Commentaar op het hooglied

VERTALING[1]

DOM GERARD MATHIJSEN OSB & ANDRÉ ZEGVELD

In de naam van de Heer.

Hier begint het commentaar op de Liederen der Liederen

door de heer Gregorius, paus van de stad Rome.

Het werd in zijn geheel samengesteld uit losse notities.


1
2

inleiding over het lezen van de heilige Schrift: letter en geest

over de heilige Schrift in het algemeen


Woorden en hun betekenis, buitenkant en binnenkant: allegorie

1 Sinds zij uit de vreugden van het paradijs werden verdreven en daardoor de ballingschap van het leven zoals dat er nu uitziet zijn ingegaan, hebben de mensen een hart dat voor geestelijk begrip blind is geworden. Wanneer een goddelijke stem tot dit blinde hart zou zeggen: “volg God” of “heb God lief”, zoals hem dat in de wet gezegd wordt, dan zou het toch niet vatten wat het hoort omdat het nu eenmaal buitengeworpen en door koude ongevoeligheid als het ware verdoofd is. Daarom richt Gods spreken zich met een soort raadsels tot de door kou verdoofde ziel, en fluistert haar via dingen die deze kent op een verborgen manier een liefde in die ze niet kent.

2 Een allegorie stelt de ziel die ver van God verwijderd is immers als het ware een werktuig ter beschikking, waardoor deze tot God wordt opgeheven. Op die manier worden raadsels tussenbeide gebracht, en terwijl de ziel iets in de woorden ervan herkent wat haar eigen is en vertrouwd, begrijpt zij in de betekenis van die woorden wat haar niet eigen en vertrouwd is. Zo wordt zij door aardse woorden van de aarde losgemaakt. Want omdat zij door iets dat ze kent niet wordt afgeschrikt, begrijpt ze iets dat ze niet kent. Gods uitspraken worden zo ingekleed in dingen die we kennen. Uit die dingen worden de allegorieën samengesteld. En omdat wij de uiterlijke woorden herkennen, komen wij tot een innerlijk begrijpen.

De liefde van het lichaam verwijst naar de liefde van God

3 Dat is de reden dat er in dit boek, dat de titel Liederen der liederen[2] draagt, woorden worden gebruikt die ogenschijnlijk over lichamelijke liefde gaan. De bedoeling daarvan is dat de ziel, door vertrouwde taal opgewekt uit haar koude verdoving, weer warm wordt en door de woorden over een liefde van hier beneden uitgelokt wordt tot een liefde die van boven komt. In dit boek is inderdaad sprake van kussen, sprake van borsten, sprake van wangen, sprake van dijen. Zulke woorden mogen geen aanleiding vormen om de spot te drijven met de heilige schriftuur, ze moeten juist een aansporing zijn tot een groter besef van Gods barmhartigheid. Want wij moeten goed in de gaten houden hoe wonderlijk en barmhartig Hij met ons aan het werk is, doordat Hij de ledematen van ons lichaam noemt en ons zo tot liefde wekt. Om ons hart te laten ontbranden en aan te steken tot heilige liefde, gaat Hij zelfs zover dat Hij de woorden gebruikt van onze laag bij de grondse liefde. Door zo te spreken verlaagt Hij zichzelf, maar vanaf die lage plaats verheft Hij ons tot echt begrip. Want uit wat over deze liefde gezegd wordt, leren wij met wat voor kracht wij moeten branden van goddelijke liefde.

