Psalm exegese

Psalm 1





1. Zalig de man die niet afdwaalt op de weg van de goddelozen
(uit de latijnse vertaling de 'Septuagint').



1. Gelukkig de man die niet treedt in het overleg van de bozen
(Ida Gerhardt, M. van der Zeyde, KBS Willibrord vertaling)



Hieronymus verklaart:

Sommigen zijn van mening dat de sleutel tot deze psalm betrekking moet hebben op de persoon van onze Heer Jezus Christus; de zalige man is Christus volgens zijn menselijke natuur.

Dat is goed bedoeld, maar ondoordacht,want als de zalige man Christus is, en het Christus is die de wet geeft, hoe kan dan nu over Christus gezegd worden: 'maar die naar de wet van de Heer zijn willen richt'? En verder, hoe kan hij met iets anders, met een boom worden vergeleken, en er worden gezegd : 'En hij zal zijn als een boom die is langs stromend water? Want als hij met een boom vergeleken wordt - alles immers wat vergeleken wordt is kleiner dan dat waarmee het vergeleken wordt - dan is de boom dus groter dan de Heer, die met de boom vergeleken wordt.

U ziet dus dat men deze psalm niet kan verklaren als betrekking hebben op de persoon van de Heer. Maar er wordt in het algemeen gesproken, over een willekeurige rechtvaardige man, ook al menen velen dat het gaat over Jozef, die van Arimathea, die niet afdwaalde in de raad van de Joden, niet stond op de weg van de zondaars en niet zat op de troon van de Farizeeën.

Toch verklaren wij wat anderen specifiek op hem toepassen, als betrekking hebbend op de rechtvaardige man in het algemeen.


Zalig de man die niet afdwaalt in de raad van de goddelozen.

We lezen in Genesis dat Adam vervloekt werd wanneer gezegd wordt: vervloekt zij de aarde door jouw werken. De vervloeking van de eerste mens wordt dus nu opgeheven door de zegen. In de oude Wet wordt als het ware één zaligspreking geplaatst, maar in het Evangelie worden acht zaligsprekingen tegelijkertijd uitgesproken

Zalig de man die niet afdwaalt in de raad van de goddelozen.

Zalig de man: Niet de mens, maar de man: de man die de volmaakte man in Christus bereikt heeft (vgl. Ef.4,13), die niet doolt in de raad van de goddelozen.



De 'psalmist' beschrijft drie algemeen zonden van de mens:
want óf we denken, óf we handelen, óf we leren.



Eerst denken we en daarna zetten we wat gedacht hebben in daden om; als we al wat werk gedaan hebben, gebeurt het dat we anderen leren wat we zelf hebben gedaan

Zalig de man die niet afdwaalt in de raad van de goddelozen: die geen kwaad denkt; niet staat op de weg van de zondaars, en niet zit op de troon van de verderfelijken.

Dat is, die niet aan anderen leert, en die niet staat op de weg van de zondaars. Het is moeilijk om niet te zondigen. Tenslotte zegt ook Johannes de evangelist dat 'degene die ontkent zonde begaan te hebben, liegt, en een leugenaar is' (Joh.1,8).

Nu, allen zondigen we, en niemand is zalig behalve wie niet zondigt.. Als we dus allen zondigen, is niemand zalig. Maar let op wat hij zegt: en niet staat op de weg van de zondaars.

hij zegt niet; zalig de man die niet zondigt, maar zalig de man die niet volhardt in de zonde, en niet staat op de weg van de zondaars.

Gisteren heb ik gezondigd, ik ben niet zalig. Als ik bij de zonde niet blijf staan, maar me ervan terugtrek, ben ik reeds zalig.

En niet op de troon van de verderfelijken zit.

Zoals hij daar gezegd heeft staat (zegt hij) hier: zit; zoals daar; wie niet in de zonde volhardt, is zalig, zo is hier wie in de kwade leer niet volhardt en zit, is zalig.

