemaal niets gezegd.
Voor het feest van de aartsengelen Gabriël en Michaël is er een gebedsdienst die de hele nacht duurt, van tien tot zes uur. Ik heb wel veel zitten knikkebollen… Iedere keer werd ik wakker als de priester langskwam met zijn luidruchtige wierookvat (er zaten namelijk rinkelende belletjes aan) om iconen en mensen te bewieroken. Ik spijbel twee uur om op mijn kamer te slapen.
Na de kerkdienst volgt direct de maaltijd. Er wordt voorgelezen over de engelen, hun rangorde, hun dienst. De schrijver weet veel meer van engelen af dan wij in het Westen. Ik bekijk tijdens de maaltijd de oude muurschilderingen, waarvan een deel goed is bewaard. Na de maaltijd gaan we weer naar de kerk voor een korte dankzegging.
Al gauw ga ik weer op weg. Omdat ik eerst de verkeerde weg insla, kom ik dicht bij Karyés uit. Ik zie van een afstand de reusachtige Russische skite van Sint Andreas. De gebouwen zijn nog geen honderd jaar oud. Eens herbergden ze zevenhonderd Russische monniken, nu leeft er een grote Griekse gemeenschap, die geïnteresseerd is in de Russische geschiedenis van het klooster. Een jonge monnik uit Rusland (maar van Griekse afkomst) stelde mij veel vragen over de laatste Russische monniken, die ik in de zestiger jaren op diverse plaatsen op de Athos ontmoet had. De nieuwe gemeenschap is met een aanstekelijk enthousiasme de reusachtige, danig vervallen gebouwen aan het restaureren. Ik genoot van de gastvrijheid, van de creativiteit van deze dynamische gemeenschap. De gebedsdienst in een van de nog niet gerestaureerde kapellen sprak me aan. Ik was erg onder de indruk van de prachtige, improviserende manier waarop de vele bezoekers ontvangen werden. De abt gaf een inleiding over het christelijk geloof, waar wel veertig gelovigen naar luisterden. We zaten buiten, op oude houten banken.
Dan ga ik over een zeer fraai met grote keien geplaveide weg naar een andere Russische skite, die van de profeet Elia. Een buitengewoon grote gastvrijheid wordt me daar betoond! Ik had me voorbereid op een anti-oecumenisch gesprek, maar het is een en al hartelijkheid. Er zijn slechts vijf of zes monniken, vooral afkomstig uit Amerika en Australië. Tachtig jaar geleden waren hier nog driehonderd monniken. Hoe geweldig te zien dat alle gebouwen in uitnemende staat zijn, goed onderhouden en prachtig in de verf. Wat een enorm werk hebben de monniken daaraan gehad… De grote kerk ga ik binnen. Het is alles goud wat er blinkt. Langzaam aan ben ik gaan houden van dit soort laat-Russische kerken. Het interieur is ietwat zoetelijk (veel Westerse en Italiaanse invloed), maar na alle streng Byzantijnse kerken doet me dit eigenlijk weldadig aan, als een aanvulling. We praten lang over de Russische Athos. Er wordt me een goed ontbijt aangeboden: koffie, toast en vis. Het spijt me deze plaats weer te moeten verlaten. Ik ben er erg aan gehecht, omdat ruim tweehonderd jaar geleden hier de beroemde starets Paissij Velichkovski leefde, die zo’n grote invloed heeft gehad op het geestelijk leven in de Slavische landen en in Roemenië. Kort na mijn bezoek werden de monniken weggestuurd, omdat ze het gezag van de patriarch van Constantinopel niet erkenden en zijn naam in de liturgie niet vermeldden. Er leven nu Griekse monniken.
Over kleine weggetjes ga ik nu naar een afgelegen plaats, Kolitsoú. Het regent een beetje. Natte struiken hangen over de kleine paadjes. Ik voel me een echte pelgrim, die niet alleen zonneschijn vindt op zijn weg. Maar wat een schoonheid tref ik aan! Al is het eind november, er zijn nog veel schitterende herfstkleuren.
Met enige moeite vind ik Kolitsoú. Er zijn hier nog vier bewoonde kellía, terwijl er vroeger tien waren. Al ruim duizend jaar leven hier monniken, dicht bij een heel oude verdedigingstoren. Pater Joan, een Roemeense monnik, ontvangt mij. We praten urenlang in het Frans over Roemenië, de Athos, de orthodoxie en het Westen. De gebedsdiensten in de eenvoudige kapel, vol recente iconen (veelal reproducties), zijn in het Roemeens. Ik voel me vol dankbaarheid voor de rijkdom aan ervaringen die me op de Athos ten deel valt. Wat een wereld, de berg Athos! De mentaliteit van veel monniken staat niet ver af van die van de monniken van duizend of vijftienhonderd jaar geleden.