4 We moeten er dan wel heel zorgvuldig voor waken dat we niet bij het horen van woorden over die uiterlijke liefde blijven steken in wat we dan uiterlijk voelen, zodat het werktuig dat werd neergezet om op te heffen ons juist naar beneden zou drukken en ons zo zou verhinderen om opgeheven te worden. We moeten juist door deze lichamelijke, deze uiterlijke woorden heen zoeken naar wat innerlijk is, en sprekend over het lichaam als het ware buiten dit lichaam terechtkomen. Wij moeten de heilige bruiloft van bruid en bruidegom benaderen met begrip van de innerlijke liefde, dat wil zeggen: we moeten met het bruiloftskleed gekleed komen. Dit is absoluut nodig. Want als wij ons niet met het bruiloftskleed gekleed hebben, dat wil zeggen: met een passend begrip van de liefde, dan zullen we van dit bruiloftsmaal worden verwijderd en in de uiterste duisternis, dat wil zeggen: in blinde onwetendheid weggeworpen [Vgl. Mt. 22, 1-14]. We moeten vanuit de taal van deze hartstocht de overgang maken naar de deugd van onverstoorbaarheid.[3]

Wat betreft de woorden en hun betekenis is het in de heilige Schrift net als in de schilderkunst wat betreft de dingen en hun kleur. Wie niet aan de kleuren van een schildering voorbijgaat, zodat hij de dingen zelf die geschilderd zijn niet herkent, zo iemand moet wel gek zijn. Dat geldt evenzeer voor ons: als wij van de woorden enkel de buitenkant vatten die wordt uitgesproken en onbekend blijven met hun betekenis, dan is het alsof wij ons, onbekend met de dingen die geschilderd zijn, enkel aan de kleuren vasthouden.

Er staat geschreven: “de letter doodt, maar de geest doet leven” [2 Kor. 3, 6]. Net zoals immers het stro de tarwe verborgen houdt, overdekt de letter de geest. Het is eigen aan dieren om zich met het stro te voeden, maar mensen voeden zich met de tarwe. Wie als mens zijn verstand gebruikt, zal dus het stro dat de dieren vreten weggooien en haastig het graan van de geest gaan eten. Dat de geheimen[4] schuilgaan in het omhulsel van de letter heeft een bedoeling: de wijsheid waar men naar op zoek is, krijgt op die manier meer smaak. Vandaar dat er staat geschreven, juist omdat het geestelijk begrijpen verborgen gaat onder het omhulsel van de letter: “De wijzen verbergen hun begrip” [Spr. 10, 14]. In hetzelfde boek staat daarom ook: “Gods glorie is het om zijn woord te verbergen” [Spr. 25, 2]. God openbaart zich immers des te heerlijker aan de geest die Hem zoekt, naarmate deze met scherpzinniger innerlijkheid naar diens verschijning speurt. Moeten wij dan niet zoeken naar wat God in zijn geheimen verbergt? Dat horen we vast en zeker te doen, want het schriftwoord vervolgt: “en de glorie van koningen bestaat eruit om wat gezegd wordt te doorgronden” [Spr. 25,2]. Koningen zijn immers diegenen, die geleerd hebben hun lichaam en de bewegingen van hun vlees te beheersen en te doorgronden. Het is dus de glorie van koningen om wat gezegd wordt te doorgronden, want het strekt goed levende mensen tot eer de geheimen van Gods geboden te doorvorsen.