Wat betekent het dus? U ziet zelf hoe op drievoudige wijze de zaligheid geschonken wordt: als wij niet dat wat kwaad is denken, als wij niet in de zonde volharden, als wij niet de kwade dingen leren.

Dit zegt de profeet: om drie en vier zonden keer ik niet (op mijn besluit) terug, spreekt de Heer.

Achtmaal spreekt hij dit, zegt Amos: Dit wil zeggen,
gij hebt dit gedacht, ik heb het vergeven;
gij hebt dit gedaan, ik heb het vergeven;
dan zoudt gij toch geen slechte dingen moeten leren?
Dit wordt er gezegd; om drie en vier zonden toornt hij niet tegen u, zegt de Heer.
En zijn wet bemediteert, dag en nacht.
Hij heeft drie dingen gezegd, die men niet moet doen:
niet afdwalen in het beraad van de goddelozen,
op de weg van de zondaars niet staan
en niet zitten op de troon van de verderfelijken;


Hij heeft drie dingen genoemd die wij niet moeten doen, nu noemt hij twee dingen die we wel moeten doen:

het volstaat immers niet dat we het kwaad ontvluchten
we moeten ook het goede navolgen.

Maar op de wet van de Heer zijn willen richt.

Hij heeft niet gezegd: vrees, maar, zijn willen. Velen handelen immers uit vrees, maar de vrees van wie handelt, levert niets op. Maar op de wet van de Heer zijn willen richt.

Iemand zou kunnen opmerken dat de menselijke natuur dit niet kan verdragen, men moet immers lopen, drinken en eten, slapen en al die andere dingen die voor het leven noodzakelijk zijn, regelen. Hoe dan dag en nacht de wet van de Heer bemediteren, vooral omdat de apostel zegt, ' zonder ophouden bidden'? Ik kan toch niet bidden op dezelfde tijd dat men slaapt?

De meditatie van de wet zit dan ook niet in het lezen, maar in het doen.

Vandaar dat op een andere plaats wordt gezegd;
Of u nu eet, of drinkt of wat u ook doet, doet alles in de naam van de Heer
Als ik een aalmoes geef, bemediteer ik de wet van de Heer;
als ik een zieke bezoek, bemediteren mijn voeten de wet van de Heer;
als ik dat doe wat voorgeschreven is, bemediteer ik hetgeen anderen met de mond bemediteren, met mij lijf.

Nu heeft dus drie dingen genoemd die we niet moeten doen; wie dit doet, wat is de beloning die hij verdient?

Hij zal zijn als een boom, als hij geplant is aan stromend water, draagt hij zijn vrucht op zijn tijd. En zijn blad verwelkt niet.

Ze leggen mij al te eenvoudig uit, die zeggen, als een boom bij het water geplant is, is hij noodzakerlijkerwijs fris en verdort niet, omdat zijn wortels grond hebben van waaruit zij leven, zo is het met iemand die de wet van de Heer bemediteert: de meditatie van deze wet geeft hem frisheid en leven. Zij interpreteren dit te eenvoudig (te letterlijk). Wij echter willen geestelijke dingen met geestelijke verlijken, lezend dat in het paradijs de boom des levens is geplant; en de boom van de kennis van goed en kwaad en de boom des levens hier in het paradijs geplant zijn, en dat een bron uit dit paradijs uitstroomt die zich in vier hoofdstromen splitst.

Wij lezen bij Salomo over de wijsheid, want hij zegt daar: Christus is de kracht van God en Gods wijsheid. Dus waar Salomo zegt ' De boom des levens is voor wie hem grijpen'wordt hier over de wijsheid gezegd. Wanneer nu de wijsheid de boom des levens is, dan is deze wijsheid dus de Christus.