Van Kolitsoú ga ik naar Vatopedíou, een van de oudste en grootste Athoskloosters. Met een heel jonge Franse monnik, Irinéos, heb ik een goed gesprek. Ook in dit klooster zijn talrijke nieuwe monniken, discipelen van de bekende monnik Josef, die op zijn beurt een leerling was van de bijna vijftig jaar geleden gestorven geestelijke vader Josef. Hij spreekt veel over de gehoorzaamheid. Door de gehoorzaamheid krijgt men deel aan Jezus. Het leven van de monnik is een strijd tegen de hartstochten. Als men volgens het evangelie leeft en veel bidt, ontvangt men veel van God. Soms moet men zichzelf geweld aandoen om te bidden. Sommigen die zuiver leven, ontvangen de gave van het gebed.
Een kort bezoek aan het kellíon van Sint Ipátios. De Roemeense monniken die er wonen, beiden Ilaríon geheten, ontvangen me groots. Ik was erg gesteld op de twee monniken die hier vroeger woonden en die al dertig jaar geleden gestorven zijn: pater Dometie en pater Gerontie. Pater Ilaríon bereidt me een heerlijk maal. Tomaten en aardappelen. Verder is er ouzo en een overvloed aan zelfgemaakte wijn.
Nu naar het Bulgaarse klooster Zográfou. Tweemaal wordt me de weg gewezen, tweemaal verdwaal ik… Pas na een dwaaltocht van een uur vind ik de goede weg. Het is een oude en niet erg goed onderhouden weg. Eindeloze bossen en heuvels. Tegen zonsondergang kom ik aan. De lucht is kleurig en lichtend.
Het enorme klooster, een van de mooiste op de Athos, heeft slechts negen monniken. In Bulgarije zijn monniken zeldzaam… Slechts enkele monniken zijn aanwezig, bijna allen zijn op reis voor zaken. De houtkachel in mijn kamer is aangestoken. Ik droog bij de kachel mijn door de urenlange tocht totaal van zweet doorweekte kleren. Ik krijg een eenvoudig maal. Heerlijk! De homp brood bij het eten is groter dan ik ooit ergens ontvangen heb. De leek die in de keuken werkt, heeft zijn hele leven op de Athos gewerkt. Hij weet alles over de monniken…
toch mis ik vaak één ding
De volgende morgen is er slechts één monnik in de kerk. Pas om half vier begint de kerkdienst, die niet meer dan een uur duurt. De monnik zegt snel, wel af en toe mooi zingend, de gebeden. De kok was al om drie uur aan het werk. Heerlijke geuren stijgen op uit de keuken. Het is geen vastendag vandaag. Het gastenboek is het meest volledige dat ik op de Athos heb aangetroffen. Niet alleen de naam van mijn vader, ook die van mijn moeder moet ik opschrijven. Waar ik vandaan kom, en waar ik heen ga. Ik heb een lang gesprek met een jonge Zwitserse Athosmonnik, die hier op bezoek is. Ik zeg hem herhaaldelijk dat hij al te bekrompen Athos-opvattingen moet laten varen… Hij is al wel tien jaar op de Athos. Het leven hier valt hem nu nogal zwaar.
Wat bekrompen opvattingen betreft, sinds vele jaren zijn er op de berg Athos monniken die men ‘zeloten’ noemt. Dat is een toepasselijk woord, ‘fanatiek’ klinkt al te streng. Het zijn vaak de beste monniken, eenvoudig en radicaal, maar met bekrompen opvattingen. Ze zijn zeer anti-oecumenisch. De patriarch van Constantinopel is voor deze monniken al te geporteerd. Jaren lang was het klooster Esfigmenou, dat meer dan honderd monniken telde, het grote centrum van de zeloten. De patriarch probeert met dit klooster een hervorming door te voeren. Dat heeft veel spanningen veroorzaakt. Wat veertig jaar geleden, zelfs in Esfigmenou, ondenkbaar was, kun je nu her en der meemaken: dat aan niet-orthodoxen geweigerd wordt de kerkdiensten bij te wonen of samen met de monniken in de refter te eten. De abt kan uitzonderingen maken en toestemming geven… Niettemin is in die kloosters de ontvangst meestal heel hartelijk.