Terwijl wij luisteren naar de woorden van het gewone menselijke bedrijf moeten wij ons dus als het ware buiten de wereld van de mensen begeven. Want wanneer we dat niet doen, kunnen wij bij het horen van wat op een menselijke manier wordt gezegd niets goddelijks voelen in datgene wat wij moeten horen. Wenste Paulus soms niet dat zijn leerlingen niet langer mensen zouden zijn, toen hij tegen hen zei: “Als er onder jullie jalousie en twist voorkomen, zijn jullie dan geen mensen?” [2 Kor. 3, 4]. Was het niet alsof de Heer zijn leerlingen niet langer als mensen beschouwde, toen Hij zei: “Wie zeggen de mensen dat de Mensenzoon is?” [Mt. 16, 13]. Want toen zij Hem met de woorden van de mensen antwoord gaven, voegde Hij er onmiddellijk aan toe: “Maar jullie, wie zeggen jullie dat Ik ben?”[Mt. 16, 15]. Doordat Hij hier eerst spreekt van “mensen” en er vervolgens “maar jullie” aan toevoegt, bracht Hij een soort onderscheid aan tussen zijn leerlingen en de mensen. Want door hen goddelijke zaken in te fluisteren, verhief Hij hen vanzelfsprekend boven mensen uit. De apostel zegt: “Wanneer er in Christus een nieuwe schepping is, dan is de oude voorbij”[2 Kor. 5, 17]. En wij weten dat bij de verrijzenis ons lichaam zo hecht wordt vastgemaakt aan de geest, dat al wat hartstocht is geweest in de kracht van die geest wordt opgenomen. Wie God volgt, moet daarom dagelijks zijn eigen verrijzenis als het ware nadoen. Zoals hij dan niets hartstochtelijks meer in zijn lichaam zal hebben, zo heeft hij nu niets hartstochtelijks meer in zijn hart. Om naar de innerlijke mens reeds nu een nieuw schepsel te zijn, moet hij nu al alwat zweemt naar het oude vertrappen, en in de oude woorden enkel de kracht van het nieuwe zoeken, nu al.


De heilige Schrift: vuur en berg
5 De heilige Schrift is als een berg, van waaraf de Heer in ons hart neerdaalt om ons tot begrip te brengen. Over die berg zegt de profeet: “God zal van de Libanon komen afdalen en de Heilige vanaf een bewolkte en dichtbegroeide berg.”[Hab. 3, 3 Vulgaat] Deze berg is zowel dichtbegroeid met betekenissen als bewolkt met allegorieën. We moeten, als wij ons haastig naar deze berg begeven wanneer Gods stem daar klinkt, heel goed weten dat wij dan onze kleren moeten wassen en ons moeten zuiveren van alle vleselijke verontreiniging. Er staat immers geschreven dat elk dier dat deze berg aanraakt, zal worden gestenigd [Vgl. Hebr. 12, 20]. Telkens wanneer mensen die zich overgeven aan redeloze bewegingen de hoogvlakten van de heilige Schrift naderen, en de Schrift daarbij niet zoals het moet begrijpen maar hem op een volstrekt redeloze manier buigen in de richting van wat zij vanuit hun lust willen begrijpen, raakt een dier deze berg aan. Want iedere gek, iedere geestelijke luiwammes die in de buurt van deze berg zal worden gezien, wordt gedood door de meest verschrikkelijke uitspraken die hem als stenen treffen.

Want deze berg staat in vuur en vlam. Immers, de heilige Schrift steekt diegenen met het vuur van de liefde in brand die zij geestelijk vervult. Daarom staat er geschreven: “Uw woord is vuur” [Ps. 118, 140 Vulgaat]. Daarom zeiden die mensen op weg, die onderweg Gods woorden hoorden: “Brandde ons hart niet binnen in ons, toen Hij ons de Schriften ontsloot?” [Lk. 24, 32]. Daarom heeft Mozes gezegd: “In zijn rechterhand de wet van vuur” [Deut. 33,2 Vulgaat]. Versta onder Gods linkerhand de slechteriken die niet overgaan in zijn rechterhand; Gods rechterhand zijn dan de uitverkorenen die van degenen aan de linkerkant worden gescheiden. Daarom is in Gods rechterhand een wet van vuur; want in de harten der uitverkorenen die aan de rechterkant thuishoren, vlammen de goddelijke geboden die in brand zijn gevlogen door de gloed van de liefde. Dit vuur moge alles verteren wat in ons is uiterlijke roest en rommel is, om van onze geest als het ware een brandoffer te maken dat opstijgt in de beschouwing van God.