Je ziet dus wie de zalige en heilige man is, met deze boom, dat is met de wijsheid, vergeleken wordt. U ziet dus dat de zalige en gerechte man deze is die niet afdwaalt in de raad van de goddelozen, die dit niet doet, en die dat (wel) doet, en zal zijn als een boom die geplant is aan stromend water. Dat wil zeggen, hij zal zijn als Christus, als hij tenminste ons laat aanzitten in de hemelen mogen aanzitten en laat meeregeren. U ziet dus dat wij met Christus in de hemel zullen regeren. U ziet dus dat deze boom in het paradijs geplant is, dat wij allen met hem geplant zijn.


Hij zal zijn als een boom die geplant is aan stromen van water. Vanuit deze bron komens immers alle rivieren voort, een boom die zijn vrucht zal dragen op zijn tijd.

Deze boom geeft die niet in het huidige tijdsgewricht, maar in de toekomst, dat is op de dag van het oordeel. Deze boom loopt nu uit, en belooft vruchten voor de toekomst. Deze boom heeft twee dingen: hij heeft vruchten en hij heeft bladeren. Hij heeft vrucht: de betekenis van de Schriften: de bladeren zijn de eenvoudige woorden. De vrucht ligt in de betekenis, de bladeren zijn de eenvoudige woorden. De vrucht ligt in de betekenis, de bladeren zijn in de woorden. Als hij het geestelijk verstaat pakt hij de vruchten.

En zijn gebladerte zal niet verdorren. Toch zijn ook de bladeren van die boom nuttig. Tenslotte als iemand ook de historische zin begrijpt, nuttig voor zijn ziel. Wij lezen in de Apocalyps van Johannes (welk boek in deze provincies niet wordt aanvaard; toch moeten wij weten dat in heel het westen en andere Phoenicische provincies en Egypte het boek wordt aanvaard, en het kerkelijk is, en dat ook oude kerkvaders onder wie ook Irenaeus, Polycarpos en Dionysius, en andere Romeinse exegeten, onder wie de heilige Cyprianus, het boek aanvaarden enuitgeleggen) wij lezen dus daar:

En zie, zegt hij, ik zag een troon staan, een lam en een boom, zeg hij, bij de rivier, en deze boom was aan elk van beide oevers. Dat betekent hij was aan deze kant en aan die kant. En die boom droeg vruchten, zegt hij, twaalfmaal per jaar, ieder maand. En hij had, zegt hij, bladeren, en zijn bladeren brachten de volkeren genezing. Ik zag zegt hij, een troon geplaatst: want ook al geloven wij in de VAder, de Zoon en de heilige Geest, en dat er een Drievuldigheid is, toch is het één koningschap: ik zag, zegt hij, een troon geplaatst, en ik zag, zegt hij voor die troon een lam staan.

Over de opneming van het lichaam van de Heiland wordt gezegd: Zie het lam Gods, zie dat wegneemt de zonden van de wereld. En er ontsproot, zegt hij, midden van onder de troon een bron. U ziet dus dat vanuit het midden van de troon een bron van genaden uitstroomt. Toch stroomt die bron niet uit de troon tenzij het lam er tegenover staat. Want alleen als wij in de menswording van Christus geloven, kunnen wij deze genaden ontvangen. En de boom, zegt hij, heeft een verheven plaats. Hij zegt niet bomen, hij zegt één boom. Maar als het één boom is, hoe kan hij dan aan deze oever en aan de andere oever zijn? Als hij immers 'ik zag bomen' gezegd had, zou het kunnen zijn dat er sommige aan deze en andere oever stonden. Nu wordt echter gezegd dat één boom aan beide kanten is. Eén rivier stroomt uit Gods troon, dat is de genade van de heilige Geest. En deze genade van de heilige geest is in de heilge Schrift, dat wil zeggen in die rivier van de Schriften. Toch heeft deze rivier twee oevers, het Oude en het Nieuwe Testament. En aan beide kanten is de boom geplant, dt is Christus. Deze boom draagt dus per jaar twaalf maal vrucht, dat is elke maand. Wij kunnen de vruchten van deze boom niet ontvangen, tenzij door de apostelen. Als iemand dus door de apostelen tot bij de boom geraakt, is het noodzakelijk dat hij de vruchten neemt; hij oogst de vruchten van de heilige Schriften, d.w.z. de goddelijke betekenis die zich in de tekst bevindt. Indien iemand dus tot de boom zal raken door de apostelen, plukt hijzijn vruchten; als iemand dat echter niet kan, omdat hij nog te zwak is, en dan is hij nog geen leerling, maar dan behoort hij tot de menigte; hij staat er 'buiten', is hij uit de heidenen. Als iemand nog tot de heidenvolken behoort, als iemand geen leerling is en nog tot de massa behoort, laat hij dan de bladeren van die boom aannemen, d.w.z. laat hij de eenvoudige wooorden aannemen als medicijn. Tenslotte staat er geschreven; zijn bladeren zijn tot de gezondheid van de heidenen, d.w.z. tot medicijn.