Vanaf het havengebouw van Zográfou ga ik nu over het strand naar Jovantse. Een Duitse monnik, die jarenlang in Chilandári heeft geleefd, heeft het oude Russische kellíon van Sint Ignátios en een klein naburig kellíon gerestaureerd. Hij wil graag een brug tussen Oost en West zijn. Een mooi geluid! In zijn fraaie kapel –nog niet helemaal klaar– zijn slechts weinig iconen. Hij bidt en zingt veel in het Duits.
Samen met een arbeider die praktisch zijn hele leven op de Athos heeft gewoond, verzamelen we olijven. Daarna zitten we lang op het enigszins wrakke balkon boven de zee. De golven beuken –sinds gisteren stormt het– op de grillig gevormde rotsen. De nacht is prachtig; het geluid van de golven, de sterren. Twintig kilometer hiervandaan zie je de top van de berg Athos. Op de hellingen flikkeren olielampen.
Na het gebed en het ontbijt ga ik te voet naar Ouranoúpolis. De streek is geheel verlaten. Enkele prachtige, vervallen kellía zijn helemaal leeg. Verder opzij twee afgebrande kellía, waar vroeger Russische en Servische monniken leefden. Al gaande bid ik het Jezusgebed. Een tocht van vijf uur… Behalve enkele jagers met honden en werklui met muildieren, kom ik niemand tegen. In Chromítsa (er omheen zijn nu veel nieuwe wijngaarden) bezoek ik pater Alexij. Bij de grens woont nog een in Rusland geboren oude Griekse monnik.
Mijn dertiendaags bezoek is voorbij. Met weemoed laat ik mijn pelgrimsstaf in Ouranoúpolis achter. Al meer dan tien keer ben ik op de Athos geweest. Er zijn tegenwoordig veel schitterende dingen op te merken –de grote opleving, de vurigheid van veel monniken, de eruditie en deskundigheid– toch mis ik vaak één ding: de eenvoudige nederigheid van die heel gewone monniken van vroeger… Zij hadden niet zo verschrikkelijk veel gestudeerd. Vijf minuten lang bleef je voor hen als niet-orthodox een hereticus (en dat werd je duidelijk gezegd), daarna werd je een broeder. Een hele reeks van die monniken zal ik mijn leven lang niet vergeten. Nu zijn veel jonge monniken goed onderricht; ze weten alles zo goed… en er blijft soms een zekere afstand.
Denkend aan de Athos voel ik een diepe dankbaarheid voor de weergaloze gastvrijheid, die ik er mocht genieten, voor de centrale plaats die het gebed er inneemt… voor het sterke accent op de opstanding…
[*Het schiereiland Athos is in twintig ongelijke gebieden verdeeld, die door twintig soevereine kloosters worden beheerd. Die kloosters zijn coenobitisch (gemeenschappen onder een abt) vroeger ook wel idioritmisch (met individueel bezit en dagorde). Op ieder gebied vindt men bovendien allerlei andere kleine monastieke nederzettingen, die aan het grote klooster onderhorig zijn, maar niettemin tot op zekere hoogte zelfstandig. Allereerst de skiten: kleinere kloosters met kapellen en huisjes, die vaak hele dorpjes omvatten. Waar cenobitisch geleefd wordt lijken deze kloostertjes op de grote soevereine abdijen; de idioritmische monniken leefden in laura’s, groepen van huisjes waar de monniken afzonderlijk wonen, maar toch op elkaar betrokken. Daarnaast treft men kellía of cellen aan; het zijn nog kleinere monastieke nederzettingen, soms bewoond door één enkele monnik. Bovendien zijn er nog de hutten, kluisjes en kapellen, waar de heremieten wonen, vaak op moeilijk toegankelijke plekken hoog in het gebergte boven de zee.]
Redactie & administratie Sint-Adelbertabdij Egmond-Binnen:
telefoon 072-5061415. uitgaven.adelbertabdij@xs4all.nl
Tegemoetkoming in de de kosten voor Nederland en België:
€ 11,- per jaar (4 nummers) of met steun: € 15,-
Kostenvergoeding voor losse nummers € 5,-
Betaling voor Nederland op girorekening nr.275563, voor België op girorekening no.000-0553127-33 (Brussel), ten name van Benedictijns Tijdschrift Sint-Adelbertabdij, 1935 BH Egmond-Binnen (NL).