Over het Hooglied

de titel van dit bijbelboek: Liederen der Liederen


6 Het kan geen kwaad hier op te merken dat dit boek niet Lied heet maar Lied der Liederen. Zoals er in het Oude Testament sprake is van heilige zaken, en van zaken die de ‘heilige der heilige zaken’ worden genoemd, van sabbatten en van de ‘sabbatten der sabbatten’, zo komen er in de heilige Schrift ook liederen en liederen der liederen voor. De heilige zaken bevonden zich in de tent; het waren de zaken waarmee men buiten bezig was. De sabbat was de sabbat die elke week werd gevierd. Maar de ‘heilige der heilige zaken’ werden met een meer geheime verering omgeven, en de ‘sabbatten der sabbatten’ werden alleen op hun eigen feest gevierd. Zo kennen de Liederen der liederen een eigen geheim en veel innerlijker plechtigheid. Alleen wie begrip heeft van verborgen betekenissen kan in dit geheim binnendringen. Let men enkel op de buitenkant van de woorden, dan is er geen geheim.

7 Het is ook goed te weten dat er in de heilige Schrift verschillende soorten liederen zijn: er zijn overwinningsliederen, liederen die een aansporing of een getuigenis bevatten, er zijn lofliederen, liederen die om hulp smeken, liederen over de vereniging met God. Na de doortocht door de Rode zee zong Mirjam een overwinningslied: “Laten we zingen voor de Heer, Hij is de hoogste; paard en ruiter dreef Hij in zee”[Ex. 15, 21]. Toen de Israëlieten in de buurt van het beloofde land kwamen, richtte Mozes richtte zich tot hen met een lied van aansporing en getuigenis: “Luister hemel, ik zal spreken, hoor aarde naar de woorden uit mijn mond” [Deut. 32, 1]. Hanna die in zichzelf de vruchtbaarheid van de kerk voorzag, zong met deze woorden een loflied: “Mijn hart juicht om de Heer” [1 Sam. 2, 1]. Daarin brengt zij zelf, op een verbeeldende manier, het vruchtbaar nageslacht van de kerk onder woorden. Zij zegt immers: “De onvruchtbare vrouw baart vele kinderen, maar wie veel kinderen had, is verwelkt” [1 Sam. 2, 5]. David dichtte na de strijd een lied over ontvangen hulp: “Ik heb U lief, Heer, mijn sterkte!” [Ps. 17/18, 2]. Het lied van de vereniging met God is het lied dat gezongen wordt bij de bruiloft van bruidegom en bruid: het Lied der liederen. Dit lied gaat alle andere liederen des te meer te boven naarmate de bruiloft waarbij het ten gehore wordt gebracht verhevener is. Door de eerstgenoemde liederen vermijdt men immers de ondeugden, maar dit lied maakt ieder rijk aan deugden. De eerstgenoemde liederen maken waakzaam tegen de vijand, maar door dit lied omhelst een mens met vertrouwelijke liefde zijn Heer.

De verschillende namen van God

8 Opmerkenswaard is verder nog dat de Heer zich in de heilige Schrift nu eens ‘heer’ noemt, dan weer ‘vader’ of ‘bruidegom’. Wanneer Hij vrees wil inboezemen, noemt Hij zich ‘heer’; wanneer Hij geëerd wil worden, noemt Hij zich ‘vader’, en wanneer Hij bemind wil worden, noemt Hij zich ‘bruidegom’. Hij zelf zegt bij monde van de profeet: “Als Ik heer ben, waar is dan de vrees voor Mij? Als Ik vader ben, waar is dan mijn eer?” [Mal. 1, 6]. En elders: “Ik heb mij met jou verloofd in gerechtigheid en vertrouwen” [Hos. 2, 19/21]. En op nog een andere plaats: “Ik denk terug aan de dag van jouw verloving, in de woestijn” [Jer. 2, 2].