Is dit alles waarom we gesproken hebben en een uitstap hebben gemaakt naar de Apocalyps? Daar geschreven staat dat hij zijn vruchten geeft op zijn tijd en zijn gebladerte niet verdort, en alles wat hij doet, zal altijd voorspoedig zijn. We hebben gesproken over de zaligheid van de rechtvaardige man, we hebben over zijn beloning gesproken. Omdat hij drie dingen niet heeft gedaan en twee dingen wel heeft gedaan, wordt hij vergeleken met de paradijsboom, dat wil zeggen met de wijsheid van Christus. We hebben dus gesproken over de heilige man, laatons nu gaan kijken naar de tegenovergstelde man. Wat wordt er gezegd over de zondaar en de goddeloze?

Zo niet de goddelozen. Al die soorten van beloningen die we voor de rechtvaardige noemden, ontvangt de goddeloze niet. Zo niet de goddelozen. Hij heeft niet gezegd: zo niet de zondaars. Als hij het immers over de zondaars had gezegd, zouden wij vreemden zijn. Zo niet de goddelozen. Tussen goddeloze enzondaar verschilt het volgende; de goddeloze loochent God; de zondaar belijdt en zondigt. Zo niet de goddeloze. In sommige versies wordt dit non sic tweemaal gelezen; Zo niet de goddeloze, zo niet. Maar wij weten dat het in het Hebreeuws maar eenmaal geplaatst is.

We hebben over de rechtvaardige man gesproken, en waarmee hij vergeleken wordt. Hij zal zijn als een boom geplant aan waterstromen. Nu spreken we daarentegen over de goddeloze. Zoals de gerechte man met een boom wordt vergeleken, zó wordt de goddeloze vergeleken met stof, dat de wind opjaagt van het aardoppervlak. Ofschoon 'het stof van de aarde is, houdt het toch op aarde te zijn. Maar hij is als stof dat de wind opjaagt van het aardoppervlak. Ziet wat wordt gezegd, hoe ongelukkig is de goddeloze, dat hij zelfs geen aards stof is. Ogenschijnlijk heeft hij weliswaar geen substantie, maar hij heeft ze. Hij heeft niets vastigs; maar wat hij heeft, heeft hij tot straf. Het wordt her en der verstrooid, heeft nooit een vaste plaats. Waarheen de wind het sleurt, daarheen gaat het invliegende vaart. Zo gaat het ook de goddeloze, die eenmaal God verloochend heeft, waarheen de windvlaag van de duivel hem ook voert, daarheen wordt hij door zijn dwaling gevoerd.

Omdat we gesproken hebben over wt de rechtvaardige is en waarmee hij wordt vergeleken, wat de goddeloze is en waarmee hij wordt vergeleken, en over het huidige tijdperk gesproken hebben, moeten we nu de toekomst en de eeuwigheid leren kennen.

Daarom staan de goddelozen niet op in het gericht.



Wordt vervolgd.
Abdij van Egmond Abdijlaan 26 1935 BH Egmond-Binnen