Nu spreekt het vanzelf: bij God zelf is er geen ‘nu’ en ‘dan’. Maar eerst wil Hij gevreesd worden opdat men Hem vervolgens eert, eerst wil Hij geëerd worden opdat men vervolgens tot zijn liefde komen kan. Daarom noemt Hij zich omwille van de vrees ‘heer’, omwille van de eer ‘vader’ en omwille van de liefde ‘bruidegom’: opdat een mens via de vrees tot de eer komt en via de eer tot liefde voor Hem. Voorzover eer meer waard is dan vrees wordt God liever ‘vader’ genoemd dan ‘heer’, en voorzover liefde kostbaarder is dan eer vindt Hij meer vreugde in de naam van ‘bruidegom’ dan in die van ‘vader’.

In dit boek[5] dragen God en de kerk niet de naam van ‘heer’ en ‘dienstmaagd’, maar die van ‘bruidegom’ en ‘bruid’. Waarom? Opdat God niet enkel met vrees, niet enkel met eerbied maar bovenal met liefde wordt gediend, en door deze uiterlijke woorden het innerlijk gevoel wordt aangevuurd. Wanneer Hij zich ‘heer’ noemt, geeft Hij aan dat wij geschapen zijn; wanneer Hij zich ‘vader’ noemt, geeft Hij aan dat wij zijn aangenomen kinderen zijn; wanneer Hij zich ‘bruidegom’ noemt, geeft Hij aan dat wij met Hem verenigd zijn. Met God verenigd zijn, betekent veel en veel meer dan door Hem te zijn geschapen en als kinderen aangenomen. Daarom wordt in dit boek waarin Hij ‘bruidegom’ wordt genoemd iets heel verhevens gesuggereerd: hier wordt een huwelijksverbond zichtbaar.

In het Nieuwe Testament worden deze benamingen vaak herhaald. Daar wordt immers de reeds voltrokken vereniging van het Woord en het vlees, van Christus en de kerk gevierd. Daarom zegt Johannes bij de komst van de Heer: “Bruidegom is hij die de bruid heeft” [Joh. 3, 29]. Daarom zegt de Heer zelf: “De vrienden van de bruidegom zullen toch niet vasten zolang de bruidegom bij hen is?” [Mt. 9, 15]. Daarom wordt tot de kerk gezegd: “Ik heb u verloofd met slechts één man, om u als een ongerepte maagd aan Christus aan te bieden” [2 Kor. 11, 2]. En elders: “...om een glorieuze kerk aan te bieden, zonder vlek of rimpel” [Ef. 5, 27]. En in de Openbaring van Johannes: “Zalig zij die geroepen zijn tot het bruiloftsfeest van het Lam” [Apoc. 19, 9]. En nogmaals in datzelfde boek: “En ik zag de bruid, als was zij zopas gehuwd, uit de hemel neerdalen” [Apoc. 21, 2].

De plaats van het Hooglied in het geheel van de heilige Schrift

9 Verder is het helemaal niet in tegenspraak met de grootsheid van dit geheim, dat dit boek de derde plaats inneemt in de geschriften van Salomo. De ouden hebben duidelijk gemaakt, dat er verschillende standen van leven zijn: het morele leven, het natuurlijke leven en het beschouwende leven. De Grieken noemden deze het ethische, het fysische en het theoretische leven.

Het boek Spreuken geeft het morele leven weer, wanneer het bijvoorbeeld zegt: “Mijn zoon, luister naar mijn wijsheid en geef oor aan mijn levenservaring” [Spr. 5,1]. Het boek Prediker heeft betrekking op het natuurlijke leven. In dat boek wordt immers overwogen dat alle dingen eindig zijn, met deze woorden bijvoorbeeld: “IJdelheid der ijdelheden, alles is ijdel” [Pred. 1, 2]. In de Liederen der liederen komt het beschouwende leven aan het woord. In die liederen wordt naar de komst en de aanschouwing van de Heer zelf verlangd, bijvoorbeeld wanneer met de stem van de bruidegom wordt gezegd: “Kom van de Libanon, kom” [Hgl. 4, 8). Ook de levens van de drie aartsvaders, Abraham, Isaac en Jacob, duiden deze drie levensstanden aan. Door gehoorzaam te zijn, heeft Abraham heeft het morele leven geleefd. Omdat hij putten sloeg, was Isaacs leven een voorafbeelding van het natuurlijke leven; want diepe putten slaan, wil zeggen: door over hun natuurlijke kant na te denken met scherpe blik alle dingen van hier beneden doorvorsen. Omdat hij engelen zag opstijgen en neerdalen, hield Jacob zich aan het beschouwende leven.

Welnu, omdat het nadenken over de natuurlijke kant niet tot volmaaktheid leidt wanneer men niet eerst een moreel leven heeft geleid, daarom volgt het boek Prediker terecht op dat van de Spreuken. En omdat een mens de hoogste beschouwing niet eerder in het oog krijgt dan wanneer hij tevoren heeft neergezien op wat onbestendig en lager is, daarom volgt het Hooglied terecht op Prediker. Eerst moet een mens zijn moreel leven op orde brengen; daarna moet hij alle dingen die er zijn, beschouwen als waren zij er niet; en op de derde plaats moet hij met een door zuiverheid gescherpte blik van het hart de ogen openen voor hogere en innerlijker dingen.

Door deze ordening van zijn boeken heeft hij[6] daarom als het ware een ladder gemaakt die voert naar de beschouwing van God: door eerst goed om te gaan met wat eerbaar is in deze wereld, en door vervolgens dat eerbare als niets te beschouwen, krijgt men uiteindelijk oog voor de innerlijke diepte van God.

Tenslotte: de komst van de Heer wordt bij monde van de kerk in dit werk op een zo algemene wijze verwacht, dat ook elke ziel afzonderlijk de intocht van God in haar hart tegemoet ziet als binnenkomen van de bruidegom in het slaapvertrek.

wordt vervolgd

--------------------------------------------------------------------------------

[1] Voor deze vertaling werd de tekstuitgave gebruikt zoals deze door R. Bélanger werd verzorgd in de serie Sources Chrétiennes (t. 314, Paris 1984). Eerst geeft Gregorius een korte inleiding over het lezen van de heilige Schrift en over het Hooglied (nrs. 1-10). Door middel van tussenkopjes hebben wij geprobeerd de opbouw van deze inleiding aan te geven. Vervolgens becommentarieert hij Hooglied 1, 1-8. Hij doet dit woord voor woord en vers voor vers. De indeling spreekt daarom vanzelf. Wel hebben wij steeds de desbetreffende citaten uit het Hooglied in klein kapitaal aangegeven.

[2] Wanneer Gregorius het over het Hooglied heeft, spreekt hij afwisselend van Lied der liederen en van Liederen der liederen. Wij hebben dat steeds in de vertaling bewaard.

[3] In de tekst staat hier het woord ‘impassibilitas’, de Latijnse vertaling van het Griekse woord ‘apatheia’. Er wordt mee bedoeld dat een mens geheel losstaat ten opzichte van zijn passies, zijn innerlijke opwellingen, zijn gevoelens en hartstocht, zó los dat niets hem kan verstoren. Het is het ideaal van het oude monnikendom: zó onverstoorbaar zijn, dat niets in of buiten een mens de gerichtheid op God verstoren kan. Het Nederlands kent geen geijkte vertaling van dit woord. Wij gebruiken hier daarom het woord ‘onverstoorbaarheid’. Een goede vertaling zou ook ‘gelatenheid’ kunnen zijn. Met dat woord geeft bijvoorbeeld Meister Eckart het begrip ‘apatheia’ aan.

[4] Namelijk: van het geloof.

[5] Gregorius bedoelt hier het Hooglied.

[6] Salomo.

1 2 3
Abdij van Egmond Abdijlaan 26 1935 BH Egmond-Binnen